id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 09 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050309.1 Rolnummer: 205-K-2 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-20 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-01 02:46 Fiches 1 - 2 De rechter in kort geding is bevoegd om kennis te nemen van een vordering waarvan de eiser stelt dat het spoedeisend is. Er is sprake van een spoedeisend geval in de zin van artikel 584, eerste lid Ger.W. wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een welbepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Al is de rechterlijke macht bevoegd om een door de administratieve overheid bij de uitoefening van haar discretionaire macht begane onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht te voorkomen en ook te vergoeden, vermag zij niet aan het bestuur zijn beoordelingsvrijheid te ontnemen en zich dus niet in de plaats van het bestuur te stellen. Ook de rechter in kort geding mag dit niet. Een maatregel die er in bestaat om te horen zeggen voor recht dat een leerkracht die in loopbaanonderbreking is zijn ambt terug met onmiddellijke ingang opnieuw mag opnemen zou inhouden dat de rechter in kort geding zich in de plaats stelt van de minister die uitsluitend bevoegd is om dienaangaande een beslissing te nemen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Kortgeding - bevoegdheid van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, zetelend in kort geding - loopbaanonderbreking Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 584 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . ARBEID IN OVERHEIDSSECTOR OF ONDERWIJS Kort geding - bevoegdheid van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, zetelend in kort geding - loopbaanonderbreking Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 16-12-1997 - 17 - 47 ELI link Pub nr 1998035204 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 584 en onder II S - artikel 17 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT KORT GEDING Rep.nr. Beschikking van 9 maart 2005. In de zaak R.K.nr.205-K-2. - J. V, leraar, geboren te x op x , wonende te x, eisende partij, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging ingevolge beschikking op eenzijdig verzoekschrift van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Hasselt dd. x met pro deo nummer x, verschijnend in persoon, bijgestaan door Mr. x , advocaat te x. Tegen: - G. V., in zijn hoedanigheid van x van de x van x VZW, ondernemingsnummer x, met zetel te x, wonende te x, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. x, advocaat te x. In de zaak R.K.nr.205-K-3. - J. V, leraar, geboren te x op x , wonende te x, eisende partij, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging ingevolge beschikking op eenzijdig verzoekschrift van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Hasselt dd. x met pro deo nummer x, verschijnend in persoon, bijgestaan door Mr. x , advocaat te x. Tegen: - VZW x, ondernemingsnummer x, met zetel gevestigd te x, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. x, advocaat te x. Bij dagvaarding, betekend op 1 februari 2005 door gerechtsdeurwaarder x te x, vordert eisende partij: " Te horen zeggen voor recht dat de vordering van verzoeker toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond wordt verklaard; Te horen zeggen voor recht dat verzoeker, in afwachting van een beslissing ten gronde, de toelating krijgt om zijn ambt met onmiddellijke ingang opnieuw op te nemen; Gedaagde(
