id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 27 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2006:JUG.20060227.2 Rolnummer: 62605 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-27 Raadplegingen: 457 - laatst gezien 2026-07-04 08:16 Fiches 1 - 2 Eisende partij tekent beroep aan tegen de beslissing van het R.S.V.Z. waarbij de voordelen van de faillissementsverzekering voor zelfstandigen werden geweigerd omdat de aanvraag laattijdig is en dat de datum van het vonnis van faillietverklaring bepalend is voor de aanvang van de termijn om een aanvraag in te dienen aangezien de tekst de term "vonnis" gebruikt en niet de term "arrest". Eisende partij diende zijn aanvraag voor de sociale verzekering in bij een ter post aangetekende brief d.d. 26/08/2004 die als datum van aanvraag geldt, cf. art. 2 K.B. d.d. 06/07/1997 ter uitvoering van het K.B. d.d. 18/11/
- Het vonnis van faillietverklaring werd uitgesproken op 16/02/2004, waartegen beroep werd aangetekend en arrest door het Hof van Beroep d.d. 24/06/2004 werd uitgesproken. De rechtbank motiveert dat een duidelijke wettekst geen interpretatie behoeft. Artikel 6 K.B. d.d. 18/11/1996 gebruikt expliciet de bewoording "vonnis van faillietverklaring" en niet de faillietverklaring (na uitputting van alle rechtsmiddelen). Het aantekenen van hoger beroep tegen een vonnis van faillietverklaring heeft in tegenstelling tot het gemene recht (art. 1397 Ger. W.) geen schorsende werking wat de tenuitvoerlegging ervan betreft. Voor de toepassing van de bepalingen van de sociale faillissementsverzekering moet men uitgaan van het eerste vonnis van faillietverklaring en niet van de eindbeslissing (arrest). Op straffe van verval moet de aanvraag worden ingediend voor het einde van het kwartaal volgend op datgene waarna het vonnis van faillietverklaring of van ontbinding van het akkoord na faillissement werd uitgesproken (akkoord na faillissement werd afgeschaft vanaf 01/01/1998 door de nieuwe faillissementswet vanaf 08/08/1997). In casu is de aanvraag d.d. 26/08/2004 laattijdig gezien het vonnis van faillietverklaring dateert van 16/02/
- Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK faillissementsverzekering voor zelfstandigen - vonnis van faillietverklaring - aanvraag voor de sociale verzekering. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1397 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Vrije woorden: DE SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN . SOCIAAL STATUUT verplichtingen - aansluiting bij een sociale verzekeringskas - faillissementsverzekering voor zelfstandigen - vonnis van faillietverklaring - aanvraag voor de sociale verzekering. Wettelijke bepalingen: Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming - 06-07-1997 - 2 - 52 ELI link Pub nr 1997016207 Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 10 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 1397 en onder VII A - artikel
- Tekst van de beslissing DE ARBEIDSRECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN, TWEEDE KAMER, heeft het volgende vonnis uitgesproken: Rolnr.626/05 INZAKE M D, Eisende partij TEGEN: RSVZ Verwerende partij, Gezien het inleidend verzoekschrift d.d.18.3.2005 aangetekend verzonden aan de griffie van deze rechtbank. Gezien de besluiten van verwerende partij d.d. 29.6.2005 ontvangen ter griffie. Gezien de besluiten van eisende partij d.d. 6.7.2005 ontvangen ter griffie. Gezien de oproeping van partijen d.d. 20.9.2005 voor de openbare terechtzitting van 24.10.
- Gezien de besluiten van eisende partij d.d. 28.9.2005 ontvangen ter griffie van deze rechtbank. Gezien de besluiten van verwerende partij d.d.26.10.2005 ontvangen ter griffie. Gezien het gezamenlijk verzoek om de zaak te stelling in toepassing van art. 750 Ger.W. Gezien de oproeping van partijen d.d. 19.12.2005 voor de openbare terechtzitting van 23.1.
