← België

ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051124.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 24 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051124.8 Rolnummer: 342.913 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-30 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-01 03:35 Fiche Artikel 5, § 2 van de Bestaansminimumwet laat niet toe dat het geactiveerd bestaansminimum geproportioneerd wordt in het geval van wettelijke schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. De voltijdse arbeidsovereenkomst behoudt haar voltijds karakter ook wanneer zij wettelijk geschorst is. De enige beperking die het artikel in fine voorziet is dat het geactiveerd bestaansminimum begrensd is tot het nettoloon waarop de werknemer voor de betreffende kalendermaand recht heeft. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: berekening van het bedrag van het bestaansminimum - activering - schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst - geen proportionalisering Wettelijke bepalingen: Wet - 07-08-1974 - 2 § 5 - 01 ELI link Pub nr 1974080703 Koninklijk Besluit - 09-02-1999 - 5 § 2 - 32 ELI link Pub nr 1999022113 Annotaties Publicaties: SRK 2008 - - nr. 2, blz. 119-120 Tekst van de beslissing Nr. VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op VIERENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF in openbare zitting van de EERSTE kamer van de Arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden: Mevr. A.M.J., Ondervoorzitter Arbeidsrechtbank, Voorzitter van de kamer, Dhr. W.L., Rechter in sociale zaken, werkgever, Dhr. J.V.D.B., Rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider, ------- Substituut-Arbeidsauditeur, Mevr. R.V.D., Griffier, Inzake: A.R. 342.913 K.P., arbeider, wonende te EISENDE PARTIJ, ter zitting vertegenwoordigd door Dhr.C.Q., gevolmachtigd afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie, tegen: 1/ vzw (B.O.M.), met maatschappelijke zetel te EERSTE VERWERENDE PARTIJ, ter zitting vertegenwoordigd door Mr. 2/ (OCMW), gevestigd te , zijnde bij de bevoegde diensten te TWEEDE VERWERENDE PARTIJ, ter zitting vertegenwoordigd door Dhr.B.C. VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS: Gezien de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging en nader omschreven op de inventaris ervan en ondermeer: - de inleidende dagvaarding van H.L. gerechtsdeurwaarder met standplaats te Antwerpen d.d. 22 januari

  1. - de conclusie van tweede verweerster ter griffie ontvangen op 17 april
  2. - de conclusie van eerste verweerster ter griffie ontvangen op 4 september
  3. - de conclusie van eiser ter griffie ontvangen op 26 november
  4. - het schriftelijk advies van Mevr.I.C., Substituut-Arbeidsauditeur, ter griffie neergelegd op 13 oktober
  5. Partijen hebben geen replieknota neergelegd. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de Wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek Het debat werd voorafgegaan door een poging tot minnelijke regeling overeen-komstig de bepalingen van artikel 734 van het Gerechtelijk Wetboek doch partijen kwamen niet tot verzoening. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter openbare terechtzitting van 29 september
  6. Rechtdoende over de stukken die zich in het dossier bevinden.
  7. DE VORDERING : De vordering zoals vervat in de inleidende dagvaarding strekt ertoe: - tweede verweerster te zien en te horen veroordelen om aan eiser te betalen het tekort aan geactiveerd bestaansminimum over de maanden 8-2000, 2-2001, 5-2001 en 7-2001 t.b.v. 323,90 euro netto. - voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat tweede verweerster over die maanden verminderde bedragen mocht toekennen, eerste verweerster te zien en te horen veroordelen tot het betalen aan eiser van 323,90 euro netto maar alsdan ten titel van nettoloontekort. - bedragen te verhogen met de wettelijke intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. - eerste verweerster te veroordelen tot afgifte van een verbeterde loonfiche, een individuele rekening, een fiscale steekkaart 281.10 m.b.t. het gevorderde bedrag onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 BEF per dag vertraging per document. - het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling noch aanbod tot kantonnement.
  8. DE FEITEN Op 7 juli 2000 sloten eiser en eerste verweerster een arbeidsovereenkomst voor tewerkstelling in het Vlaams Doorstromingsprogramma "Wep-Plus- Plan". (projectnr. 72403, ressorterende onder het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 houdende harmonisering van diverse stelsels werkervaringsprojecten). De overeenkomst van bepaalde duur van 12 maanden nam een aanvang op 10 juli 2000 om te eindigen op 9 juli
  9. In uitvoering van artikel 5 van deze overeenkomst werd door eerste verweerster elke maand de geactiveerde bestaansminimumuitkering (in casu 22.000 BEF) van het nettoloon van eiser afgehouden. Eerste verweerster overhandigde maandelijks de formulieren B M 78-3 aan tweede verweerster. Op elk formulier bracht zij de vermelding aan dat eiser gerechtigd was op een geactiveerd bestaansminimum van 22.000 BEF. en zij bracht dit bedrag ook steeds in mindering van het nettoloon. Tweede verweerster betaalde evenwel niet elke maand 22.000 BEF. aan eiser als bestaansminimum uit. In de maanden dat er inactiviteitsdagen waren (zoals bv. wettelijke vakantie of ziekte) betaalde tweede verweerster immers een bedrag uit in verhouding tot het aantal effectief gepresteerde arbeidsdagen, vb. voor augustus 2000 was dat 15.613 BEF. (aanvang tewerkstelling 10.07.2000), voor februari 2001 20.087 BEF. (twee vakantiedagen), voor mei 2001 20.900 BEF. (1 vakantiedag) en voor juli 2001 18.334 BEF. (vijf vakantiedagen). Op 22 januari 2002 ging eiser tot dagvaarding over.
