← België

ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070117.28

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 17 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070117.28 Rolnummer: 378.498 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Unierecht Invoerdatum: 2008-01-30 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 15:11 Fiches 1 - 2 De werkgeversvergoeding in het kader van een brugpensioenregeling moet voor werknemers woonachtig in het buitenland (in casu een grensarbeider woonachtig in Nederland) berekend worden uitgaande van het bedrag van de werkloosheidsuitkering die de werknemer in België zou krijgen, zelfs wanneer de werkloosheidsuitkering in het woonland hoger is dan de Belgische uitkering, of zelfs hoger dan de in de brugpensioenregeling bepaalde loongrens. Het kan wel bepaald worden dat de werkgeversvergoeding enkel toegekend wordt wanneer de werknemer werkloosheidsuitkering ontvangt. Indien krachtens de buitenlandse wetgeving werkloosheidsuitkeringen geweigerd worden, b.v. omdat het recht op uitkeringen beperkt wordt in de tijd, of afhankelijk blijft van voorwaarden inzake beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, heeft de werknemer geen aanspraak op de werkgeversvergoeding. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsraad - Nationale arbeidsraad - W. 29 mei 1952 - Algemeen Vrije woorden: collectieve arbeidsverhoudingen - nationale arbeidsraad - conventioneel brugpensioen - werkgeversvergoeding - werknemer woonachtig in buitenland (Nederland). Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 17 - 19-12-1974 - 5 - C1 Link Justel databank 19741219-C1 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT - Verordening EG nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 - Vrij verkeer van werknemers Vrije woorden: internationale verdragen en verordeningen - europese economische gemeenschap - verordening 1612/68 - conventioneel brugpensioen - werkgeversvergoeding - werknemer woonachtig in buitenland (Nederland). Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 1612/68 - 15-10-1968 - 7 - 01 Link Justel databank 19681015-01 Nota: IV D - IX D 1bis Gerangschikt onder IV D - art. 5 en onder IX D 1bis - art. 7. Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 7, blz. 435-438 Tekst van de beslissing VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op woensdag ZEVENTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In openbare terechtzitting van de DERDE KAMER van de Arbeidsrechtbank van het Gerechtelijk Arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden: Rechter in de Arbeidsrechtbank, Voorzitter van de kamer Rechter in Sociale Zaken, werkgever Rechter in Sociale Zaken, werknemer-bediende Bij beschikking van mevr.de voorzitter Dd. 17.01.207in toepassing van artikel 779 Ger.W. Griffier INZAKE : A.R.nr. 378.498 AVD, wonende te - eisende partij - ter zitting vertegenwoordigd door Mr.L.Lenaerts, advocaat, kantoorhoudende te 2060 Antwerpen, Nachtegaalstraat 47, TEGEN : de NV.D, met maatschappelijke zetel gevestigd te - verwerende partij - ter zitting vertegenwoordigd door Mr. K.Wille, advocaat, kantoorhoudende te 2930 Brasschaat, Bredabaan 63, VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS : Gelet op de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging en vermeld op de inventaris ervan, o.m. : * de originele inleidende dagvaarding van het ambt van gerechtsdeurwaarder H.Jespers met standplaats te Antwerpen, dd. 25.04.2005, * de conclusie van partij, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op datum van 20.09.2005, * de conclusie van partij, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op datum van 2.12.2005, - het advies van het openbaar ministerie neergelegd ter griffie op 20 november 2006; - repliek op het advies van het openbaar ministerie van eisende partij, ter griffie ontvangen op 19.12.2006, * het proces-verbaal van de terechtzitting. Gelet op de wet van 15.6.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de wet van 10.10.1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek en zoals gewijzigd bij de wet van 23.9.1985 met ingang van 1.9.1988. Overwegende dat het debat werd voorafgegaan door een poging tot minnelijke schikking overeenkomstig artikel 734 Ger.W., doch dat partijen niet tot verzoening zijn gekomen. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter openbare zitting van 27 september en 25 oktober 2006. Rechtsprekende op de stukken die zich in het dossier bevinden. 