← België

ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051024.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 24 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051024.1 Rolnummer: 93702 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-21 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-01 03:30 Fiche De rechtbank acht het voldoende bewezen dat verweerster werkte in het kader van een juridische gezagsverhouding doch uit het dossier blijkt dat verweerster geen loon ontving, zij het dat zij weliswaar aan zichzelf als gevolmachtigde van de B.V.B.A. betalingen uitvoerde en deze tegengeboekt werden door facturen tussen haar zelfstandig administratiekantoor en de B.V.B.A. Gezien loon en gezag cumulatieve voorwaarden zijn opdat er sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst en minstens één ervan niet bewezen is, is er de jure geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN bepaling : arbeidsovereenkomst voor bedienden - gezag - loon - zelfstandige. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep. Nr. AR 937/2002 DE ARBEIDSRECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN EERSTE KAMER heeft het volgende vonnis uitgesproken INZAKE : Mr. BERNARD TOPPET-HOEGARS, advocaat te 3700 Tongeren, Bilzersteenweg 341, handelend in zijn hoedanigheid van curator der faling @ afgekort BVBA I., bureau voor nijverheidsstudiën, met zetel gevestigd te x, ingeschreven in het H.R. Tongeren onder nr. x BTW nr. x, in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel van Tongeren dd. 03.01.

  1. Eisende partij, op hoofdeis, verwerende partij op tegeneis, verschijnend door Mr. B. Toppet-Hoegars, advocaat te 3700 Tongeren, Bilzersteenweg
  2. TEGEN H. L., wonende te @ Verwerende partij op hoofdeis Eisende partij op tegeneis, verschijnend door Mr. S. Vandebroek loco Mr. J. Nulens, advocaat te 3500 Hasselt, Kol. Dusartplein 34 bus
  3. Gelet op het vonnis van de Rechtbank van Koophandel van Tongeren dd. 11.04.2002 gekend onder AR A/00/447 waarbij het geschil op verzoek van beide partijen werd verzonden naar de Arbeidsrechtbank van Tongeren, in toepassing van art. 661 Ger.W. Gelet op de besluiten voor aanleggende partij ontvangen ter griffie op 27.09.
  4. Gelet op de kennisgeving in toepassing van art. 662 al. 2 Ger. W. aan partijen van de zittingsdatum van 26.09.
  5. Gelet op de besluiten voor verweerster dd 11.08.2005 en haar bundel bevattende 15 stukken. Gelet op de bundel voor aanleggende partij neergelegd op 14.09.2005 en bevattende 5 stukken. Gehoord partijen ter zitting in hun pleidooien. Gezien geen minnelijke schikking kon worden bereikt. Gelet op de wet op het gebruik der talen.
  6. Voorwerp van de vordering Aanleggende partij vordert te horen zeggen voor recht dat I. BVBA en mevrouw H. niet verbonden waren door een arbeidsovereenkomst, wegens gebrek aan ondergeschikt verband en betaling van loon. Mevrouw H. vordert bij tegenvordering de veroordeling van aanleggende partij in hoofdvordering, tot betaling van de som van 17.716,56EUR hoofdens opzegvergoeding, eindejaarspremie achterstallig loon en niet betaalde vakantiegelden. De tegenvordering wordt als volgt gespecifieerd in besluiten: -Eindejaarspremie 1999 = 1.934,46 EUR -Loon januari 2000:1.934,46 EUR x 1/21 = 92,18 EUR -Enkel vakantiegeld voor 4 niet-opgenomen vakantiedagen: 1.934,46EUR x 4/21 = 368,47 EUR -Vakantiegeld einde dienst 1999-2000 : 26.927,68 EUR x 15,18 % = 4.087,62 EUR -Vakantiegeld einde dienst 2000-2001: 92,18 EUR x 15,18% = 13,98 EUR -Opzeggingsvergoeding 1.934,46 EUR x 13,92/12 x 5m.= 11.219,85 EUR Totaal : 17.716,56 EUR Verwerende partij gaat over tot eisuitbreiding; Eisende partij verder te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals voorzien bij artikel 1022 Ger. W., door eisende partij begroot op - Rechtsplegingsvergoeding: 214,18 EUR
  7. Ontvankelijkheid De ontvankelijkheid wordt niet betwist. Er zijn geen gronden van onontvankelijkheid die de rechtbank ambtshalve dient op te werpen. De vordering en tegenvordering zijn ontvankelijk.
