id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 04 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2006:JUG.20060904.5 Rolnummer: 383.143 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-09-25 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-01 04:43 Fiches 1 - 2 Een vast benoemd ambtenaar die ontslagen wordt, moet zich binnen de dertig dagen na het ontslag bij de VDAB inschrijven. Hierbij telt niet de datum van beslissing door de overheid die ontslaat (in casu het OCMW), maar wel de datum dat deze beslissing door de toezichthoudende overheid (in casu de Bestendige Deputatie) werd goedgekeurd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toelaatbaarheidsvoorwaarden - Algemeen Vrije woorden: arbeidsvoorziening - werkloosheid - werkloosheidsvergoeding - toelaatbaarheidsvoorwaarden - vast benoemd ambtenaar - ontslag - inschrijving als werkzoekende bij de plaatsingsdienst - termijn - datum van het ontslag - beslissing van de tewerkstellende overheid of van de toezichthoudende overheid Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 30 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Organen en personeel OCMW - Personeel Vrije woorden: sociale voorzorg - openbare centra voor maatschappelijk welzijn - personeel van het OCMW - vast benoemd ambtenaar - ontslag - inschrijving als werkzoekende bij de plaatsingsdienst - termijn - datum van het ontslag - beslissing van de tewerkstellende overheid of van de toezichthoudende overheid Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 53 § 1 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: V AN - X E Gerangschikt onder V AN - artikel 30 en onder X E - artikel 53 §
- Annotaties Publicaties: SRK - + noot - 2009, nr. 3, blz. 172-175 Tekst van de beslissing VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op maandag VIER SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In openbare terechtzitting van de ZEVENDE KAMER van de Arbeidsrechtbank van het Gerechtelijk Arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden: N.MAURISSENS Rechter in de Arbeidsrechtbank, Voorzitter van de kamer P.DE CROM ter vervanging van W.WUYTS Rechters in Sociale Zaken, werkgever E.SMETS ter vervanging van W.PIHAY, Rechter in Sociale Zaken, werknemer- Rechter in Sociale Zaken, werknemer- Bij beschikking van mevr. de voorzitter dd.4.09.2006 in toepassing van art.779 Ger.W. G. VAN LAER Griffier INZAKE : A.R.nr. 383.143 P.E. wonende te, - eisende partij - ter zitting verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr. B. Van Reempts, advocaat, kantoorhoudende te 2000 Antwerpen, Vrijheidstraat 30-32/bus 14, TEGEN : de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, - verwerende partij - ter zitting vertegenwoordigd door Mr.F.Impens, advocaat, kantoorhoudend te 2000 Antwerpen, Amerikalei 25-27/ bus 16, VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS : Gelet op de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging en vermeld op de inventaris ervan. Gelet op de wet van 15.6.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de wet van 10.10.1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek en zoals gewijzigd bij de wet van 23.9.1985 met ingang van 1.9.
- Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter openbare zitting van 22 mei
- Gelet op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, ter griffie ontvangen op 12 juni
- Gelet op de replieknota van eisende partij, ter griffie ontvangen op 22 juni
- Gelet op het proces-verbaal van de terechtzitting. Rechtsprekende op de stukken die zich in het dossier bevinden.
- Ontvankelijkheid van de vordering Met een inleidend verzoekschrift, ter griffie van de Arbeidsrechtbank ontvangen op 18 oktober 2005, tekent P.E. (hierna eisende partij genoemd) beroep aan tegen de administratieve beslissing van 31 augustus 2005 van de directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau te van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna verwerende partij genoemd). Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingediend binnen de beroepstermijn zoals voorzien in artikel 23 lid 1 van de Wet dd.11.04.1995 tot invoering van het 'handvest' van de sociaal verzekerde. De vordering van eisende partij is derhalve ontvankelijk.
- Voorwerp van de vordering De vordering strekt ertoe vernietiging te bekomen van voormelde beslissing waarbij - bij toepassing van de artikelen 30, 32, 37, 38, 142, 144, 146 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, de artikelen 7 t/m 17 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering - eisende partij vanaf de datum van aanvraag, 13 juni 2005 niet toegelaten wordt tot het recht op werkloosheidsuitkeringen.