- Gehoord partijen in hun middelen en gezegden. Gehoord de heer D. M. substituut-arbeidsauditeur, in de lezing van het schriftelijk advies. Verwerende partij repliceert op het advies van het O.M.. Allen drukten zich uit in het Nederlands; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. I. VOORWERP: Eisende partij tekende beroep aan tegen de beslissing van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekering van de Zelfstandigen d.d. 18 februari 2005, waarbij de voordelen van de faillissementsverzekering voor zelfstandigen, bepaald bij Koninklijk Besluit van 18 november 1996, gewijzigd door de wet van 24 januari 2002, houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996, werden geweigerd. II. ONTVANKELIJKHEID: De vordering werd naar vorm en inhoud regelmatig ingesteld. Er zijn geen redenen voorhanden tot het inroepen van een ambtshalve grond van onontvankelijkheid. De vordering is ontvankelijk. II. TEN GRONDE: In toepassing van artikel 6 van het genoemd Koninklijk Besluit van 18 november 1996 dient de aanvraag tot de toekenning van de sociale verzekering op straffe van verval ingediend voor het einde van het kwartaal volgend op datgene waarin het vonnis van faillietverklaring werd uitgesproken. Eisende partij diende zijn aanvraag voor de sociale verzekering in bij een ter post aangetekend schrijven d.d. 26 augustus 2004 die als datum van aanvraag geldt overeenkomstig artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 6 juli 1997 ter uitvoering van het Koninklijk Besluit van 18 november
- Het vonnis van faillietverklaring van eisende partij werd uitgesproken op 16 februari 2004 , waarbij beroep werd aangetekend en arrest door het Hof van Beroep d.d. 24 juni 2004 werd uitgesproken. Verwerende partij laat gelden dat de aanvraag in casu laattijdig is en dat het de datum van het vonnis is die overeenkomstig art. 6 van het genoemd Koninklijk Besluit van 18 november 1996, bepalend is voor de aanvraag van de termijn om een aanvraag in te dienen aangezien de tekst de term "vonnis" gebruikt en niet de term "arrest". Daarenboven heeft het aantekenen van beroep tegen een vonnis van faillietverklaring geen schorsende werking wat de tenuitvoerlegging betreft, aldus verweerder. Meerdere juridisch-technische elementen kunnen aangehaald worden om het vonnis van faillietverklaring in enge zin te interpreteren:
- Vanaf de dag van het vonnis van faillietverklaring verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer over al zijn goederen, inclusief deze die hij verkrijgt terwijl hij zich in staat van faillissement bevindt (buitenbezitstelling). De curator neemt onmiddellijk het volledige beheer van de goederen over. Deze buitenbezitstelling betekent het einde van de handelsactiviteit, met als gevolg dat de handelaar - in principe - niet meer onderworpen is aan het sociaal statuut der zelfstandigen. De stopzetting heeft uitwerking vanaf het kwartaal volgend op datgene waarin het vonnis van faillietverklaring werd uitgesproken. Met de invoering van de faillissementsverzekering wilde de wetgever de precaire sociale zekerheidspositie van de gefailleerde enigszins verbeteren. De faillissementsverzekering biedt immers, naast het openen van het recht op geneeskundige verzorging en gezinsbijslag gedurende maximaal 4 kwartalen, aan de gefailleerde een 'overbruggingskrediet' (de faillissementsuitkering) gedurende maximaal 6 maanden. Deze financiële uitkering is een eerste hulpmiddel, een tijdelijke overbrugging om het beroepsleven te kunnen organiseren. Zij is nauw verbonden met de stopzetting van de beroepsactiviteit, en dus met het eerste vonnis van faillietverklaring (vergelijk met de niet-handelaars: de aanvraag moet ingediend worden voor het einde van het kwartaal volgend op het kwartaal van het staken van de zelfstandige activiteit).
- Ongerijmdheid met de voorwaarden bedoeld in artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 18 november
- Om het recht op geneeskundige verzorging en gezinsbijslag te kunnen openen én om de financiële uitkering te kunnen genieten, moet de gefailleerde o.a. aan volgende voorwaarde voldoen: zijn verzekeringsplicht bewijzen gedurende de 4 kwartalen die voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op datgene van het vonnis van faillietverklaring en in die periode de voor een hoofdberoep voorziene bijdragen verschuldigd geweest zijn. In principe is de gefailleerde niet meer verzekeringsplichtig in het sociaal statuut der zelfstandigen vanaf het kwartaal volgend op datgene van het eerste vonnis van faillietverklaring (want buitenbezitstelling en einde handelsactiviteit, cf. supra, 1.). Indien men rekening zou houden met de eindbeslissing, is het mogelijk dat men niet meer kan voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 18 november
- Een duidelijke wettekst behoeft geen interpretatie. Artikel 6 gebruikt expliciet de bewoording 'vonnis van faillietverklaring' en niet 'de faillietverklaring (na uitputting van alle rechtsmiddelen)'.
