← België

ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051012.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 12 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051012.12 Rolnummer: 376688 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-01 03:29 Fiches 1 - 2 Personen die als levenspartners samenwonen zonder kinderen vallen niet onder de categorie voorzien in artikel 14, ,§ 1, eerste lid, 3° van de RMI-wet. In een gezin zonder kinderen dekt het leefloon van de ene partner het recht op het leefloon van de andere partner niet en heeft de partner die niet aan de nationaliteitsvoorwaarde van artikel 3, 3° van de RMI-wet voldoet enkel recht op het levensminimum. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . RECHT OP BESTAANSMINIMUM . RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE Leefloon - nationaliteitsvoorwaarde - personen die samenwonen zonder kinderen - geen dekking door leefloon partner Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 3,3° - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Wet - 26-05-2002 - 14,§1,lid1, - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Nota: Gerangschikt onder X GN - artikel 3, 3° en onder X GN - artikel 14, ,§ 1, lid 1, 3° Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00004,P.223-225) Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK ANTWERPEN, 14de KAMER A.R. 376.688 12/10/2005 F.R. t./ O.C.M.W. 1. VOORWERP VAN DE VORDERING: Met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 9 maart 2005, tekent eiseres beroep aan tegen de beslissing genomen door het Bijzonder Comité Sociale Bijstand van het OCMW dd. 31.01.2005 waarbij beslist wordt : x Levensminimum te weigeren vanaf 13.01.2005 o Reden : de wet bepaalt dat u maar recht hebt op OCMW -hulpverlening nadat u Uw rechten hebt uitgeput: U hebt dit niet gedaan. 2. ONTVANKELIJKHEID: De vordering werd naar tijd en vorm op regelmatige wijze ingesteld en is derhalve ontvankelijk. 3. DE FEITEN: Eiseres is een 31-jarige vrouw afkomstig uit Palestina. Zij studeerde daar kunstonderwijs. Zij is ingeschreven in het vreemdelingenregister. Zij kwam naar België in december 2004. Zij huwde in de zomer van 2004 met een Syrische man, die reeds verschillende jaren in België verblijft en die in het bevolkingsregister is ingeschreven. Haar echtgenoot heeft volgens zijn verklaring gewerkt van 15.11.2004 tot 30.11.2004 voor een Antwerpse firma, die uiteindelijk failliet ging. Zij deden samen een aanvraag tot het bekomen van financiële hulp op 13.01.2005. Bij beslissing van het Bijzonder Comité Sociale Bijstand dd. 31.01.2005 werd aan de echtgenoot het leefloon alleenstaande ten bedrage van 613,33 EUR toegekend. Bij zelfde beslissing werd aan eiseres het levensminimum geweigerd met ingang van 13.01.2005. 4. TEN GRONDE Uit het verzoekschrift blijkt dat eiseres vraagt om het levensminimum te krijgen. Ter zitting blijkt dat eiseres niet specifiek levensminimum vraagt dan wel financiële steun wenst te krijgen van het OCMW, onder welke vorm dan ook. Ter zitting daarover ondervraagd, antwoordde het OCMW, dat de rechtbank zal beslissen of er recht is op leefloon dan wel op levensminimum. Er dient dus eerst onderzocht te worden of eiseres recht heeft op leefloon dan wel op levensminimum. 4.1. Recht_op leefloon of op levensminimum ? Conform de RMI-wet heeft de echtgenoot van eiseres , ingevolge zijn inschrijving in het bevolkingsregister, recht heeft op leefloon. Thans dient de vraag gesteld of eiseres, die ingeschreven is in het vreemdelingenregister, recht op leefloon of op levensminimum? Desbetreffend dient verwezen te worden naar artikel 14 R.M.I.-Wet. Deze bepaling is wel het voorwerp geweest van een aantal wijzigingen Ten einde het probleem te schetsen, dient verwezen te worden naar de voorgeschiedenis van de diverse toepasselijke bepalingen. In de oorspronkelijke versie van artikel 14 R.M.I.