← België

ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050201.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 01 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050201.7 Rolnummer: 364718 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-12-16 Raadplegingen: 164 - laatst gezien 2026-07-01 02:12 Fiches 1 - 2 Krachtens artikel 32undecies van de Welzijnswet moet de werknemer belang hebben om in rechte op te treden en feiten aanvoeren die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden. Hieruit blijkt dat de wetgever nooit de bedoeling heeft gehad om de bewijslast om te draaien, maar om de bewijslast te verdelen. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSWET . WELZIJN OP HET WERK Welzijnswet - pesterijen op het werk - wederrechtelijk gebruik van de klachtenprocedure - sanctie. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 6,7° - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSWET . WELZIJN OP HET WERK Welzijnswet - pesterijen op het werk - met redenen omklede klacht - omkering bewijslast - voorwaarden en gevolg. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32undecies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Nota: Gerangschikt onder III A B - artikel 6, 7° en onder III A B - artikel 32undecies Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00080,P.465-467) Tekst van de beslissing VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op DINSDAG EEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN VIJF in openbare zitting van de DERDE KAMER van de Arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden: S.DILLEN, Rechter in de Arbeidsrechtbank, Voorzitter der kamer, R.DILLEN, Rechter in Sociale Zaken, werkgever, aangesteld in vervanging van Dhr. J.Coppens, bij besch. dd. 01.02.2005 v.d.Voorzitter v.d. Arbeidsrechtbank overeenkomstig art.779 Ger.Wb; E.MAES, Rechter in Sociale Zaken, werknemer, bediende, aangesteld in vervanging van Dhr.J.Van Doren, bij dezelfde beschikking; R.DE ROOVERE, Griffier. Inzake : A.R. nr. 364.718 Mevrouw P.V., wonende te x; EISER, ter zitting vertegenwoordigd door Mr.V.Buelen loco Mr.M.DANEN, advocaat te 9120 Beveren-Waas, G.Van Gervenstraat 1a; Tegen O.S. BV, vennootschap naar Nederlands recht, ingeschreven in de Kamer van Koophandel te Alkmaar onder het registratienummer x, met zetel gevestigd te x; VERWEERSTER, ter zitting vertegenwoordigd door Mr.C.COOMANS, advocaat te 1080 Brussel, Havenlaan 16; VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS Gezien de stukken van het geding, gevoegd bij het rechtsplegingdossier en nader omschreven op de inventaris, onder meer: - het inleidend exploot van dagvaarding betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder P.Greeve met standplaats te Antwerpen, dd. 13 februari 2004; - het verzoekschrift op grond van artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek ontvangen ter griffie op 20 april 2004; - de conclusies voor verweerster ontvangen ter griffie op 22 april 2004; - de beschikking overeenkomstig artikel 747 ,§ 2 van het gerechtelijk Wetboek dd. 13 mei 2004; - de conclusies voor eiseres ontvangen ter griffie op 30 juni 2004; - de aanvullende conclusies voor verweerster ontvangen ter griffie op 28 juli 2004; - de aanvullende conclusies voor eiseres ontvangen ter griffie op 1 september 2004; - de aanvullende en syntheseconclusies voor eiseres ontvangen ter griffie op 31 augustus 2004; - de repliek - en syntheseconclusies voor verweerster ontvangen ter griffie op 28 september 2004; - het advies van het Openbaar Ministerie neergelegd ter griffie op 20 december 2004; - de replieknota van eiseres na advies van het Openbaar Ministerie neergelegd ter griffie op 4 januari 2005; - de conclusies van verweerster na advies van het Openbaar Ministerie neergelegd ter griffie op 4 januari 2005; - fax - bericht aan verweerster met in bijlage het afschrift van het advies van het O.M. dd.31 december 2004; - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen; x x x Gelet op de wet van 15.6.1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd; Gehoord partijen, bij monde van hun raadslieden, in hun middelen en gezegden op de openbare terechtzitting van 7 december 2004; Het debat werd voorafgegaan door een poging tot minnelijke regeling overeenkomstig de bepaling van art. 734 van het Gerechtelijk Wetboek, doch partijen kwamen niet tot een verzoening; Recht doende op de stukken die zich in het dossier bevinden; x x x

  1. DE HOOFDVORDERING: Met inleidende dagvaarding dd.15 januari 2003 vordert eiseres betaling door verweerster van volgende bedragen: - EUR 11 952,38 bruto ten titel van opzeggingsvergoeding - EUR 23 904,77 ten titel van ontslagvergoeding in het kader van de Welzijnswet; bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 23 december 2003 wat de opzeggingsvergoeding betreft en met de vergoedende intresten vanaf 23 december 2003 wat de ontslagvergoeding voorzien in de Welzijnswet betreft. Eiseres vordert bovendien verweerster te veroordelen tot afgifte binnen de 5 kalenderdagen vanaf de betekening van het vonnis, van alle nodige sociale en fiscale documenten en bescheiden, waaronder het C4-formulier. Tenslotte vordert eiseres verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingvergoeding, alsook het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad spijts welk rechtsmiddel ook, zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement. In conclusies neergelegd ter griffie van deze Rechtbank op 30 juni 2004 herleidt eiseres haar vordering en vordert thans nog betaling van: - EUR 599,98 bruto ten titel van saldo opzeggingsvergoeding meer de wettelijke intresten vanaf 23 december 2003 - EUR 12 000,46 ten titel van ontslagvergoeding zoals voorzien in de Welzijnswet, meer de vergoedende intresten vanaf 23 december
  2. Het overige gevorderde wordt volledig hernomen. In syntheseconclusies ontvangen ter griffie van deze Rechtbank op 31 augustus 2004 breidt eiseres haar vordering uit conform artikel 807 Ger.W. en vordert thans betaling van verweerster van volgende bedragen: - EUR 599,98 bruto ten titel van saldo opzeggingsvergoeding meer de wettelijke intresten vanaf 23 december 2003 - EUR 12 000,46 ten titel van ontslagvergoeding zoals voorzien in de Welzijnswet, meer de vergoedende intresten vanaf 23 december 2003 - EUR 12 000,46 ten titel van schadevergoeding zoals voorzien in artikel 32decies van de Welzijnswet, meer de vergoedende intresten vanaf 23 december
