← België

ECLI:BE:ARANT:2006:JUG.20060502.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 02 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2006:JUG.20060502.5 Rolnummer: 383.009 Rechtsgebied: Strafrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-10-31 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-01 04:24 Fiches 1 - 2 Het nalaten een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan maakt een misdrijf uit. Het morele bestanddeel van de onachtzaamheid of nalatigheid volstaat voor de strafbaarstelling. In de omstandigheden eigen aan de zaak betreft het een voortdurend misdrijf, gezien de eenheid van opzet volgt uit de aanhoudende nalatigheid. De 5-jarige verjaringstermijn is conform artikel 26 van de Voorbereidende titel van het Wetboek van Strafvordering van toepassing vanaf het laatste feit op de vordering van het Fonds voor Arbeidsongevallen tot betaling van bijdragen voor ambtshalve aansluiting. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Algemeen (voorafgaande titel Sv.) Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - strafvordering - arbeidsongeval - geen verzekering - verjaring - bijdragen fonds arbeidsongevallen - vordering ex delicto - voortgezet misdrijf Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 26 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Nota: Gerangschikt onder I D - artikel 26 en onder VI A - artikel

  1. ID - VI A UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Arbeidsongevallenverzekering - Algemeen Vrije woorden: beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de privésector - verzekering - verzekeringsinstellingen - verplichting voor de werkgever tot arbeidsongevallenverzekering - geen verzekering - verjaring - bijdragen fonds arbeidsongevallen - vordering ex delicto - voortgezet misdrijf Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 49 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: Gerangschikt onder I D - artikel 26 en onder VI A - artikel
  2. I D - VI A Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 6, blz. 367-369 Tekst van de beslissing VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op TWEE MEI TWEEDUIZEND EN ZES In openbare terechtzitting van de VIJFDE KAMER van de Arbeidsrechtbank van het Gerechtelijk Arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden: C.DE CLERCK, Rechter in de Arbeidsrechtbank, Voorzitter van de kamer W. BUYS, Rechter in Sociale Zaken, werkgever R. MATTHYSEN, Ter vervanging van I. Aerts in toepassing van art. 779 Ger.W. bij beschikking van de Voorzittter dezer Rechtbank dd. 2.5.2006 Rechter in Sociale Zaken, werknemer-arbeider B. NAULAERS, Griffier INZAKE : A.R. 383.009 X, openbare instelling , met burelen gevestigd te ... EISENDE PARTIJ : ter zitting vertegenwoordigd door Mr.; TEGEN : XX, VERWERENDE PARTIJ : ter zitting vertegenwoordigd door Mr. VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS: Gelet op de originele inleidende dagvaarding van het ambt van gerechtsdeurwaarder M. Couvreur, met standplaats te Antwerpen, dd. 23 oktober 2000; Gelet op de wet van 15.6.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de wet van 10.10.1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek en zoals gewijzigd bij de wet van 23.9.1985 met ingang van 1.9.
  3. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden. Standpunt van partijen
  4. Het FAO vordert bij inleidend exploot van dagvaarding van 23.10.2000 de veroordeling van verwerende partij in betaling van 1.762.072 BEF, te vermeerderen met een bijdrage van 176.207 BEF, intresten en kosten. In conclusies wordt deze vordering omgezet naar resp. EUR 43.680,62 en EUR 4.368,
  5. Het FAO steunt haar vordering op het bericht van 03.04.1996 uitgaande van de Sociale Inspectie. Hierin werd gesteld dat verwerende partij geen verzekering tegen arbeidsongevallen had afgesloten voor 9 handarbeiders, en dit voor de periode van 01.10.1981 tot 01.04.
  6. Sinds 02.04.1996 is er een verzekering bij AG
  7. Deze feitelijke gegevens werden erkend door de zaakvoerster van verwerende partij in het verhoor van 25.08.1999 door een sociaal controleur van het FAO.