- n)te horen veroordelen tot alle kosten van het geding, hierin inbegrepen de rechtsplegings- en uitgavenvergoeding, voorzien bij artikel 1022 Ger.W., deze laatste in casu begroot ad 116,51 euro; De voorlopige tenuitvoerlegging te horen bevelen van de tussen te komen beschikking, niettegenstaande alle verhaalmiddelen en zonder borgstelling. Onder hetzij om het even welk voorbehoud en zonder enige nadelige erkenning vanwege de verzoekende partij en met name onder voorbehoud van wijziging van het gevorderde in de loop van het geding" Deze zaak is alhier gekend onder het R.K.nr.205-K-2, werd ingeleid ter zitting van 9 februari 2005 en op verzoek van partijen uitgesteld naar 23 februari 2005. Bij dagvaarding, betekend op x door gerechtsdeurwaarder x, plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder x te x, vordert eisende partij: " Te horen zeggen voor recht dat de vordering van verzoeker toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond wordt verklaard; Te horen zeggen voor recht dat verzoeker, in afwachting van een beslissing ten gronde, de toelating krijgt om zijn ambt met onmiddellijke ingang opnieuw op te nemen; Tevens te horen zeggen voor recht dat gedaagde wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding, voorlopig begroot ad 116,51; De tussen te komen beschikking uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, noch kantonnement." Deze zaak is alhier gekend onder het R.K.nr.205-K-3 en werd ingeleid ter zitting van 23 februari 2005. De partijen werden ter zitting van 23 februari 2005 in hun argumenten en besluiten gehoord. Beide zaken dienen te worden samengevoegd. Feiten en voorwerp van de vordering. De heer V is als vast benoemd leraar lichamelijke opvoeding sedert 1 januari 2001 verbonden aan de VZW x te x. Met ingang van 1 september 2004 is hij in volledige loopbaanonderbreking. Hij verzocht loopbaanonderbreking met ingang op 1 september 2004 tot 31 augustus 2005 nadat hij ontgoocheld was over het feit dat een project van hem niet kon geïmplementeerd worden in het lessenpakket. Met een aangetekend schrijven verzonden op 15 november 2004 vraagt hij -door tussenkomst van de V.Z.W. x - de beëindiging van de volledige loopbaanonderbreking omwille van uitzonderlijke familiale redenen. Het schrijven aan de voorzitter van de inrichtende macht Eerwaarde zuster x, luidt als volgt: "...U mag erop vertrouwen dat deze voortijdige beëindiging gebaseerd is op uitzonderlijk familiale redenen. Zonder te willen stilstaan bij het verleden is het misschien het overwegen waard om inzake deze aanvraag nog eens te reflecteren over de aanleiding van de loopbaanonderbreking. De timing en de aard van een vroegere beslissing en de wijze waarop deze is meegedeeld zijn niet van geringe inslag geweest op mezelf als personeelslid en mijn gezin. We waren allen op een positieve manier betrokken en niet voorbereid op dit "plotse" keerpunt. Tijdens het gesprek met mr. x en mevr. y in de afgelopen maand juli is dit onderwerp uitvoerig aan bod gekomen. Ook al waren er volgens sommigen genoeg redenen, ik kon me achteraf vanuit dit gebeuren moeilijk neerleggen bij het nemen van een ziekteverlof. U begrijpt dat er sinds bovenvermeld keerpunt wel een verschil is gegroeid ten opzichte van de situatie op 1 september en daarom niet in een positieve richting op vlak van familiale toestand. Het is momenteel van groot primair belang om mijn werksituatie te hervatten en daarvoor ben ik ook gemotiveerd. Ik ben bereid om het verleden te laten en positief verder te werken in een 'normaal' kader dat verwacht wordt van ieder goed pedagoog en leraar L.O." Ook de directeur mevrouw x bracht hij op 15 november 2004 schriftelijk op de hoogte van het verzoek. Uit e-mail verkeer met het secretariaat van de school blijkt dat de heer J.V. voor deze aanvraag speciaal daartoe bestemde formulieren invulde waarop hij de familiale omstandigheden niet of onvoldoende toelichtte zodat hem gevraagd werd een nieuw formulier in te vullen en tevens de wijziging in zijn toestand in vergelijking met 1 september 2004 te verduidelijken. Op 25 november 2004 zendt de huisarts van de heer J.V. een brief aan Eerwaarde zuster x " ter verduidelijking van de term "uitzonderlijke familiale redenen" waaromtrent de wet blijkbaar zeer vaag is". Deze brief luidt als volgt: "Betreft: personeelslid J. V., x, Voortijdige stopzetting loopbaanonderbreking om uitzonderlijke familiale redenen. Zoals u waarschijnlijk weet, is J.V. een