← België

ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051110.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051110.7 Rolnummer: 370680 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-16 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-01 03:33 Fiches 1 - 2 De wetgever heeft geoordeeld dat het collectief bezwaar als dusdanig niet aan formele vereisten dient te voldoen, doch het is duidelijk dat de werkgever kennis moet hebben of, met andere woorden, op de hoogte moet zijn van eventuele bezwaren. Het achterlaten van een brief door werknemersvertegenwoordigers in een onderneming die bezet is door de werknemers en zonder dat op hetzelfde ogenblik minstens de vertegenwoordigers van werkgeverszijde van het bestaan van dit collectief bezwaar worden ingelicht, beantwoordt niet aan de vereiste van bekendmaking aan de werkgever. Zelfs indien geen tijdig collectief bezwaar werd ingediend, beschikt de individuele werknemer wel degelijk over de mogelijkheid om de rechtmatigheid en de geldigheid van zijn individueel ontslag in gemeen recht te betwisten en een schadevergoeding te vorderen. Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN . NATIONALE ARBEIDSRAAD informatie en raadpleging van de werknemers - collectief bezwaar - voorwaarden - individueel bezwaar vordering ex delicto. Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 02-10-1975 - 6 - 30 Link Justel databank 19751002-30 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN COLLECTIEVE AFDANKINGEN - informatie en raadpleging van de werknemers - collectief bezwaar - voorwaarden - individueel bezwaar - vordering ex delicto. Wettelijke bepalingen: Wet - 13-02-1998 - 66en67 - 32 ELI link Pub nr 1998012088 Nota: Gerangschikt onder IV D - artikel 6 en onder V M - artikelen 66 en

  1. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00007,P.418-422) Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK TE ANTWERPEN, dd. 10/11/2005 (herinschrijving A.R. 301.518 - d.d. 10.12.2002) Inzake: A.R. 370.680 1/ .R., wonende te 2/ B.M., wonende te 3/ D.B.W., wonende te 4/ D.D.J., wonende te 5/ G.G., wonende te 6/ M.L., wonende te 7/ P.M., wonende te 8/ R.R., wonende te 9/ R.A., wonende te 10/ R.H., wonende te 11/ S.M., wonende te 12/ V.D.V.E., wonende te 13/ V.D.V.B. wonende te 14/ V.M.E., wonende te 15/ V.S.D., wonende EISENDE PARTIJEN (1 t/m. 15), ter zitting vertegenwoordigd door Mr.L.N. 16/ V.E., wonende te EISENDE PARTIJ, ter zitting vertegenwoordigd door Mr.M. 17/ B.R., wonende te 18/ L.E., wonende te VRIJWILLIG TUSSENKOMENDE PARTIJEN, ter zitting vertegenwoordigd door Mr.M. 19/ B.R., wonende te. 20/ B.M., wonende te 21/ C.J. wonende te 22/ D.C.J., wonende te 23/ D.R.R., wonende te 24/ D.R.A., wonende te 25/ G.R. wonende te 26/ H.W. wonende te 27/ P.M. wonende te 28/ V.B.J. wonende te 29/ V.D.H.A. wonende te. 30/ V.G.F. wonende te 31/ V.F. wonende te 32/ V.P. wonende te 33/ V.A. wonende te VRIJWILLIG TUSSENKOMENDE PARTIJEN (19 t/m. 33), ter zitting vertegenwoordigd door Mr.L.N tegen: D.B.E., advocaat, kantoorhoudende te en V.P.M., kantoorhoudende te in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de NV BM T. (VOORHEEN NV N.B.M.), VERWERENDE PARTIJ EN EISENDE PARTIJ IN TUSSENKOMST EN VRIJWARING, vertegenwoordigd door Mr.B.M., advocaat, en Mr.R.V, advocaat, tegen: 1/ HET V.G., vertegenwoordigd door de V.R., ....., voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Tewerkstelling. 2/ V.D.A.B., met maatschappelijke zetel te 3/ S.T.A., gevestigd te 4/ DE DIRECTEUR VAN DE S.T.A., gevestigd te VERWERENDE PARTIJEN IN TUSSENKOMST EN VRIJWARING, vertegenwoordigd door Mr.C.V.D.S., advocaat, VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS: Gezien de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging en nader omschreven op de inventaris ervan en ondermeer: - het vonnis van deze rechtbank en kamer d.d. 13.5.
  2. - de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van gerechtsdeurwaarder M.B. met standplaats te Antwerpen op 11.5.1998 betekend. - de beschikking d.d. 11.9.1998 waarbij bij toepassing van art. 747 ? 2 Ger.W. de conclusietermijnen en de rechtsdag bepaald werden. - de conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie op 22.10.
  3. - de conclusie van verweerders in tussenkomst en vrijwaring, neergelegd ter griffie op 15.12.
  4. - de conclusies van eisers en van de vrijwillig tussenkomende partijen, neergelegd ter griffie op 28.1.
  5. - de tweede conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie op 25.2.