  3. De afgifte van de sociale documenten wordt niet langer gevorderd.
  4. DE TEGENVORDERING: In conclusies na advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter griffie van deze Rechtbank op 4 januari 2005 stelt verweerster op hoofdeis, eiseres op tegeneis, een tegenvordering in t.b.v. EUR 12 000,46 als schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W., wegens misbruik door eiseres op hoofdeis, verweerster op tegeneis, van de klachtenprocedure voorzien in de Welzijnswet. Eiseres op tegeneis, verweerster op hoofdeis verzoekt de Rechtbank verweerster op tegeneis, eiseres op hoofdeis, tevens te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingvergoeding.
  5. DE FEITEN: Eiseres trad in dienst van verweerster in de hoedanigheid van "Gerante/Filiaalleidster" van de O.S. te Antwerpen vanaf 8 april 1997 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 6 maanden die later werd omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Vanaf 15 januari 2000 werd deze functie deeltijds uitgeoefend. Op 19 september 2002 ontvangt verweerster een schrijven van drie werkneemsters van de O.S. in Antwerpen waarin deze zich beklaagden over de tekort-komingen en weinig professionele houding van eiseres. Op 15 mei 2003 werd eiseres door de District Manager aangemaand m.b.t. haar laattijdigheid in verband met de opening van de winkel. Op 24 november 2003 bracht de nieuwe Retail Manager Europe, Mevrouw Verveld een bezoek aan de O.winkel te Antwerpen. Bij dit bezoek bleek dat het personeel nog steeds aandrong op een oplossing zoals meegedeeld in haar brief van 19 september
  6. Op 16 december 2003 brengt Mevrouw Verveld opnieuw een bezoek aan de winkel te Antwerpen teneinde klaarheid te brengen in de problemen. Volgens eiseres zou er dan een stemming gehouden zijn waaruit bleek dat eiseres diende op te stappen. Verweerster stelt dat de Retail Manager alle personeelsleden bij zich heeft geroepen en daarna geconcludeerd heeft dat een verdere samenwerking niet meer mogelijk was. Met brief van 17 december 2003 dus 1 dag na het gesprek, ontvangt eiseres een schrijven van verweerster. De inhoud luidt als volgt: " Hiermede bevestigen wij ons gesprek op dinsdag 16 december jl. in aanwezigheid van Mevrouw Arjanne Verveld en ondergetekende met u hadden. Wij hebben toen vastgesteld dat het team zich unaniem heeft uitgesproken t.a.v. uw niet functioneren als store manager in de winkel te Antwerpen. Als gevolg hiervan hebben wij u m.i.v. 16 december 2003 vrij gesteld van werkzaamheden. Tevens spraken wij af dat wij uiterlijk 23 december a.s. de procedure m.b.t. de beeindiging van uw dienstverband met O.S.s BV overeen zullen komen c.q. zullen voorleggen." Eveneens op 17 december 2003 reageert eiseres aangetekend en per fax, bij monde van haar raadsman als volgt: "Mijn cliënte werd op 16 december jl. op zeer lasterlijke wijze verzocht om gedurende een week niet te komen werken. Dit verzoek ging éénzijdig uit van de werkgever, vertegenwoordigd door de Retail Manager Europe, en mijn cliënte is hier vanzelfsprekend niet tevreden mee. In uitvoering van de arbeidsovereenkomst bent U ertoe gehouden mijn cliënte in de mogelijkheid te stellen haar prestaties te verrichten. Ik verzoek u dan ook met aandrang mij per kerende te bevestigen dat mijn cliënte op Uw verzoek een week vrijgesteld werd met behoud van loon. Zoniet zal mijn cliënte zich op vrijdag 19 december as. (dinsdag en woensdag werkt cliënte niet), zondermeer aanbieden op het werk om haar taak als Store Manager te vervullen..." Nog op diezelfde dag legde eiseres een formele klacht wegens pesterijen neer bij de preventie-adviseur. Hierop werd door verweerster niet gereageerd. Er werd door partijen nog over en weer briefwisseling gevoerd. Op 22 december 2003 werd door verweerster het ontslag van eiseres betekend met ingang vanaf 23 december 2003 Op de vraag van eiseres tot reïntegratie dd. 24 december 2003 werd door verweerster niet ingegaan. Op 13 februari 2004 gaat eiseres over tot dagvaarding. Het weze opgemerkt dat partijen niet betwisten dat Belgisch recht van toepassing is.