zeer gemotiveerde leerkracht lich opv, die meer ambities had dan alleen de "klassieke" uurtjes turnles geven aan zijn leerlingen. Hij heeft zich sedert jaren toegelegd op een zeg maar revolutionaire vermeerdering van het huidige bewegingsonderwijs dat vakoverschrijdend en graadoverschrijdend geïntegreerd in het officiële lescurriculum wil zijn(zie folder x). Toen zijn project, dat algemene bewondering gewekt had bij collega's, leerlingen en hun ouders plots werd afgeblazen, werd de frustratie bij J.V. zo groot, dat hij besliste loopbaanonderbreking aan te vragen ipv op ziekteverlof te gaan. Het hele gebeuren heeft inderdaad zijn ganse gezin geen goed gedaan, dat is uiteraard een eufemisme. Stilaan is J.V. evenwel terug van de shock bekomen en gaat het met hem en zijn gezin weer goed, zodat hij weer klaar is om in december, zijn vertrouwde werkstek in te nemen. Ik vertrouw op uw inzicht dat u deze uiterst getalenteerde en creatieve leerkracht voor de school niet verloren wil laten gaan en hem dus zoals hij dat vraagt per 26/12/2004 weer wil opnemen in uw personeelsbestand. Ik doe deze oproep aan u, als zijn huisarts die hem goed kent, ook ter verduidelijking van de term "Uitzonderlijke familiale redenen" waar de wet blijkbaar zeer vaag over is. Overtuigd van uw goede wil tot rechtzetting van deze scheefgetrokken situatie, verblijf ik hoogachtend, dr. x" Met een schrijven van 1 december 2004 brengt de voorzitter x de heer J.V. op de hoogte dat de raad van bestuur van de inrichtende macht in het advies aan de minister unaniem beslist heeft niet akkoord te gaan met de voortijdige beëindiging eraan toevoegend dat, zoals de procedure het vereist, het aan de minister is om een beslissing te nemen. Op 8 december 2004 deelt de voorzitter x aan eiser mee dat zijn aanvraag tot voortijdige beëindiging van de volledige loopbaanonderbreking niet wordt toegestaan door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en voegt hij in bijlage het schrijven van het ministerie. Dit schrijven van 3 december 2004 (overschrijving van de oorspronkelijke datum van 4 december 2003), gericht aan de directie van x, luidt als volgt: "Met dit schrijven deel ik u mee dat de voortijdige beëindiging van de volledige loopbaanonderbreking van J.V. niet wordt toegestaan (zie bijlage). Overeenkomstig de bepalingen van artikel 17 van het BVR van 16 december 1997- Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra (B.S. 19.12.1998) - dient de Inrichtende Macht akkoord te gaan met deze voortijdige beëindiging. Gelet op het feit dat de Inrichtende Macht haar akkoord niet verleende en rekening houdend met de argumentatie wordt de aanvraag om voortijdige beëindiging verworpen. Gelieve een kopie van dit schrijven over te maken aan betrokkene. Betrokkene kan tegen de beslissing beroep aantekenen bij de Raad van State. Dit beroep moet aangetekend en binnen de zestig dagen vanaf huidige betekening aan de Raad van State worden toegezonden." Eiser geeft in een lange brief van 13 december 2004, aangetekend verzonden op 14 december 2004, uiting aan zijn ongenoegen over de afwijzing van zijn verzoek. Zo ondermeer betwist hij de zienswijze van de inrichtende macht dat het aan de minister toekomt een beslissing te nemen vermits het akkoord van de inrichtende macht nodig is opdat er een positieve beslissing aan zijn verzoek zou kunnen worden verleend. Hij vraagt zich af waarom de inrichtende macht de toelichting door zijn huisarts m.b.t. het begrip "uitzonderlijke familiale redenen" zomaar opzij schuift. Hij begrijpt niet waarom de "bijlage" waarnaar het ministerie verwijst in haar brief niet aan hem bezorgd is en vermeldt dat volgens de heer x van het ministerie het de bedoeling is dat hij ook in het bezit wordt gesteld van de bijlage meer bepaald de door hemzelf, de school en het ministerie ondertekende brief zodat hij vraagt hem deze dringend toe te zenden. In fine van deze brief meldt hij een tweede aanvraag tot beëindiging van de loopbaanonderbreking in te