  6. - de beschikking d.d. 12.10.2004 waarbij bij toepassing van art. 747 ,§ 2 Ger.W. de conclusietermijnen en de rechtsdag bepaald werden. - de derde conclusie van verweerster, ter griffie neergelegd op 3.12.
  7. - de tweede conclusie van verweerders in tussenkomst en vrijwaring, ter griffie neergelegd op 15.2.
  8. - de syntheseconclusie van eisers en van de vrijwillig tussenkomende partijen, ter griffie neergelegd op 13.4.
  9. - de samenvattende conclusie van verweerders in tussenkomst en vrijwaring, ter griffie neergelegd op 20.6.
  10. - het schriftelijk advies van Dhr. D.T., 1e Substituut-Arbeidsauditeur, ter griffie neergelegd op 26.9.
  11. - de repliek na advies O.M. van eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen, ter griffie ontvangen op 12.10.
  12. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik van de talen in gerechtszaken, gewijzigd door de Wet van 10 oktober 1967, houdende het Gerechtelijk Wetboek. Gehoord partijen in hun middelen gezegden ter openbare terechtzitting van 15 september
  13. Recht doende op de stukken die zich in het dossier bevinden.
  14. DE VORDERING: De vordering zoals vervat in de inleidende dagvaarding strekte er toe : - bij toepassing van art.19, 2 van het Ger.W., alvorens recht te doen, een voorafgaande maatregel te bevelen om de toestand van. de partijen voorlopig te regelen, inhoudende dat verweerster bevolen wordt om, bij toepassing van de artikelen 7 en 11 van de CAO nr.9 en art.6 van de CAO nr.24, onverwijld daadwerkelijk raadplegingen te starten omtrent de vooruitzichten inzake tewerkstelling van het personeel, de organisatie van het werk en het tewerkstellingsbeleid in het algemeen, hiertoe de nodige inlichtingen te verstrekken, om de leden van de ondernemingsraad toe te laten, hun advies en suggesties of bezwaren te formuleren, met het oog op de mogelijkheden om een eventueel collectief ontslag. te voorkomen of te verminderen, alsook op de mogelijkheid de eventuele gevolgen ervan te verzachten door het nemen van sociale begeleidingsmaatregelen, meer bepaald om bij te dragen tot de herplaatsing of de omscholing van de ontslagen werknemers. - ten gronde, onder voorbehoud van de geldigheid van de opzeggingen gegeven aan eisers, te zeggen voor recht dat de betwisting door eisers bij aangetekende brief van 14/04/1998, gegrond is en derhalve, bij toepassing van art.68 van de nieuwe Wet collectief ontslag, de opzeggingstermijn te schorsen vanaf de derde werkdag na de verzending van deze aangetekende brief - verweerster te horen veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding. - het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling. Met dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring d.d. 11.5.1998 vordert verweerster dat de verweerders in tussenkomst en vrijwaring zouden veroordeeld worden om haar te vrijwaren tegen elke veroordeling die in haren hoofde zou worden uitgesproken zowel in hoofdsom, intresten als kosten. Minstens vordert verweerster dat het vonnis algemeen verbindend wordt verklaard. Met conclusie, neergelegd ter griffie op 28.1.1999, handhaven eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen in hoofdorde de door hen in hun inleidende dagvaarding ten gronde gestelde vordering. In ondergeschikte orde verzoeken zij akte te verlenen van het feit dat zij hun oorspronkelijke vordering aanpassen en een burgerlijke vordering ex delicto wegens overtreding van de CAO's nr. 9 en 24 van de Nationale Arbeidsraad stellen en verzoeken zij deze vordering toelaatbaar en gegrond te verklaren en verweerster te horen veroordelen tot betaling van 1 BEF provisioneel teneinde hen toe te laten in een latere fase hun schade concreet te begroten o.m. op basis van het verzoeningsvoorstel van de gewestelijke paritaire sectie voor de metaalbouw van de Provincie Antwerpen d.d. 27.3.1998 en 28.5.
  15. Met syntheseconclusie, neergelegd ter griffie op 13.4.2005, handhaven eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen hun vordering evenwel met die wijziging dat zij het bedrag van de gevorderde schadevergoeding verhogen tot 1 euro provisioneel.