- Artikel 14, eerste lid Faillissementswet bepaalt dat ieder vonnis van faillietverklaring of ieder vonnis waarbij het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld, uitvoerbaar is bij voorraad en op de minuut vanaf de uitspraak. Het aantekenen van hoger beroep tegen een vonnis van faillietverklaring heeft dus, in tegenstelling tot het gemene recht (artikel 1397 Ger.W.), geen schorsende werking wat de tenuitvoerlegging ervan betreft. In de lijn van deze wetgeving moet men, voor de toepassing van de bepalingen van de sociale faillissementsverzekering, uitgaan van het eerste vonnis van faillietverklaring en niet van de eindbeslissing (het arrest). Indien de stelling aangenomen wordt dat men de notie 'vonnis van faillietverklaring' in de enge zin moet interpreteren, dan kan de aanvraag ingediend worden tot 30 juni 2004, en dit ongeacht het feit of er al dan niet hoger beroep wordt ingesteld. Beoordeling. De Rechtbank verwijst naar de toepassing van zowel artikel 2 van het K.B. van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels ( B.S. 13 december 1996) dat het toepassingsgebied omschrijft én artikel 6 dat de termijn voor de aanvraag vastlegt. Dit artikel bepaalt het volgende : " Op straffe van verval moet de in artikel 3 bedoelde aanvraag worden ingediend voor het einde van het kwartaal volgend op datgene waarin het vonnis van faillietverklaring of van ontbinding van het akkoord na faillissement werd uitgesproken. Het akkoord na faillissement werd vanaf 1 januari 1998 afgeschaft door de nieuwe faillissementswet van 8 augustus
- Dezelfde indieningstermijn, - voor het einde van het kwartaal volgend op datgene waarin de zelfstandige activiteit werd stopgezet - is aangegeven in het K.B. van 14 januari 1999 tot uitvoering van artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels ( B.S., 24 februari 1999, err., B.S. 3 maart 1999) ; meer bepaald is artikel 5 geformuleerd als volgt : " Op straffe van verval moet de in artikel 2 bedoelde aanvraag worden ingediend voor het einde van het kwartaal volgend op datgene waarin de zelfstandige activiteit werd stopgezet. Het is aldus duidelijk dat voor de twee categorieën gerechtigden eenzelfde indieningstermijn dient te worden aangehouden naargelang ze ressorteren onder de categorie van artikel 2 van het K.B. van 18 november 1996 eerste lid dan wel het tweede lid van het bedoelde artikel. Met andere woorden naargelang het gaat om gefailleerde zelfstandigen en zaakvoerders, bestuurders en werkende vennoten van een handelsvennootschap die werd failliet verklaard, dan wel om zelfstandigen die door middel van een collectieve schuldenregeling een door de bevoegde rechter gehomologeerde minnelijke aanzuiveringsregeling hebben verkregen, aan wie een gerechtelijke aanzuiveringsregeling werd opgelegd of die een aanpassing of een herziening van de regeling hebben verkregen binnen een periode van drie maanden voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal volgend op datgene waarin de zelfstandige activiteit werd stopgezet. - artikel 3, 1° K.B. 14 januari 1999 ( B.S. 24 februari 1999 + errata B.S. 3 maart 1999). De interpretatie is niet alleen van belang voor een correcte interpretatie van artikel 6 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 maar ook voor andere artikelen van dit besluit ( o.a. artikel 3,1° : aanvraag van de periode van 4 kwartalen van het recht op geneeskundige verzorging en gezinsbijslag ; artikel 7,3e lid : aanvraag van de periode van 6 maanden van het recht op financiële uitkering.) Het vonnis inzake faillietverklaring dateert van 16 februari 2004; het arrest van het Hof van Beroep werd uitgesproken op 24 juni 2004; eiser had zelfs rekening houdend met dit gegeven nog de tijd tot 30 juni 2004 een aanvraag in te dienen. De vordering is ongegrond OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, na beraadslaging, uitspraak doende op tegenspraak; Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt de bestreden beslissing. Legt de kosten ten laste van eisende partij, deze tot op heden begroot in hoofde van eisende partij op 107,09 euro rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van verwerende partij begroot op 107,09 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting te Tongeren op 27 februari
- Aanwezig: PDF document ECLI:BE:ARANT:2006:JUG.20060227.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.