dienen en vraagt hij dat deze zo snel mogelijk zou worden behandeld. Hierop antwoordt de voorzitter x voor het x met een brief van 17 december dat de raad van bestuur niet kan ingaan op de nieuwe aanvraag daar de inhoud van de brief hoofdzakelijk over het verleden gaat en dit reeds uitvoerig werd besproken met de heer J.V. op 6 juli 2004. Door de weigering om de tweede aanvraag van eiser te behandelen is geen beslissing van de bevoegde minister voor onderwijs kunnen tussenkomen. Op 1 februari 2005 dagvaardt eiser in kort geding de heer x in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Inrichtende Macht van het x te x. Op 18 februari 2005 dagvaardt hij eveneens in kort geding de VZW x te x. In besluiten vordert eiser "Te zeggen voor recht dat hij met onmiddellijke ingang zijn ambt terug kan opnemen en dit tot 30 juni 2005 en dat de VZW x. wordt veroordeeld om eiser met onmiddellijke ingang tewerk te stellen in overeenstemming met de overeenkomst van vaste benoeming tot 30 juni 2005. Middelen van partijen. Standpunt van eiser. 1. Eiser houdt voor terecht de inrichtende macht te hebben gedagvaard en niet de minister bevoegd voor onderwijs daar hij als voorlopige en dringende maatregelen vordert met onmiddellijke ingang zijn ambt opnieuw te mogen opnemen en dus opnieuw tewerkgesteld te worden. Dit is de bevoegdheid van verweerster, niet van de minister. De tussenkomst van de inrichtende macht betreft het doorsturen van de aanvraag tot beëindiging van de loopbaanonderbreking naar het ministerie maar ook het verlenen van een akkoord. Wanneer dit akkoord geweigerd wordt, rust er op de inrichtende macht een motiveringsplicht. Aan de heer J.V. werd niet medegedeeld waarom de inrichtende macht niet akkoord is gegaan met de vroegtijdige beëindiging. Slechts middels een officieel schrijven van de raadsman van verweerster werd een kopie van deze motivering ter kennis gebracht van de raadsman van de heer J.V.. De heer J.V. ontkent formeel dat de bijlage wel bij de brief van 8 december 2004 was gevoegd (zie zijn brief van 13 december 2004 waarin hij dit reeds aanklaagt). Indien de tussenkomst van verweerster zo beperkt is als zij zelf voorhoudt meer bepaald niet verder reikt dan de aanvraag door te zenden en al of niet akkoord te gaan met de vroegtijdige beëindiging, stelt de heer J.V. zich de vraag waarom m.b.t. de tweede aanvraag de inrichtende macht zich in de plaats van de minister heeft gesteld door zelf in haar brief van 17 december 2004 een beslissing te nemen ten gronde en alzo de heer J.V. voor een voldongen feit te plaatsen. De inrichtende macht verhindert alzo dat de minister een beslissing neemt. 2. Het is duidelijk dat de inrichtende macht ongeoorloofde middelen heeft gebruikt om de vroegtijdige beëindiging van de loopbaanonderbreking van de heer J.V. te verhinderen meer bepaald niet mededelen van de motivering, zich in de plaats stellen van de minister... Ten onrechte betwist verweerster dan ook de hoogdringendheid. De heer J.V. is pedagoog in hart en nieren. Door omstandigheden werd hij genoodzaakt loopbaanonderbreking te vragen maar thans is de toestand gewijzigd en de druk in het gezin groot opdat hij zijn ambt terug zou opnemen. Hij heeft getracht een minnelijke regeling te bekomen en zodra bleek dat dit uitgesloten was heeft hij de procedure gestart. Van talmen is dus geen sprake. Vermits hij dringende en voorlopige maatregelen vraagt meer bepaald tewerkstelling met onmiddellijke ingang tot 30 juni 2005 is er uiteraard hoogdringendheid. Er zijn duidelijk zware fouten gemaakt door de inrichtende macht . Een procedure ten gronde zou niet tijdig kunnen worden afgerond. De dringende familiale redenen vereisen een vlugge beslissing van de rechter in kort geding daar de belangen van de heer J.V. ten zeerste werden geschaad. Door het feit dat de eerste aanvraag zonder motivering werd afgewezen en aan de tweede aanvraag simpelweg niet het nodige wettelijk gevolg werd verleend is er een kennelijk onredelijke en onwettige beslissing genomen door verweerster die door de rechter in kort geding mag worden getoetst. 