  16. DE FEITEN EN PROCEDURIELE VOORGAANDEN: Eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen zijn in dienst geweest van de N.V. N.B.M. (hierna NBM genoemd). Op 10.1.1998 bracht NBM haar voornemen ter kennis om haar activiteiten van de definitief stop te zetten en over te gaan tot sluiting van de onderneming en collectief ontslag. In een mededeling aan de ondernemingsraad van dezelfde datum werden de werknemersvertegenwoordigers in de mogelijkheid gesteld vragen te stellen i.v.m. de voorgenomen maatregelen en om argumenten te formuleren en tegenvoorstellen te doen die onderzocht zouden worden en beantwoord op een volgende bijzondere vergadering van de ondernemingsraad. Tevens werd op dezelfde datum de VDAB in kennis gesteld van het voornemen van NBM om over te gaan tot collectief ontslag. Op 9.2.1998 maakte Dhr.R.D.C., effectief lid van de ondernemingsraad een schrijven over aan de voorzitter van de ondernemingsraad waarbij financieel-economische vragen, juridisch en sociale vragen gesteld.werden en waarbij gevraagd werd dat op, een bijzondere vergadering van de ondernemingsraad de vakbondssecretarissen en/of deskundigen de werknemersafgevaardigden konden bijstaan. Eveneens op 9.2.1998 besliste de voorzitter van de ondernemingsraad dat een bijzondere ondernemingsraad zal gehouden worden op 11.2.1998 waarbij de werknemersvertegenwoordigers zich konden laten bijstaan door deskundigen enerzijds en waarbij op de dagorde de inlichting en de raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers m.b.t. het voornemen tot het collectief ontslag geplaatst werd anderzijds. Op 11.2.1998 werd deze bijzondere ondernemingsraad gehouden en werden aan de werknemersvertegenwoordigers een brief evenals de gevraagde inlichtingen bezorgd. Op 16.2.1998 maakte de werknemersafvaardiging aan de voorzitter van de ondernemingsraad de vragen over. Het betrof vier bladzijden bijkomende vragen m.b.t. de informatie verstrekt op de bijzondere ondernemingsraad van NBM van 11.2.
  17. Op 19.2.1998 werd er een vergadering gehouden van de ondernemingsraad. Blijkens de notulen werd er door de voorzitter een brief voorgelezen en werden daarna de vragen en de antwoorden van de werknemers vertegenwoordigers uitvoerig besproken door beide partijen om tot de conclusie te komen dat de NBM nog steeds voornemens was zijn hoofdactiviteit van kraanbouw te stoppen. Verder werd meegedeeld dat het antwoord van de raad van bestuur ongeveer begin maart mocht verwacht worden en door de directie de garantie gegeven werd dat er geen ontslagen zouden vallen voor begin maart anders dan met wederzijds goedvinden. Door de deskundigen werd er daarop gewezen dat vooraleer er ontslagen zouden plaatsvinden er een sociaal overleg moest plaatsvinden en ook de mogelijkheden om de sociale gevolgen van het collectief ontslag te verlichten besproken moesten worden. Op 5.3.1998 werd opnieuw een speciale ondernemingsraad gehouden waarbij de voorzitter andermaal een brief voorlas waarin kennis werd gegeven van de beslissing van de algemene vergadering om over te gaan tot sluiting van de onderneming in de zin van de Sluitingswet en bijgevolg tot collectief ontslag. Verder werden er door de vakbondssecretarissen drie data voorgesteld aan de directie om de onderhandelingen te kunnen starten waarop positief door de voorzitter gereageerd werd. Klaarblijkelijk werd er een vergadering gehouden tussen de werkgever enerzijds en de werknemers vertegenwoordigers anderzijds op woensdag 18.
  18. Op 20 maart 1998 werd de onderneming door de werknemers bezet en kon niemand zich de toegang tot het bedrijf verschaffen zonder hun toelating. Een op 24.3.1998 gepland gesprek ging klaarblijkelijk niet door waarop op dezelfde datum door de algemene secretaris van het ABVV-metaal aan Dhr. L.,, voorzitter van de gewestelijke paritaire Sectie voor de metaalbouw van de Provincie Antwerpen gevraagd werd het gewestelijk paritair comité in een spoedvergadering te willen samenroepen. Op 25.3.1998 verzocht de Heer L. de partijen de verzoeningsvergadering bij te wonen van de gewestelijke paritaire sectie voor de metaalbouw en zulks op vrijdag 27.3.1998 om 14 uur. Op
  19. 3.1998 werd er na de uiteenzetting, na beraadslaging en overleg een eenparige aanbeveling gedaan door de gewestelijke paritaire sectie van de metaalbouw van de Provincie Antwerpen waarbij er een aantal maatregelen werden voorzien voor de arbeiders en voor de bedienden en waarbij het voorstel diende voorgelegd te worden voor maandagavond 30.3.1998, waarbij bij aanvaarding de bezetting onmiddellijk beëindigd werd en bij goedkeuring de partijen een collectieve arbeidsovereenkomst zouden sluiten. Met fax van 30.3.1998 liet NBM weten dat zij in aansluiting op de aanbeveling dd. 27.3.1998 van het verzoeningsbureau bereid was de als bijlage gevoegde CAO's te sluiten waarbij tevens melding werd gemaakt van het feit dat het schriftelijk akkoord van de werknemersorganisaties met voornoemde CAO uiterlijk op 31.3.1998 om 11 uur in haar bezit diende te zijn. Klaarblijkelijk ging verweerster op 31.03.1998 tot ontslag van de werknemers over. In een op 4.4.1998 gedateerde brief liet Dhr. V.B. namens de werknemersvertegenwoordigers in de ondernemingsraad aan de NBM weten dat de houding van de NBM het onmogelijk had gemaakt de in de nieuwe wetsbepalingen inzake collectief ontslag voorziene vragen te stellen, argumenten te formuleren en tegenvoorstellen te doen en werd derhalve bezwaar aangetekend. Zulks gebeurde eveneens door de thans eisende partijen met aangetekende brief van 14.4.
