← België

ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050304.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 04 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050304.5 Rolnummer: 357902 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-14 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-01 02:45 Fiches 1 - 3 Wanneer de personeelsafgevaardigde ontslag neemt als lid van de ondernemingsraad of van het comité voor preventie en bescherming op het werk, eindigt de ontslagbescherming. Ingeval van ontslag uit het mandaat herneemt de bescherming niet op grond van het feit dat de personeelsafgevaardigde voor zijn verkiezing kandidaat geweest is. Dit verlies van iedere ontslagbescherming is niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel, nu dit slechts in het gedrang komt bij ongelijke behandeling van vergelijkbare categorieën. In het concrete geval (ontslagneming uit het mandaat) zijn er geen twee vergelijkbare categorieën van personen voorhanden. Naast de categorie van de personeelsafgevaardigden die hun mandaat neerleggen en daardoor hun bescherming verliezen, ontbreekt een categorie van de kandidaten die ontslag zouden kunnen nemen uit een mandaat, en per hypothese, wel beschermd zouden blijven, waardoor een ongelijke behandeling zou ontstaan. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSWET . WELZIJN OP HET WERK beschermde werknemer - ontslag uit mandaat - verlies van de bescherming - geen bescherming als kandidaat - gelijkheidsbeginsel - geen vergelijkbare categorieën. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 61 - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN . ONDERNEMINGSRADEN verkiezingen - einde mandaat - beschermde werknemer - ontslag uit mandaat - verlies van de bescherming - geen bescherming als kandidaat - gelijkheidsbeginsel - geen vergelijkbare categorieën. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-09-1948 - 21 - 01 ELI link Pub nr 1948092002 Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN . ONTSLAGREGELING VAN DE WET VAN 19/03/1991 inleidende bepalingen - ontslag - verbod en afwijkingen - beschermde werknemer - ontslag uit mandaat verlies van de bescherming - geen bescherming als kandidaat - gelijkheidsbeginsel - geen vergelijkbare categorieën. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 2 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Nota: Gerangschikt onder III AB - artikel 61, onder IV BIS A - artikel 21 en onder IV BIS C - artikel

  1. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00007,P.401-404) Tekst van de beslissing VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op VIER MAART TWEEDUIZEND EN VIJF in de openbare zitting van de TWEEDE KAMER van de arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden: R. VERA , Rechter in de arbeidsrechtbank, Voorzitter van deze kamer, D. NELEN, Rechter in sociale zaken, werkgever, M. SMOLDERS, Rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider, M. VAN LOO, Griffier, Inzake : A.R. nr. 357.902 x, keuze van woonst gedaan hebbende bij de hierna vermelde gevolmachtigd afgevaardigde van haar vakorganisatie A.B.V.V., Van Arteveldestraat 20-22 te 2060 Antwerpen, EISENDE PARTIJ: ter zitting vertegenwoordigd door mevr. I. Cuyvers, gevolmach-tigd afgevaardigde A.B.V.V. tegen: V.Z.W., met maatschappelijke zetel gevestigd te 2140 Borgerhout, Engelselei 44, VERWERENDE PARTIJ: ter zitting vertegenwoordigd door Mr. H. Vandekerck-hove, advocaat te 2000 Antwerpen, Amerikalei
  2. VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS Gezien de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging, zoals vermeld op de inventaris ervan, o.m.: - de inleidende dagvaarding van gerechtsdeurwaarder R. Schmit d.d. 8/5/2003, - de conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 30/12/2003, - de conclusie van eiser, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 8/4/2004, - de beschikking i.t.v. artikel 747 ,§2 Ger.W. d.d. 20/7/2004, - de tweede conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 20/8/2004, - de aanvullende conclusie van eiser, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18/10/2004, - het P.V. van terechtzitting. x x x Gelet op de Wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1967, houdende het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij Wet van 23 september 1985, met ingang van 1 september