3.Ten onrechte heeft verweerster geoordeeld dat de heer J.V. onvoldoende de uitzonderlijke familiale omstandigheden heeft toegelicht. De brief van de huisarts vermeldt deze omstandigheden uitgebreid. Voor de aanvraag van de loopbaanonderbreking was de medewerking van verweerster duidelijk positiever dan voor het verzoek tot vroegtijdige beëindiging ervan. Twee aspecten spelen hierbij een doorslaggevende rol enerzijds de sociaal-emotionele betrokkenheid van het gezin van de heer J.V. (die als zeer gemotiveerd pedagoog aan de slag wil doch de facto verhinderd wordt) anderzijds de financiële gevolgen hiervan. De echtgenote van de heer J.V. is sedert september 2004 teruggevallen op 6 uren als zorgcoördinator waar zij voorheen 18 uren tewerkgesteld was. 4. De maatregel die gevraagd wordt is slechts voorlopig en brengt geen definitief en onherroepelijk nadeel aan de zaak zelf toe. Deze maatregel is geoorloofd aangezien er een schijn van rechten is die het nemen van de gevraagde maatregel verantwoordt. 5. Inmiddels - en tijdig - werd door de heer J.V. een schorsings-en nietigheidsberoep ingediend bij de Raad van State. Standpunt van de heer x en van de inrichtende macht 1. De heer J.V. heeft de verkeerde persoon gedagvaard. Eiser vordert immers "te horen zeggen voor recht dat verzoeker, in afwachting van een beslissing ten gronde, de toelating krijgt om zijn ambt met onmiddellijke ingang opnieuw op te nemen". Luidens het Besluit van 16.12.1997 van de Vlaamse Regering, in het bijzonder artikel 17 dient deze toelating gegeven te worden door de minister van onderwijs van de Vlaamse Regering. De inrichtende macht van de school is dus niet bevoegd om deze toelating te verlenen, enkel de minister van onderwijs of zijn gemachtigde kan deze toelating verlenen. Bijgevolg had eiser de Vlaamse Regering in de persoon van de minister van onderwijs dienen te dagvaarden. 2. Bovendien betreft de gevorderde maatregel volledig de grond van de zaak . Het voorwerp van de vordering van de heer J.V. in huidige problematiek is identiek aan het voorwerp van de vordering die hij beweert in de procedure ten gronde te zullen instellen, met name de toelating bekomen om zijn ambt met onmiddellijke ingang terug op te nemen. De heer J.V. vordert een constitutieve beslissing zonder tijdsrestrictie meer bepaald hem de toelating te verlenen om zijn ambt met onmiddellijke ingang opnieuw op te nemen. Dergelijke beslissing betreft de grond van de zaak en kan enkel door de arbeidsrechtbank in de procedure ten gronde worden genomen en niet in de kort geding procedure. 3. Er is geen urgentie nu blijkt uit het feitenrelaas dat de heer J.V. door zijn getalm de dringende noodzakelijkheid heeft uitgelokt. Indien hij onmiddellijk, nadat hem op 8 december 2004 de beslissing werd medegedeeld, een procedure ten gronde voor de arbeidsrechtbank was gestart, had hij wellicht nu reeds een vonnis gehad. 4. Het wettelijk criterium meer bepaald dat een leraar die zijn loopbaan heeft onderbroken van de minister van onderwijs toelating kan krijgen om zijn ambt opnieuw op te nemen vooraleer de periode van onderbreking van de beroepsloopbaan is verstreken " om uitzonderlijke familiale redenen" is niet vervuld. In zijn verzoek van 15 november 2004 heeft de heer J.V. geen enkele concrete reden vermeld. In zijn begeleidende brief vermeldt hij dat de inrichtende macht van het x "erop mag vertrouwen dat de voortijdige beëindiging gebaseerd is op uitzonderlijke familiale redenen" Voor zover dr. x al enig mandaat had van de heer J.V. om tussen te komen in de procedure tot het bekomen van toelating van de voortijdige beëindiging van de beroepsloopbaan, quod non, vermeldt hij geen enkele concrete reden die als uitzonderlijke familiale reden kan gekwalificeerd worden in de zin van artikel 17 van het besluit van 16 december 1997 van de Vlaamse Regering. In zijn tweede aanvraag van 14 december 2004 