  20. Het verzoeningsbureau van de gewestelijke paritaire sectie voor de metaalbouw van de Provincie Antwerpen werd vervolgens regelmatig bijeengeroepen op 20.4.1998 doch NBM deelde mede niet aanwezig te zullen zijn op deze vergadering van het verzoeningsbureau. Ook op de uitnodigingen voor een verder gesprek op 28.4.1998 wenste NBM niet in te gaan. Eisers verzochten vervolgens met verzoekschrift dd.
  21. 4.1998 de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen verkorting van termijnen te verlenen teneinde te kunnen overgaan tot dagvaarding van de NBM voor de zitting van 29 april
  22. Met beschikking van dezelfde dag werd dit verzoek van eisers ingewilligd. Eisers gingen vervolgens tot dagvaarding over. Met twee verzoekschriften d.d. 27.4.1998 verzocht R.B. de Raad van State om de nietigverklaring respectievelijk de schorsing van de beslissing van de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst Antwerpen, zoals meegedeeld aan het BBTK per brief van 26.2.1998, waarbij de kennisgeving van het voornemen tot collectief ontslag bij de NBM als geldig werd aanvaard, zodat de beschermingstermijn voorzien in art. 9 van het K.B. van 24.5.1976 zou dienen te verstrijken op 31.3.
  23. Op 30 april 1998 gaf de Arbeidsauditeur aan de Inspectie van de Sociale Wetten de opdracht een controle uit te voeren bij NBM m.b.t. de naleving van de bepalingen inzake het collectief ontslag. Op 11 mei 1998 werd een dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring uitgebracht door NBM lastens het Vlaamse Gewest, de VDAB, de Subregionale Tewerkstellingsdienst en de Directeur van de Subregionale Tewerkstellingsdienst. Met vonnis van deze rechtbank en kamer d.d. 13 mei 1998 werd de met toepassing van artikel 19,2?lid van het Ger.W. gevorderde voorlopige maatregel afgewezen en werd de ten gronde gestelde vordering naar de bijzondere rol verwezen. Met verzoekschrift d.d. 18.5.1998 verzocht NBM de Raad van State haar toe te laten tussen te komen in de procedure tot schorsing. Met arrest van de Raad van State nr. 75948 d.d. 28.9.1998 werd de vordering tot schorsing verworpen en werd het verzoek tot tussenkomst van de NBM ingewilligd. NBM verzocht vervolgens bij verzoekschrift d.d. 13.1.1999 de Raad van State haar toe te laten tussen te komen in het debat m.b.t. de procedure tot nietigverklaring. Dit verzoek werd ingewilligd. De procedure tot nietigverklaring van de beslissing van de subregionale tewerkstellingsdienst is nog steeds hangende voor de Raad van State. Hangende onderhavige procedure werden verschillende strafrechtelijke onderzoeken gevoerd. Vooreerst is er een strafonderzoek gevoerd door het Arbeidsauditoraat te Antwerpen over de vraag of NBM de procedure betreffende het collectief ontslag had nageleefd. Dit opsporingsonderzoek werd beëindigd bij beslissing van 16 juni 2003 waarbij de zaak geseponeerd werd. Vervolgens werden er ook een aantal klachten neergelegd in handen van de onderzoeksrechter betreffende de vermeende valsheid in geschrifte. Meer bepaald stelde NBM dat de brief met het collectief bezwaar, gedateerd op 4 april 1998 geantidateerd was en dus vervalst. Deze klacht werd afgesloten met een beschikking van de raadkamer d.d. 17 april 2002 waarbij werd vastgesteld dat het niet mogelijk was om de feiten toe te schrijven aan bepaalde personen (stuk 4 map 2, bundel eisende en vrijwillig tussenkomende partijen). In een arrest van 24 april 2003 bevestigde de kamer van inbeschuldigingstelling de beslissing van de raadkamer (stuk 8, map 2, bundel eisers). Ten slotte kan vermeld worden dat de klacht betreffende de diefstal van goederen en vernieling van wagens en andere roerende goederen hebben geleid tot een buitenvervolgingstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling (arrest van 8 maart 2001, stuk 2 map 2, bundel eisende partijen). Bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel d.d. 6.7.2000 werd de NBM failliet verklaard en werden de huidige verweerders qq. als curatoren aangesteld.