  3. Overwegende dat het debat werd voorafgegaan door een poging tot minnelijke schikking overeenkomstig artikel 734 Ger.W., doch dat partijen niet tot verzoening zijn gekomen. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter openbare terechtzitting van 7/1/
  4. Recht doende over de stukken die zich in het dossier bevinden. x x x
  5. Voorwerp van de vordering: De vordering zoals vervat in de inleidende dagvaarding d.d. 8 mei 2003, strekt ertoe: - VZW te zien en te horen veroordelen om aan S te betalen de som van 100 996,23 EUR beschermingsvergoeding kandidaat-personeelsafge-vaardigde, bedrag te vermeerderen met de wettelijke intresten zoals bepaald door artikel 10 van de wet op de bescherming van het loon en/of artikel 102 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, de verwijls- minstens de vergoedende intresten vanaf 9 mei 2003, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding; - het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling. In besluiten, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 30 december 2003, stelt VZW een tegenvordering en vordert S te veroordelen tot betaling van een bedrag van 1 000 EUR wegens tergend en roekeloos geding, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. In besluiten, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18 oktober 2004, vordert STREUX : - in hoofdorde: VZW te veroordelen tot betaling van 100 996,23 EUR beschermingsvergoeding kandidaat-personeelsafgevaardigde, bedrag te vermeerderen met de wettelijke intresten zoals bepaald door artikel 10 van de wet op de bescherming van het loon en/of artikel 102 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, de verwijls- minstens de vergoedende intresten vanaf 9 mei 2003, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding en het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling; - in ondergeschikte orde: VZW te veroordelen tot betaling van 4 jaar wegens anciënniteit van meer dan 20 jaar ten bedrage van 67 330,82 EUR beschermingsvergoeding, bedrag te vermeerderen met de wettelijke intresten zoals bepaald door artikel 10 van de wet op de bescherming van het loon en/of artikel 102 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, de verwijls- minstens de vergoedende intresten vanaf 9 mei 2003, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding en het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling; - in meest ondergeschikte orde: verzoekt S de rechtbank om volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof voor te leggen: "Schendt het artikel 1 en 2 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, in samenhang gelezen met het artikel 21 ,§ 2 Bedrijfsorganisatiewet, het artikel 10 en 11 van de Grondwet doordat de niet-verkozen kandidaat ontslagbescherming geniet zoals de personeelsafgevaardigden, ingevolge de risico´s van de kandidaatstelling, terwijl de kandidaat-afgevaardigde die effectief verkozen is en later ontslag neemt uit zijn mandaat, dezelfde bescherming als gewezen kandidaat verliest, terwijl hij dezelfde risico´s heeft ten gevolge van zijn oorspronkelijke kandidaatstelling als de niet-verkozen kandidaat.?"
  6. De feiten: S trad op 12 maart 1978 als arbeidster in dienst van de VZW , een beschutte werkplaats, en was kandidaat bij de sociale verkiezingen op 17 mei
  7. Zij werd verkozen tot plaatsvervangend personeelsafgevaardigde in het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk. Op 18 mei 2000 legde zij haar mandaat neer. Met een schrijven van 21 november 2001 meldde de VZW dat zij een einde wenste te stellen aan de arbeidsovereenkomst met S en dat de opzegperiode op 112 kalenderdagen werd bepaald, ingaande op maandag 26 november
  8. Op het formulier C4 werd als reden van het ontslag "reorganisatie" vermeld. Bij brieven van 22 mei 2002, 19 juni 2002 en 3 juli 2002 verzocht S om meer uitleg omtrent de motivering van haar ontslag. In een schrijven van 10 juli 2002 verwijst de VZW naar de agressieve houding van S, welke naar de mening van de VZW ernstig genoeg van aard was om een ontslag om dringende redenen te verantwoorden. Louter om sociale redenen opteerde de VZW voor een beëindiging met opzegtermijn teneinde de rechten van S op werkloosheidsvergoeding te waarborgen. S stelde de VZW in gebreke bij aangetekend schrijven van 21 augustus 2002 en verzocht opnieuw om verduidelijking van de term "reorganisatie". Bij schrijven van 29 augustus 2002 meldde de VZW dat zij reeds afdoende antwoordde op de vraag van S in het schrijven van 10 juli