  7. IN RECHTE: 4.
  8. De opzeggingsvergoeding: Oorspronkelijk vorderde eiseres een opzeggingsvergoeding van EUR 11 952,
  9. In de loop van de procedure bereikten partijen een akkoord omtrent de opzeggingstermijn, stellende dat eiseres gerechtigd was op een opzeggingsvergoeding van 6 maand brutoloon. De enige betwisting die thans nog rest is de berekening van het brutoloon. Verweerster stelt het basisjaarloon van eiseres als volgt samen: - basisloon: EUR 1 603,86 x 13,92 = EUR 22 325,73 - bonus : EUR 412,00 x 15,34 % = EUR 475,20 Totaal/jaar : EUR 22 800,93 Verweerster betaalde in de loop van de procedure een bedrag uit van EUR 11 400,48, zijnde 6 maanden brutoloon. Eiseres berekent haar basisjaarloon als volgt: - basisloon: EUR 1 603,86 x 13,92 = EUR 22 325,73 - bonus: EUR 412,00 x 15,34 % = EUR 475,20 - voordeel parking: EUR 100,00 x 12 = EUR 1 200,00 Totaal/jaar : EUR 24 000,93 Eiseres vordert bijgevolg een opzeggingsvergoeding van EUR 12 000,46, zijnde 6 maanden brutoloon. Thans vordert eiseres bijgevolg nog een saldo opzeggingsvergoeding van EUR 599,98 (EUR 12 000,46 - EUR 11 400,48). Eiseres stelt bijgevolg dat bij het berekenen van het basisjaarloon er eveneens rekening dient gehouden te worden met de gratis parkeerplaats dewelke verweerster haar ter beschikking stelde en eiseres begroot dit voordeel op EUR 100,
  10. Verweerster stelt dat de terbeschikkingstelling van de parkeerplaats enkel werd bedoeld voor beroepsdoeleinden. Eiseres stelt dat ze de parkeerplaats ook gebruikte buiten de kantooruren waardoor zij veel geld kon uitsparen. De rechtbank dient vast te stellen dat eiseres woonachtig was in Brecht zodat ze enkel werkte in Antwerpen. Eiseres legt geen enkel bewijsstuk voor waaruit kan worden afgeleid dat ze ook buiten haar arbeidsuren gebruik maakte van de ter beschikking gestelde parking. Het ter beschikking stellen van een parkeerplaats dicht bij de plaats van tewerkstelling is in principe een hulpmiddel voor de werknemer ter uitvoering van de arbeid in de zin van artikel 20,1° Arbeidsovereenkomstenwet. Nu eiseres niet aantoont dat ze deze parkeerplaats ook voor privé-doeleinden gebruikte waardoor ze een extra voordeel zou hebben, dient bij de bepaling van het basisjaarloon geen rekening te worden gehouden met het parkingvoordeel door eiseres begroot op EUR 100,
  11. Door partijen wordt niet betwist dat verweerster ondertussen een bedrag van EUR 11 400,48 opzeggingsvergoeding aan eiseres betaalde. Het meergevorderde door eiseres is bijgevolg ongegrond. 4.