  8. De relevante feiten Verweerster deed een aangifte van schuldvordering ter griffie van de Rechtbank van Koophandel van Tongeren op 31.01.2000 in de faling van de BVBA I. Haar schuldvordering, blijkens stuk 1 van het bundel van aanleggende partij, was samengesteld als volgt: -Eindejaarspremie 1999 : 78.036 BEF -Loon januari 2000: 78.036BEF x 1/21= 3.716 BEF -Enkel vakantiegeld voor 4-niet-opgenomen vakantiedagen 78.036 BEF x 4/21= 14.864 BEF -Vakantiegeld einde dienst 1999-2000 1.014.468 BEF x 15,18%= 153.996 BEF -Vakantiegeld einde dienst 2000-2001 3.716 BEF x 15,18% = 564 BEF -Opzegvergoeding 78.036 BEF x 13,9/12 x 5m.= 451.959 BEF Totaal : 703.135 BEF Mevrouw H. houdt voor bediende te zijn geweest van de BVBA I. Zij verwijst hiervoor onder meer naar haar arbeidsovereenkomst, opgesteld te Genk op 01.02.1996 waarbij zij vanaf 01.02.1996 in dienst trad voor de volgende functie: boekhouding en allerhande administratieve taken. Nog voor de aangifte door mevrouw H. van haar vordering lastens de curatele, meer bepaald via aangetekend schrijven van 11.01.2000, deelt de curator aan mevrouw H. mee dat het bestaan van de arbeidsovereenkomst wordt betwist wegens gemis aan gezagverhouding en ondergeschiktheid. Per schrijven van 07.01.2002 deelt de RSZ aan de curator mee dat mevrouw H. ten onrechte werd onderworpen aan het statuut van werknemers wegens het ontbreken van het element loon, de RSZ spreekt over de periode 4de kwartaal 1996 tot en met 4de kwartaal
  9. In besluiten herneemt de curator de stelling dat er geen sprake is geweest van een gezagsverhouding en evenmin loon werd uitbetaald. Volgens de curator werd mevrouw H. ingeschreven als bediende met het oog om rechten te doen gelden t.a.v. het Sluitingsfonds der ondernemingen gezien het faillissement in het vooruitzicht was. Uit het onderzoek van de RSZ (stuk 2 mevrouw H.) blijkt dat mevrouw H., tijdens haar periode van tewerkstelling, ook zaakvoerster was van haar eigen zelfstandig administratiekantoor had (AKH, ) en van MA C., beide vennootschappen gelegen op hetzelfde adres als de firma I. (Weliswaar was de maatschappelijke zetel van M.a. C. gelegen te x) Tevens blijkt uit dit onderzoek dat de firma I. één van de vele vennootschappen was van de gebroeders B. en dat mevrouw H. in nauw contact stond met de heer J.-P. B. Zoveel blijkt ook uit de resem mailberichten die mevrouw H. als stuk 8 bijbrengt.
  10. Ten gronde De eerste vraag die dient beantwoord te worden is of mevrouw H. gebonden was door een arbeidsovereenkomst in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet van 03 juli
  11. Meer bepaald rijst de vraag of art. 3 van de AOW van toepassing is: "De arbeidsovereenkomst voor bediende is de overeenkomst waarbij een werknemer, de bediende, zich verbindt, tegen loon, onder gezag van een werkgever in hoofdzaak hoofdarbeid te verrichten". De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn tweeërlei: De gezagsverhouding tussen werkgever-werknemer (art. 2,3 4 en 5 AOW) Het element loon (art. 2,3 en 4 AOW) Element gezag De curator stelt dat er geen ondergeschikt verband was tussen mevrouw H. en de BVAB I. De curator verwijst daarvoor naar de afschriften van de overschrijvingsformulieren waaruit inderdaad blijkt dat mevrouw H. zelf haar "loon" overschreef van de vennootschapsrekening naar haar persoonlijke rekening. Het kan ook niet betwist worden dat zij deze overschrijvingsformulieren zelf ondertekende. De rechtbank merkt wel op dat stuk 5 van de bundel van de curator enkel overschrijvingsformulieren bevat voor het jaar 1999, niet van de periode ervoor. De curator stelt verder dat mevrouw H. geheel zelfstandig optrad bij het aangaan en ondertekenen van overeenkomsten in naam en voor rekening van I. BVBA. (zoveel blijkt inderdaad uit het stuk 12 zijnde de algehele volmacht aan mevrouw H.) Behoudens