-Wet hadden de beide partners van een gezin met minderjarige kinderen beiden recht op het leefloon als samenwonende. De oorspronkelijke versie van artikel 14 R.M.I.-Wet werd door het Arbitragehof vernietigd in een arrest van 14 januari 2004 omdat deze bepaling strijdig werd geacht met de artikelen 10 en 11 G. W. (Arbitragehof nr. 5/2004, 14 januari 2004, rolnr. 2618, B.S. 27 februari 2004.) Het Arbitragehof was immers van mening dat elke persoon met kinderlast, of hij nu samenwoont of niet, recht moet hebben op hetzelfde bedrag. Ten gevolge van dit arrest werden er bij Koninklijk Besluit een aantal wijzigingen doorgevoerd waardoor er een voorlopige regeling werd doorgevoerd. ( KB van 1 maart 2004 houdende bepalingen ingevolge het arrest nr. 5/2004 van 14 januari 2004 van het Arbitragehof waarbij sommige bepalingen van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie werden vernietigd, B.S. 2 maart 2004. Dit KB is in werking getreden op 27 februari 2004 (datum van publicatie van het arrest van het Arbitragehof van januari 2004, zie artikel 6 van voormeld Koninklijk Besluit ). Deze regeling werd verder uitgelegd in een omzendbrief van 1 maart 2004. Deze voorlopige regeling werd ondertussen opnieuw gewijzigd door de Programmawet van 9 juli 2004 waarbij de nieuwe regeling in werking treedt op 1 januari 2005. ( B.S. 15 juli 2004 -zie artikel 106 programmawet van 9 juli 2004). Aangezien de bestreden beslissing dateert van 31 januari 2005 is het deze regeling die dient toegepast te worden. De nieuwe versie van artikel 14 ,§ 1 bepaalt: ",§1 het leefloon bedraagt: 1) 4 400 EUR voor elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont.Onder samenwoning wordt verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. 2) 6 600 EUR voor een alleenstaande persoon. 3) 8 800 EUR voor een persoon die uitsluitend samenwoont met een gezin te zijnen laste. Dit recht wordt geopend van zodra er ten minste één minderjarig ongehuwd kind aanwezig is. Het dekt meteen het recht van de eventuele echtgeno(o)t(

  1. e)of levenspartner. Onder gezin ten laste wordt verstaan, de echtgenoot, de levenspartner, het ongehuwd minderjarig kind of meerdere kinderen onder wie minstens één ongehuwd minderjarig kind. De levenspartner is de persoon met wie de aanvrager een feitelijk gezin vormt." Uit deze bepaling kan afgeleid worden dat, indien, in een gezin met kinderen de ene partner een recht opent op leefloon, het recht op leefloon van de eventuele echtgeno(o)t(
  2. e)of levenspartner gedekt wordt. Dit betekent dat het gezin recht heeft op het bedrag als gezin en dat beide partners wel moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden. De Koning heeft verder uitvoering gegeven aan deze bepaling door een artikel 2bis in te voeren in het KB van 11 juli 2002 waarbij gesteld wordt dat de partner moet voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 3 van de R.M.I.-Wet zoals werkbereidheid, rechten uitputten op uitkeringen, geen toereikende bestaansmiddelen hebben, meerderjarig zijn en verblijven op het Belgische grondgebied. ( Zie artikel 1 van het KB van 5 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie, B.S. 13 december 2004. Zie ook omzendbrief Wijzigingen met ingang van 1 januari 2005 inzake het recht op maatschappelijke integratie, B.S. 18 januari 2005.) De partner moet evenwel niet voldoen aan de nationaliteitsvoorwaarde van artikel 3. 3° R.M.I.-Wet. Een legaal verblijf van de partner is dus voldoende om het leefloon uit te keren. Personen die samenwonen zonder kinderen vallen evenwel niet onder deze regeling. Bij een koppel waar de ene partner een recht opent op leefloon en de andere partner recht opent op levensminimum zal het OCMW derhalve geen leefloon aan het gezin kunnen uitkeren maar enkel aan de persoon die recht heeft op leefloon. De partner blijft enkel recht hebhen op levensminimum. Hoger werd gesteld dat eiseres deel uitmaakt van een feitelijk gezin in de zin van artikel 14 R.M.I.-Wet en derhalve valt onder artikel 14, ,§ 1, 1° R.M.I.