verwijst de heer J.V. naar brieven die verstuurd werden naar de VZW x op 15 november 2004, 25 november 2004 en 14 december 2004 ter motivering van zijn aanvraag. Wederom wordt in deze brief geen enkele concrete reden vermeld die kan beschouwd worden als "uitzonderlijke familiale reden" in de zin van het besluit. De inrichtende macht vroeg aan de heer x, verantwoordelijke van het departement onderwijs, welk gevolg de VZW x aan deze nieuwe aanvraag moest geven. De heer x deelde mee dat deze nieuwe aanvraag niet aan de minister diende te worden voorgelegd als het standpunt van de inrichtende macht hetzelfde was als bij de vorige aanvraag. 5. De heer J.V. vergeet dat de school als gevolg van zijn loopbaanonderbreking (die hij zelf gevraagd heeft) genoodzaakt was een andere leraar lichamelijke opvoeding. Hij vindt het rechtvaardig en opportuun dat deze vervangleerkracht zomaar aan de deur wordt gegooid omdat hij zijn loopbaanonderbreking niet meer kan financieren tot het einde van het schooljaar. In het kader van de continuïteit van de lessen lichamelijke opvoering is dergelijke breuk niet in het belang van de leerlingen. 6. Uit de libellering van artikel 17 van het Besluit van 16 december 1997 van de Vlaamse Regering blijkt bovendien dat de minister van onderwijs een discretionaire bevoegdheid heeft inzake het al dan niet verlenen van toelating tot vervroegde beëindiging van de loopbaanonderbreking. Ingeval de verzoeker een uitzonderlijke familiale reden aantoont kan de minister de toelating verlenen. Indien hij deze toelating wil verlenen kan dit enkel ingeval de inrichtende macht ermee akkoord gaat. Ingeval de inrichtende macht akkoord gaat kan de minister de toelating nog steeds weigeren. In huidige procedure vordert de heer J.V. dat de voorzitter van de arbeidsrechtbank hem de toelating verleent om zijn loopbaanonderbreking vervroegd te beëindigen. Hij vordert dus dat de rechter in de plaats treedt van de minister. Aangezien de minister terzake een discretionaire bevoegdheid heeft, kan de rechter niet in de plaats treden van de minister. Dit zou een schending van de scheiding der machten betekenen. 7. Ten onrechte houdt eiser voor dat hem de bijlage gevoegd aan de brief van de minister niet werd overgemaakt. Een kopie van het standaardformulier dat door de heer J.V. op 15 november 2004 en door de VZW x op 29 november 2004 werden ingevuld werd wel degelijk gevoegd bij de brief van 3 december 2004 van de minister die op 8 december 2004 aan de heer J.V. werd overgemaakt. Gedurende bijna twee maanden maakt de heer J.V. hiervan geen melding. De heer J.V. blijft tot op heden manifest in gebreke de "uitzonderlijke familiale omstandigheden" te verduidelijken zodat niet bewezen is dat de VZW x haar motiveringsplicht heeft geschonden. Beschikking Artikel 584, tweede lid, Ger.W. bepaalt dat de voorzitter van de arbeidsrechtbank bij voorraad uitspraak doet in de gevallen die hij spoedeisend acht, in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van zijn rechtbank behoren. De bevoegdheid. De hoogdringendheid is onbetwist een voorwaarde voor onze materiële bevoegdheid. Het is voldoende dat de eiser stelt dat de zaak spoedeisend is opdat wij bevoegd zijn om van de vordering kennis te nemen (Cass. 11 mei 1990, R.W. 1990-1991, 987, noot J. Laenens). Het wordt niet betwist dat de gewone rechter in casu de arbeidsrechtbank is, en, in zaken die de eiser spoedeisend acht, diens voorzitter. Wij zijn aldus bevoegd om van de vordering kennis te nemen. De gevorderde maatregelen. Er dient te worden onderzocht of terecht spoedeisende en voorlopige maatregelen worden gevorderd. Spoedeisendheid Zoals hoger gesteld zijn wij bevoegd om van de vordering kennis te nemen wanneer bij de voorzitter in kort geding door de dagvaarding een vordering wordt aangebracht in een geval waarvan de eiser stelt dat het spoedeisend is. Het komt ons evenwel toe te beoordelen of de gevraagde maatregelen werkelijk spoedeisend zijn. "Wanneer de voorzitter in kort