← België

ECLI:BE:ARANT:2006:JUG.20060306.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 06 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2006:JUG.20060306.1 Rolnummer: 2003-2408 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-01 04:13 Fiches 1 - 3 De R.S.Z. is een openbare instelling, publiekrechtelijke rechtspersoon, die haar recht dient uit te oefenen via natuurlijke personen die de organen zijn van de rechtspersoon. - Artikel 19 van het huishoudelijk reglement van het beheerscomité van de RSZ geeft de administrateur-generaal de bevoegdheid inzake het dagelijkse beheer. - Artikel 18 preciseert dat het dagelijks beheer al de administratieve en gerechtelijke handelingen omvat nodig tot het vervullen van de opdrachten waarmee de rijksdienst is belast. - Artikel 20 vermeldt uitdrukkelijk dat de administrateur-generaal zijn bevoegdheden kan overdragen. De RSZ heeft dus de hoedanigheid om een rechtsvordering in te stellen. De rechtbank oordeelt dat hetgeen tussen partijen (sportbeoefenaar-voetballer en K.L. V.V.) werd overeengekomen inzake de financiële afspraken er niet kan gesproken worden van beroepsarbeid, nl. om loon toe te kennen als tegenprestatie voor beroepsarbeid om te voorzien in het levensonderhoud. Voor sportbeoefenaars die niet ressorteren onder de Wet Betaalde Sportbeoefenaars is het een zaak waarbij geval per geval moet worden geoordeeld, rekening houdend met o.m. de aard en de hoogte van de vergoeding. Wanneer de overeenkomst het leveren van sportieve prestaties in groepsverband tot voorwerp heeft en waarvoor financiële voorwaarden werden overeengekomen die forfaitaire kosten dekken of die aanmoedigingen zijn om de resultaten te optimaliseren of die een beloning zijn voor de positieve resultaten, dan is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Ook de daarbij toegekende premies zijn overigens louter afhankelijk van het resultaat en dus niet de tegenprestatie voor geleverde arbeid. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . BETAALDE SPORTBEOEFENAARS sociale zekerheid - rechtsvordering : gebrek aan hoedanigheid - RSZ-bijdragen - beroepsarbeid. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 18-03-1977 - 01 - 31 Link Justel databank 19770318-31 Wet - 24-02-1978 - 10 - 01 ELI link Pub nr 1978022402 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING rechtsvordering : gebrek aan hoedanigheid - RSZ-bijdragen - beroepsarbeid - sportbeoefenaars. Wettelijke bepalingen: Wet - 25-04-1963 - 18,19en20 - 01 ELI link Pub nr 1963042504 Wet - 27-06-1969 - 9 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 31 - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Wet - 27-06-1969 - 22bis - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder II N - artikel 10, onder VII A - artikel 9 en onder VII A - artikel 22bis. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2006(00947,P.220-223) Tekst van de beslissing DE ARBEIDSRECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN, EERSTE KAMER, heeft volgend vonnis uitgesproken Rolnr. 2408/2003 INZAKE : RSZ Eisende partij, verschijnen door TEGEN : K. L V.V. Verwerende partij, verschijnend Gezien de inleidende dagvaarding betekend d.d. 24.10.2003 door gerechtsdeurwaarder H.V., kantoorhoudende te Tongeren; Gezien de bij de dagvaarding gevoegde rekeninguittreksels voor een bedrag van EUR 32.195,

  1. Gezien het verzoek d.d. 6.4.2005 van de raadsman van eisende partij tot toepassing van artikelen 750 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek om de conclusietermijnen te bepalen en een rechtsdag te bepalen; Gezien de beschikking van de Voorzitter van deze rechtbank d.d. 27.4.2005 waarbij de conclusietermijnen werden bepaald en de zaak werd gesteld voor pleidooi op de openbare terechtzitting van 3.10.2005; Gezien de kennisgeving aan partijen d.d. 28.4.2005; Gezien de besluiten, aanvullende besluiten en syntheseconclusies; Gehoord partij in hun middelen en gezegden; Gehoord de heer D. M. substituut-arbeidauditeur, in de lezing van het schriftelijk advies; Eisende partij wenst te repliceren op het advies van het Openbaar Ministerie; Allen drukten zich uit in de Nederlandse taal. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. I. De Vordering. De inleidende dagvaarding d.d. 24 oktober 2003 strekt ertoe verwerende partij, K. L. V.V. Privaatrechtelijke vereniging zonder winstoogmerk, te veroordelen tot betaling aan eisende partij van de som van EUR 32.195,22 meer de verwijlintresten à 7 % op de som der bedragen zijnde EUR 21.531,22 vanaf 08.09.2003 tot aan de datum van de dagvaarding meer de wettelijke intresten à 7 % per jaar op de som EUR 21.531,22 tot op de dag der volledige betaling en alle kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling onder om het even welk voorbehoud en zonder nadelige erkentenis, akte te horen verlenen aan verzoeker van het uitdrukkelijk voorbehoud dat hij maakt om later de betaling aan te vragen der bijdragen evenals van de ermee verband houdende bijdrage-opslagen, intresten en kosten die hem vanaf nu verschuldigd zijn of die hem zouden kunnen verschuldigd zijn in de loop van het geding. II. De ontvankelijkheid - Procedure - Gebrek aan hoedanigheid - Onwettigheid van de beslissing. Verwerende partij voert aan dat de rechtsvordering niet toelaatbaar is omdat aanlegster niet de hoedanigheid zou hebben om ze in te stellen. Aanlegster is een openbare instelling, publiekrechtelijk rechtspersoon, die haar recht dient uit te oefenen door een beroep te doen op natuurlijke personen die de organen zijn van de rechtspersoon. Verweerster betwist dat het ter zake bevoegde orgaan een beslissing heeft genomen tot het instellen van de procedure. Aanlegster brengt het Huishoudelijk Reglement bij van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor de Sociale Zekerheid en verwijst in het bijzonder naar de artikelen 19 en 20 genomen in uitvoering van artikel 19 van de Wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instelling van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg. Artikel 19 geeft de Administrateur-generaal de bevoegdheid inzake het dagelijks bestuur terwijl artikel 18 preciseert dat het dagelijks beheer al de administratieve en gerechtelijke handelingen omvat die gewoonlijk nodig zijn tot het vervullen van de opdrachten waarmee de Rijksdienst is belast. Waar verwerende partij verwijst naar de onwettige grondslag voor berekening van de sociale bijdragen sportbeoefenaars moet worden gesteld dat het door verwerende partij ingenomen standpunt hier niet dienend is. De vordering komt naar vorm en tijdstip ontvankelijk voor. Er worden geen ambtshalve gronden van onontvankelijkheid vastgesteld. Met betrekking tot de onwettigheid van de bestreden beslissing: Verwerende partij voert hier aan de beslissing tot vordering van de bijdragen niet wettig zijn genomen aangezien zij werden ondertekend door een adjunct-adviseur in opdracht van de administrateur-generaal. Verweerster stelt dat de administrateur-generaal zijn bevoegdheid niet kan delegeren. Terzake verwijst verweerster naar de artikelen 39 en 159 van de Grondwet. Ook hier dient te worden verwezen naar het Huishoudelijk Reglement. Artikel 20 vermeldt uitdrukkelijk dat de administrateur-generaal zijn bevoegdheden kan overdragen. III. De Vaststellingen. Verweerster is een voetbalclub aangesloten bij de Koninklijk Belgische Voetbalbond. De vordering is het resultaat van een onderzoek door de inspectiediensten van aanlegster, afgesloten op 26 mei
  2. Ingevolge dit onderzoek werd beslist dat een aantal spelers en de trainer dienden te worden onderworpen aan de sociale zekerheid voor werknemers; er werd beslist dat de spelers dienden te worden aanzien als betaalde sportbeoefenaars. Vermits geen concrete gegevens werden bijgebracht - behalve voor V. D. - door de club L V.V. werd navraag gedaan bij de Controle van de Belastingen te Lanaken. Voor V. werden er voor 2000 en 2001 fiscale fiches opgemaakt respectievelijk voor EUR 322,26 en EUR 185,