  9. S ging op 8 mei 2003 over tot dagvaarding teneinde vanwege de VZW betaling van een beschermingsvergoeding te bekomen.
  10. In rechte: 3.
  11. De hoofdvordering: In toepassing van de artikelen 16 en 17 van de wet van 19 maart 1991 houdende de bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, vordert S vanwege de VZW betaling van een beschermingsvergoeding gelijk aan het loon voor respectievelijk 2 jaar nog te lopen gedeelte mandaat en 4 jaar wegens anciënniteit van meer dan 20 jaar ten bedrage van 100 996,23 EUR. De VZW betwist gehouden te zijn tot betaling van deze beschermingsvergoeding vermits S reeds op 18 mei 2000 aftstand deed van haar mandaat als plaatsvervangend personeelsafgevaardigde in het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk, waardoor zij op basis van de bepalingen van artikel 21 ,§ 2 van de Wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, eveneens de bijzondere bescherming die aan dit mandaat verbonden is, verliest. S houdt evenwel voor dat zij, ondanks haar ontslag uit het mandaat van plaatsvervangend personeelsafgevaardigde in het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk, toch nog de bescherming genoot die overeenkomstig de bepalingen van de wet van 19 maart 1991 wordt voorbehouden aan de kandidaat-personeelsafgevaardigden en verwijst hiertoe naar het arrest van het Arbitragehof van 23 januari 2002 (Arbitragehof nr. 19/2002, 23 januari 2002, R.W. 2002-03, 335), dat volgens haar gezag van gewijsde heeft in de thans voorliggende vordering. Het arrest van het Arbitragehof van 23 januari
  12. Teneinde na te gaan of het arrest van het Arbitragehof van 23 januari 2002 gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de thans voorliggende casus, dienen de feiten die aan de oorsprong van dit arrest lagen, in beschouwing genomen te worden. De feiten die aan de Luikse rechtbank werden voorgelegd, waren de volgende: - De kandidatuur van een werknemer wordt voorgedragen door een vakbondsorganisatie voor de verkiezingen van de ondernemingsraad in mei
  13. De werknemer wordt niet verkozen. Op 4 oktober 1999 verklaart de werknemer dat hij niet langer is aangesloten bij die vakbondsorganisatie. Op 5 oktober 1999 wordt die werknemer om dringende reden ontslagen. - De werknemer betwist het ontslag en is van mening dat hij nog steeds beschermd is tegen ontslag en dat de door zijn werkgever ingeroepen dringende reden vooraf door de arbeidsrechtbank had moeten aanvaard worden. Hij eist dat zijn werkgever zou worden veroordeeld tot het betalen van de beschermingsvergoeding die bij onregelmatig ontslag verschuldigd is aan werknemers die zich kandidaat stellen voor de sociale verkiezingen. - De werkgever daarentegen stelde dat de werknemer zijn ontslagbescherming was verloren, aangezien hij op het tijdstip van het ontslag niet langer deel uitmaakte van de vakbondsorganisatie die hem had voorgedragen. De arbeidsrechtbank van Luik stelde vast dat de bepalingen van de Wet van 20 september 1948 en van de Wet van 4 augustus 1996, die op limitatieve wijze de gevallen opsommen waarin het mandaat van afgevaardigde voortijdig ten einde loopt, niet van toepassing zijn op kandidaat-afgevaardigden die per definitie geen mandaat bekleden. Hieruit volgde volgens de rechtbank dat de situatie van een kandidaat niet kan gelijkgesteld worden met deze van een afgevaardigde. De rechtbank volgde de meerderheidsstrekking binnen rechtspraak en rechtsleer door te stellen dat het feit dat een kandidaat niet langer deel uitmaakt van de vakbondsorganisatie die hem heeft voorgedragen, hem zijn ontslagbescherming niet ontneemt. De werkgever argumenteerde evenwel dat er geen enkele reden voorhanden is om kandidaten een grotere bescherming te verlenen dan afgevaardigden en dat er indien er een verschil in behandeling moest bestaan, deze enkel in het voordeel van de afgevaardigden dient te zijn, die zowel om individuele als collectieve redenen beschermd moeten worden. Aangezien deze tweede reden totaal vreemd is aan de bescherming van een kandidaat, is er niets dat zijn grotere bescherming rechtvaardigt. De arbeidsrechtbank te Luik