1. VOORWERP VAN DE VORDERING : Bij inleidende dagvaarding vordert eiser te zeggen voor recht dat hij met ingang van de maand november 2004 recht heeft op de aanvullende werkgeversvergoeding brugpensioen op dezelfde wijze als de bruggepensioneerden woonachtig in België. Derhalve verweerster te veroordelen tot betaling van de vervallen achterstallen, thans ten provisionele titel begroot op 1,00 euro, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf de datum van eisbaarheid, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding. Tevens verweerster te veroordelen tot afgifte van de sociale bescheiden in verband met bovenvermelde achterstallen zoals loonfiche en individuele rekening. Het tussen te komen vonnis bij voorraad uitvoerbaar te horen verklaren, spijts welk rechtsmiddel ook, met uitsluiting van het vermogen tot kanonnement en/ of borgstelling. 2. DE FEITEN : Bij brief van 27 juni 2002 verzocht eiser dat hij per 1 december 2002 wenste opgezegd te worden met een opzegtermijn van 21 maanden om op brugpensioen te kunnen gaan (stuk 4 eiser). Bij aangetekend schrijven van 17 november 2002 werd eiser door verweerster opgezegd. Dit schrijven luidde als volgt (stuk 1 eiser): "Hierbij delen wij U onze beslissing mee om Uw arbeidsovereenkomst op te zeggen. De wettelijke opzegtermijn bedraagt 21 maanden en begint op 1 december 2002. De opzegtermijn wordt geschorst wegens vakantie, ziekte, arbeidsongeval, e.d. Na de periode van schorsing en de wettelijke opzegtermijn valt U in principe onder het stelsel van de Nederlandse werkloosheid. Op basis van de regeling overeenkomstig CAO 17 zal U vervangen worden door een jongere werknemer." Er werd een addendum bij deze brief gevoegd (stuk 2 eiser). Dit addendum vermeldde hetgeen volgt : "Hierbij bevestigen wij de volgende voorwaarden die in het kader van Uw ontslag van toepassing zijn. Uit het oogpunt van interne rechtmatigheid zullen wij, indien het bruto-bedrag van de Nederlandse werkloosheidsuitkeringen onder dat van het Belgische bruto-brugpensioen zou liggen, het verschil bijpassen tot het niveau van het Belgische brugpensioen. Of U al dan niet recht heeft op een aanvullende vergoeding, zal bepaald worden op het ogenblik dat Uw tewerkstelling eindigt. U dient er wel rekening mee te houden dat de eventuele betaling van deze aanvullende vergoeding slechts zal plaats vinden voor zover U werkloosheidsvergoedingen ontvangt. Volgens onze berekening zou U op datum van 1 september 2002 als Belgisch brugpensioen een bedrag van 1.749,40 EUR ontvangen. Op basis van de Nederlandse werkloosheidswetgeving zou U, volgens onze gegevens, recht hebben op de maximum vergoeding die overeenstemt met 2.255,41 EUR (bruto-maandbedrag loongerelateerde uitkering). Op grond van deze gegevens zal U dus geen aanvullende vergoeding ontvangen. Een berekening op basis van Uw salaris van de maand voor de datum ingang uitdiensttreding, zal U te gepasten tijde schriftelijk meegedeeld worden. Volgens onze interne regelingen komt U in aanmerking voor een afscheidslunch. Gelieve ons te laten weten of U aan de lunch wenst deel te nemen. In bevestigend geval ontvangt U later een uitnodiging per brief. Wij danken U voor de toewijding in de afgelopen jaren en wensen U tenslotte verder nog het allerbeste voor de toekomst. Opgemaakt te Antwerpen op 21 november 2002, in twee exemplaren, waarvan elke partij verklaart één exemplaar te hebben ontvangen." Bij brief van 25 mei 2004 verzocht eiser verweerster haar standpunt vervat in het addendum bij haar brief van 17 november 2002 te herzien en hem een aangepaste berekening op te maken en toe te zenden (stuk 7 eiser). Hij stelde dat de aanvullende vergoeding diende berekend te worden alsof de grensarbeiders werkloosheidsvergoedingen genoten op basis van de Belgische wetgeving. Er volgde nog briefwisseling tussen partijen maar aangezien er geen minnelijke regeling mogelijk was ging eiser over tot dagvaarding van verweerster op 25 april 2005. 3. IN RECHTE : Eiser is van oordeel dat doordat verweerster haar de aanvullende brugpensioenvergoeding niet uitbetaalt zij een Belgische grensarbeider, woonachtig in Nederland, discrimineert op basis van de woonplaats en deze discriminatie het vrij verkeer van werknemers hindert binnen de gemeenschap. Eiser is van oordeel dat in casu het arrest van 24 september 1998 van het Hof van Justitie (C-35/97 in zake Commissie / Franse Republiek ) moet toegepast worden wat zou impliceren dat men rekening moet houden met de EG-Verordening nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen de gemeenschap zodat de discriminatie toegepast door verweerster niet kan gehandhaafd blijven. Verweerster is van mening dat op eiser als volledig werkloze grensarbeider artikel 71, lid 1,

  1. a)