  10. IN RECHTE 1.
  11. Ontvankelijkheid: De vordering werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. 1.
  12. Gegrondheid: Essentiëel voor de beoordeling van de gegrondheid van de vordering van eiser is het antwoord op de vraag of tweede verweerster aan eiser voor elke maand het volledig geactiveerd bestaansminimum diende te betalen (wat het standpunt van eiser is) dan wel dat zij een aan de effectieve tewerkstelling gerelateerd geactiveerd bestaansminimum diende uit te betalen (wat het standpunt van tweede verweerster is). * * * Met de Wet houdende sociale bepalingen van 22 februari 1998 (B.S. 3 maart 1998) werd een nieuw beginsel ingevoerd, met name de toekenning van een deel van het bestaansminimum aan personen die tewerkgesteld zijn in het kader van bepaalde tewerkstellingsprogramma's, zoals i.c. het Wep-Plus-Plan. Artikel 2 § 5 Bestaansminimumwet werd daartoe gewijzigd en bepaalde dat de Koning het maandelijks bedrag van het bestaansminimum vaststelde dat toekomt aan de persoon die in een inschakelingsproject wordt ingeschakeld. In uitvoering van deze laatste wettelijke bepaling voorziet artikel 5§2 van het K.B. van 9 februari 1999, dat ter zake van toepassing is, het volgende : "Voor de werknemers die, op het ogenblik van hun indienstneming, doorgaans woonachtig zijn in gemeenten met een werkloosheidsgraad die jaarlijks op 30 juni tenminste 20% hoger is dan de gemiddelde werkloosheidsgraad van hun Gewest, bedraagt het geactiveerd bestaansminimum 17.500 bfr. per kalendermaand indien de betrokkene ten minste halftijds tewerkgesteld is en 22.000 bfr. indien de betrokkene tewerkgesteld is in een uurregeling die minstens vier vijfden bedraagt van een voltijds uurrooster. Deze bedragen van het geactiveerd bestaansminimum worden vastgesteld de dag waarop de arbeidsovereenkomst begint te lopen en blijven geldig gedurende de hele tewerkstellingsperiode. ... De bedragen van het geactiveerd bestaansminimum, bedoeld in de voorgaande leden, worden evenwel begrensd tot het nettoloon waarop de werknemer voor de betreffende kalendermaand recht heeft." * * * Het staat niet ter discussie dat eiser voltijds tewerkgesteld was in het kader van het zogenaamd Wep-Plus-Plan. Er ligt overigens een in dit kader gesloten arbeidsovereenkomst van bepaalde duur voor 38 uur per week voor. Met toepassing van hogervermeld artikel 5 § 2 van het K.B. van 9 februari 1999 is eiser naar het oordeel van de rechtbank voor alle maanden van de voltijdse tewerkstelling van 1 jaar (en voor zover hij uiteraard zijn aan deze overeenkomst klevende verplichtingen heeft uitgevoerd, wat niet ter discussie staat) zonder meer gerechtigd op het geactiveerd bestaansminimum van 22.000 BEF. per maand. Voormeld artikel 5§2 voorziet immers niet dat het bedrag van het geactiveerd bestaansminimum zou moeten verminderd worden in verhouding tot de effectief gepresteerde dagen in de betreffende kalendermaand. De enige beperking die het artikel in fine voorziet, is dat het geactiveerd bestaansminimum begrensd is tot het nettoloon waarop de werknemer voor de betreffende kalendermaand recht heeft. De tekst van artikel 5 § 2 biedt dan ook geen steun voor tweede verweerster om maandelijks niet telkens het volledige bedrag van 22.000 BEF. als geactiveerd bestaansminimum aan eiser uit te betalen. Klaarblijkelijk gaat tweede verweerster uit van het, overigens foutieve, standpunt dat een voltijdse arbeidsovereenkomst die ingevolge één of andere wettelijke reden (bijv. ziekte of vakantie) geschorst is plotseling geen voltijdse arbeidsovereenkomst meer is. Uiteraard behoudt een voltijdse arbeidsovereenkomst haar "voltijds" (in tegenstelling tot deeltijds) karakter ook wanneer zij wettelijk geschorst is. Hetzelfde geldt ook voor een voltijdse arbeidsovereenkomst die een, aanvang neemt en eindigt, zoals in casu, in de loop van een maand. Ook voor de eerste en laatste maand van de tewerkstelling is de tewerkstelling "voltijds". Ten onrechte heeft tweede verweerster