besliste daarom de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schenden artikel 21, ,§2, van de Wet van 20 september 1948 houdende de organisatie van het bedrijfsleven en de artikelen 1 en 2 van de Wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, in samenhang gelezen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het feit niet langer aangesloten te zijn bij de representatieve werknemersorganisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen de kandidaat-afgevaardigde het voordeel van de bijzondere bescherming tegen ontslag niet ontzegt, terwijl dezelfde omstandigheid het voordeel van die bescherming wel ontzegt aan de - gewone of plaatsvervangende - afgevaardigde?" In antwoord op deze vraag van de arbeidsrechtbank te Luik, zegt het Arbitragehof in het arrest van 23 januari 2002 voor recht: " Artikel 21, ,§2, van de Wet van 20 september 1948 van de Wet van 20 september 1948 houdende de organisatie van het bedrijfsleven en de artikelen 1 en 2 van de Wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeels-afgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeels-afgevaardigden schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet doordat het feit niet langer lid te zijn van de organisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen niet de bijzondere ontslagbescherming opheft die de wet garandeert aan diegenen die in de wet "kandidaten" worden genoemd ook al zijn ze verkozen, terwijl dezelfde omstandigheid voor de afgevaardigde tot gevolg heeft dat niet die ontslagbescherming, maar de bescherming die verbonden is met het mandaat waaraan zij een einde maakt, verliest." Op onrechtstreekse doch niet te miskennen wijze geeft het Arbitragehof in dit arrest bijgevolg aan dat de afgevaardigde die zijn mandaat verliest doordat hij niet langer lid is van de organisatie die zijn kandidatuur voordroeg, weliswaar de bescherming verliest die verbonden is met het mandaat waaraan ingevolge het niet langer behoren tot de representatieve organisatie een einde wordt gemaakt, maar niet de ontslagbescherming die de wet garandeert aan de kandidaten. Het gezag van gewijsde van de arresten van het Arbitragehof is relatief en beperkt. Het is verbonden aan de prejudiciële vraag die aan het Hof werd voorgelegd, en blijft beperkt enerzijds tot de aan de betrokken norm gegeven interpretatie en, anderzijds tot de grieven waarover het Hof zich effectief heeft gebogen. Wordt de grondwettigheid van diezelfde norm in vraag gesteld op basis van een andere interpretatie en/of met andere grieven, dan heeft het arrest van het Arbitragehof dat die norm heeft beoordeeld in een andere context, terzake geen gezag van gewijsde (M. DE VOS, Het Arbitragehof en het Arbeidsrecht, in M. RIGAUX en P. HUMBLET (red.), Actuele problemen van het arbeidsrecht 6, Antwerpen-Groningen, Intersentia, 2001, p.80, nr. 32). Rekening houdend met deze principes en met de feitelijke gegevens eigen aan deze zaak, dient de rechtbank tot het besluit te komen dat het arrest van het Arbitragehof van 23 januari 2002 geen gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de thans ter beoordeling voorliggende vordering. De feitelijke toestand die aan deze vordering ten gronde ligt, verschilt immers essentieel van diegene die ter beoordeling voorlag in het kader van het arrest van 22 januari
  14. In casu betreft het immers de vordering van een afgevaardigde die op eigen initiatief ontslag nam uit haar mandaat en op wie bijgevolg artikel 21, 3° van de Wet van 20 september 1948 en artikel 61, 3° van de Wet van 4 augustus 1996 van toepassing is, terwijl het aan het Arbitragehof voorgelegde feitenmateriaal betrekking had op een niet verkozen kandidaat die niet langer lid was van een representatieve organisatie die hem had voorgedragen, situatie die voor een kandidaat niet het einde van zijn bescherming betekent terwijl dit voor afgevaardigden wel het geval is overeenkomstig artikel 21, 4° van de Wet van 20 september 1948 en artikel 61, 4° van de Wet van 4 augustus