geding het geval niet spoedeisend acht, beslist hij dat hij het gevorderde zoals het hem is aangebracht niet kan toekennen" (Cass. 11 mei 1990, R.W. 1990-1991, 987, noot J. Laenens). Er is, in de zin van art.584, eerste lid, Ger.W. sprake van een spoedeisend geval wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Eiser wenst dat een einde wordt gesteld aan de loopbaanonderbreking zodat hij met onmiddellijke ingang zijn ambt terug kan opnemen. Rekening houdend met het feitenrelaas is een vlugge beslissing aangewezen zodat wij oordelen dat de vereiste hoogdringendheid aanwezig is. Voorlopige maatregelen 1. Het door de partijen geciteerde en terzake toepasselijk artikel van het besluit van de Vlaamse Rgering van 16 december 1997 (B.S. 19 februari 1998) betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs, luidt als volgt: " Art. 17. § 1. Om uitzonderlijke familiale redenen en mits een opzegging van één maand, kan het personeelslid dat zijn loopbaan onderbroken heeft, van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs of van zijn gemachtigde de toelating krijgen om zijn ambt opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vooraleer de periode van onderbreking van de beroepsloopbaan is verstreken. Deze opzegging moet worden gericht aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs : 1° door tussenkomst en met akkoord van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs voor de onder deze raad ressorterende instellingen en centra; 2° door tussenkomst en met akkoord van de inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra. § 2. De personeelsleden genoemd in artikel 10, § 1, en in artikel 11, 1° en 2°, kunnen in geen geval hun ambt weer opnemen of opnieuw volledig uitoefenen na 1 mei van het school- of dienstjaar. § 3. Behoudens de toepassing van de §§ 1 en 2, kunnen de in artikel 8 genoemde personeelsleden hun ambt slechts opnieuw volledig uitoefenen met ingang van 1 september. Ze moeten hun voornemen meedelen aan de inrichtende macht vóór 1 mei. § 4. De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs of zijn gemachtigde brengt, binnen vijftien dagen na de beslissing, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op de hoogte van de datum waarop het personeelslid een einde maakt aan zijn loopbaanonderbreking. § 5. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op de personeelsleden die hun loopbaan onderbreken om de redenen bedoeld in (artikel 12, §§ 1, 2 en 3). BVR 1999-05-25/60, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1998 Het personeelslid dat zijn loopbaan onderbroken heeft voor het verstrekken van palliatieve verzorging, kan evenwel, na het overlijden van de persoon die de verzorging genoot, van de inrichtende macht van de instelling(
- en)of het/de centr(um)(
- a)waarbij hij tewerkgesteld is, de toelating krijgen om zijn ambt opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vooraleer de periode van onderbreking van de beroepsloopbaan verstreken is." 2. In tegenstelling tot hetgeen verwerende partijen voorhouden, staat geenszins vast dat de inrichtende macht de bijlage, waarnaar in de brief van de minister van 3 december 2004 verwezen wordt, mee aan de heer J.V. werd betekend. Eveneens houden de verwerende partijen onterecht voor dat de heer J.V. dit bezwaar slechts na bijna twee maanden uitte. Integendeel, in de brief van 13 december 2004 - waarvan de inhoud duidelijk niet is ontgaan aan de verwerende partijen- klaagt de heer J.V. aan de bijlage niet te hebben ontvangen en vraagt hij dat ze hem snel wordt bezorgd. Deze bijlage, in origineel bijgebracht door verwerende partijen (stuk 8), maakt volgens ons integraal deel uit van de beslissing. In de brief van de minister wordt immers verwezen naar het feit dat de inrichtende macht geen akkoord verleende en de beslissing van de minister is mede geschraagd op de motieven van dit ongunstig advies "Gelet op het feit dat de inrichtende macht haar akkoord niet verleende en rekening houdend met haar