- Feiten. Eiser was sedert 1 mei 1975 werkzaam bij het O.C.M.W. Antwerpen. Vanaf 1 januari 1995 werkte hij er als ontvanger in statutair verband. Op 22 maart 2005 nam de raad voor maatschappelijk welzijn van het O.C.M.W. Antwerpen, hierna "OCMW-raad" genoemd, de beslissing om eiser van ambtswege te ontslaan. De beslissing tot ontslag van ambtswege meldde in artikel 3 (stuk A6 EP): "Deze beslissing wordt overeenkomstig artikel 53 § 1 OCMW-wet tegelijkertijd met de kennisgeving aan de heer E. P. voorgelegd ter advies van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen en ter goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen." Overeenkomstig artikel 4 van voormelde beslissing heeft het ontslag uitwerking bij voorraad vanaf die kennisgeving, onder voorbehoud van voormelde goedkeuring. Eiser liet zich dan met ingang van 1 april 2005 als werkzoekende inschrijven bij de VDAB (stuk B.14 EP). Hij vroeg werkloosheidsuitkeringen aan via zijn uitbetalingsinstelling vanaf 24 maart
- De beslissing van 22 maart 2005 van de OCMW-raad werd op 28 april 2005 door de bestendige deputatie van de provincieraad Antwerpen niet goedgekeurd waardoor eiser met terugwerkende kracht werd bezoldigd vanaf 22 maart 2005 (stuk A8 EP). De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening besliste dan ook op 18 mei 2005 om eiser niet toe te laten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen op de datum van aanvraag, zijnde 24 maart
- Eiser werd door VDAB uitgeschreven als werkzoekende op 24 mei 2005 (stuk B14). De OCMW-raad besliste de tuchtprocedure te hervatten, hetgeen op 10 juni 2005 resulteerde in een nieuwe beslissing tot "ontslag van ambtswege" van eiser (stuk A11 EP). Ook deze beslissing vermeldde onder artikel 3: "Deze beslissing wordt overeenkomstig artikel 53 § 1 OCMW-wet tegelijkertijd met de kennisgeving aan de heer E. P. voorgelegd ter advies van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen en ter goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen. Overeenkomstig artikel 4 van voormelde beslissing heeft het ontslag uitwerking bij voorraad vanaf de kennisgeving, onder voorbehoud van voormelde goedkeuring. Op 7 juli 2005 werd de beslissing van de OCMW-raad tot "ontslag van ambtswege" door de bestendige deputatie goedgekeurd (stuk A13 EP). Tegen deze beslissing van 7 juli 2005 van de bestendige deputatie werd door eiser bij verzoekschriften van 29 juli 2005, 2 augustus 2005 en 4 augustus 2005 "beroep aangetekend bij de Koning" d.w.z. bij de Vlaamse regering, de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering (stuk A14 EP). Middels indiening op 14 juli 2005 van een formulier C4 verzocht eiser om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 13 juni 2005 (stuk AUD 5). Tegelijkertijd verzocht hij middels indiening van een formulier C54 om een vrijstelling van inschrijving als werkzoekende voor de periode van 13 juni 2005 tot en met 14 juli 2005 om reden dat hij pas op 11 juli 2004 het formulier C4 mocht ontvangen (stuk AUD 6). Alsdan kreeg hij kennis van het feit dat hij niet meer als werkzoekende was ingeschreven bij de VDAB en vanaf 15 juli 2005 liet hij zich opnieuw inschrijven. De directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau te Antwerpen besliste op 31 augustus 2005 dat de vrijstelling niet kon worden toegestaan en dit op basis van artikel 9 van de wet van 20.07.1991 (niet inschrijving bij VDAB als werkzoekende binnen 30 dagen na ontslag) Bij beslissing van eveneens 31 augustus 2005 stelde de directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau te Antwerpen dat eiser niet kon worden toegelaten tot het recht op uitkeringen vanaf 13 juni 2005 (stuk B1 EP). De beslissing vermeldde: "(...) De prestaties die u verrichtte als statutair ambtenaar van 01.05.1975 tot 12.06.2005 kunnen slechts in aanmerking worden genomen indien u binnen de 30 dagen na ontslag bent ingeschreven bij de VDAB (art. 7 tot 13 wet van 20.07.1991 houdende sociale en diverse bepalingen)." Bij verzoekschrift dd. 18 oktober 2005 tekende eiser beroep aan tegen voormelde beslissing. Op 2 februari 2006 besliste de minister om het beroep ingesteld door eiser tegen de beslissing van de bestendige deputatie van 7 juli 2005 niet in te willigen (stuk A17 EP). Vervolgens werd door eiser een procedure bij de Raad van State ingeleid, die nog niet finaal beslist werd (stukken A18 en A19 EP).