  15. Waar het niet langer lid zijn van een representatieve organisatie een feitelijke situatie is die zowel van toepassing kan zijn voor een niet verkozen kandidaat als voor een afgevaardigde is dit per definitie uitgesloten voor wat betreft het ontslag nemen uit het mandaat, dat logischerwijze enkel van toepassing is op de afgevaardigde. Het is duidelijk dat het Arbitragehof zich in het arrest van 23 januari 2002 niet heeft uitgesproken over de situatie zoals deze thans ter beoordeling voorligt zodat de rechtbank niet gebonden is door het gezag van gewijsde van voormeld arrest. Behoud van bescherming als kandidaat na ontslagname als afgevaardigde. De vraag stelt zich of de afgevaardigde die ontslag neemt uit zijn mandaat en daardoor overeenkomstig artikel 21, 3° van de Wet van 20 september 1948 en artikel 61, 3° van de Wet van 4 augustus 1996 zijn bescherming verliest, al dan niet zijn ontslagbescherming in de hoedanigheid van kandidaat voor de sociale verkiezingen behoudt. De personeelsafgevaardigden zijn beschermd tegen ontslag tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld. Uitzondering op dit principe wordt o.m. gevormd door het verlies van het mandaat van personeelsafgevaardigde. De ontslagbescherming is verbonden aan het bestaan van het mandaat: het gewoon of plaatsvervangend lid in de ondernemingsraad of in het comité voor preventie en bescherming op het werk zal dus zijn bescherming vóór de hierboven vermelde vervaldag verliezen indien hij het mandaat waarover hij beschikt, verliest. Met andere woorden, zodra het mandaat verdwijnt, kan men niet langer als een personeelsafgevaardigde in de zin van de Wet van 19 maart 1991 worden beschouwd (H.-F. LENAERTS, Het ontslag van beschermde werknemers, in Sociale Praktijkstudies 17, Mechelen, Kluwer, 2004, p. 31). Artikel 21 ,§2 van de Wet van 20 september 1948 en artikel 61 van de Wet van 4 augustus 1996 geven een limitatieve opsomming van de gevallen waarin het mandaat van de personeelsafgevaardigde een einde neemt: 1° in geval van niet-herkiezing als gewoon of plaatsvervangend lid, zodra het Comité is aangesteld; 2° indien de betrokkene geen deel meer uitmaakt van het personeel; 3° in geval van ontslagneming (uit het mandaat); 4° indien de betrokkene geen lid meer is van de werknemersorganisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen; 5° in geval van intrekking van het mandaat wegens ernstige tekortkoming, uitgesproken door het bij artikel 79 bedoelde rechtscollege, op verzoek van de werknemersorganisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen; 6° indien de betrokkene niet meer behoort tot de categorie van werknemers waartoe hij behoorde op het ogenblik van de verkiezingen, tenzij de organisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen het behoud van het mandaat vraagt bij aangetekend schrijven gericht aan de werkgever; 7° zodra de betrokkene deel uitmaakt van het leidinggevend personeel; 8° in geval van overlijden. De niet verkozen kandidaat echter die voldoet aan één van de voorwaarden van deze artikels ( per definitie betreft het hier evident enkel de voorwaarden zoals hierboven vermeld onder 2°, 4°, 6° en 7°), verliest zijn bescherming niet. De rechtbank is van oordeel dat de afgevaardigde die ontslag neemt uit zijn mandaat zijn volledige ontslagbescherming verliest, zijnde zowel de ontslagbescherming in hoedanigheid van personeelsafgevaardigde als de ontslagbescherming in hoedanigheid van kandidaat voor de sociale verkiezingen. Bij nalezing van de voorbereidende werken van de Wet van 19 maart 1991 en de wettekst van de hieraan voorafgaande wet is het immers duidelijk dat de bepalingen inzake de bescherming van de kandidaten enkel gelden voor de niet verkozen kandidaten. Een personeelsafgevaardigde verliest zijn hoedanigheid van niet-verkozen kandidaat op de datum dat hij verkozen werd. Zo is in de voorbereidende werken van de Wet van 19 maart 1991 te lezen: "Het mandaat en de bescherming houden verband met het lidmaatschap van een vakbond (....). Wie zijn mandaat verliest, verliest tevens de bescherming. Het is niet wenselijk om de bescherming na het einde van het mandaat te behouden. Het is steeds mogelijk om een eventueel ontslag dat na de beschermingsperiode werd