  12. De gevorderde vergoedingen ingevolge "pesterijen" De wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk voegt in de Welzijnswet de verplichting voor de werkgever in om een aantal preventieve en repressieve maatregelen te nemen teneinde geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op de werkvloer te voorkomen of een halt te kunnen toeroepen. Het preventieve en het repressieve luik werden verder uitgewerkt bij K.B. en Omzendbrief van dezelfde datum. Het nemen van de preventieve maatregelen wordt aan de werkgever opgelegd om ervoor te zorgen dat pesterijen binnen de onderneming kunnen voorkomen worden of om ervoor te zorgen dat de werkgever accuraat kan optreden en pesterijen kan doen ophouden indien ze zich toch zouden voordoen. Indien de preventieve maatregelen niet hebben kunnen voorkomen dat er gepest werd, voorziet de wet van 11 juni 2002 tevens in een repressief luik. Dit repressief luik stelt slachtoffers van ongewenst gedrag in staat om in geval van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag, een klacht in te stellen volgens een welbepaalde procedure of om een vordering tot staking in te stellen. Teneinde het slachtoffer effectief de mogelijkheid te geven een klacht in te dienen en naar aanleiding hiervan een constructieve oplossing te bekomen, voorzag de wetgever in een specifieke ontslagbescherming. Eiseres vordert thans een vergoeding van 6 maanden brutoloon op grond van artikel 32tredecies van de Welzijnswet en een schadevergoeding van 6 maanden brutoloon op grond van artikel 32decies van de Welzijnswet. Zoals reeds hierboven gesteld werden in de Welzijnswet een aantal nieuwe bepalingen ingevoerd die pesterijen op het werk bestraffen. Zo bepaalt het nieuwe artikel 32 bis: "De werkgevers en de werknemers en de daarmee gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2,,§1 en de andere dan de bij artikel 2,,§1 bedoelde personen die in contact komen met de werknemers bij de uitvoering van hun werk, zijn ertoe gehouden zich te onthouden van iedere daad van geweld, pesterijen of van ongewenst seksueel gedrag op het werk." Het nieuwe artikel 32ter bepaalt: "Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: 1° geweld op het werk: elke feitelijkheid waarbij een werknemer of een andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is, psychisch of fysiek wordt lastiggevallen, bedreigd of aangevallen bij de uitvoering van het werk. 2° pesterijen op het werk: elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren en éénzijdige geschriften en dat tot doel of gevolg heeft de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd; 3° ongewenst seksueel gedrag op het werk: elke vorm van verbaal, niet-verbaal of lichamelijk gedrag van seksuele aard waarvan degene die zich er schuldig aan maakt, weet of zou moeten weten dat het afbreuk doet aan de waardigheid van vrouwen en mannen of het werk..." Artikel 32decies bepaalt dat al wie een belang kan aantonen, een vordering kan instellen voor het bevoegde rechtscollege. Onverminderd de mogelijkheid tot toekenning van een schadevergoeding, kan ook een bevel tot staking worden opgelegd. Hierbij dient tevens artikel 32undecies te worden vermeld dat bepaalt dat een persoon die stelt gepest te worden, een belang moet kunnen aantonen voor het bevoegd rechtscollege en feiten moet aanvoeren die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden. Door het aanvoeren van deze feiten valt de bewijslast op verweerster die dan moet bewijzen dat er geen sprake is van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk. Vooreerst dient nagegaan te worden wat de wetgever bedoelde met het kunnen aantonen van een belang en met het aannemelijk maken van de feiten waardoor de bewijslast zou omgedraaid worden. De Rechtbank sluit zich hier aan bij het gemotiveerde advies van de heer Arbeidsauditeur daar waar hij stelt: " Vooreerst dient nagegaan te worden wat de wetgever bedoelde met het kunnen aantonen van een belang en met het aannemelijk maken van de feiten waardoor de bewijslast zou omgedraaid worden. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de wetgever nooit de bedoeling heeft gehad om de bewijslast om te draaien. Wel is het de intentie geweest om de bewijslast te verdelen. Pas wanneer de gepeste persoon een belang aantoont en feiten aanhaalt die het bestaan van pesterijen doen vermoeden, is het aan de persoon die zich schuldig zou maken aan pesterijen om te bewijzen dat deze feiten geen pesterijen uitmaken. De voorbereidende werken formuleren het als volgt: " De omkering van de bewijslast geldt voorts alleen als de werknemer-slachtoffer kan aantonen dat hij een belang heeft. Dat zal hij moeten doen aan de hand van het verslag van de pre- ventieadviseur en door toedoen van de verschillende personen die getracht hebben het probleem op te lossen binnen de onderneming".

(1)De omkering van de bewijslast geldt dus alleen als een belang kan aangetoond worden, en deze verantwoording zal geschieden: "door de indiening van de rapporten van de preventie-adviseur en de medische inspectie, die de elementen van geweld of pesterijen vaststellen".
(2)Uit de voorbereidende werken blijkt dus dat de wetgever veel belang hecht aan de interne procedure omdat er hierdoor meer elementen worden verschaft die het slachtoffer ten goede komen waardoor het vereistebegin van bewijs gemakkelijker wordt voorgelegd om de bewijslast bij de persoon die zich schuldig zou maken aan pesterijen te leggen.
(3)Eiser moet derhalve de pest-feiten aannemelijk maken en draagt dus ook een dee} van de bewijslast. Pas nadat de feiten aannemelijk zijn gemaakt, wordt de bewijslast omgedraaid en moet de "pester" bewijzen dat de aangevoerde feiten geen pesterijen uitmaken.
(4)
(1)Verslag namens de commissie voor de sociale zaken uitgebracht door de heer Paul Timmermans bij het wetsontwerp betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, Parl. St., Kamer, 2001-2002, doc. 50 1583/005,35.
(2)Ibid., 54.
(3)memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, Parl.St., Kamer, 2001-2002, doc. 50 1538/001, 20.