-Wet, met name samenwoners. Aangezien er voor samenwoners niet voorzien is dat het recht op leefloon van één levenspartner het recht op leefloon van de andere partner dekt, heeft eiseres slechts recht op levensminimum en dus niet op leefloon. 4.2. Is er recht op levensminimum? Nu vastgesteld werd dat eiseres enkel recht heeft op levensminimum, moet onderzocht worden of zij een leven kan leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid indien zij geen steun ontvangt. Het OCMW weigert om steun toe te kennen omdat eiseres niet werkbereid zou zijn en niets zou ondernemen om Nederlandse les te leren. Uit het administratief dossier blijkt dat eiseres pas in december 2004 in België is aangekomen. Uit de door haar neergelegde stukken blijkt dat zij vanaf januari 2005 een cursus Nederlands heeft gevolgd en dat zij vanaf september 2005 ingeschreven is in een nieuwe cursus (in totaal 4 voormiddagen per week van 9u30 tot 12u). Uit het sociaal verslag blijkt dat zij zich op 17.01.2005 bij PINA meldde en een afspraak kreeg bij de VDAB op 7 maart 2005. Eiseres kan dan ook niet verweten worden niet het nodige te hebben gedaan om, kort na haar aankomst, haar werkbereidheid te tonen. Ter zitting is gebleken dat zij de taalcursussen gedurende 4 dagen in de week volgt zodat er moeilijk kan verwacht worden dat ze ondertussen nog naar werk zoekt Er is dus een principieel recht op levensminimum. Eiseres moet verder aantonen dat ze geen leven kan leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Hoger werd vastgesteld dat haar echtgenoot in dezelfde periode een leefloon ten bedrage van een alleenstaande ontving. Dit wijst erop dat het OCMW ervan uit gaat dat het gezin behoeftig was. Deze stelling wordt trouwens kracht bijgezet door de vaststelling dat het leefloon als alleenstaande en niet als samenwonende wordt gegeven. Het OCMW gaat er dus klaarblijkelijk van uit dat het bedrag als samenwonende onvoldoende is. Bovendien is het sociaal verslag zeer summier voor wat betreft de vaststellingen van behoeftigheid hoewel het OCMW de mogelijkheid had om dit vast te stellen. Wel worden er een aantal vermoedens naar zwarte tewerkstelling van de man vermeld, maar deze worden niet hard gemaakt. Aangezien een koppel in principe recht heeft op twee maal het bedrag aan leefloon voor samenwoners en het OCMW de behoeftigheid vaststelt, dient ervan uit gegaan te worden dat eiseres in de ganse periode geen leven kon leiden dat beantwoordde aan de menselijke waardigheid. Er dient dus vastgesteld te worden dat eiseres vanaf 13 januari 2005 recht heeft op een bijpassing op het leefloon van de echtgenoot als alleenstaande waardoor het koppel recht heeft op het bedrag aan leefloon voor 2 samenwoners, onder aftrok van het reeds betaalde bedrag aan leefloon aan de echtgenoot. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Gezien het schriftelijk advies van Dhr. D. T., 1° substituut-arbeidsauditeur, uitgebracht in de Nederlandse taal en neergelegd ter griffie op 13/9/2005, Rechtdoende op tegenspraak, Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andersluidende conclusies verwerpende, Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond, Vernietigt de beslissing van het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand van het OCMW d.d. 31.01.2005 waarbij het levensminimum aan eiseres wordt geweigerd vanaf 13.01.2005, Zegt voor recht dat eiseres gerechtigd is op een bijpassing op het leefloon van de echtgenoot als alleenstaande waardoor het koppel recht heeft op het bedrag aan leefloon voor 2 samenwoners, onder aftrok van het reeds betaalde bedrag aan leefloon aan de echtgenoot, Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding, in toepassing van artikel 1017, 2° van het Gerechtelijk Wetboek, deze tot op heden door partijen niet begroot. PDF document ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051012.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.