  24. IN RECHTE: 3.
  25. Ontvankelijkheid: De vordering werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. 3.
  26. Gegrondheid 3.2.
  27. Toepasselijke wetgeving Vooraleer een bedrijf kan overgaan tot collectief ontslag, dienen een aantal regels in acht te worden genomen. Zo moet dit collectief ontslag worden aangekondigd, moeten er onderhandelingen gevoerd worden met de vertegenwoordigers van de werknemers en moet er aan bepaalde vormvoorwaarden voldaan worden inzake bekendmaking en termijnen. De werknemersvertegenwoordigers hebben dan nog de mogelijkheid om tegen het voorgenomen collectief ontslag bezwaar in te dienen. In casu maakte de NBM op de bijzondere ondernemingsraad van 30 januari 1998 haar voornemen bekend om over te gaan tot collectief ontslag. Na deze aankondiging trad evenwel een nieuwe wetgeving betreffende het collectief ontslag in werking en het is deze wetgeving die zal moeten toegepast worden. Meer bepaald trad op 19 februari 1998 de Wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, B.S. 19 februari 1998, (hierna de Wet van 13 februari 1998) in werking. Deze wet bepaalt de verdere regels betreffende de te volgen procedure inzake collectief ontslag. Meer specifiek gaat het over de artikelen 66 en 67 die de te volgen procedure omschrijven. Artikel 66 bepaalt: " De werkgever die wil overgaan tot een collectief ontslag, dient de informatie- en raadplegingsprocedure inzake collectief ontslag, zoals voorgeschreven door een collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, na te leven. De werkgever dient daarbij te voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° hij moet aan de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, aan de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, aan de werknemers, een schriftelijk verslag voorleggen waarin hij zijn voornemen te kennen geeft om over te gaan tot een collectief ontslag; 2° hij moet het bewijs kunnen leveren dat hij omtrent het voornemen om over te gaan tot een collectief ontslag met de ondernemingsraad heeft vergaderd of, bij ontstentenis ervan, dat hij met de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, met de werknemers heeft vergaderd; 3° hij moet de leden die het personeel vertegenwoordigen in de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, de leden van de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, de werknemers, de mogelijkheid bieden om vragen te stellen in verband met het voorgenomen collectief ontslag en om in dat verband argumenten te formuleren of tegenvoorstellen te doen; 4° hij moet de in 3? bedoelde vragen, argumenten en tegenvoorstellen hebben onderzocht en beantwoord. De werkgever moet het bewijs leveren dat hij heeft voldaan aan de in het vorige lid bedoelde voorwaarden. ,§
  28. De werkgever dient aan de door de Koning aangewezen ambtenaar kennis te geven van zijn voornemen over te gaan tot een collectief ontslag. In deze kennisgeving moet worden bevestigd dat de voorwaarden bedoeld in ,§ 1, tweede lid, werden vervuld. Een afschrift van de kennisgeving wordt op de dag van de verzending aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaar meegedeeld, aan de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, aan de vakbondsafvaardiging, en wordt aangeplakt in de onderneming. Er wordt bovendien, op de dag van de aanplakking, bij een ter post aangetekende brief een afschrift gezonden aan de werknemers die het voorwerp zijn van het collectief ontslag en van wie de arbeidsovereenkomst reeds een einde heeft genomen op de dag van de aanplakking." Artikel 67 bepaalt: " De ontslagen werknemer kan de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure enkel betwisten op grond dat de werkgever de voorwaarden, bedoeld in artikel 66, ,§ 1, tweede lid niet heeft nageleefd. De ontslagen werknemer kan de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure niet meer betwisten indien de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, de leden van de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, de werknemers welke dienden geïnformeerd en geraadpleegd te worden, aan de werkgever geen bezwaren hebben bekendgemaakt betreffende de naleving van één of meer van de voorwaarden, bedoeld in artikel 66, ,§ 1, tweede lid, binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag van de aanplakking bedoeld in artikel 66, ,§ 2, tweede lid. De ontslagen werknemer moet binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag van zijn ontslag of vanaf de dag waarop de ontslagen het karakter van een collectief ontslag hebben gekregen, bij een ter post aangetekende brief aan de werkgever laten weten dat hij de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure betwist." Verder kan er ook verwezen worden naar het KB van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag. In dit KB werd aan artikel 7 een achtste punt toegevoegd waarbij wordt vermeld dat de werkgever het bewijs moet leveren dat hij voldaan heeft aan de voorwaarden bedoeld in artikel 66 ,§ 1 tweede lid van de Wet van 13 februari
  29. Tenslotte kan er ook verwezen worden naar de CAO nr. 10 betreffende het collectieve ontslag en de CAO nr. 24 betreffende de te volgen procedure in geval van collectief ontslag. 3.2.
  30. De vordering van M.B. en A.V.: Uit de voorliggende stukken van het dossier blijkt dat op 28.5.1998 NBM en A.V. de tussen hen bestaande overeenkomst met wederzijdse toestemming beëindigden. Daarnaast blijkt dat op datum van 17.6.1998 ook Dhr. B. zijn arbeidsovereenkomst met de NBM met wederzijdse toestemming beëindigde. In artikel 3 van beide overeenkomsten is voorzien dat de werknemer het hem (op grond van de in art. 2 vermelde bruto sommen) toekomende netto bedrag tot slot van alle rekeningen aanvaardt en uitdrukkelijk verklaart dat de werkgever bevrijd is van al zijn verplichtingen tegenover hem en dat hij geen verdere eisen meer kan laten gelden tegenover de werkgever op grond van de arbeidsrelatie en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Tevens is in de overeenkomst voorzien dat zij een verzaking inhoudt van partijen om elke dwaling omtrent de feiten, het recht of het bestaan en de omvang van hun rechten in te roepen. Beide vrijwillig tussenkomende partijen hebben dan ook afstand gedaan van de rechten die zij nog zouden kunnen putten uit de arbeidsovereenkomst of de beëindiging ervan. Bovendien heeft verweerster terecht opgemerkt dat B. en V. zich niet kunnen beroepen op de bepalingen van de Wet van 13 februari 1998 nu hun arbeidsovereenkomst niet door de NBM eenzijdig beëindigd werd zodat er geen sprake is van ontslag in de zin van art. 62, 4e van de Wet van 13 februari