(4)S.WASSENHOVE en P.BRASSEUR, " De nouvelles mesures contre le harcèlement et la violence au travail", J.T.2002, 810; J.P.CORDIER, " La loi du 11 juin 2002 relative à la protection contre la violence et le harcèlement moral ou sexuel au travail", J.T.T.2002,
  1. Artikel 32tredecies ,§1 bepaalt verder: ,§
  2. De werkgever die een werknemer tewerkstelt die, hetzij op het vlak van de onderneming of van de instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures, hetzij bij de met het toezicht belaste ambtenaren, een met redenen omklede klacht heeft ingediend of voor wie deze ambtenaren zijn opgetreden, of die een rechtsvordering instelt op grond van dit hoofdstuk, mag de arbeidsverhouding niet beëindigen, noch de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigen, behalve om redenen die vreemd zijn aan die klacht of aan die rechtsvordering. ,§
  3. De bewijslast van de in ,§ 1 bedoelde redenen berust bij de werkgever, wanneer de werknemer wordt ontslagen of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig worden gewijzigd binnen twaalf maanden volgend op het indienen van de klacht of het afleggen van de getuigenverklaring. Deze bewijslast berust eveneens bij de werkgever in geval van ontslag of eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden nadat een rechtsvordering werd ingesteld, en dit tot drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis. ,§
  4. Wanneer de werkgever de arbeidsverhouding beëindigt of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigt in strijd met de bepalingen van ,§ 1, kan de werknemer, of de werknemersorganisatie waarbij hij is aangesloten, verzoeken hem opnieuw in de onderneming of de in.telling op te nemen onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven. Het verzoek moet met een aangetekende brief gebeuren binnen dertig dagen volgend op de datum van de kennisgeving van de opzegging, van de beëindiging zonder opzegging of van de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. De werkgever moet zich binnen dertig dagen volgend op de kennisgeving van de brief over het verzoek uitspreken. De werkgever die de werknemer opnieuw in de onderneming of de instelling opneemt of hem zijn functie onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven laat uitoefenen, moet het wegens ontslag of wijziging van de arbeidsvoorwaarden gederfde loon betalen alsmede de werkgevers - en werknemersbijdragen op dat loon storten. ,§
  5. Wanneer de werknemer na het in ,§ 3, eerste lid bedoelde verzoek niet opnieuw wordt opgenomen of zijn functie niet onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven kan uitoefenen en de rechter geoordeeld heeft dat het ontslag of de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden indruist tegen de bepalingen van ,§ 1, moet de werkgever aan de werknemer een vergoeding betalen die, naar keuze van de werknemer, gelijk is helzij aan een forfaitair bedrag dat, overeenstemt met het brutoloon voor zes maanden, hetzij aan de werkelijk door de werknemer geleden schade; in laatstgenoemd geval moet de werknemer de omvang van de geleden schade bewijzen. ,§
  6. De werkgever is verplicht dezelfde vergoeding uit te betalen, zonder dat de werknemer het in ,§ 3, eerste lid bedoelde verzoek moet indienen om opnieuw te worden opgenomen op zijn functie onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven te kunnen uitoefenen: 1 ° wanneer het bevoegde rechtscollege de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk bewezen acht; 2° wanneer de werknemer de arbeidsovereenkomst verbreekt, omdat het gedrag van de werkgever in strijd is met de bepalingen van ,§ 1, en in hoofde van de werknemer een reden is om de arbeidsovereenkomst zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn te verbreken; 3° wanneer de werkgever de werknemer heeft ontslagen om een dringende reden, op voorwaarde dat het bevoegde rechtscollege dit ontslag ongegrond verklaart en in strijd met de bepalingen van ,§
  7. Wanneer een procedure op grond van een met redenen omklede klacht werd aangevat op het niveau van de onderneming of de instelling stelt de preventieadviseur de werkgever onmiddellijk op de hoogte van het feit dat de werknemer de bescherming bedoeld bij dit artikel geniet. ,§
  8. De in dit artikel bedoelde bescherming is eveneens van toepassing op de werknemers die optreden als getuige in geschillen waartoe dit hoofdstuk aanleiding zou kunnen geven. Ten slotte bepaalt artikel 6,7° van de Welzijnswet dat elke werknemer: "op positieve manier (moet) bijdragen tot het preventiebeleid dat tot stand wordt gebracht ...en zich (moet) onthouden van elk wederrechtelijk gebruik van de klachtenprocedure." De hierboven opgesomde wetsbepalingen dienen thans te worden getoetst op het voorliggend geschil. Vooreerst dient onderzocht te worden of het ontslag van eiseres vreemd is aan de klacht wegens pesterijen. Vervolgens moet worden onderzocht of de schadevergoeding voor het niet oprichten van de nodige organen ter preventie van pesterijen kan toegekend worden. 4.2.
