← België

ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051202.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 02 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051202.3 Rolnummer: 373045 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-23 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-01 03:36 Fiche Bij toepassing van het arrest gewezen door het Arbitragehof van 19 januari 2005 (nr. 13/2005), verjaart de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde gezinsbijslag met drie jaar. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS - GEZINSBIJSLAG - Verjaring - terugvordering van onverschuldigde betaling - verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 19-12-1939 - 120bis - 01 ELI link Pub nr 1939121901 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00010,P.615-616) Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK ANTWERPEN 11DE KAMER A.R. 373.045 2/12/2005 BIJZONDERE VERREKENKAS VOOR GEZINSVERGOEDINGEN t./ J.D. Eisende partij vordert bij verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 29.10.2004 een veroordeling tot een bedrag van 4.691,07 EUR. Na een procedure voor het Arbeidshof is verwerende partij sedert 24.8.1987 gerechtigd op een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Deze uitkeringen zijn hoger dan de bedragen vermeld op de formulieren P

  1. Er is ten onrechte kinderbijslag aan een verhoogde schaal uitgekeerd. Bij tussenvonnis de dato 2.9.2005 werd geoordeeld: "Beveelt de heropening van de debatten teneinde partijen toe te laten te onderzoeken welke gevolgen het arrest van het Arbitragehof van 19 januari 2005 heeft op de verjaringstermijn vermeld in artikel 120bis van de wet van 19 december 1939 (Samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders), Stelt de zaak vast op de openbare terechtzitting van (einde citaat)". Eisende partij besluit (stuk 12) o.a.: "Aangezien het artikel 120bis van de SWKL, niettegenstaande deze door het Arbitragehof ongrondwettig bevonden werd, wel blijft bestaan. Dat in casu concluante de vordering heeft ingeleid op grond van de termijn van 5 jaar voorzien in artikel 120bis SWK , zijnde een specifieke wetgeving in afwijking van de algemene beginselen van de wet van 1981 ; Dat zolang de wetgever de wetgeving niet heeft aangepast artikel 120bis SWKL nog steeds deel uitmaakt van de rechtsorde; Dat omwille van de rechtszekerheid dient gesteld te worden dat artikel 120bis SWKL derhalve in casu van toepassing is waarbij in casu de termijn van 5 jaar dient toegepast (einde citaat)". Verwerende partij besluit (stuk 11) o.a.: "Aangezien de enige stuitingsdaad het aangetekend schrijven van eiseres betreft dd. 2 januari 2004 (stuk 1), is de vordering van eiseres verjaard voor de periode van september 1994 t.e.m. december
  2. - Aangezien eiseres in haar laatste conclusie blijkbaar van mening is dat art.120bis SWKL nog door de rechtbank zou moeten worden toegepast omdat dit nog steeds deel zou uitmaken van de rechtsorde. Dat het uiteraard volstrekt in strijd is met art. 28 van de bijzondere wet op het Arbitragehof dat stelt: "Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, moeten voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in art. 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het Arbitragehof ". Dat de rechter in de huidige zaak kennis heeft van het arrest van het Arbitragehof. Indien de rechter zou twijfelen aan de toepasselijkheid van het arrest van het Arbitragehof in huidige zaak, wordt de rechter verzocht in deze zaak een prejudiciële vraag te stellen, nl. de volgende vraag: De vordering van eiseres ontvankelijk doch deels ongegrond te verklaren en vast te stellen dat de vordering van eiseres voor de periode van september 1994 tot en met december 2000 is verjaard (einde citaat)". Het schriftelijk advies van de Arbeidsauditeur, hierna gedeeltelijk weergegeven, luidt: "• Arbitragehof 19 januari 2005 Ingevolge een recent arrest van het Arbitragehof dient nagegaan te worden of de verjaringstermijn van vijf jaar nog wel toegepast kan worden. In een arrest van 19 januari 2005 (Dit is gelet op de recente rechtspraak van het Arbitragehof onzeker geworden. Zie hiervoor Arbitragehof nr. 13/2005, 19 januari 2005, rolnr. 