  31. De vorderingen van B. en V. zijn dan ook zonder meer ongegrond. 3.2.
  32. De door de overige eisers en vrijwillig tussenkomende partijen in hoofdorde ingestelde vordering: Hoger vermelde wet van 13 februari 1998 voorziet twee manieren waarop de geldigheid van de informatie en raadplegingsprocedure kan worden betwist, die in de rechtsleer respectievelijk als de collectieve en de individuele betwisting worden gekwalificeerd. Het recht op bezwaar, zowel collectief als individueel is uitdrukkelijk beperkt. Immers, er is slechts betwisting mogelijk wanneer de voorwaarden vermeld in art. 66 ,§ 1, 2e lid niet zouden nageleefd zijn. Er is geen betwisting mogelijk op enigerlei andere grond. Bovendien is een individuele betwisting in het kader van de Wet van 13 februari 1998 niet langer mogelijk wanneer uiterlijk 30 dagen na de kennisgeving aan de overheid en de aanplakking er geen bezwaar aangaande de naleving van de procedure werd aangetekend door vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad, of bij ontstentenis de leden van de vakbondsafvaardiging, of bij ontstentenis de werknemers die dienden te worden geïnformeerd en geraadpleegd. Aan het formuleren van het collectief bezwaar zijn geen bijzondere vormvoorwaarden gesteld. x x x Alvorens kan onderzocht worden of NBM inderdaad de vereiste informatie- en raadplegingsprocedures heeft gevolgd, moet nagegaan worden of hiertegen nog een individueel bezwaar kon ingediend worden. Zoals hoger gesteld bepaalt het hierboven geciteerde artikel 67 van de Wet van 13 februari 1998 immers dat de ontslagen werknemer de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure niet meer kan betwisten indien de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad aan de werkgever geen bezwaren hebben bekendgemaakt betreffende de naleving van één of meer van de voorwaarden, bedoeld in artikel 66, ,§ 1, tweede lid, binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag van de aanplakking bedoeld in artikel 66, ,§ 2, tweede lid. x x x Het staat niet ter discussie dat op 5 maart 1998 de officiële kennisgeving werd gedaan betreffende het collectief ontslag in de zin van artikel 66 ,§ 2 Wet van 13 februari
  33. Hiervoor kan verwezen worden naar de mededeling die werd gegeven aan de ondernemingsraad (stuk 13, bundel NBM) en aan de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst (stuk 13, bundel NBM). Verder werden tevens het bevoegde paritair comité, de ministers van economische zaken en tewerkstelling en arbeid alsook het sluitingsfonds dezelfde dag in kennis gesteld (stukken 14 tot en met 18, bundel NBM). Derhalve moet nagegaan worden of de werknemersvertegenwoordiging uiterlijk op 4 april 1998 een bezwaar heeft ingediend. Zoals hoger gesteld bepaalt artikel 67 van de Wet van 13 februari 1998 dat het bezwaar aan de werkgever moet bekendgemaakt worden. Deze bekendmaking is niet aan enige vormvereiste onderworpen en zou zelfs mondeling kunnen gebeuren. De enige voorwaarde is dat de werkgever binnen de dertig dagen na de aan-kondiging kennis krijgt van het bezwaar. De bewijslast desbetreffend ligt vanzelfsprekend bij de werknemers aangezien zij zich beroepen op de tijdigheid van het bezwaar. (zie artikel 870 Ger.W.) x x x Alhoewel partijen na 5 maart 1998 nog gesprekken voerden blijkt uit geen enkel element van het dossier dat er door de werknemersvertegenwoordigers aan de werkgever mondeling bezwaren met betrekking tot de niet naleving van de procedure zoals voorzien in artikel 66 werden ter kennis gebracht. Het is slechts voor het eerst in het op 4 april 1998 gedateerd en door V.B. ondertekend schrijven dat een collectief bezwaar wordt ingediend. Eisers houden voor dat bij deze brief een tijdig collectief bezwaar werd in-gediend. Het strafonderzoek dat ingesteld werd op vraag van de NBM (zie stuk 3, map 2, bundel eisers) wegens valsheid in geschriften lastens de heer V.B. en onbekenden, werd afgesloten door een buitenvervolgingstelling. (zie stukken 4 en 8, map 2, bundel eisers). Zowel de raadkamer als de kamer van inbeschuldigingstelling hebben gesteld dat er geen reden was tot vervolging omdat de beweerde tenlasteleggingen (met name het antidateren van het bezwaar) niet konden toegeschreven worden aan enig nog te identificeren persoon (zie arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling d.d. 24 april 2003, stuk 8, map 2 bundel eisers). De