de overschrijvingsformulieren voornoemd, brengt de curator geen verdere bewijzen bij van deze stelling. Ter zitting verduidelijkt de curator wel dat de burelen van I. slechts 1 kleine ruimte betroffen die behoudens een niet aangesloten computer leeg was. Het bureel van AKH bevond zich aan de overkant en was wel ingericht. In elk geval rust de bewijslast van het ondergeschikt verband op diegene die er zich op beroept, in casu mevrouw H. Deze haalt als argumenten aan dat zij steeds in opdracht heeft gewerkt, eerst van de heer Soons, dan van de heer J.P B., daarna van de heer E. B. Ter staving brengt mevrouw H. stuk 8 bij, zijnde een lijvige bundel met mailberichten van de heer B. aan haarzelf. Inhoudelijk betreffen dit meestal opdrachten ivm betalingen, doorstortingen enz. De mailberichten lopen allemaal over het jaar
  12. Mevrouw H. merkt tevens op dat haar zelfstandig administratiekantoor eerst werd opgericht per 14.01.1999, zodat zij voor die periode altijd in ondergeschikt verband moet gewerkt hebben. Na de oprichting van AKH stelt mevrouw H. dat zij als bediende de persoonlijke secretaresse is gebleven van de heer J P B. en hiervoor betaald werd door de BVB I. en dat zij de boekhouding van een aantal vennootschappen van de Groep B. mocht verrichten via haar eigen vennootschap AKH. Gezien de andere bediende van de firma I., in onderaanneming, voorbereidend werk uitvoerde in voordele van de firma AKH, werden facturen opgesteld ten voordele van I. lastens AKH (aldus mevrouw B.) Verder merkt mevrouw op dat de RSZ niet het ondergeschikt verband betwist, doch wel de betaling van loon. Er is de geschreven arbeidsovereenkomst, doch de realiteit dient boven de fictie te worden gesteld. Zie "de arbeidsovereenkomst", reeks APR, J. Steyaert, nr.40 : "Bij de beoordeling zal men dus een beroep doen op alle aanwezige feitelijke gegevens die het bestaan of de afwezigheid van de gezagsverhouding kunnen aantonen. Derhalve zal men, zoals gezegd, de bewoordingen van de overeenkomst onderzoeken, het loon nagaan en de duur van de prestaties; men zal moeten letten op de aard en de inhoud van de arbeidsprestatie, maar vooral op alle tekenen die erop wijzen dat er werkelijk een gezag bestaat waaraan gehoorzaamd moet worden. Er moet een antwoord gegeven worden op de vraag hoe en door wie feitelijk leiding gegeven wordt, waar en wanneer toezicht uitgeoefend wordt. Alle feitelijke gegevens kunnen helpen een afdoend bewijs te vinden: geschreven of mondelinge instructies, nota's, verplichting om gedurende de kantooruren aanwezig te zijn, het werk op een bepaalde plaats uit te voeren, geregeld verslag uit te brengen, alle arbeid die de werkgever oplegt te aanvaarden, enz. Maar dan nog moet de rechter voorzichtig te werk gaan: ook zelfstandig optredende personen kunnen zich ertoe verbonden hebben verslagen in te dienen (Cass., 3 oktober 1957, Pas., 1958, I, 86), de arbeid in de lokalen van de medecontractant uit te voeren en zich aan welbepaalde uren voor het leveren van hun prestaties te houden (Cass., 2 april 1979, J.T.T., 1980, 78), slechts voor een enkele opdrachtgever te werken (Cass. 16 januari 1962, Pas., I, 571; Arbh. Brussel, 16 oktober 1974, J.T.T., 1975, 73; Arbrb. Charleroi, 19 februari 1975, J.T.T., 1986, 31), zich exclusief te bevoorraden, boekhoudkundige normen of openingsuren na te leven (Arbh. Bergen, 30 juni 1988, J.T.T.? 1988? 