  3. De controleur voert aan dat er geen enkel detail werd voorgelegd inzake toekenning onkostenvergoedingen en wedstrijdpremies. In het onderzoek wordt tevens verwezen naar een klacht bij de Belgische Voetbalbond van een aantal spelers; ingevolge de uitspraak in beroep d.d. 9.11.2002 werd de klacht van een aantal spelers gegrond verklaard en diende de club nog een bedrag te betalen aan respectievelijk vijf spelers. Het blijkt verder dat door de controleur voor speler V. het maandelijks loon werd berekend op een forfaitair bedrag, hetzij EUR 1.140,24 (= forfaitair maandloon juni 2001) in toepassing van artikel 22 bis van de wet van 27.06.1969 en rekening houdend met de wet van 24 februari 1978 voor de betaalde sportbeoefenaars. Voor de overige spelers V, M, I, W en C. werd rekening gehouden met de bedragen volgens de fiscale fiches en tevens met hun bijkomende vorderingen ingevolge hun klacht tegen de club. Hun maandlonen werden - aldus het verslag - berekend op de helft van het bedrag van het gemiddeld maandinkomen. Het verslag vervolgt verder : " De toegekende premies aan spelers waarvoor er overigens geen detail per speler werd bijgehouden heb ik in toepassing van artikel 22 bis van de wet van 27.06.1969 volledig als loon geregulariseerd over de jaren 1998 (EUR 7635,12, 1999 (EUR 8651,49) 2000 (EUR 7350,04) en 2001 (EUR 5522,66). De premies werden verdeeld over 10 "speelmaanden" per jaar. " Voor de trainer(s) onder werkgeverscategorie 011 et volledig loon van trainer B. G. (380829169 30) over de jaren 1998 (EUR 3644, 03 -) en 1999 (EUR 3103,38) en dit volgens opgemaakte loonfiches. En verder : " Op 21.05.2003 werden de opgestelde RSZ- aangiften ter ondertekening voorgelegd aan het bestuur van de Koninklijke Lanaken V.V. - VZW. Nadat ik de wijze van RSZ-berekening tegenover het clubbestuur had uitgelegd, heeft niemand van hen het initiatief genomen om tot ondertekening van de aangiften over te gaan. De aangiften zijn derhalve ambtshalve opgesteld. ... " Uit het bijgevoegde dossier - onderzoeksverslag blijkt verder dat benevens het verslag en de processen-verbaal van verhoor er "aangiftestaten" werden opgesteld met daarop vermeld de bedragen die voor iedere speler werden weerhouden waarbij deze bedragen werden samengeteld om vervolgens hiermee, per jaar de omvang van de weerhouden sommen te bepalen waarop de berekening is gebaseerd., hetzij uiteindelijk na omzetting in euro, het bedrag van in het totaal EUR 32.195,
  4. Niet ten onrechte wijst de raadsman van verwerende partij er in besluiten d.d. 18.03.2004 ontvangen ter griffie van deze rechtbank op dat ingevolge de brief d.d. 26 juni 2003 waarmee verweerster werd uitgenodigd het gevorderde bedrag te betalen, zij met een aangetekend schrijven van 22 juli 2003 via haar raadsman heeft gevraagd inzage te mogen nemen van het dossier teneinde te kunnen nagaan op welke gegevens de vorderingen van eiseres waren gesteund en eventueel verder standpunt ter kunnen formuleren. Hierop werd niet gereageerd door eisende partij. Er was enkel de dagvaarding d.d. 24 oktober 2003 waarbij het hoger genoemde bedrag werd gevorderd. Slechts bij brief d.d. 31 oktober 2003 verstuurde eiseres enigszins laattijdig bepaalde stukken uit het administratief dossier. Deze zending heeft wat dat betreft enigszins haar doel gemist. Het dossier van eiseres is gelet op al het voorgaande niet helemaal vrij van enige mankementen of tekorten. Verder signaleert verwerende partij nog dat eisende partij op 15 september en 21 oktober 2003 rekeninguittreksels. Laatstgenoemde stelt in besluiten d.d. 13 maart 2004,deze uittreksels nooit te hebben ontvangen. IV. De toepassing van artikel 22 bis van de wet van 27 juni 1969, de wet van 24 februari 1978 en het K.B. van 12 augustus 1985 - B.S. 23 augustus 1985 - tot uitvoering van de wet van 24 februari 1978 - B.S. 9 maart 1978 en het K.B. van 19 augustus