- Ten gronde. De OCMW-raad besliste op 10 juni 2005 tot het "ontslag van ambtswege" van eiser. Op 12 juni 2005 nam hij kennis van deze beslissing. Deze beslissing werd goedgekeurd door de Bestendige Deputatie op 7 juli
- Hij diende op 14 juli 2005 door middel van een C4 formulier bij zijn uitbetalingsinstelling een uitkeringsaanvraag in. Eiser verzocht om toegelaten te worden tot het recht op uitkeringen vanaf 13 juni 2005 (stuk 4 AUD). Overeenkomstig artikel 30, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, dient de werknemer die 50 jaar of ouder is, 624 arbeidsdagen te bewijzen in de loop van de 36 maanden vóór zijn uitkeringsaanvraag om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen. De referteperiode strekt zich in casu dan ook uit van 13 juni 2002 tot en met de dag voor 13 juni
- Aangezien eiser bij het O.C.M.W Antwerpen evenwel in dienst was als statutair ambtenaar, dient er voldaan te zijn aan de bepalingen van de Wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen. De verzekering tegen werkloosheid is overeenkomstig artikel 7 § 1 van voormelde wet immers ook van toepassing op elke persoon: * wiens arbeidsverhouding in een overheidsdienst of in elke andere publiekrechtelijke instelling een einde neemt omdat zij eenzijdig door de overheid wordt beëindigd of omdat de akte van benoeming wordt vernietigd, ingetrokken, opgeheven of niet hernieuwd * en die op grond van die arbeidsverhouding niet onder de toepassing valt van de bepalingen van de R.S.Z.-wet die betrekking hebben op de werkloosheidsverzekering. Overeenkomstig artikel 9 van voormelde wet wordt het recht op werkloosheidsuitkeringen aan de bij artikel 7 bedoelde personen verleend indien zij binnen de dertig dagen na het einde van hun arbeidsverhouding de hoedanigheid hebben gekregen van werknemer onderworpen aan de socialezekerheidsregeling of bij de subregionale tewerkstellingsdienst als werkzoekende ingeschreven zijn. 4.
- Herneming tuchtprocedure Eiser houdt voor dat hij naar aanleiding van de eerste beslissing van de OCMW-raad dd. 22 maart 2005 zich inschreef als werkzoekende op 1 april
- Volgens hem werd de tuchtprocedure, nadat de bestendige deputatie voormelde beslissing niet had goedgekeurd, door het OCMW hernomen. Dit betekent volgens eiser dat er geen nieuwe procedure werd gestart en dat zijn aanvankelijke inschrijving als werkzoekende op 1 april 2005 bij de VDAB nog steeds van toepassing was op het ogenblik dat de OCMW-raad een nieuwe beslissing nam op 10 juni
- Eiser schreef zich inderdaad een eerste maal op 1 april 2005 bij de VDAB in als werkzoekende (stuk B14 EP). Het ontslag dd. 22 maart 2005 werd evenwel op 28 april 2005 niet goedgekeurd door de bestendige deputatie van de provincieraad Antwerpen, waardoor eiser met terugwerkende kracht werd bezoldigd vanaf zijn ontslag op 22 maart
- Nu eiser na de beslissing van 28 april 2005 opnieuw bij het OCMW tewerkgesteld werd en retroactief bezoldigd werd, is het evident dat hij als werkzoekende werd uitgeschreven. Deze uitschrijving geschiedde op 24 mei 2005 (stuk B14 EP). De stempelkaart vermeldt uitdrukkelijk dat een nieuwe inschrijving vereist is, na een onderbreking van het volgen van de stempelcontrole gedurende 28 dagen. Aldus dient eiser, die de stempelcontrole niet meer volgde, doch opnieuw werkzaam was voor het O.C.M.W., geacht te worden van zijn uitschrijving op de hoogte te zijn. Of het nu ging om eenzelfde tuchtprocedure of een nieuwe heeft in casu geen belang vermits eiser als werkzoekende op 24 mei 2005 werd geschrapt door de VDAB conform de van toepassing zijnde reglementering, daar hij gedurende 28 dagen de stempelcontrole niet meer had gevolgd. In de huidige stand van zaken kan eiser zich aldus niet meer beroepen op zijn inschrijving als werkzoekende bij de VDAB op 1 april 2005 om te voldoen aan de voorwaarde van artikel 9 van de Wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen voor zijn uitkeringsaanvraag vanaf 13 juni
- 4.