378). De noodwendigheden van de handelsexploitatie en een evidente economische afhankelijkheid zijn op zichzelf geen uitdrukking van een juridisch gezag (ibid.; zelf zijn arbeid organiseren (Cass., 9 mei 1988, R.W., 1988-89, 677). Ook een lasthebber moet rekenschap geven van de uitvoering van zijn opdracht (art. 1993 B.W.). Ook de duur van de prestatie is op zichzelf niet afdoende: beperkte arbeidsprestaties b.v. tot vier dagen per maand, kunnen binnen een arbeidsovereenkomst worden uitgevoerd, terwijl een activiteit die bijna uitsluitend ten voordele van de opdrachtgever wordt uitgeoefend toch niet tot een gezagsverhouding leidt (Arbrb. Charleroi, 7 mei 1973, J.T.T., 1973, 285; Arbh. Brussel, 16 oktober 1974, J.T.T., 1975, 73). De benaming die het loon gekregen heeft, is evenmin beslissend (loon, vergoeding, honoraria), ook niet de omvang van het loon, zelfs de persoon die loon uitbetaald werd, is op zich niet afdoende, want de betaling zou kunnen geschieden in opdracht of voor rekening van een ander, die de werkelijke werkgever is (Kh. Brussel, 3 februari 1960, Jur. Comm. Br. 1960, 200). Evenmin de manier waarop het loon berekend wordt: vast, als commissieloon, of beide samen. Ook op zichzelf niet relevant is of er al dan niet een minimum wordt gegarandeerd. Evenmin het feit of de werkgever zelf het gezag uitoefent maar zijn bevoegdheid aan een derde toevertrouwt, b.v. een ondergeschikte: een afdelingsverantwoordelijke, meestergast, bedrijfsdirecteur... De opdrachtgever blijft werkgever (Cass., 4 december 1975, Pas., 1976, I, 424). De opdrachtgevers kunnen overigens vrij talrijk zijn, bijvoorbeeld in een feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, zij kunnen dan hun bevoegdheid aan een der leden delegeren (zie in dit verband, Cass. 6 november 1961, Pas., 1962, I, 278). Dergelijke bevoegdheidsdelegatie mag niet worden verward met het terbeschikkingstellen van werknemers ten behoeve van derden (zie verder, nr. 993 e.v.). De aansluiting bij de sociale zekerheid heeft evenmin afdoende bewijswaarde omdat de partijen tot deze aansluiting gehouden zijn ingevolge de objectieve toestand van hun rechtsverhoudingen, niet op grond van hun persoonlijk oordeel (Cass., 20 oktober 1976, Pas, 1977, 1.223; Arbh. Brussel, 23 december 1980, R.W., 1980-81, 2706; zie ook Cass., 11 september 1978, Arr. Cass., 1978-79, 29). Alle hiervoor besproken elementen kunnen op zichzelf al dan niet voldoende zijn om het bestaan of de afwezigheid van een gezagsverhouding te bewijzen. Deze elementen kunnen de opvatting van de rechter mede helpen vormen; zij determineren ze niet noodzakelijk. Hoe casuïstisch bijgevolg elk geval dient te worden beoordeeld kan blijken uit twee arresten uitgesproken op dezelfde datum (Cass., 16 januari 1978, R.W., 1977-78, 2596; Cass. 16 januari 1978, R.W., 1977-78, 2597), waarbij in het ene geval een gerant geacht werd onder gezagsverhouding te werken en in het ander geval niet. In een andere zaak was het Hof van oordeel dat een filiaalhouder die de overeenkomst uitvoert met medewerking van door hem in dienst genomen en betaald personeel, en wanneer de uitvoering van de overeenkomst door deze medewerking leidt tot de exploitatie van een eigen onderneming, over een zodanige zelfstandigheid beschikt dan hij het filiaal als een eigen zaak mag exploiteren. Dergelijke filiaalhouder is geen ondergeschikte (Arr. Cass., 1978, 577, met conclusie O.M.; H. Lenaerts, "Cassatierechtspraak in sociale zaken", T.P.R., 1987, 582) (zie ook, nr. 76). Zie tevens als voorbeeld : Cass., 2 april 1979, R.W., 1979-80, 1558, in concreto : geen arbeidsovereenkomst voor een taalleraar; Cass., 2 april 1979, R.W., 1980-81, 2112 (dienstoverste in een ziekenhuis, in concreto: geen ondergeschiktheid); zie eveneens Cass., 5 december 1983, T.S.R., 1984, 140." Sinds de recente "kwalificatiearresten" van het Hof van Cassatie, dient de rechtbank na te gaan of de feitelijke elementen al dan niet verenigbaar zijn met de inhoud zoals partijen aan een overeenkomst hebben gegeven. In elk geval rust de bewijslast van het ondergeschikt verband op diegene die er zich op beroept, in casu mevrouw H. De rechtbank acht het voldoende bewezen dat mevrouw H. haar opdrachten kreeg en er in casu sprake was van een juridische gezagsverhouding, ook