gegeven, aan te vechten, maar dan wel om syndicale redenen (rechtsmisbruik, willekeurig ontslag)..." (Senaat, 1105-2 (1990-1991), p. 23). "Een lid, personeelsvertegenwoordiger, mag niet worden overgeplaatst naar een andere technische bedrijfseenheid zonder zijn instemming of die van het paritair comité, of bij ontstentenis van de Nationale Arbeidsraad. Deze verandering van technische bedrijfseenheid zou immers tot gevolg hebben dat een einde wordt gesteld aan zijn mandaat en dus aan zijn ontslagbescherming" (Senaat, 1105-1 (1990-1991), p. 6). Ook in de teksten van de Wet van 18 maart 1950 tot wijziging van de Wet van 20 september 1948, die aan de oorsprong ligt van de bescherming van de kandidaten, wordt een onderscheid gemaakt tussen mandataris en kandidaat. De parlementaire handelingen tonen aan dat het de wil van de wetgever was: - dat het verlies van het mandaat eveneens zou leiden tot het verlies van de ontslagbescherming (conclusies advocaat-generaal Lenaerts voor Cass. 10 juni 1985, R.W.1985-86, kol.532 en 533). - Alleen de niet verkozen kandidaten te beogen wanneer de wet het heeft over kandidaten (zie de parlementaire handelingen van de Wet van 18 maart 1950 tot wijziging van de Wet van 20 september 1948, aangehaald door Arbh. Brussel 16 juni 1982, J.T.T., 297) Ook in de rechtspraak wordt unaniem de stelling verdedigd dat de personeelsafgevaardigde die zijn mandaat verliest, geen recht heeft op de bescherming die de wet toekent aan de kandidaten bij de verkiezingen voor de instellingen van de sociale organen (zie o.m. Arbh. Brussel 16 juni 1982, J.T.T.1982, p. 297; Arbrb. Brussel 6 januari 1993, J.T.T. 1993, 315; Arbrb. Brussel 29 april 1999, A.R. nr. 99/09024, onuitgegeven). Het is immers logisch dat de afgevaardigde definitief elke vorm van bescherming verliest wanneer hij zijn mandaat kwijt raakt: - eens hij is verkozen, kan hij niet langer beschouwd worden als kandidaat, maar is hij plaatsvervangend of gewoon lid; - hij verliest zijn bescherming pas nadat hij zijn mandaat is verloren. Hij kan dat mandaat echter enkel uit eigen wil verliezen, na zijn uitdrukkelijke instemming of door een fout te begaan. Hiermee werd hem reeds voldoende bescherming verleend. (H.- F. LENAERTS, op. cit., p.37). Het feit dat de afgevaardigde ontslag neemt uit zijn mandaat heeft immers niet tot gevolg dat hij wordt gelijkgesteld met een niet verkozen kandidaat, aangezien de betrokkene wel degelijk werd verkozen en hem een mandaat werd verleend waaraan hij zelf een einde heeft gemaakt (Arbrb. Brussel 29 april 1999, A.R. nr. 99/09024). Waar de niet-verkozen kandidaat zich in een situatie bevindt die hij niet heeft gewild en hierdoor logischerwijze tegen ontslag dient beschermd te worden, heeft de personeelsafgevaardigde echter de keuze zijn mandaat uit te oefenen of uit te treden waardoor hij zijn mandaat uit eigen wil (met uitdrukkelijke instemming of door een foutieve houding) verliest en bijgevolg niet langer ontslagbescherming dient te genieten. Wanneer de personeelsafgevaardigde die na het ontslag nemen uit zijn mandaat, door de werkgever wordt ontslagen kan hij bijgevolg niet terugvallen op de bescherming die aan de niet verkozen kandidaten wordt verleend. Is hij van mening dat zijn ontslag niettemin werd ingegeven door oorzaken die verband houden met de uitoefening van syndicale activiteiten, dan staat het hem vrij dit ontslag aan te vechten, bijvoorbeeld op grond van willekeurig ontslag of rechtsmisbruik. De rechtbank is op grond van deze overwegingen van oordeel dat S, die ontslag nam uit haar mandaat van plaatsvervangend afgevaardigde, geen aanspraak kan maken op de ontslagbescherming die wordt voorzien voor kandidaten. De prejudiciële vraag. Nu de rechtbank tot het besluit is gekomen dat S na haar ontslagname uit het mandaat van plaatsvervangend afgevaardigde geen aanspraak kan maken op de ontslagbescherming van kandidaat-afgevaardigde, verzoekt zij om volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof: "Schendt het artikel 1 en 2 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, in samenhang gelezen met het artikel 21 ,§ 2 