id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 06 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2006:JUG.20060106.3 Rolnummer: 373571 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-23 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-01 04:02 Fiches 1 - 2 Bij de aanrekening van de bestaansmiddelen dient rekening te worden gehouden met het geïndexeerd bedrag van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die eigendom zijn van de aanvrager. Wanneer het aanvraagformulier een onzorgvuldigheid bevat door niet te vragen naar het "geïndexeerd" kadastraal inkomen en de R.K.W. een fout beging door genoegen te nemen met het niet geïndexeerd bedrag zonder verder onderzoek, voldoet de verklaring van de aanvrager aan de bepalingen van het K.B. van 31/03/1933 en kan artikel 17,3° van het Handvest van de sociaal verzekerde niet toegepast worden zodat geen terugvordering mogelijk is. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . GEWAARBORGDE GEZINSBIJSLAG Invloed van de bestaansmiddelen - kadastraal inkomen - handvest van de sociaal verzekerde - terugvordering van onverschuldigde betaling. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-10-1971 - 6 - 06 ELI link Pub nr 1971102528 Wet - 20-07-1971 - 3 - 02 ELI link Pub nr 1971072007 Vrije woorden: HANDVEST VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE Toekenningsprocedure - beslissing en uitvoering - herziening - bestaansmiddelen - kadastraal inkomen handvest van de sociaal verzekerde - terugvorderingen van onverschuldigde betaling Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - 17,3 - 44 ELI link Pub nr 1995022286 Nota: Gerangschikt onder X D - artikel 3 en onder XV - artikel 17, 3°. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00010,P.612-613) Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK ANTWERPEN 11DE KAMER A.R. 373.571 6/1/2006 K.R. t./ R.K.W. De beslissing, ter kennis gebracht op 20.8.2004, luidt: "Met onze aangetekende brief van 5 februari 2003 betekenden wij u een debet van EUR 2914,77 over de periode van 1 februari 2002 tot 31 oktober 2002 (zie bijlage). Met de brief van 14 februari 2003 deelde uw echtgenoot ons mee dat bij de opgave van het kadastraal inkomen voor de periode van 1 september 2001 tot 28 februari 2002 een rekenfout werd gemaakt, en hij verzocht ons het debet te herzien. De dienst Gewaarborgde Gezinsbijslag vroeg hierop een kopie van de aangifte van het kadastraal inkomen. Na ontvangst hiervan bleek dat u de niet-geïndexeerde bedragen opgaf. Hieropvolgend werd de aangifte van het kadastraal inkomen opgevraagd over de hele periode waarover u gezinsbijslag ontving. Hieruit bleek dat u vanaf de aanvraag op gewaarborgde gezinsbijslag de niet-geïndexeerde bedragen opgaf. Met de geïndexeerde bedragen overschreed u het maximum bedrag van de bestaansmiddelen over de periode van 1 januari 1999 tot 30 september 1999 en van 1 januari 2000 tot 31 oktober
- Over deze periodes had u derhalve geen recht op de gezinsbijslag. De schuld is berekend als volgt: Rekening houdend met de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 9, ,§ 1 van de wet van 20 juli 1971 zijn de bedragen betaald tot 9 augustus 1999 door de verjaring getroffen, voor een bedrag van EUR 1735,53, zodat u ons EUR 8162,67 verschuldigd bent (einde citaat)". Eisende partij tekende beroep aan, bij verzoekschrift ter griffie ontvangen op 19.11.