  5. Artikel 22 bis van de wet van 27 juni 1969 regelt de ambtshalve vaststelling van de schuldvordering van de R.S.Z. bij de werkgever wanneer het onmogelijk is het bedrag van de door de werkgever verschuldigde bijdragen hetzij in zijn totaliteit hetzij individueel per werknemer vast te stellen. Het artikel 31 van het K.B. van 28 november 1969, hoger vermeld, aldus vervangen bij art. 4 K.B. 12 augustus 1985 (B.S. 23 augustus 1985) regelt de berekening van de bijdragen voor sportbeoefenaars onderworpen aan de wet van 24 februari 1978 alsmede voor hen die niet aan deze wet zijn onderworpen. Bij toepassing van artikel 10 van de wet van 24 februari 1978 voerde het K.B. van 12 augustus 1985 een aantal wijzigingen door. Het vervangt artikel 6 van het K.B. van 28 november 1969 door een bepaling volgens welke alle betaalde sportbeoefenaars die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden (zowel diegenen die meer verdienen dan het door de Koning bepaalde minimum als zij die een lager loon ontvangen) binnen het toepassingsgebied van de sociale zekerheid vallen, evenwel beperkt tot enkele sectoren. De inwerkingtreding van de wet van 24 februari 1978 werd geregeld bij K.B. van 23 december 1983 tot bepaling van de toepassingsmodaliteiten van de wet van 24 februari
  6. De wet trad in werking voor op 1 januari 1984 voor de wielrenners en de motorcrossrijders en op 1 juni 1984 voor alle andere betaalde sportbeoefenaars. Hierbij moet worden opgemerkt dat de gemeenschappelijke bedoeling van partijen determinerend is. Is het de bedoeling van partijen om een loon toe te kennen als tegenprestatie voor een beroepsarbeid verricht om in het levensonderhoud te voorzien, dan is er een arbeidsovereenkomst. Cfr. voor het begrip arbeid : Lenaerts, H., Inleiding tot het sociaal recht, 1995, nr. 6, Cass., 18 juni 1990, R.W., 1990-1991, 775, A.C., 1989-1990, nr. 604, met conclusie adv.-gen.Lenaerts. Met het artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985 - B.S. 23 augustus 1985 - tot uitvoering van de wet van 24 februari 1978 - B.S. 9 maart 1978 - betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders werd de berekeningsbasis voor de sociale zekerheidsbijdragen ingevoerd voor de toepasselijke categorieën van betaalde sportbeoefenaars. Uit de preambule van dit koninklijk besluit van 12 augustus 1985 blijkt dat dit niet voor advies werd voorgelegd aan de Raad van State en dit op grond van de dringende noodzakelijkheid en zich baserend op de volgende motivering : " Overwegende de noodzaak om dringende duidelijkheid te scheppen inzake het sociaal zekerheidsstatuut van de betaalde sportbeoefenaar alsmede de R.S.Z. de nodige administratieve schikkingen te laten treffen ..." De Koning heeft zich in casu wel beroepen op de hoogdringendheid teneinde het verplicht advies te omzeilen. In een dergelijk geval moet de hoogdringendheid met bijzondere redenen worden omkleed. Deze verplichting houdt in dat de motieven welke aan de basis liggen van de ingeroepen hoogdringendheid formeel en uitdrukkelijk moeten worden vermeld in de aanhef van het besluit (Vandamme, M., Raad van State, Afdeling wetgeving, Brugge, Die Keure, 1998, 138) De rechtbank zal nagaan of de in de aanhef van het besluit verwoorde motieven ernstig, expliciet, exact en pertinent zijn. Vandamme o.c. 143 en aldus nagaan of het beroep op de spoedeisendheid al dan niet gegrond is. (ibidem 140) Bovendien had de Koning eventueel ook nog een beroep kunnen doen op artikel 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die hem toelaat binnen een zeer korte termijn een advies te verkrijgen. Er wordt daarover geen uitleg verstrekt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de in de aanhef ingeroepen motieven het spoedeisend karakter voor het aannemen van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985 niet kunnen verantwoorden. Immers, de wet op het statuut van de betaalde sportbeoefenaar dateert reeds van 24 februari 1978, de