argumentatie wordt de aanvraag om voortijdige beëindiging verworpen". Wij zijn de mening toegedaan dat, rekening houdend met het feit dat aan de inrichtende macht in deze aangelegenheden wordt opgedragen én het verzoek tot voortijdige beëindiging van de loopbaanonderbreking over te maken aan de bevoegde minister ( en hiertoe de nodige begeleiding te verschaffen) én advies te verstrekken over de aangelegenheid én uiteindelijk de beslissing van de minister aan de betrokken leerkracht te betekenen (op een wijze die niet onderworpen is aan specifieke vormvoorwaarden), de inrichtende macht hierbij zorgvuldig en plichtsbewust moet tewerk gaan. Transparantie hierbij is vereist zodat de betrokken leerkracht weet waarom een afwijzend advies werd verleend. Zoals hiervoor gezegd zijn wij niet overtuigd dat dit in casu gebeurde. Alleszins wordt hiervan geen bewijs bijgebracht. Evenmin lijkt ons het verleende advies voldoende gemotiveerd. Zoals blijkt uit het terzake toepasselijk artikel 17 en zoals terecht door verwerende partijen opgemerkt, kan de minister enkel een gunstige beslissing nemen bij een akkoord van de inrichtende macht. Het is dan ook fundamenteel dat een "niet akkoord" omstandig wordt toegelicht. Ook dit is in casu niet gebeurd, zeker niet nu blijkt dat de brief van de huisarts van eiser wel degelijk deel uitmaakte of hoorde uit te maken van het door eiser ingediend dossier, althans gekend was door de VZW x op het ogenblik dat het advies werd verleend. Het strookt evenmin met de geest van het besluit dat de tweede aanvraag door de inrichtende macht niet werd overgemaakt aan de minister maar verticaal werd geclasseerd. 3. Anderzijds evenwel , al is de rechterlijke macht bevoegd om een door de administratieve overheid bij de uitoefening van haar discretionaire macht begane onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht te voorkomen en ook te vergoeden, vermag zij niet aan het bestuur zijn beoordelingsvrijheid te ontnemen en zich aldus in de plaats van het bestuur te stellen. Ook de rechter in kort geding vermag dit niet (cass. 19.04.1991 en 12.12.2003, www.cass.
- be)Wij sluiten ons dan ook aan bij het standpunt van de verwerende partijen (zie hoger onder punt 6) dat, door de vordering die ertoe strekt te zeggen voor recht dat de heer J.V. met onmiddellijke ingang zijn ambt terug kan opnemen en dit tot 30 juni 2005 in te willigen, wij ons in de plaats stellen van de minister die uitsluitend bevoegd is een beslissing te nemen waarbij aan de loopbaanonderbreking die aan de heer J.V. werd toegekend tot 31 augustus 2005, een einde wordt gesteld. Bovendien is de gevorderde maatregel niet voorlopig vermits alsdan hierdoor een einde wordt gesteld aan de loopbaanonderbreking tot het einde van het schooljaar, een toestand die bezwaarlijk als voorlopig kan worden beschouwd. De vordering dient dan ook afgewezen en ongegrond te worden verklaard. OM DEZE REDENEN: Beatrix DEWAEL, voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt, zetelend als RECHTER IN KORT GEDING, bijgestaan door griffier-hoofd van dienst Arlette BERVOETS; Doet uitspraak op tegenspraak, met naleving van de voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken; Voegt de zaken gekend onder de R.K.nummers 205-K-2 en 205-K-3 samen. Verklaart de eis ontvankelijk doch ongegrond. Legt de kosten ten laste van eisende partij, aan de zijde van de verwerende partijen begroot op 34,97 EUR rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van eisende partij begroot op 28,52 EUR dagvaardingskosten vereffend in debet in de zaak R.K.nummer 205-K-2 en 82,91 EUR dagvaardingskosten in de zaak R.K.nummer 205-K-3 en 104,86 EUR rechtsplegingsvergoeding, en dienovereenkomstig vereffend. Verklaren deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling. Uitgesproken in openbare terechtzitting van NEGEN MAART TWEEDUIZEND EN VIJF. PDF document ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20050309.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div