buitenvervolgingstelling bewijst op zich de tijdigheid van het bezwaar niet. Het collectief bezwaar, gedateerd op 4.4.1998, heeft geen vaste datum zoals bedoeld in het B.W. Bovendien werd dit schrijven niet aangetekend verzonden en evenmin door een gerechtsdeurwaarder betekend. Dit laatste zou nochtans niet enkel materieel mogelijk geweest zijn doch bovendien voor de rechtbank een vaststaand bewijs uitmaken van de dag waarop het aan de maatschappelijke zetel van verweerster werd ter kennis gebracht. Na lezing van het strafdossier inzake de klacht wegens valsheid in geschrifte, zoals het door eiser en de vrijwillig tussenkomende partijen wordt voorgelegd, acht de rechtbank het niet bewezen dat het schrijven, ondertekend door Dhr. V.B. en waarbij collectief bezwaar werd aangetekend, inderdaad op 4.4.1998 aan de werkgever werd ter kennis gebracht. De verklaringen die dienaangaande in het kader van het strafonderzoek door Dhr. D.V. en Dhr. D.L. werden afgelegd kunnen de rechtbank niet overtuigen. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat deze verklaringen niet onder eed werden afgelegd. Bovendien doen een aantal tegenstrijdigheden in de verklaringen, die door de verschillende betrokkenen in de loop van het onderzoek werden afgelegd enerzijds en het feit dat niet objectief is komen vast te staan waar en wanneer het schrijven werd opgesteld anderzijds, bij de rechtbank twijfels rijzen omtrent de oprechtheid van de verklaringen van de "getuigen". Daarnaast kan ook niet ingezien worden waarom de werknemersvertegenwoordigers, die op de hoogte waren van de wetgeving en ongetwijfeld het belang kenden van het naleven van de 30 dagen termijn, een tijdig bezwaar zouden indienen zonder er zorg voor te dragen zulks ook objectief te kunnen bewijzen. In dit verband dient erop gewezen te worden dat uit de veelvuldige verklaringen die voorgelegd worden in het strafdossier dat werd opgestart n.a.v. een voorgehouden diefstal en vernieling van goederen, blijkt dat een bewakingsfirma gedurende de periode van bezetting 24 uur per dag aan de inkompoort aanwezig was en dat, althans volgens de verklaringen van de werknemers, het niet mogelijk was het bedrijf te betreden zonder dat zulks werd opgemerkt. Het ware logisch geweest dat indien het inderdaad zo geweest was dat de werknemersvertegenwoordiging op 4.4.1998 zich naar het bedrijf had begeven, in de wetenschap dat deze dag de laatste nuttige dag was voor het aantekenen van collectief bezwaar, dat zij minstens aan de ter plaatse aanwezige bewakingsfirma hadden gevraagd hiervan melding te maken in hun rapporten. Uit het strafonderzoek inzake de valsheid van geschriften blijkt dat er door de aanwezig bewakingsploegen geen enkele melding wordt gemaakt van enig bezoek door een werknemersvertegenwoordiging op datum van 4.4.
  34. x x x Tenslotte dient nog vermeld te worden dat, zelfs indien het als bewezen aanvaard zou worden dat het collectief bezwaar op 4.4.1998 op de maatschappelijke zetel werd achtergelaten in de omstandigheden zoals verklaard door getuigen, quod non, er ernstige vragen kunnen gesteld worden bij de beantwoording aan het criterium "bekendmaking aan de werkgever" in de voorliggende omstandigheden. De wetgever heeft geoordeeld dat het collectief bezwaar als dusdanig niet aan formele vereisten dient te voldoen doch het is duidelijk dat uiteraard de werkgever kennis moet hebben of, met andere woorden, op de hoogte moet zijn van eventuele bezwaren. Het achterlaten van een brief door werknemersvertegenwoordigers in een onderneming die bezet is door de werknemers en zonder dat op hetzelfde ogenblik minstens de vertegenwoordigers van werkgeverszijde van het bestaan van dit collectief bezwaar worden ingelicht beantwoordt niet aan de vereiste van bekendmaking aan de werkgever. Het is pas op 27 april 1998, nadat NBM in kennis werd gesteld van de aanbieding van een gerechtsdeurwaardersexploot, dat zij de toelating bekwam om het bedrijf te betreden en kennis kreeg van het bezwaar. Inmiddels waren meer dan dertig dagen na de aankondiging, die op 5 maart 1998 had plaats gevonden, verlopen. Nu het bewijs niet voorligt van een tijdig collectief bezwaar kunnen de eisende en de vrijwillige tussenkomende partijen zich niet beroepen op de door de wetgever in de Wet van 13.2.1998 uitgewerkte sancties en is de door eisers in hoofdorde gestelde vordering ongegrond. 3.2.