Bedrijfsorganisatiewet, het artikel 10 en 11 van de Grondwet doordat de niet-verkozen kandidaat ontslagbescherming geniet zoals de personeelsafgevaardigden, ingevolge de risico´s van de kandidaatstelling; terwijl de kandidaat-afgevaardigde die effectief verkozen is en later ontslag neemt uit zijn mandaat, dezelfde bescherming als gewezen kandidaat verliest, terwijl hij dezelfde risico´s heeft ten gevolge van zijn oorspronkelijke kandidaatstelling als de niet-verkozen kandidaat?" Het artikel 26 ,§ 2 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof d.d. 6 januari 1989 verplicht een rechtscollege de zaak te verwijzen naar het Arbitragehof wanneer desbetreffend een vraag wordt opgeworpen. Op deze algemene verplichting tot verwijzing bestaan, wat de lagere rechtscolleges betreft, slechts vier mogelijke uitzonderingen, met name: - wanneer de vordering niet ontvankelijk is om procedureredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; - wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met hetzelfde onderwerp; - wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen; - wanneer de wet, het decreet of de in artikel 26 bis van de Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in ,§ 1 klaarblijkelijk niet schendt. De rechtbank is van oordeel dat op deze vraag van S niet dient ingegaan te worden. Het gelijkheidsbeginsel komt maar in het gedrang wanneer zich een ongelijke behandeling voordoet tussen gelijke of vergelijkbare gevallen (M. DE VOS, op. cit., p.48, nr. 6). In casu zijn er geen twee gelijke of vergelijkbare categorieën van personen voorhanden waarvan een ongelijke behandeling aanleiding zou kunnen geven tot een schending van artikel 10 en 11 van de Grondwet. Naast de categorie van de personeelsafgevaardigden die hun mandaat neerleggen en daardoor hun bescherming verliezen, ontbreekt een categorie van de kandidaten die ontslag zouden kunnen nemen uit een mandaat en, per hypothese, wel beschermd zouden blijven, zodat een ongelijke behandeling zou ontstaan. Bij ontstentenis van het bestaan van twee vergelijkbare categorieën ten aanzien van een zelfde feitelijk gegeven, nl. een ontslagneming uit het mandaat, biedt het gelijkheidsbeginsel geen grond om de afgevaardigde die zijn mandaat neerlegt, de bescherming te laten behouden teneinde discriminatie ten aanzien van de kandidaat te voorkomen (L. ELIAERTS, Het einde van het mandaat van de personeelsafgevaardigde en de weerslag op zijn bescherming, noot onder Arbitragehof 23 januari 2002, R.W., 2002-2003, p. 339). De vordering van S tot het bekomen van een beschermingsvergoeding is ongegrond. 3.
  16. De tegenvordering: In besluiten, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 30 december 2003, stelt VZW een tegenvordering en vordert S te veroordelen tot betaling van een bedrag van 1 000 EUR wegens tergend en roekeloos geding, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Een vordering is slechts tergend en roekeloos indien deze werd ingeleid met een schuldige lichtzinnigheid ten gevolge van een beoordelingsfout met betrekking tot de kans op succes die zo vanzelfsprekend is dat ze door een normaal, voorzichtig en bedachtzaam persoon niet zou zijn begaan (kh. Brussel, 10 september 1992, J.T., 1983, 682). De VZW AROP bewijst niet dat S gehandeld heeft met dergelijke schuldige lichtzinnigheid. De tegenvordering is ongegrond. OM DEZE REDENEN DE ARBEIDSRECHTBANK, Recht doende op tegenspraak, Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andere en strijdige middelen verwerpend, Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk doch ongegrond, Verklaart de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond, Veroordeelt eiseres op hoofdvordering, verweerster op tegenvordering, tot de kosten van het geding, Vereffent de kosten aan de zijde van eiseres op hoofdvordering, verweerster op tegenvordering, op 131,66 EUR dagvaardingskosten en aan de zijde van verweerster op hoofdvordering, eiseres op tegenvordering, op 209,71 EUR rechtsplegingsvergoeding. PDF document ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050304.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.