naar het oordeel van de rechtbank dan ook het geactiveerd bestaansminimum "geproportionaliseerd". * * * Volledigheidshalve kan verwezen worden naar de Omzendbrieven van 15 maart 1998 (van de Staatssecretaris voor veiligheid, maatschappelijke integratie en leefmilieu Jan Peeters) en van 28 september 2000 (van de Minister van Maatschappelijke Integratie, Johan Vandelanotte) waarin ook geen gewag gemaakt wordt van het door tweede verweerster toegepast principe van proportionalisering (stukken 3 en 4 bundel O.C.M.W.). De Omzendbrief van 15 maart 1998 voorziet op blz. 9 dat de werkgever de werknemer iedere maand een attest BM 78.3 bezorgt (naar het model van het formulier C 78.3 van de RV A) waarin hij het bedrag van het nettoloon aan-geeft. De werknemer overhandigt dit attest aan het O.C.M.W. Op basis van dit attest bepaalt het O.C.M.W. het toe te kennen bedrag van het geactiveerd bestaansminimum of van de geactiveerde maatschappelijke hulp, eventueel verhoogd met een aanvullend bestaansminimum of met een aanvullende financiële maatschappelijke hulp. In casu werd op de formulieren BM 78.3 door eerste verweerster elke maand een bedrag van 22.000 BEF. vermeld (stuk 3 eiser). Ook deze standaardformulieren maken geen melding van een eventuele proportionalisering. Er wordt net zoals in de wettekst melding gemaakt van een forfaitair bedrag van 22.000 BEF. met als enige beperking dat het bedrag van de tussenkomst begrensd is tot het nettoloon voor de betreffende maand. Er wordt verder op het formulier plaats voorzien om het nettoloon, al dan niet lager dan de O.C.M.W. tussenkomst, te vermelden. Het is dan ook duidelijk dat het nettoloon de enige factor is waarmee het O.C.M.W. bij de uitkering van het geactiveerd bestaansminimum rekening dient te houden. Aldus wordt ook door de inhoud van desbetreffende Omzendbrief en de standaardformulieren B M 78.3 de stelling gestaafd dat het enige wat het O.C.M.W. dient te onderzoeken, is of het nettoloon al dan niet hoger is dan het vastgestelde bedrag van het geactiveerd bestaansminimum. Is het nettoloon hoger dan het geactiveerd bestaansminimum, dan betaalt de werkgever enkel het verschil. Is het nettoloon lager dan het geactiveerd bestaansminimum, dan dient de werkgever niets te betalen. * * * In casu heeft eerste verweerster dan ook terecht maandelijks van het nettoloon van eiser een bedrag van 22.000 BEF. in mindering gebracht. Gelet op het voorgaande maakt eiser dan ook terecht lastens tweede verweerster aanspraak op het verschil tussen het geactiveerde bestaansminimum van 22.000 BEF per maand voor elke maand van tewerkstelling en de effectief door tweede verweerster betaalde bedragen. Over de becijfering bestaat geen betwisting. Uiteraard kan eerste verweerster niet gehouden zijn sociale documenten met betrekking tot het bedrag waartoe tweede verweerster in onderhavig vonnis veroordeeld wordt af te elveren. Verder blijkt uit de voorliggende stukken van het dossier dat eerste verweerster alle sociale documenten m.b.t. de tewerksteling heeft afgeleverd. Zulks wordt door eiser overigens niet betwist. OM DIE REDENEN DE RECHTBANK, Recht doende op tegenspraak, na erover beraadslaagd te hebben, alle andere en strijdige conclusies verwerpend, Verklaart de vordering wat betreft eerste verweerster ontvankelijk doch on-gegrond. Verklaart de vordering wat betreft tweede verweerster ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt tweede verweerster om aan eiser te betalen: - DRIEHONDERD DRIEENTWINTIG EURO NEGENTIG CENT, 323,90 euro, geactiveerd bestaansminimum over de maanden 7-2000, 2-2001, 5-2001 en 7-2001, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke interesten en de kosten. Begroot de kosten tot op heden aan de zijde van eiser op 79,92 kosten dagvaarding en aan de zijde van eerste verweerster op 65,44 euro, rechtsplegingsvergoeding. PDF document ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051124.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.