- Einde arbeidsverhouding Zoals hoger gesteld, diende eiser op 14 juli 2005 bij zijn uitbetalingsinstelling een uitkeringsaanvraag in. Hij werd vanaf 15 juli 2005 ingeschreven als werkzoekende (stuk B14 EP). Aangezien artikel 9 voorziet dat men binnen de dertig dagen na het beëindigen van de arbeidsverhouding bij de subregionale tewerkstellingsdienst als werkzoekende ingeschreven dient te zijn, is in casu determinerend de datum dat de arbeidsverhouding tussen eiser en het O.C.M.W. Antwerpen beëindigd werd. De O.C.M.W.- raad voor maatschappelijk welzijn van het O.C.M.W. Antwerpen besliste op 10 juni 2005 tot het "ontslag van ambtswege" van eiser. (stuk A11 EP). Deze beslissing vermeldt onder artikel 3: "Deze beslissing wordt overeenkomstig artikel 53 § 1 OCMW-wet tegelijkertijd met de kennisgeving aan de heer E. P. voorgelegd ter advies van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen en ter goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen." Overeenkomstig artikel 4 van voormelde beslissing heeft het ontslag uitwerking bij voorraad vanaf die kennisgeving, onder voorbehoud van voormelde goedkeuring. Aldus heeft in casu het ontslag van eiser uitwerking vanaf de kennisgeving van de beslissing tot ambtshalve ontslag aan zijn persoon, zijnde 12 juni 2005 Inderdaad voorziet artikel 53 § 1 OCMW-wet : "De beslissingen waarbij, bij wijze van tuchtmaatregel, een schorsing voor drie maanden, een terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege of de afzetting worden uitgesproken, worden onderworpen aan het advies van het college van burgemeester en schepenen alsmede aan de goedkeuring van de bestendige deputatie. Zij worden bij voorraad tenuitvoergelegd, tenzij de raad anders beslist." De rechtbank meent, zoals door eisende wordt verdedigd, dat er een fundamenteel onderscheid bestaat tussen een beslissing door de OCMW-raad genomen met toepassing van artikel 53 § 1 van de OCMW-wet met "uitwerking bij voorraad" en "onderworpen aan de goedkeuring van de bestendige deputatie" en een "definitieve beëindiging van de arbeidsverhouding" in de zin van artikel 7 van de wet van 20 juli
- De Bestendige Deputatie is immers geen soort administratieve beroepsinstantie maar een overheid die ten opzichte van de OCMW- raad goedkeuringstoezicht heeft. Het goedkeuringstoezicht van de Bestendige Deputatie houdt een substantiële vormvereiste voor de beslissing van de OCMW-raad in, zoals blijkt uit het arrest van de Raad van State van 5 november 2003 met nr. 125.101 inzake A.143.158/IX-3968 (R./OCMW St. Truiden): "...uit het feit dat de wetgever een goedkeuringstoezicht (bestendige deputatie) met hoger beroep (de Koning) heeft ingesteld, volgt dat het besluit waarbij de raad voor maatschappelijk welzijn een tuchtstraf uitspreekt niet uitvoerbaar is zolang de goedkeuring, eventueel na beroep, niet verworven is; dat de omstandigheid dat volgens voormeld artikel 53 § 1 de uitgesproken tuchtstraffen bij voorraad ten uitvoer gelegd worden tenzij de raad anders beslist, daaraan geen afbreuk doet; dat immers, die voorlopige uitvoerbaarheid het juridische karakter van het nog goed te keuren besluit, te weten een besluit dat onvolkomen is totdat de toezichthoudende overheid er met de goedkeuring definitief uitvoerbare kracht heeft aan verleend, niet wijzigt." Tevens is het annulatieberoep bij de Raad van State tegen een nog niet door de Bestendige Deputatie goedgekeurde beslissing van de OCMW-raad, onontvankelijk, rechtssituatie waaruit blijkt dat een beslissing van de OCMW-raad in recht onbestaand is, zelfs als beslissing met "uitwerking bij voorraad" tot aan de goedkeuring ervan door de bestendige deputatie. In artikel 7 van de wet van 20 juli 1991 is duidelijk sprake van een "arbeidsverhouding die een einde neemt omdat zij eenzijdig wordt verbroken door de