inwerkingtreding van 1 juli 1984 - K.B. 23 december 1983 - B.S. 6 januari 1984 - sinds 1978 heeft de Koning nog zes jaar gewacht om enig initiatief te nemen. Door zijn houding heeft de Koning zelf de spoedeisendheid voor het uitvaardigen van het Koninklijk Besluit tegengesproken. De motivering betreffende de spoedeisendheid is niet exact en ook niet pertinent. Ten onrechte werd de "spoedeisendheid" aangevoerd om het koninklijk besluit van 12 augustus 1985 niet voor advies voor te leggen aan de Raad van State. Daardoor werd een substantiële vormvereiste miskend en is het koninklijk besluit van 12 augustus 1985 onwettig en kon eiseres zich hierop ook niet beroepen om de berstreden beslissing van 26 juni 2003 te nemen. Op grond van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moeten, buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid, alle reglementaire besluiten voorafgaand aan de uitvoering voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. Gezien de verplichting voor de uitvoerende macht om haar besluiten voor advies voor te leggen moet dit als een substantieel vormvoorschrift worden beschouwd (Van Damme, M., Raad van State.Afdeling Wetgeving, Brugge, Die Keure, 1998,155). Een schending van deze vereiste leidt tot de onwettigheid van het desbetreffende reglementair besluit (Cass., 10 maart 1955, Pas., 1955, I, 760) Dergelijk onwettig besluit verplicht de rechter op grond van artikel 159 G.W. om zich ervan te onthouden het toe te passen (Cass., 7 juni 1983, Arr.Cass., 1982-83, 1237). V. In Rechte : De Rechtbank heeft kennis genomen van de standpunten van partijen en de stukken van het dossier. Vooreerst dient erop gewezen dat de uitspraak van de beroepscommissie bij de Commissie voor het Statuut van de Speler bij de Koninklijk Belgische Voetbalbond een uitspraak is ingevolge de toepassing van het intern reglement van de Voetbalbond. Hierbij worden beschouwd als schulden aan de Voetbalbond - alle schulden van de club ingevolge alle mogelijke vergoedingen, premies, representatiekosten en onkostenvergoedingen verschuldigd tussen partijen, zijnde de club enerzijds en de spelers anderzijds of tussen de club en de Voetbalbond onderling. De bedoeling van deze regeling is de belangen van de spelers te vrijwaren overeenkomstig het toepasselijk Bondsreglement. Deze regeling kan zeker niet integraal worden overgebracht naar de mogelijke toepassing van de R.S.Z-wetgeving. Beroepsarbeid - arbeidsovereenkomsten
  7. De vraag moet worden gesteld of er in onderhavige dossiers sprake is van beroepsarbeid én dientengevolge het bestaan van arbeidsovereenkomsten m.a.w. waren partijen verbonden door een arbeidsovereenkomst? Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst tot het verrichten van arbeid waarbij de ene partij, de werknemer, zich tegenover de andere partij, de werkgever, verbindt om in een verhouding van ondergeschiktheid aan of onder gezag van een werkgever, tegen loon arbeid te verrichten (Cass., 16 oktober 1987, Arr.Cass. 1987-88, nr. 96, Cass., 6 maart 2000 J.T.T. 2000,227). Om te bepalen of de overeenkomsten die tussen partijen werden gesloten, beantwoorden aan deze definitie, is de rechtbank niet gebonden door de kwalificatie die de partijen aan de overeenkomst hebben gegeven. (Cass. 15 februari 1982, R.W. 1982-83, 2210, Cass. 7 september 1992, Soc.Kron. 1993, 13, noot)
  8. Onder betaalde sportbeoefenaars verstaat de Wet van 24 februari 1978 "de personen die de verplichting aangaan zich voor te bereiden op of deel te nemen aan een sportcompetitie of - exhibitie onder gezag van ander persoon tegen loon dat een bepaald bedrag overschrijdt". Dit bedrag wordt jaarlijks bij koninklijk besluit vastgesteld. Deze loongrens bedroeg periode van 1 januari 2000 tot en met juni 2000 551.951 Bef. (K.B. 14 december 1999, B.S. 29 december 1999, vanaf 1 juli 2000 : 275.976 Bef. (K.B. 14 december 1999, B.S. 29 december 1999 zoals gewijzigd bij K.B. 26 juni 2000 B.S., 5 juli 2000).