  35. De in ondergeschikte orde gestelde vordering: Ondergeschikt stellen eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen een vordering ex delicto en argumenteren zij dat een laattijdige of niet indiening van een collectief bezwaar overeenkomstig art. 67 een individuele betwisting, met de rechtsgevolgen die de artikelen 68 en 69 daaraan verbinden, uitsluiten doch niet voor het gevolg hebben dat de artikelen 1382 en 1383 B.W. niet meer kunnen toegepast worden. Het is precies op deze artikelen dat zij zich beroepen om een vordering te stellen van 1 euro provisioneel. Eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen argumenteren hierbij dat hoe dan ook een inbreuk op artikel 6 van de CAO nr. 24 van de Nationale Arbeidsraad d.d. 2.10.1975, dewelke algemeen verbindend werd verklaard door het K.B. van 21.1.1976, B.S. 17.2.1976, vaststaat. Ingevolge art. 56, 1e van de CAO-wet van 5.12.1968 maakt een inbreuk op een algemeen verbindend verklaarde CAO een misdrijf uit. De schade kan naar het oordeel van eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen becijferd worden aan de hand van het realistische en billijke voorstel van het verzoeningsbureau van einde maart
  36. x x x Naar het oordeel van de rechtbank beschikt, zelfs indien er geen tijdig collectief bezwaar werd ingediend, de individuele werknemer wel degelijk over de mogelijkheid om de rechtmatigheid en de geldigheid van zijn individueel ontslag in gemeen recht te betwisten en een schadevergoeding te vorderen. Principieel kan de inbreuk op een collectief recht aanleiding geven tot de vergoeding van de individuele schade doch uiteraard komt het aan de individuele werknemer toe, die voorhoudt schade geleden te hebben, het bestaan van deze schade aan te tonen. In casu dragen de eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen dus de volle bewijslast en moeten zij het bewijs leveren van de door hen voorgehouden niet naleving door de werkgever van de procedure, van de door hen individueel geleden schade en van het verband tussen deze patronale tekortkoming en de door hen geleden schade. Art. 1382 B.W. luidt als volgt: " Elke daad van een mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht diegene door wiens schuld de schade ontstaan is deze te vergoeden." Art. 1383 B.W. preciseert: " Ieder is aansprakelijk niet alleen voor de schade dewelke hij door zijn daad maar ook door zijn nalatigheid of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt." Een onrechtmatige gedraging die schade veroorzaakt leidt dus tot de verplichting tot schadeloosstelling door de toerekenbare dader. Diegene die een fout heeft begaan is aansprakelijk voor de geleden schade. Diegene die aanspraak maakt op een schadevergoeding en een vordering instelt die steunt op een fout moet het bewijs van deze fout leveren. Daarnaast dient het bewijs van de schade geleverd te worden. Deze schade dient zeker te zijn. De schade is zeker wanneer zij dermate waarschijnlijk is dat de rechter niet ernstig aan het tegendeel moet denken ook al is die theoretisch nog mogelijk. Tenslotte moet tussen fout en schade een oorzakelijk verband bestaan. Ook dit oorzakelijk verband moet zeker zijn, m.a.w. het moet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast staan dat schade, waarvan men de vergoeding vordert, zich niet zou hebben voorgedaan bij ontstentenis van de fout waarop men zich beroept. Naar het oordeel van de rechtbank is er hoe dan ook geen zeker oorzakelijk verband bewezen tussen de door eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen naar voorgebrachte fout, die in essentie bestaat in de niet correcte naleving van de informatie en raadplegingsprocedure enerzijds en de door eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen voorgehouden schade, die zou bestaan in het niet bekomen van de voordelen zoals voorzien in de eenparige aanbeveling van einde maart 1998 anderzijds. De in oorzakelijk verband met de voorgehouden fout beweerde schade kan uiteraard niet bestaan in het niet bekomen van de voordelen van een ondanks deze voorgehouden fout onderhandeld, doch uiteindelijk afgesprongen, akkoord. De oorzaak van het niet bekomen van de voordelen van de eenparige aanbeveling is vreemd aan de voorgehouden niet naleving van de procedure. Hic et nunc is het bestaan van enige schade in oorzakelijk verband met de voorgehouden fout niet aangetoond zodat de gevorderde 1 euro provisioneel niet kan toegekend worden. De in ondergeschikte orde gestelde vordering dient dan ook als ongegrond afgewezen te worden. 3.2.5 De vordering in tussenkomst en vrijwaring: Verweerster vordert dat de in tussenkomst en vrijwaring gedagvaarde partijen zouden veroordeeld worden om haar te vrijwaren. Nu de vordering lastens verweerster ongegrond is, is deze vordering zonder voorwerp. OM DIE REDENEN DE RECHTBANK, Recht doende op tegenspraak, na erover beraadslaagd te hebben, alle andere en strijdige conclusies verwerpend, Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de vordering in tussenkomst en vrijwaring ontvankelijk doch zonder voorwerp. Legt de kosten ten laste van eisers en vrijwillig tussenkomende partijen. Begroot de kosten aan de zijde van eiseres en vrijwillig tussenkomende partijen op 128,28 euro dagvaardingskosten, aan de zijde van verweerster op 212,99 euro dagvaardingskosten, en 71,39 euro rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van verweerders in tussenkomst en vrijwaring op 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding. DE GRIFFIER DE VOORZITTER PDF document ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051110.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.