- Zij stelt o.a. dat de fiscus uitgaat van het niet-geïndexeerde kadastraal inkomen. De Arbeidsauditeur ontving een verslag van verwerende partij, waarvan hierna gedeeltelijke weergave: "III. In rechte Artikel 3 van de Wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag bepaalt dat de gezinsbijslag wordt toegekend na een onderzoek naar de bestaansmiddelen (doc. nr. 54). In artikel 6 van het K.B. van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de Wet van 20 juli 1971 wordt het maximum bedrag bepaald waarover de aanvrager per kwartaal mag beschikken en wordt tevens bepaald welke bestaansmiddelen in aanmerking worden genomen (doc. nr. 54). Overeenkomstig artikel 7 van voormeld K.B. is het maximum bedrag van de bestaansmiddelen bedoeld in artikel 6 gekoppeld aan de indexering van lonen, pensioenen,... Aangezien het maximum bedrag van de inkomsten waar de aanvrager om gewaarborgde gezinsbijslag mag over beschikken, gekoppeld is aan de index, zijn logischerwijze de bestaansmiddelen die in rekening worden genomen eveneens gebonden aan de index. Overeenkomstig artikel 9, ,§1 verjaart het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bijslag door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. Bijgevolg zijn de bedragen betaald tot 9 augustus 1999 door verjaring getroffen en blijft een bedrag van ,EUR 8.162,67 door mw. R. aan de Rijksdienst verschuldigd (einde citaat)". De zaak is op de zitting van 18.3.2005 verdaagd. De RKW heeft een wijzigende conclusie opgesteld. Verwerende partij besluit (stuk 5) o.a.: "De feiten Concluant betaalde vanaf 1 januari 1997 de gewaarborgde gezinsbijslag voor de kinderen C. (geboren op 17 augustus 1994) en A.C. (geboren op 25 juni 1998) aan eiseres uit. Het gezin leeft van huurgelden verkregen uit de verhuur van gebouwen. Overeenkomstig art. 3 van de wet van 20 juli 1971 wordt de gezinsbijslag toegekend na een onderzoek naar de bestaansmiddelen. Naar aanleiding van de aanvraag om gewaarborgde gezinsbijslag op 24 augustus 1998 (stuk 1) bezorgde de heer C. op 9 september 1998 aan concluant een overzicht van de kadastrale inkomens van de gebouwen die hij bezat, alsook kopies van de aanslagbiljetten inzake onroerende voorheffing voor het jaar 1997 (stuk 6). De aanslagbiljetten voor 1998 kon betrokkene op dat moment nog niet voorleggen. Op basis van voorgelegde berekeningen van de heer C. werd beslist de gewaarborgde gezinsbijslag toe te kennen. Voor de verdere toekenning van de gewaarborgde gezinsbijslag baseerde concluant zich op de aangifte van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die de heer C. periodiek indiende (stukken 9, 15, 23, 28, 31, 34a, 36 en 37). Met het aangetekend schrijven van 5 februari 2003 werd aan eiseres meegedeeld dat zij over de periode van 1 januari 2002 tot 31 oktober 2002 een bedrag van EUR 2.914,77 ten onrechte aan gewaarborgde gezinsbijslag ontving (stuk 39). De door de heer C. voor voormelde periode opgegeven bestaansmiddelen per kwartaal overschreden immers de grensbedragen waarboven conform art. 1 van het Koninklijk Besluit van 25 oktober 1971 geen gezinsbijslag verschuldigd is (stukken 36 en 37). Met het schrijven van 14 februari 2003 deelde de heer C. mee dat hij bij de opgave van zijn kadastraal inkomen een verkeerde berekening maakte en verzocht hij concluant het dossier te herzien op basis van de aangepaste berekening (stuk 41). N.a.v. voormeld schrijven vroeg concluant op 19 februari 2003 de heer C. om een kopie te bezorgen van de aangifte van zijn kadastraal inkomen van de