na de oprichting van haar eigen vennootschap AKH. Zoveel blijkt volgens de rechtbank uit de bijna dagelijkse mail met opdrachten die mevrouw H. mocht ontvangen van de heer B. Uit de verklaringen van mevrouw H. aan de sociale inspecteur (verslag nr 01/161/269 blijkt evenzeer dat mevrouw H. voor elke beslissing de goedkeuring nodig had van de heer B. Element loon De rechtbank is van oordeel dat hier het schoentje wringt. Uit het dossier blijkt duidelijk dat mevrouw H. geen loon ontving, zij het dat zij weliswaar aan zichzelf (als gevolmachtigde van de BVBA I.) betalingen uitvoerde, doch dat deze als het ware tegengeboekt werden door facturen tussen AKH en I. Zoveel heeft mevrouw H. ook verklaard aan de inspecteur in het proces-verbaal hierboven genoemd :" de facturen die werden opgemaakt van I. naar AKH eerst werden goedgekeurd door de heer B. en deze moest ze dan zo snel mogelijk betalen. Zodat ze dan haar achterstallig loon kon ontvangen indien mogelijk. Het uurloon van deze facturen werd in onderling overleg afgesproken maar eigenlijk had de heer B. het bedrag vastgelegd." De RSZ heeft dan ook terecht besloten (31.01.2002): "....de BVBA I. factureert een bedrag aan haar eigen onderneming voor prestaties die zij voor haar eigen onderneming verricht. Het gefactureerde bedrag is echter groter dan het uiteindelijk aan haar door I. uitbetaalde. Bijgevolg dienen we te besluiten dat het haar eigen onderneming is die haar integraal betaald, waardoor er geen loon door de BVBA I. aan haar wordt uitbetaald." Dat I. in onderaanneming voor AKH prestaties heeft uitgevoerd en meer bepaald bediende I. V., wordt op geen enkele wijze aangetoond. Nochtans kan het niet zo moeilijk zijn aan te tonen dat er vooreerst een bediende V. was, ook dit wordt echter niet gestaafd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor het jaar 1999 mevrouw H. niet bewijst dat zij loon heeft ontvangen, zoals bedoeld in de AOW. Derhalve mag aangenomen worden dat de arbeidsovereenkomst van 01.02.1996 door partijen werd beëindigd van zodra mevrouw H haar BVBA AKH oprichtte, doordat zij van dan af geen loon meer ontving. Uit het geen boven gesteld besluit de rechtbank dat zij immers niet meer kan geacht worden "loon" te hebben ontvangen, in geen geval bewijst mevrouw H. het tegendeel. Gezien het element loon en gezag cumultatieve voorwaarden zijn opdat sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst, en minstens één ervan niet bewezen is, is de iure geen sprake van een arbeidsovereenkomst sinds
  13. De tegenvordering zoals geformuleerd in besluiten is dan ook ongegrond. De vordering van verweerster op hoofdeis, aanlegster op tegeneis, is dan ook ongegrond. De rechtbank wijst haar af. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, statuerend op tegenspraak. Na beraad, Rechtdoende op de hoofdvordering van de curator, verklaart deze vordering ontvankelijk en gegrond. Zegt voor recht dat partij I. BVBA en partij H. L. niet door een arbeidsovereenkomst verbonden waren sinds
  14. Verleent akte aan verweerster op hoofdeis, eiseres op tegeneis van haar tegeneis. Rechtdoende op deze tegeneis, Verklaart deze ontvankelijk doch ongegrond. Wijst haar ervan af. Veroordeelt verweerster op hoofdeis tot de kosten van het geding, onbegroot in hoofde van aanlegger en begroot in hoofde van verweerster op 214,18EUR rechtplegingsvergoeding Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting de AANWEZIG : A.M. DE RIECK, Rechter, Voorzitter van deze Kamer P. LIEBENS, werkend rechter in sociale zaken, werkgever. R. DESSERS, werkend rechter in sociale zaken, werknemer-bediende. M. LIESENBORGHS, adjunct-griffier met opdracht (M.B. 18.05.2000 - B.S. 24.05.2000). PDF document ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051024.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.