  8. De betwisting tussen partijen heeft in de eerste plaats betrekking op de vraag of er al dan niet verjaring is ingetreden. Het FAO stelt samengevat dat het om een vordering ex delictu gaat. De werkgever is verantwoordelijk voor het feit dat geen arbeidsongevallenverzekering werd afgesloten, en kan deze fout niet afwentelen op derden. Het gaat in casu om een voortgezet misdrijf, waarbij de verjaring pas begint te lopen vanaf de datum van het laatste feit. Er is duidelijk éénheid van opzet : er is geen onderbreking in de tewerkstelling. Het moet niet steeds gaan om dezelfde werknemers. De wijziging van artikel 65 van het Strafwetboek is in casu zonder belang voor de verjaring. De verjaringstermijn van 5 jaar begint te lopen vanaf 02.04.1996 en werd rechtsgeldig gestuit met aangetekende brief van 09.12.
  9. Volgens het FOA is de vordering eveneens gegrond. De bijdrage is van openbare orde zodat ten onrechte de billijkheid wordt ingeroepen. Voor de maand april 1996 is een ambtshalve aansluiting verschuldigd omdat de polis AG pas ingaat vanaf 02.04.1996 en er op 01.04.1996 personeel was tewerkgesteld. In aanvullende conclusies wordt ingegaan op de lange duurtijd van de procedure. Volgens het FAO heeft ook verwerende partij geen middelen gebruikt om de procedure te activeren. Tijdsverloop doet trouwens geen rechten uitdoven of rechten ontstaan.
  10. Verwerende partij besluit tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de hoofdvordering, alleszins in de mate waar ze het bedrag van 299.980 BEF overtreft. Tevens wordt het ruimst mogelijke gemak van afbetaling gevorderd. In aanvullende besluiten wordt een tegenvordering gesteld ten bedrage van EUR 2.500,00 wegens tergend en roekeloos geding. Verwerende partij roept in de eerste plaats de verjaring in van 5 jaar te rekenen vanaf 09.12.
  11. Zij betwist de theorie van het voortgezet misdrijf. De tegenvordering wordt niet enkel gesteund op de verjaring, maar ook op de inertie van het FAO wat de gerechtelijke procedure betreft. Ontvankelijkheid
  12. De dagvaarding is regelmatig naar de vorm. De ontvankelijkheid van de vordering is echter betwist wat de termijn betreft. Beide partijen zijn het erover eens dat bij toepassing van artikel 69 lid 3 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, de bijdragen dewelke meer dan 5 jaar oud waren op het ogenblik van de ingebrekestelling van 09.12.1999, in beginsel verjaard zijn.
  13. De Arbeidsongevallenwet voorziet echter verder in artikel 91quater 1° een correctionele straf voor "de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die niet hebben voldaan aan de verplichtingen die hen door of krachtens deze wet zijn opgelegd". Het laat dus geen twijfel dat het nalaten een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een verzekeringsonderneming, een inbreuk uitmaakt op artikel 49 van de Arbeidsongevallenwet en zulke gedraging derhalve een misdrijf uitmaakt. Het materieel element hiervan wordt ten andere door verwerende partij niet betwist, wel het moreel element. Het opzet inzake sociaalrechtelijke misdrijven is echter voorhanden door het louter plegen van het materiële feit van de overtreding. Het morele bestanddeel van de onachtzaamheid of nalatigheid terzake volstaat voor de strafrechtelijke beteugelbaarheid (ARNOU, P., en DE BUSSCHER, M., Misdrijven en sancties in de wegverkeerwet, Kluwer, Antwerpen, 1999, p. 20, nr. 66 wat betreft misdrijven inzake het verkeer; Brussel, 4 januari 1995, R.D.P., 1995, 753 wat betreft sociaalrechtelijke misdrijven). De verjaring dient dus ook beoordeeld te worden conform artikel 26 van de Voorbereidende Titel van het Wetboek van Strafvordering.