eigendommen die hij zelf niet bewoonde (stuk 42). Bij nazicht van de ontvangen aanslagbiljetten (aanslagjaar 2002) (stuk 45) stelde concluant vast dat de heer C. zijn inkomsten berekende op basis van niet geïndexeerde bedragen van het kadastraal inkomen van zijn eigendommen. Dientengevolge werd het dossier van eiseres volledig herzien. Daartoe verzocht concluant de heer C. om een kopie van de aangiftes van het kadastraal inkomen van het jaar 1999 tot en met 2001 (stukken 46, 47 en 48). Op basis van de op 7 september 2003 ontvangen aangiftes (stuk 49) stelde concluant vast dat over de periode van 1 januari 1999 tot 30 september 1999 en over de periode van 1 oktober 2000 tot 31 oktober 2002 het totaal van geïndexeerde bedragen het maximum bedrag van de bestaansmiddelen overschreed. Concluant heeft op basis van de gegevens van het verzoekschrift het debet van eiseres herzien: Over de periode van 01.01.1999 tot 31.03.1999 heeft zij recht op 50 % van de gewaarborgde gezinsbijslag; Over de periode van 01.04.1999 tot 31.12.1999 heeft zij recht op 25 % van de gewaarborgde gezinsbijslag. De voor deze periode toe te kennen gezinsbijslag t.b.v. EUR 933,10 werd ingehouden op het oorspronkelijk debet zijnde EUR 9.898,20, waardoor de schuld van eiseres werd verminderd tot een bedrag van EUR 8.965,10 (zie overzicht - stuk 59). Vermits de betaalde bijslag over de maanden januari 1999 tot 31 juli 1999 voor een bedrag van EUR 1.735,53 is verjaard, bedraagt het uiteindelijk nog verschuldigde saldo EUR 7.229,
- In rechte.. Concluant heeft echter aan de hand van de bijkomende gegevens vastgesteld dat eiseres over een bepaalde periode toch aanspraak kon maken op een gedeelte van de gewaarborgde gezinsbijslag, waardoor haar debet vermindert tot EUR 7.229,57 volgens bijgevoegde gedetailleerde debetafrekening (stuk 59) rechtdoende op de tegenvordering ..te veroordelen tot terugbetaling van EUR 7.229,57 (einde citaat)". Eisende partij legt ter zitting besluiten neer. Zij verwijst o.a. naar de wetgeving op de inkomstenbelastingen (Torfs D. - Dertigjarige gewaarborgde gezinsbijslag, een stand van zaken - TSR 2002 afl. 4 437-477.41) en legt de aanslagbiljetten personenbelasting gezin R. a.j. 2000 t.e.m. 2003 neer. Zij vraagt de beslissing nietig te verklaren en te zeggen voor recht dat er geen reden is tot terugvordering van het bedrag van EUR 7.229,
- Partijen antwoorden niet op het advies van het openbaar ministerie (artikel 767 Ger.W.). BEOORDELING: 1 beslissingen Er wordt bij administratieve beslissing de dato 20.8.2004 gewaarborgde gezinsbijslag teruggevorderd, uiteindelijk voor de periode 9 augustus 1999 t/m oktober 2002, voor een bedrag van 7.229,57 EUR (conclusie verwerende partij). In het verleden is er reeds gewaarborgde gezinsbijslag teruggevorderd bij administratieve beslissing, aangetekend verzonden op: -6.10.1999, periode april 1999 t/m augustus 1999: 17.650 BEF (AUD 4/17); -13.6.2000, periode oktober 1999 t/m december 1999: 30.429 BEF (AUD 4/27); -27.11.2000, periode januari 2000 t/m oktober 2000: 41.160 BEF (AUD 4/29); -5.2.2003, periode januari 2002 t/m oktober 2002: 2.914,77 EUR (AUD 4/39). 2 wet Zie het Koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag (http://www.belgielex.be): "Art. 6..Voor de raming van de bestaansmiddelen wordt geen rekening gehouden met : .. 7° het kadastraal inkomen van het huis of het gedeelte van het huis dat eigendom is van de aanvrager, van zijn echtgenoot of van de persoon met wie hij een huishouden vormt, en dat door de aanvrager wordt betrokken. Art.