2890, B.S. 10 maart 2005) stelt het Arbitragehof immers dat in de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid de termijn tot terugvordering in gewone gevallen drie jaar bedraagt en bij bedrieglijke handelingen of bij valse of opzettelijk onvolledige verklaringen, tot vijf jaar is beperkt. Het Arbitragehof overweegt dat hoewel de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid in elke specifieke wetgeving moet toegepast worden, niet kan worden aangenomen dat in de sector van de gezinsbijslag de verjaringstermijn langer is. De artikelen 10 en 11 G.W. worden dan ook geschonden door het huidige artikel 120bis Kinderbijslagwet Werknemers aangezien de termijn voor terugvordering in geval van bedrieglijke handelingen of bij valse of opzettelijk onvolledige verklaringen langer is dan vijf jaar en dat indien er ook bij terugvorderingen zonder bedrieglijke handelingen, er rekening zou gehouden worden met een verjaringstermijn van vijf jaar, de artikelen 10 en 11 G.W. geschonden worden. • Artikel 30 Algemene Beginselenwet Artikel 30 Algemene Beginselenwet is nog niet in werking getreden. Hierbij kan men zich de vraag stellen of deze bepaling wel toepassing kan vinden. Het Arbitragehof stelt evenwel dat artikel 30 geldt als een algemeen principe en dat derhalve niet kan aanvaard worden dat verjaringstermijnen in specifieke regelingen langer zijn dan verjaringstermijnen in de algemene regeling (Zie overweging B3.9.1). Aangezien deze norm beschouwd wordt als een algemeen beginsel voor de betrokken rechtstak en de titel van de wet, met name de Algemene Beginselenwet lijkt dit wel aan te geven, kan men zich hierop toch beroepen (Zie hierover J.P., noot onder Arbitragehof nr. 13/2005, 19 januari
  3. NJW
  4. 666). De verjaringstermijn van 3 jaar moet toegepast worden. • Kan voormeld arrest ook in deze zaak toegepast worden? Vervolgens dient nagegaan te worden of de arbeidsrechtbank in deze zaak, die gelijkaardig is met de zaak waarover het Arbitragehof een uitspraak heeft gedaan, een nieuwe prejudiciële vraag dient te stellen. Hiervoor kan verwezen worden naar artikel 26 ,§2,2° Arbitragehofwet dat bepaalt dat het rechtscollege niet gehouden is een prejudiciële vraag te stellen wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. Bovendien stelt artikel 28 Arbitragehofwet dat het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, voor de oplossing van het geschil zich voegen naar het arrest van het Arbitragehof. Aangezien er in deze zaak geen ruimte is voor enige interpretatie en het Arbitragehof zich uitdrukkelijk heeft uitgesproken over het feit dat de verjaringstermijn in artikel 120bis Kinderbijslagwet Werknemers strijdig is met de artikelen 10 en 11 G.W. in zoverre de termijnen langer zijn dan drie respectievelijk vijf jaar dient besloten te worden dat de verjaringstermijn die in deze zaak dient toegepast te worden, drie jaar bedraagt.
  5. Besluit: Aangezien de verjaringstermijn derhalve drie jaar bedraagt is de vordering voor de periode september 1994 tot en met december 2000 verjaart (einde citaat)". BEOORDELING: De verjaring is, bij aangetekende zending (AUD 4/6), gestuit vanaf 2/1/
  6. Eisende partij heeft de vordering ingeleid op grond van de termijn van 5 jaar voorzien in artikel 120bis SWKL. Art. 120bis S.W.K.L. bepaalt: "Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn. Benevens de redenen waarin is voorzien in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven. Het eerste lid is niet toepasselijk indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen" (laatste wijziging W.22.II.1998, art. 41 - Codex sociale zekerheid. - Brugge : Die Keure, 2005, Professoren dr. Simoens D., dr. Van Eeckhoutte W., dr.Van Steenberge J. blz. 760). Zie de wet van 9 JUNI
  7. - Wet houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers: "Art.