  9. De vordering tot ontslagbescherming o.g.v. artikel 32tredecies Welzijnswet : Eiseres vordert een ontslagbescherming gelijk aan het brutoloon van 6 maanden door haar becijferd op EUR 12 000,
  10. Eiseres steunt haar vordering op artikel 32tredecies Welzijnswet. Eiseres stelt verder dat zij op 17 december 2003 een met redenen omklede klacht indiende bij de bijzondere preventieadviseur wegens pesterijen. Ingevolge deze klacht diende verweerster de pesterijen te onderzoeken en mocht ze niet tot ontslag overgaan. Vervolgens stelt eiseres dat verweerster niettegenstaande deze klacht toch op 23 december 2003 overging tot ontslag. Volgens eiseres bewijst verweerster niet dat zij tot ontslag overging om redenen vreemd aan de klacht. Verweerster daarentegen stelt dat eiseres haar klacht wegens vermeende pesterijen heeft ingesteld met de enige bedoeling te kunnen genieten van de door de Welzijnswet voorziene ontslagbescherming en deze ontslagbescherming derhalve misbruikt. Zoals hierboven in artikel 32tredecies Welzijnswet bepaald moet de werkgever die een persoon ontslaat die een klacht heeft ingediend wegens pesterijen, aan deze persoon een vergoeding betalen die, naar keuze van de werknemer, gelijk is hetzij aan een forfaitair bedrag dat overeenstemt met het brutoloon voor zes maanden, hetzij aan de werkelijk door de werknemer geleden schade. De werkgever dient deze vergoeding niet te betalen indien hij kan aantonen dat het ontslag vreemd is aan de klacht. De rechtbank dient bijgevolg de juiste chronologie van de feiten te reconstrueren om na te gaan of eiseres gerechtigd is op de door haar gevorderde ontslag-vergoeding. De rechtbank dient zich hiervoor te baseren op de door partijen bijgebrachte stukken. Uit de bijgevoegde briefwisseling blijkt dat er op 16 december 2003 een gesprek plaatsvond tussen de retail manager van verweerster en alle personeelsleden van de O.winkel te Antwerpen. Na dit gesprek concludeert de retail manager dat verdere samenwerking tussen eiseres en de andere personeelsleden onmogelijk is en deelt zij eiseres mee dat zij voorlopig vrijgesteld is van prestaties met behoud van loon. Verweerster stelt thans dat zij aan eiseres op diezelfde dag, 16 december 2003 heeft meegedeeld dat ze ontslagen zou worden en dat dit ontslag haar per brief zou worden meegedeeld. Eiseres blijft bij haar standpunt dat er geen enkele afspraak werd gemaakt betreffende haar ontslag maar ze ontkent ook niet dat er over haar ontslag werd gesproken. In casu kan verwezen worden naar de brief van eiseres van 18 december 2003, opgesteld door haar raadsman, waarbij deze reageert op een brief van 17 december 2003 van verweerster waarin verweerster stelt "... Wij hebben toen vastgesteld dat het team zich unaniem heeft uitgesproken t.a.v. uw niet functioneren als store manager in de winkel in Antwerpen. Als gevolg hiervan hebben wij u m.i.v. 16 december 2003 vrijgesteld van werkzaamheden. Tevens spraken wij af dat wij uiterlijk 23 december a.s. de procedure m.b.t. de beëindiging van uw dienstverband met O.S.s BV overeen zullen komen c.q zullen voorleggen." In de bewuste brief van 18 december 2003 reageert eiseres, bij monde van haar raadsman, als volgt: "Uw fax van heden met betrekking tot de in rand vermelde zaak ontving ik in goede orde. De inhoud ervan dien ik nu reeds ten stelligste te betwisten nu er met mijn cliënte geen enkele "afspraak" werd gemaakt. Nergens blijkt uit uw schrijven de exacte periode gedurende dewelke mijn cliënte door U zou zijn vrijgesteld geworden van werkzaamheden, laat staan de datum waarop zij zich terug dient aan te bieden..." Uit de niet betwiste stukken (het verslag van het gesprek van 16 december 2003 tussen de retail manager, eiseres en mevrouw Ceulemans) blijkt immers dat eiseres verdere samenwerking met haar "assistente", mevrouw Ceulemans, verder uitsloot en dat zij deze werkneemster zelfs haatte. Aangezien mevrouw Ceulemans nog wel wilde proberen om samen te werken met eiseres besliste de retail manager dat het het beste was om eiseres te ontslaan. Op 17 december 2003 verstuurt verweerster een brief naar eiseres (zie hierboven) waarin zij het gesprek tussen de retail manager en eiseres bevestigt. Op 17 december 2003 stelt de werkgever met andere woorden uitdrukkelijk dat het ontslag van eiseres nakend is. Diezelfde dag, 17 december 2003 om 16u44 en 16u51, legt eiseres per fax een klacht neer voor pesterijen op het werk. Hoewel uit de stukken blijkt dat de werkgever reeds had beslist om eiseres te ontslaan vooraleer de klacht wegens pesterijen werd neergelegd, dient wel te worden vastgesteld dat eiseres pas effectief werd ontslagen per brief van 22 december 2003 met ingang van 23 december 2003 dus na indiening van de klacht. Samen met de Heer Arbeidsauditeur is de Rechtbank van oordeel dat het ontslag dateert van na de klacht en de klacht met het ontslag te maken heeft en dus niet vreemd was aan de klacht. Eiseres vordert bijgevolg terecht een ontslagbeschermingsvergoeding van 6 maanden brutoloon. Aangezien de Rechtbank van oordeel is dat het basisjaarloon van eiseres EUR 22 800,93 (zie uiteenzetting onder punt 4.1.) bedraagt dient de gevorderde vergoeding begroot te worden op een bedrag van EUR 11 400,48 i.p.v. het door eiseres gevorderde bedrag van EUR 12 000,