- Het bedrag van de bestaansmiddelen bedoeld in artikel 6 (...) verandert overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, telkens wanneer de bedragen van de gezinsbijslag veranderen bij toepassing van de bepalingen van voormelde wet van 2 augustus 1971". 3 indexatie 3.1 De RKW verwijst op haar vragenlijst niet naar de indexatie. Zie het periodiek formulier C5724, o.a. AUD 4/9 - onder punt 42 wordt naar het kadastraal inkomen gevraagd zonder nadere vraag naar de indexering of verwijzing naar de artikelen in het koninklijk besluit. Zie ook http://www.rkw.be/Nl/Documentation/Forms/_documents/C5702-N.pdf: "74 Beschikt u of uw eventuele (huwelijks)partner over andere bestaansmiddelen dan het leefloon of het gewaarborgd inkomen voor bejaarden? Bedoeld zijn alle mogelijke middelen van bestaan zoals lonen, pensioenen en renten, bedrijfsinkomsten als zelfstandige, bijverdiensten, tegemoetkomingen aan gehandicapten, studiebeurzen, erfenissen, financiële steun van particulieren, opbrengsten van beleggingen, kadastraal inkomen, alimentatie, enz. Inkomsten van de kinderen geeft u op in punt
- Als uw financiële situatie verandert moet u ons dat direct laten weten (einde citaat)". Inderdaad is dit formulier niet zo duidelijk. Inderdaad dient men op de aanslagbiljetten steeds het bruto kadastraal inkomen op te geven. Eisende partij gaf nauwgezet het veranderde kadastraal inkomen op. Het schrijven van 12 maart 2000 K.R./RKW (Aud 4/22) geeft een nauwgezet overzicht van de onroerende goederen, alsmede van koop en verkoop. Het belastbaar onroerend goed is nul bij aftrek van hypothecaire intresten, althans in de visie van eisende partij. Tot slot geeft het schrijven van 7 september 2003 G.C. - K.R. een gedetailleerd overzicht (Aud 4/49 - 23 blz.). 2.2 de RKW heeft verschillende onderzoeken uitgevoerd. Zie AUD 4/13, een controleverslag van 31/5/1999: onder de rubriek vaststellingen van het controleverslag wordt een geïndexeerd kadastraal inkomen genoteerd, alsmede huuropbrengsten. Zie AUD 4/19, een schrijven van 15.10.1999 waaruit telefonisch contact blijkt. Zie AUD 4/14 de dato 7.5.1999 waarbij door de RKW aan het hoofdbestuur van het kadaster, financietoren, Kruidtuinlaan 50 te 1010 Brussel een overzicht van het kadastraal inkomen wordt gevraagd en ook bekomen. Achteraf geeft eisende partij, op vraag, zelf de aanslagbiljetten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De fout ligt erin dat de RKW zelf voortgaat op het niet-geïndexeerde K.I., gevraagd aan het hoofdbestuur van het kadaster en hiermede genoegen nam en zelf geen onderzoek aanvroeg, rechtstreeks of onrechtstreeks via eisende partij, bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Pas op 18.6.2003 verzocht de RKW de heer C. om een kopie van de aangiftes van het kadastraal inkomen van het jaar 1999 tot en met 2001 (stukken AUD 4/46, 47 en 48). 4 Enerzijds bevat het formulier aanvraag gewaarborgde gezinsbijslag een onzorgvuldigheid door niet te vragen achter het "geïndexeerde" kadastraal inkomen, hetgeen een tekortkoming aan informatie is, anderzijds beging de RKW de fout door zelf genoegen te nemen met het niet-geïndexeerde kadastraal inkomen. Artikel 17 van de wet van 1995 04 11 tot invoering van het Sociaal Handvest luidt: "Wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, neemt de instelling van sociale zekerheid op eigen initiatief een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring. Onverminderd de toepassing van artikel 18, heeft de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de instelling van sociale zekerheid te wijten is, uitwerking op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestatie kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht. Het vorige lid is niet van toepassing indien de sociaal verzekerde weet of moest weten, in de zin van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, dat hij geen recht heeft of meer heeft op het gehele bedrag van een prestatie". In een arrest van 6 mei 2002 oordeelt het Hof van Cassatie dat artikel 17 Handvest ook van toepassing is voor kinderbijslagfondsen. Artikel 18 Handvest verandert hieraan niets aangezien het enkel de termijn bepaalt waarbinnen een nieuwe beslissing kan genomen worden. Zie:Sociale zekerheid-algemeen, Hof van Cassatie, Nederlandse Afdeling, 3e Kamer, 2002-05-06, Rolnummer: S010119N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.10, Partena Kinderbijslagfonds, tegen V. G. M., verweerster,.http://www.cass.be (ook R.W., nummer 1, 6.09.2003, kolom 25): "IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat het bestreden arrest vaststelt dat de beslissing van 26 februari 1997 van eiseres aangetast was door een materiële vergissing die aan haar te wijten was en dat zij op 1 oktober 1998 een nieuwe beslissing nam; Overwegende dat artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde bepaalt dat wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, de instelling van sociale zekerheid op eigen initiatief een nieuwe beslissing neemt die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring; Dat het tweede lid van hetzelfde artikel bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 18, de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de instelling van sociale zekerheid te wijten is, uitwerking heeft op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestaties kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht; Overwegende dat artikel 18 van dit handvest bepaalt binnen welke termijn de instelling van sociale zekerheid haar beslissing kan intrekken; dat het geen termijn bepaalt vanaf wanneer de nieuwe administratieve beslissing uitwerking heeft en dienvolgens geen afbreuk doet aan de bepaling van artikel 17, tweede lid; Overwegende dat het arrest oordeelt dat de nieuwe beslissing van eiseres van 1 oktober 1998, "waarbij wordt medegedeeld dat (verweerster) met ingang op 1 september 1996 geen recht heeft op kinderbijslag, slechts uitwerking heeft op 1 november 1998" omdat de vorige beslissing van 26 februari 1997 met "toekenning van een recht op kinderbijslag (...) aangetast was door een materiële vergissing (te wijten aan de beheerder van het dossier) en de aanvankelijke toegekende prestatie groter was"; dat het tevens oordeelt dat artikel 18 van het handvest niet ter zake dienend is vermits deze wetsbepaling "enkel de termijn bepaalt waarbinnen een nieuwe beslissing kan worden genomen"; Overwegende dat het arrest aldus de aangewezen wetsbepalingen niet schendt; Dat het middel niet kan worden aangenomen; (einde citaat)". Zie eveneens het Bulletin van de RKW, 2003 nr 1, II.5: "Noot Dit arrest werd voorgelegd aan de Werkgroep juridische aangelegenheden, opgericht in de schoot van het College van administrateurs-generaal van de openbare instellingen van sociale zekerheid. Deze werkgroep zal de problematiek bespreken en nagaan of een aanpassing van het Handvest zich opdringt". Het KB van 31 mei 1933 betreft de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen (vervangen door W 1994- 06-07), artikel 1 luidt: "Elke verklaring afgelegd in verband met een aanvraag tot het bekomen of behouden van een subsidie, vergoeding of toelage, die geheel of gedeeltelijk ten laste van de Staat, een andere publiekrechtelijke rechtspersoon, van de Europese Gemeenschap of een andere internationale instelling is, of geheel of gedeeltelijk bestaat uit openbare gelden, moet oprecht en volledig zijn. Hij die weet of moest weten dat hij geen recht meer heeft op het gehele bedrag van een subsidie, vergoeding of toelage, bedoeld in het eerste lid, is verplicht dit te verklaren". De verschillende gedetailleerde verklaringen van eisende partij kunnen geacht worden oprecht en volledig te zijn. Eiseres kon dan ook niet weten dat zij teveel aan gewaarborgde gezinsbijslag ontving. Eisende partij heeft de aanslagbiljetten inzake onroerende voorheffing van de Vlaamse Gemeenschap volledig bezorgd, wanneer ze haar gevraagd werden. Artikel 17, 3° Handvest kan dan ook geen toepassing vinden. Er kan derhalve niet teruggevorderd worden voor het verleden. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Gehoord de Heer D.T., Eerste Substituut-Arbeidsauditeur, in zijn eensluidend mondeling advies, uitgebracht in de Nederlandse taal ter openbare zitting van 9.12.2005, Rechtdoende op tegenspraak, Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andersluidende conclusies verwerpende, Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond, Vernietigt de administratieve beslissing ter kennis gebracht op 20.8.2004, Zegt voor recht dat er geen reden is tot terugvordering van het bedrag van EUR 7.229,
- Rechtdoende op de tegenvordering van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor Werknemers voor het bedrag van 7.229,57 EUR, Verklaart deze ontvankelijk doch ongegrond. PDF document ECLI:BE:ARANT:2006:JUG.20060106.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div