  14. Verwerende partij stelt echter dat de vordering van het FAO geen herstelvordering is uit hoofde van het misdrijf. Samengevat : het FAO lijdt geen schade door het feit dat personeel niet verzekerd was en is dus geen benadeelde in strafrechtelijke zin. Deze theorie kan echter door de Rechtbank niet worden bijgetreden. Het FAO lijdt wel degelijk effectieve schade. Artikel 59, 1° en 2° van de Arbeidsongevallenwet voorziet immers in een bijdrage ten laste van de werkgever voor de werknemers en op de premies. Die bijdrage is het FAO misgelopen door het verzuim van verwerende partij. Anderzijds is er ook mogelijke schade uit hoofde van artikel 58 § 1, 3° van de Arbeidsongevallenwet. Indien aan een personeelslid van verwerende partij in de niet-verzekerde periode een arbeidsongeval zou zijn overkomen, dan dient het FAO de schadeloosstelling hiervan op zich te nemen. Zowel fout als schade overtreffen dus het louter contractuele aspect dat van toepassing is op een normale verzekering inzake arbeidsongevallen, en dit uit hoofde van de wet. Er is derhalve mogelijkheid tot samenloop van beide vorderingen. M.a.w., het FAO vermag zich te beroepen op de Arbeidsongevallenwet én vermag zich te beroepen op de strafwet.
  15. Samen met het FAO dient vastgesteld te worden dat verwerende partij zich niet enkel heeft schuldig gemaakt aan een misdrijf, maar dat het tevens een voortdurend misdrijf betreft. De eenheid van opzet volgt uit de aanhoudende nalatigheid om een arbeidsongevallenverzekering af te sluiten voor het personeel. Verwerende partij toont niet aan dat er een periode is geweest waarin er in 't geheel geen personeel meer werd tewerkgesteld, terwijl er alsdan een hernieuwde aanvraag tot verzekering zou zijn gedaan. Slechts een combinatie van deze twee elementen zou een onderbreking in het opzet kunnen rechtvaardigen. Arbeidsongevallenverzekeringen worden immers niet afgesloten intuitu personae wat de identiteit betreft van de personeelsleden. Premies worden berekend in functie van de jaarlijkse loonmassa. De wijziging in het personeelsbestand is derhalve op zich onvoldoende om de eenheid van het opzet teniet te doen. Derhalve is de 5-jarige verjaringstermijn wel van toepassing, maar dient enkel het laatste feit in aanmerking te worden genomen, met name op 01.04.
  16. Er is geen discussie dat er op die datum nog geen verjaring was ingetreden. Er is dus geen verjaring voor de gehele periode die omspannen wordt door de eenheid van opzet van het voortgezet misdrijf.
  17. Verwerende partij beroept zich tenslotte op de wijziging van artikel 65 van het Strafwetboek. De Rechtbank meent te kunnen volstaan met volgend citaat : "Overwegende dat artikel 45 van de wet van 11 juli 1994 de regel dat in het geval van eenheid van misdadig opzet, de verjaring van de strafvordering een aanvang neemt vanaf het laatste feit dat met hetzelfde opzet is gepleegd, niet heeft gewijzigd." (Cass. 2 februari 2004, http://www.cass.be). De Rechtbank sluit zich aan bij de stellingname van het Hof van Cassatie. Het is uiteraard mogelijk dat sommige rechtsleer er anders over denkt (zoals geciteerd door verwerende partij : CKLESSE J., La préscription de l'action civile en droit du travail, J.T.T. 1998, 52). De Rechtspraak van het Hof van Cassatie gaat hier evenwel tegenin.