  2. ii)van Verordening 1408/71 van toepassing is zodat hij recht heeft volgens de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont (Nederland) alsof die wettelijke regeling tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op hem van toepassing was geweest. Nu op eiser krachtens de Verordening 1408/71 de Nederlandse wettelijke regeling van toepassing is, heeft hij geen recht op de Belgische aanvullende werkgeversvergoedingen brugpensioen. De rechtbank stelt vast dat er tussen partijen geen betwisting bestaat over het feit dat de CAO nr.17 visies sexies van 7 oktober 2003 gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot wijziging van de CAO nr. 17 (B.S. 20 januari 2004) dat het recht op aanvullende vergoeding voor grensarbeiders instelt maar van toepassing is geworden op ontslagen betekend vanaf 1 december 2003. Partijen betwisten evenmin dat de aanbeveling van de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad van 3 maart 1987 om de aanvullende vergoeding aan grensarbeiders reeds toe te kennen in het kader van de C.A.O. nr. 17 geenszins afdwingbaar is. Op het ogenblik van het ontslag van eiser was de CAO nr.17 van 19 december 1974 van toepassing die echter niet gold voor grensarbeiders (CAO nr.17 van 19 december 1974 gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen , B.S. 31 januari 1975 (verder CAO nr. 17). Er bestaat echter wel betwisting tussen partijen over het feit of het recht op aanvullende vergoeding onder toepassing valt van de EG Verordening nr. 1408/71 of 1612/68 en / of met andere woorden deze aanvullende vergoeding een socialezekerheidsprestatie of een sociaal voordeel is. De Verordening nr. 1408/71 en haar toepassingsgebied de Verordening nr. 574/72, samen gecodificeerd in de Verordening nr.118/97 (PB.L. 28, 30 januari 1997)coördineren de nationale socialezekerheidsregelingen van de lidstaten, zonder ze echter te harmoniseren (W. VAN EECKHOUTTE, Sociaal Compendium Sociale Zekerheidsrecht met fiscale notities 2006-2007, band 1, 2006 Mechelen, Kluwer, 31). De Verordeningen inzake sociale zekerheid van migrerende werknemers en zelfstandigen beogen enkel de voor het vrij verkeer van personen hinderlijke aspecten van de nationale wetgeving ongedaan te maken en meer bepaald op het vlak van wetconflicten, de ongelijke behandeling op grond van de nationaliteit of de woonplaats (het gelijkheidsbeginsel), negatieve gevolgen op het ontstaan of behoud van socialezekerheidsuitkeringen veroorzaakt door onderbrekingen in de verzekeringstijdvakken. De Verordening nr. 1612/68 (PB.L.19 oktober 1968) schaft elke discriminatie af op grond van nationaliteit mbt de werkgelegenheid. Ingevolge artikel 7 van deze Verordening mag de werknemer die onderdaan is van de lidstaat op het grondgebied van andere lidstaten op grond van nationaliteit niet anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling. Overeenkomstig artikel 5 van de bovenvermelde CAO nr. 17 is het bedrag van de aanvullende werkgeversvergoeding brugpensioen gelijk aan de helft van het verschil tussen het nettoreferteloon en de werkloosheidsuitkering. In een arrest van 24 september 1998 van het Hof van Justitie in de zaak C-35/97 Commissie van de Europese Gemeenschappen / Franse Republiek stelt het Hof dat "de aanvullende pensioenstelsels die bij door de bevoegde ondernemingen gesloten overeenkomsten dan wel bij door de sociale partners ondertekende collectieve overeenkomsten zijn vastgesteld en bij artikel L 731-5 van de Code de la sécurité sociale algemeen verbindend zijn verklaard, geen wettelijke regelingen in de zin van artikel 1, sub j eerste alinea van de verordening nr. 1408/71 zijn" (stuk 24 eiser). Bijgevolg is het Hof van oordeel dat deze stelsels alsmede het stelsel van validering van de gratis punten, dat daar een onderdeel van is, niet binnen de materiële werkingssfeer van de verordening nr.1408/71 vallen zodat zij niet aan de bepalingen van deze verordening kunnen worden getoetst. Dit stelsel van validering dat een integrerend onderdeel is van de voordelen die aan de vervroegd op pensioen gestelde werknemers van de betrokken sector wordt toegekend, gaat het Hof verder, behoort evenwel tot de in artikel 7, lid 1 van de verordening nr. 1612/68 bedoelde voorwaarde voor het ontslag van die werknemers. Dienaangaande wordt in lid 4 van dat artikel bepaald, dat bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten inzake voorwaarden voor ontslag nietig zijn wanneer zij discriminerende voorwaarden bevatten voor werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten. In een arrest van 27 november 1997 van het Hof van Justitie in zaak C-57/96 Meints / Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wordt