  11. Dit onderdeel van de vordering is dan ook in die mate gegrond. Het door partijen aangeboden getuigenverhoor is dan ook niet terzake dienend. Verweerster stelt in haar verweer dat eiseres de ontslagbescherming heeft misbruikt. Artikel 6, 7° Welzijnswet bepaalt dat de werknemer, in casu eiseres, de klachtenprocedure niet wederrechtelijk mag gebruiken. Er dient bijgevolg te worden nagegaan of eiseres misbruik heeft gemaakt van de klachtenprocedure. Uit de hierboven vermelde reconstructie van de feiten treedt de Rechtbank de mening van de Heer Arbeidsauditeur bij daar waar deze stelt dat de klacht vooral is ingediend om van de bescherming van de Welzijnswet te kunnen genieten en niet omdat er sprake zou zijn van pesterijen. Deze vaststelling wordt nogmaals bijgetreden door het feit dat er in deze zaak hoegenaamd geen sprake is van pesterijen. Nalezing van de klacht maakt duidelijk dat enkel het verloop van de gebeurtenissen van 16 december 2003 wordt weergegeven. Nergens wordt weergegeven welke feiten pesterijen uitmaken. Eiseres verwijst naar de brief van 19 september 2002 uitgaande van enkele personeelsleden en naar het gesprek met de retail manager op 16 december
  12. Wat de bewuste brief betreft dient de Rechtbank op te merken dat het loutere feit dat personeelsleden een brief schrijven naar de directie geen pesterij uitmaakt aangezien het niet gaat om "om onrechtmatig en terugkerend gedrag " zoals voorzien in artikel 32 ter Welzijnswet. Ook het gesprek en de gebeurtenissen die plaatsvonden op 16 december 2003 en aanleiding hebben gegeven tot het ontslag van eiseres kunnen evenmin worden bestempeld als pesterijen. Zoals ook de Heer Arbeidsauditeur in zijn advies correct weergeeft staat het de verantwoordelijke van een firma vrij om alle personeelsleden te horen om nadien tot de conclusie te komen dat het ontslag van een werknemer zich opdringt. Dat verweerster het hierbij tot een stemming zou hebben laten komen, wat verweerster zelf uitdrukkelijk betwist, is misschien een vreemde manier om het gezag uit te oefenen maar is daarom nog niet onrechtmatig. Verder dient uit de bijgevoegde stukken te worden afgeleid dat de gebeurtenissen van 16 december 2003 en de brief van 19 september 2002 uitgaande van de werkneemsters van de winkel te Antwerpen éénmalige feiten en wordt er geen enkel ander stuk bijgebracht waaruit moet blijken dat er nog andere feiten gebeurden die onder de noemer "pesterijen" kunnen worden ondergebracht. Feiten van pesterijen moeten een repetitief karakter vertonen, het moet om terugkerend gedrag gaan. Eén voorval kan niet onder pesterijen worden teruggebracht (Arbrb. Brussel, 18 juli 2003, AR 35/2003, onuitgeg.) De feiten die worden vermeld in de klacht van eiseres van17 december 2003 kunnen niet als pesterijen beschouwd worden. De Rechtbank sluit zich dan ook aan bij de heer arbeidsauditeur daar waar deze besluit dat eiseres, toen ze wist dat ze ontslagen ging worden ze een totaal ongegronde klacht heeft ingediend wegens pesterijen om aldus een ontslagbescherming te kunnen bekomen. Eiseres maakte bijgevolg misbruik van de procedure inzake pesterijen De Welzijnswet heeft echter geen sanctie voorzien op het misbruik van het klachtenrecht door een werknemer. De heer Arbeidsauditeur verwijst terzake naar de voorbereidende werken. In de voorbereidende werken en m.b. in de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk ( Parl. St. Kamer, 2001-2002, 50-1583/001, p.9-10) wordt echter hieromtrent gesteld: "Maar door in de wet een verplichting op te nemen waarbij gesteld wordt dat de werknemer de klachtenprocedure niet wederrechtelijk mag gebruiken, wordt het bovendien mogelijk in dergelijke gevallen de sanctiemechanismen van het arbeidsrecht in werking te stellen. Dit impliceert dat de werknemer kan gesanctioneerd worden door de werkgever, o.a. via de sancties die opgenomen zijn in het arbeidsrecht." Het zou dus perfect mogelijk zijn een sanctie op te leggen bij misbruik van het klachtenrecht. Deze sanctie kan arbeidsrechtelijk of burgerrechtelijk zijn en aldus aanleiding geven tot vergoeding van de schade ingevolge het misbruik. In casu moet echter worden vastgesteld dat verweerster geen schadevergoeding vorderde wegens het gestelde misbruik. Het is evident dat de Rechtbank geen schadevergoeding kan toekennen als deze door de belanghebbende partij niet wordt gevraagd. Er dient echter opgemerkt te worden dat verweerster in haar besluiten na advies van het openbaar ministerie plots alsnog, bij tegenvordering, een schadevergoeding vordert van EUR 12 000,46 wegens misbruik door eiseres van de klachtenprocedure inzake pesterijen voorzien door de Welzijnswet. Verweerster vordert deze schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W. Het is evident dat deze tegenvordering ontoelaatbaar is. De repliektermijn toegestaan aan partijen dient enkel en alleen om te antwoorden op het advies van het openbaar ministerie. De Rechtbank kan en mag niet ingaan op een in conclusies na het advies gestelde nieuwe vordering. De tegenvordering van verweerster op hoofdeis is dan ook ontoelaatbaar. 4.2.