  8. De terugvordering van de ten onrechte betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kon geven. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien ten onrechte werd betaald in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene (einde citaat)" (Codex sociale zekerheid. - Brugge : Die Keure, 2005, Professoren dr. Simoens D., dr. Van Eeckhoutte W., dr.Van Steenberge J., blz. 105) Het arrest van het Arbitragehof nr. 13/2005 van 19 januari 2005, rolnummer 2890 is relevant. Het zegt alleszins dat m.b.t. de terugvordering de verjaringstermijn voorzien in artikel 120bis van de wet van 19 december 1939 (Samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders) niet langer mag zijn dan deze voorzien in de wet van
  9. Het arrest motiveert o.a.: "Wat de tweede prejudiciële vraag betreft B.8.
  10. Het Hof wordt een vraag gesteld over het feit of artikel 120bis van de samengeordende wetten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het een stelsel invoert dat verschilt van de algemene regel van artikel 30, ,§ 1, van de wet van 29 juni 1981, waarbij die termijn is vastgelegd op drie jaar of op zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaalgesproken geen rekenschap kon geven, en waarbij de verjaringstermijn voor de terugvordering van uitkeringen die ten onrechte werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen, tot vijf jaar is beperkt, terwijl artikel 120bis van de voormelde samengeordende wetten die termijn niet preciseert. B.9.
  11. De in B.8.2 vermelde bepalingen geven aan dat de wetgever ervoor gezorgd heeft niet toe te staan dat de inzake sociale zekerheid gestorte uitkeringen, wanneer die onverschuldigd zijn geïnd, binnen de gemeenrechtelijke termijnen kunnen worden teruggevorderd. Hij heeft rekening willen houden met het feit dat " de eigen aard en het toenemende technische aspect van de normatieve teksten die ons socialezekerheidssysteem beheersen (...) een bijzondere regeling (vereisen) voor de materie van de terugvordering van onverschuldigde bedragen ten aanzien van de principes van het burgerlijk recht " (Parl. St., Senaat, 1979-1980, 508, nr. 1, p. 25). Hij heeft tevens erover gewaakt dat de korte verjaringstermijnen niet van toepassing zijn " in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene " en in dat geval de verjaringstermijn tot vijf jaar beperkt (artikel 30, ,§ 1, derde lid, van de voormelde wet van 29 juni 1981). B.9.
  12. Zelfs al vormen die bepalingen uitsluitend algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers die in elk van de specifieke wetgevingen concreet moesten worden toegepast, toch kan niet worden aangenomen dat ten onrechte verkregen uitkeringen kunnen worden teruggevorderd van de rechthebbenden op kinderbijslag, die sociaal verzekerden zijn in de zin van de artikelen 1, ,§ 1, 3, 6 en 21, ,§ 1, 6°, van de wet van 29 juni 1981, binnen een termijn van vijf jaar indien met het ten onrechte uitbetaalde bedrag geen fraude gemoeid is, en gedurende tien jaar, zoals de Ministerraad beweert, en bij gebrek aan een specifieke vermelding in het in het geding zijnde artikel 120bis van de voormelde samengeordende wetten, indien het ten onrechte uitbetaalde bedrag het gevolg is van fraude. B.
  13. De tweede prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 10.. - Artikel 120bis van dezelfde samengeordende wetten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (einde citaat)". Terecht adviseert de Arbeidsauditeur dat er in deze zaak geen ruimte is voor interpretatie zodat het arrest van het Arbitragehof i.v.m. de toepassing van de driejarige verjaringstermijn dient gevolgd. Zie Art. 28 wet 1989 01 06, Bijzondere wet op het Arbitragehof hoofdstuk II. - Prejudiciële vragen: "Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, moeten voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het Arbitragehof (einde citaat)". OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Gehoord de Heer D.T., Eerste Substituut-Arbeidsauditeur, in de voorlezing van zijn eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht in de Nederlandse taal ter openbare zitting van 4.11.2005, Rechtdoende op tegenspraak, Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andersluidende conclusies verwerpende, Verklaart de vordering gedeeltelijk gegrond, Zegt voor recht dat vordering van eisende partij voor de periode september 1994 tot en met december 2000 verjaard is en derhalve eisende partij slechts kan vorderen vanaf januari 2001 en eisende partij in dit opzicht een afrekening dient te verzenden aan verwerende partij onder aftrok van de intussen reeds ontvangen terugstortingen en inhoudingen, vermeerderd met de gerechtelijke intresten. PDF document ECLI:BE:ARANT:2005:JUG.20051202.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.