overheid". Slechts op 7 juli 2005 werd de beslissing tot ambtshalve ontslag van de OCMW-raad door de bestendige deputatie goedgekeurd (stuk A13 EP). De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsverhouding tussen eiser en het OCMW van Antwerpen slechts op die datum in rechte een einde neemt. Anders redeneren impliceert dat er meer rechtsgevolgen aan de voorlopige beslissing van de OCMW-raad van 10 juni 2005 zouden worden verleend dan uit het voorwaardelijk karakter van deze beslissing zelf blijkt, hetgeen strijdig is met artikel 53 van de OCMW-wet en dus met de inhoud en de geest van artikel 7 van de wet van 20 juli
- Dit betekent dat de inschrijving van eiser als werkzoekende bij de VDAB op 15 juli 2005 gebeurde binnen de 30 dagen na het beëindigen van de arbeidsverhouding conform artikel 9 van de wet van 20 juli
- Deze stelling wordt bevestigd door de feiten nl. dat het OCMW van Antwerpen slechts op 8 juli 2005, dit is na de goedkeuring door de Bestendige Deputatie van de beslissing van de OCMW-raad, het formulier C4 opstelde en aan eiser liet geworden. De sociale bijdragen voor eiser werden slecht op 16 augustus 2005 door het OCMW aan de RSZ gestort. De bestreden beslissing dient dan ook te worden vernietigd. 4.
- Beginselen van behoorlijk bestuur en overmacht Verder beroept eiser zich op het niet naleven van de beginselen van behoorlijk bestuur door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en overmacht wat de niet naleving van de termijn van 30 dagen betreft na de beslissing van de OCMW-raad, binnen welke zij zich bij de subregionale tewerkstellingsdienst als werkzoekende moest laten inschrijven. Gelet echter op hetgeen voorafgaat, meent de rechtbank op deze argumenten niet dieper meer te moeten ingaan daar zij van oordeel is dat eiser wel degelijk tijdig een inschrijving als werkzoekende bij de VDAB heeft gevraagd. 4.
- Rechtsplegingsvergoeding Eiser begroot zijn procedurekosten op een bedrag van 214,18 EUR rechtsplegingsvergoeding. Vermits de vordering van eiser er enkel toe strekt te worden 'toegelaten' tot het recht op werkloosheidsuitkeringen en derhalve geen eis is tot betaling van een bepaalde geldsom, kan slechts de enkelvoudige rechtsplegingsvergoeding worden toegekend (K.B. dd.30.11.1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten). OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Gelet op het schriftelijk advies van mevrouw I.CAMERLYNCK, substituut-arbeidsauditeur neergelegd in de Nederlandse taal ter griffie op datum van 12 juni 2006 in toepassing van artikel 767 Ger.W. Rechtsprekende , Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andersluidende conclusies verwerpende, Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk de administratieve beslissing dd. 31 augustus 2005 van de directeur van het gewestelijke werkloosheidsbureau te ; Zegt voor recht dat eiser vanaf 13 juni 2005 dient toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen conform de artikelen 7 tot 13 van de wet van 20.07.1991; Veroordeelt dienvolgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de uit de van deze administratieve beslissing voortspruitende achterstallige werkloosheidsuitkeringen te betalen in zoverre eisende partij voldoet aan alle andere toelaatbaarheids-en vergoedbaarheidsvoorwaarden. Legt de kosten van het geding, in toepassing van artikel 1017,2( van het Ger.W., ten laste van verwerende partij; de kosten aan de zijde van eisende partij begroot op 214,10 EUR rechtsplegingsvergoeding doch door de rechtbank beperkt tot 109,32 EUR; en aan de zijde van verwerende partij niet begroot en derhalve niet vereffend. De Griffier, De Rechters in Sociale Zaken, De Voorzitter, G. VAN LAER P.DE CROM E.SMETS N.MAURISSENS PDF document ECLI:BE:ARANT:2006:JUG.20060904.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div