  9. Het verrichten van arbeid vormt een constitutief bestanddeel van de arbeidsovereenkomst en moet, in het kader van de Arbeidsovereenkomstenwet trouwens worden begrepen als "beroepsarbeid". Er kan enkel worden gesproken van beroepsarbeid, wanneer de doorslaggevende beweegreden van de "werknemer" het verwerven van een inkomen is. ( De Vos, M., Loon naar Belgisch Arbeidsovereenkomstenrecht, Antwerpen, Maklu, nr. 63 of, met andere woorden, wanneer de werkzaamheden worden uitgeoefend om in het levensonderhoud te voorzien. - cfr Lenaerts, H., Inleiding tot het sociaal recht, Gent, Story-Scientia, 1985, nr. 3 blz.5)
  10. Voor Sportbeoefenaars die niet direct ressorteren onder de Wet Betaalde Sportbeoefenaars is dit een zaak waarbij geval per geval moet worden geoordeeld rekening houdend met o.m. de aard en de hoogte van de vergoeding. In de hypothese dat de diensten van de R.S.Z. de vergoedingen, die werden weerhouden op basis van de in het totaal belastbare inkomsten overeenkomstig de aangiftes bij het Ministerie van Financiën, wil doen in aanmerking als loon uit beroepsarbeid en deze effectief als loon kwalificeert, ligt het brutojaarloon, in de veronderstelling dat dit als dusdanig moet worden gekwalificeerd, dat de spelers ontvingen, ver beneden het op dat ogenblik van toepassing zijnde grensbedrag van 551.951 oude BF en zelfs beneden het bedrag 275.976 oude BEF, van toepassing vanaf 1 juli
  11. Hiermee is overigens niet aangetoond dat de vergoedingen als tegenprestatie voor beroepsarbeid moeten worden beschouwd. Het behoort aan de diensten van de R.S.Z. dit aan te tonen. Eventuele loonbrieven, individuele rekeningen en fiscale fiches vormen geenszins een afdoende bewijs voor de toekenning van het statuut bediende. In casu is er enkel de informatie bekomen bij de diensten van de Belastingen, ingevolge het onderhoud met de inspecteur C. A. van de Controle der Belastingen te Lanaken, zoals blijkt uit het verslag 03/097/
  12. Hiervan worden overigens geen stukken bijgebracht, met name zijn er geen stukken door club bijgehouden en zijn er geen originele documenten van Financiën voorhanden. De bij de dagvaarding gevoegde rekeninguittreksels zijn wat dat betreft absoluut onduidelijk. Op geen enkele manier kan worden nagegaan wat er precies wordt aangerekend, voor wie dat moet gelden en waarop dat is gebaseerd. Inzake ambtshalve onderwerping kan worden verwezen naar het Arrest Arbh. Brussel, 24 december 2003 n° 42.363 : " ... de beslissing tot onderwerping aan de sociale zekerheid van werknemers is in casu niet voldoende gemotiveerd op grond van de wet van 29 juli 1991 en moet bijgevolg worden vernietigd. Nu de dagvaarding geen rechtsgrond meer heeft, is de vordering ongegrond ....".
  13. Belangrijk is de aard van de vergoeding, namelijk wat beoogd wordt te worden vergoed. Wanneer de overeenkomst het leveren van sportieve prestaties in groepsverband tot voorwerp heeft, en waarvoor financiële voorwaarden werden overeengekomen die forfaitair kosten dekken die daarmee gepaard gaan voor de speler, of die een aanmoediging zijn om de resultaten van de sportieve club te optimaliseren, of die een beloning zijn voor de positieve resultaten en realisaties van de ploeg, dan is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Ook daarbij toegekende premies zijn overigens louter afhankelijk van het resultaat van de wedstrijden en zodoende niet de tegenprestatie voor geleverde arbeid of inspanning. Dit belet niet dat er aldus " inkomsten " kunnen worden verworven die fiscaal belastbaar zijn, volgens de regels van toepassing voor de aangifte in de personenbelasting. De middelen die de diensten van de R.S.Z. aanbrengen om het bestaan van een arbeidsovereenkomst aan te tonen zijn schaars, zoniet onbestaande. De tussen partijen overeengekomen vergoedingen of premies zijn geen indicatie dat het de bedoeling was van partijen om in het levensonderhoud van de spelers te voorzien noch om een reëel inkomen te verwerven. Er werden overigens geen spelers of trainers ondervraagd noch werden er overeenkomsten voorgelegd. Terzake kan overigens worden verwezen naar de bestaande rechtspraak o.m. Arbrb. Gent 31 januari 2003 in de zaak A.R. nr. 150508/01 Mussche Wouter/ vzw. Sportvereniging KFC. Eeklo, bevestigd Arbh.Gent A.R. 199/03, Arbrb.Ieper A.R.2420 R.S.Z./K/V.K. Ieper dd. 14.12.2001 én Arbh.Gent, afd.Brugge A.R. 2002/070 inzake R.S.Z./ K.V.K. Ieper.dd. 16 januari 2003, en verder Arbrb.Turnhout A.R. 77.453 inzake R.S.Z./ vzw KFC Lille, dd. 23.06.