  18. Alle ingeroepen argumenten door verwerende partij terzake falen : er is geen verjaring van welk danig onderdeel van de hoofdvordering, zodat deze integraal ontvankelijk is. De tegenvordering werd gesteld bij op tegenspraak genomen conclusies, welke regelmatig zijn naar de vorm en de termijn. De tegenvordering is derhalve eveneens ontvankelijk, hetgeen ten andere niet betwist wordt door het FAO. Beoordeling ten gronde
  19. De berekening van de verschuldigde bijdrage voor ambtshalve aansluiting volgt uit stuk 6 van het FAO. Het blijkt inderdaad juist te zijn dat bepaalde werknemers slechts voor één dag in dienst waren. Verwerende partij vraagt de herberekening pro rata temporis. Dit laatste is echter in strijd met artikel 59 van het K.B. van 21 december 1971 houdende de uitvoering van sommige bepalingen van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 : "De werkgever die verzuimt een verzekeringscontract af te sluiten bij een gemachtigde verzekeringsonderneming, is aan het Fonds een bijdrage voor ambthalve aansluiting verschuldigd voor iedere werknemer die in de loop van een kalendermaand in dienst is of was. De jaarlijkse bijdrage is gelijk aan 2,5 % van het bedrag vastgesteld in artikel 39, eerste lid, van de wet, en aangepast overeenkomstig het derde lid van dit artikel. Zij wordt berekend per twaalfden." De berekening door het FAO gebeurde derhalve in overeenstemming met de wet en het K.B. Ook voor de maand april is er derhalve een bijdrage voor ambtshalve aansluiting verschuldigd, nu de polis van AG 1824 slechts ingaat op de tweede april en er de eerste april personeel in dienst was.
  20. De opslag op de bijdrage van 10 % wordt niet betwist en volgt uit artikel 9 van het K.B. van 30 december
  21. Uit voorgaande overwegingen volgt dat de gehele hoofdvordering in hoofdsom als gegrond dient te worden weerhouden. Hieruit volgt de ongegrondheid van de tegenvordering. Evenwel kan verwerende partij gevolgd worden in het argument dat het FAO nagelaten heeft op diligente wijze de gerechtelijke procedure te benaarstigen. De rechtsvordering werd ingeleid ter zitting van 13.11.2000 en ter zitting van 14.12.2004 ambtshalve weggelaten van de rol. Na de conclusie van verwerende partij, neergelegd op 15.06.2001, ondernam het FAO pas iets in februari
  22. De herinschrijving op de rol werd gevraagd met verzoekschrift ontvangen ter griffie op 09.02.
  23. Samen met verwerende partij meent de Rechtbank dat dit een onzorgvuldige wijze van procederen is van het FAO. Verwerende partij kan niets verweten worden : zij heeft steeds tijdig standpunt ingenomen en niets ondernomen om de procedure te saboteren of tegen te werken. Het is dus louter en alleen het FAO als meest gerede partij die in gebreke is gebleven en daarbij de indruk heeft gewekt niet meer geïnteresseerd te zijn in huidige procedure. Het komt de Rechtbank dan ook passend en billijk voor dat verwerende partij enkel veroordeeld zou worden tot de gerechtelijke intresten vanaf het verzoek tot herinschrijving, met name vanaf 09.02.
  24. Verwerende partij vraagt de toekenning van het voordeel van artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek, dat gematigd uitstel kan verleend worden voor de betaling aan het FAO, echter "daarbij rekening houdende met de termijnen die de schuldenaar reeds heeft genoten". Afkortingen worden niet meer toegestaan buiten het bestek van één jaar na de oorspronkelijke inleidende zitting, in casu 13.11.2000, zodat de maximale termijn voor afkortingen verliep in december
  25. Meer uitstel wordt enkel verleend in uitzonderlijke omstandigheden, die in casu niet worden aangetoond. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK Rechtdoende op tegenspraak, Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andere en strijdige conclusies verwerpend, Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en deels gegrond. Verklaart de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt de verwerende partij om aan eisende partij te betalen de som van DRIEENVEERTIGDUIZEND ZESHONDERD TACHTIG EURO TWEEENZESTIG CENT + VIERDUIZEND DRIEHONDERD ACHTENZESTIG EURO ZES CENT, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 09.02.2005 tot op de dag der algehele betaling. Veroordeelt de verwerende partij tot de kosten van het geding, op heden begroot aan de zijde van eisende partij op EUR 119,63 dagvaardingskosten en EUR 214,18 rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van verwerende partij op EUR 214,18 rechtsplegingsvergoeding. De Griffier, De Voorzitter, B. NAULAERS C. DE CLERCK De Rechters in Sociale Zaken, W. BUYS R. MATTHYSEN PDF document ECLI:BE:ARANT:2006:JUG.20060502.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.