  13. De schadevergoeding wegens het niet nemen van preventieve maatregelen zoals gesteld in artikel 32decies Welzijnswet: In conclusies ontvangen ter griffie van deze Rechtbank op 31 augustus 2004 breidt eiseres haar vordering uit en vordert thans ook betaling van verweerster van een bedrag van EUR 12 000,46 ten titel van schadevergoeding zoals voorzien in artikel 32decies van de Welzijnswet. Eiseres stelt dat ze conform hoger vernoemd artikel recht heeft op een schadevergoeding gelijk aan 6 maanden loon aangezien verweerster niets heeft gedaan om de pesterijen te voorkomen of een halt toe te roepen. Eiseres breidt bijgevolg haar eis uit overeenkomstig artikel 807 Ger.W. Dit artikel bepaalt dat een vordering kan uitgebreid worden indien de nieuwe op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. De uitbreiding van het voorwerp van de vordering moet dus steunen op een in de gedinginleidende akte aangegeven (rechts)feit of (rechts)handeling. Eiseres baseert haar uitgebreide vordering op het niet uitwerken door verweerster van de bepalingen van de Welzijnswet inzake de verplichting van de werkgever om een reeks preventieve maatregelen te nemen teneinde pesterijen op de werkvloer te vermijden. Samen met verweerster dient opgemerkt dat dit argument nergens in de gedinginleidende dagvaarding van 13 februari 2004 werd opgeworpen. In de gedinginleidende dagvaarding werd enkel de overtreding van de beschermingsregeling zoals voorzien in artikel 32tredecies van de Welzijnswet opgeworpen. De nieuwe eis van eiseres ingesteld bij besluiten ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 31 augustus 2004 steunt bijgevolg op een volledig ander feit dan datgene opgeworpen in de gedinginleidende akte zodat dit onderdeel van de vordering bijgevolg onontvankelijk is.
  14. DE UITVOERBAARHEID BIJ VOORRAAD: Eiseres vordert het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad zonder enige reserve. Er worden echter geen feiten aangehaald, laat staan bewezen, die deze maatregel zouden rechtvaardigen, zodat hierop niet kan worden ingegaan. De bewering van eiseres dat verweerster in ernstige financiële problemen verwikkeld is waarbij ze nog slechts een jaar respijt heeft bekomen van haar kredietverleners om haar financiële en economische situatie te keren blijkt uit geen enkel stuk van het dossier. Er wordt dus ook niet aangetoond dat verweerster insolvabel zou zijn of een onwillige schuldenaar die vertragingsmaatregelen zou aanwenden, noch welk ernstig nadeel zou worden geleden, indien niet zou worden afgeweken van het beginsel van de schorsende werking van de rechtsmiddelen. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Recht doende op tegenspraak, Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andere en strijdige conclusies verwerpende, Verklaart de vordering m.b.t. het saldo opzeggingsvergoeding en de ontslagvergoeding o.g.v. artikel 32tredecies van de Welzijnswet ontvankelijk en in volgende mate gegrond: Veroordeelt verweerster tot betaling aan eiseres van: - ELF DUIZEND VIERHONDERD EURO ACHTENVEERTIG CENT (EUR 11 400,48) ten titel van ontslagvergoeding op grond van artikel 32tredecies van de Welzijnswet te vermeerderen met de vergoedende intresten en de gerechtelijke intresten vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid. Wijst het meergevorderde af. Verklaart de vordering m.b.t. de gevorderde schadevergoeding o.g.v. artikel 32decies van de Welzijnswet onontvankelijk. Veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding aan de zijde van eiseres begroot op EUR 259,17 dagvaardingskosten en EUR 342,09 rechtsplegingvergoeding doch herleid op EUR 209,71 rechtsplegingvergoeding en aan de zijde van verweerster begroot op EUR 209,71 rechtsplegingvergoeding. Staat de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis niet toe. PDF document ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050201.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.