  14. Beoordeling : De rechtbank is van oordeel dat voortgaande op hetgeen tussen partijen al dan niet werd overeengekomen inzake de financiële afspraken, er niet kan worden gesproken van beroepsarbeid in hoger bedoelde zin. Dit blijkt overigens uit de bedragen die werden gevorderd door de spelers in de procedure bij de Belgische Voetbalbond. Het is met name niet aangetoond dat het de gemeenschappelijke bedoeling is geweest van partijen om een loon toe te kennen als tegenprestatie voor beroepsarbeid verricht om in het levensonderhoud te voorzien zoals uiteengezet hierboven, met verwijzing naar de rechtspraak en rechtsleer. In dat geval is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst. De argumentatie van eisende partij dat de uitbetaalde bedragen niet kunnen doorgaan als vergoeding voor gemaakte kosten is niet dienend. Ze is er op gericht aan te tonen dat premies loon zijn in de zin van het loonbegrip dat geldt in de R.S.Z.-Wet ter bepaling van de berekeningsbasis van verschuldigde bijdragen, terwijl er moet worden aangetoond dat de toegekende premies een overeengekomen loon zijn in de algemene arbeidsrechtelijke betekenis van tegenprestatie van arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wordt verricht. Ten onrechte heeft eisende partij ambtshalve aangiften opgesteld, berekend op de helft van het gemiddeld maandinkomen, en verder toepassing gemaakt van artikel 22 bis van de wet van 27 juni
  15. Eisende partij heeft in het verslag d.d. 26.05.2003 geenszins toegelicht op welke wettelijke basis zij zich heeft beroepen om tot de bestreden onderwerping en de berekening ervan over te gaan. In elk geval werd niet verwezen naar de toepassing van artikel 31 van het K.B. tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Ten onrechte werd geoordeeld dat toepassing dient te worden gemaakt van de wet van 24 februari 1978 op de Betaalde Sportbeoefenaars. Dit is een eenzijdig uitgangspunt. Voor de berekening van de heer B. G. over de jaren 1998 en 1999 werd verwezen naar opgemaakte fiches en werd verwerende partij als bedrijf gecatalogeerd onder categorie
  16. Nergens is gepreciseerd wat dat concreet betekent en waarop deze beslissing is gebaseerd. De vaststelling zowel als de beslissing zijn geenszins uitdrukkelijk gemotiveerd hetgeen niet conform is aan de toepassing van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, cfr Arrest n° 42.363 24 december 2003 Arbh.Brussel, Soc.kron. 2004, 09, hoger geciteerd. Op geen enkele manier is aangetoond dat de heer B. arbeid heeft verricht in ondergeschikt verband met daarbij de intentie te voorzien in zijn eigen levensonderhoud of om een reëel inkomen te verwerven. De heer B. werd evenmin persoonlijk ondervraagd of verzocht verdere toelichtingen te geven. Gelet op het schriftelijk advies van de Arbeidsauditeur, neergelegd ter zitting, waar wordt gesteld dat uit de bijgebrachte stukken niet blijkt op welke basis de heer B. zijn prestaties bij verwerende partij leverde De Rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat de vordering van eisende partij niet kan worden toegekend. Er is met name geenszins aangetoond dat er sprake is van beroepsarbeid zodat partijen dientengevolge niet kunnen worden beschouwd als zijnde verbonden, door een arbeidsovereenkomst, zoals hoger reeds uiteengezet. Verder moet worden vastgesteld dat het K.B. van 12 augustus 1985 (B.S. 23 augustus 1985) dat de berekeningsbasis vormt voor de gevorderde bijdragen op onwettige wijze is tot stand gekomen zoals hoger uiteengezet, zodat de rechtbank zich van de toepassing ervan dient te onthouden. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, na beraadslaging, Statuerend op tegenspraak; Alle verdere en tegengestelde conclusies verwerpend; Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Wijst de vordering af. Legt de kosten ten laste van eisende partij deze tot op heden begroot in hoofde van eisende partij op 144,36 euro dagvaardingskosten en 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van verwerende partij begroot op 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting te Tongeren op 6 maart
  17. PDF document ECLI:BE:ARANT:2006:JUG.20060306.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.