eraan herinnerd wat onder sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van de verordening nr.1612/68 moet worden verstaan (stuk 23 eiser). Het Hof stelt dat de verwijzing naar de "sociale voordelen" in de zin van artikel 7, lid 2 van genoemde verordening niet limitatief mag worden uitgelegd. Volgens vaste rechtspraak zijn immers onder "sociale voordelen" te verstaan alle voordelen die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn en waarvan de uitbreiding tot werknemers-onderdanen van andere lidstaten geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de gemeenschap te vergemakkelijken. Bepaalde met de hoedanigheid van werknemer samenhangende rechten aan migrerende werknemers worden ook gewaarborgd indien zij geen arbeidsverhouding meer hebben. Een uitkering die kan worden toegekend indien de rechtsverhouding voorheen bestond en die recentelijk is geëindigd, voldoet aan deze voorwaarde. Het recht op uitkeringen is onlosmakelijk verbonden met de objectieve hoedanigheid van de werknemer van de uitkeringsgerechtigden. De rechtbank is van oordeel dat in casu de aanvullende werkgeversvergoeding brugpensioen welke toegekend wordt op grond van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst een sociaal voordeel is in de zin van artikel 7 lid 2 van de verordening nr. 1612/68 zodat zij aan de bepalingen van deze verordening kan worden getoetst. In de eerste overweging van de considerans van verordening nr.1612/68 wordt uiteengezet, dat "het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap uiterlijk op het einde van de overgangsperiode tot stand moet worden gebracht; dat de verwekelijking van dit doel de afschaffing inhoudt van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen werknemers der Lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden, alsook het recht voor deze werknemers, om zich vrij binnen de Gemeenschap te verplaatsen om er arbeid in loondienst te verrichten, behoudens uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen." In de derde en vierde overweging van de considerans van deze verordening wordt in de eerste plaats verklaard dat "het recht van alle werknemers van de Lidstaten om de arbeid van hun keuze binnen de Gemeenschap te verrichten moet worden bevestigd" en in de tweede plaats dat "dit recht zonder onderscheid moet worden toegekend aan 'permanente' werknemers, seizoenarbeiders, grensarbeiders of werknemers die arbeid in dienstverlening verrichten". Artikel 7 van de verordening nr.1612/68 bepaalt vervolgens: "Een werknemer die onderdaan is van een Lidstaat mag op het grondgebied van andere Lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en indien werkloos is geworden, wederinschakeling in beroep of wedertewerkstelling. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers." Volgens vaste rechtspraak van het Hof verbiedt zowel het artikel 48 EG-Verdrag als artikel 7 van de verordening nr. 16121/68 het beginsel van gelijke behandeling niet alleen openlijke discriminatie, op grond van nationaliteit, maar ook verkapte vormen van discriminatie, die door toepassing van andere onderscheidingcriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden (zie o.m. het arrest van 23 mei 1996, zaak C-237/94, O' Flynn, Jurispr. 1996, blz. i-2617,r.o.17). Tenzij zij objectief gerechtvaardigd is en evenredig aan het nagestreefde doel, moet een bepaling van nationaal recht als indirect discriminerend worden beschouwd wanneer zij naar haar aard migrerende werknemers eerder kan treffen dan nationale werknemers en derhalve meer in het bijzonder migrerende werknemers driegt te benadelen (arrest O''lynn, reeds aangehaald, r.o.20). Aangezien zoals hoger uiteengezet de aanvullende werkgeversvergoeding brugpensioen, toegekend op grond van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst , een sociaal voordeel is in de zin van de verordening nr.1612/68 en het discriminatieverbod neergelegd in de verordening nr. 1612/68 van toepassing is vanaf zijn inwerkingtreding moet de CAO nr. 17 van de Nationale Arbeidsraad van 19 december 1974 in die zin worden toegepast. Een verordening heeft immers een algemene strekking, is verbindend in al haar onderdelen en is rechtsreeks toepasselijk in elke lidstaat (artikel 249, tweede lid EU-Verdrag). De verordening is daarenboven onmiddellijk en rechtsreeks bindend zonder dat er daartoe een tussenkomst van de nationale overheid nodig is W. VAN EECKHOUTTE, o.c., 31 ). De aanvullende werkgeversvergoeding brugpensioen toegekend op grond van de CAO nr.17 van de Nationale Arbeidsraad van 19 december 1974 is in die zin discriminerend dat de in België wonende bruggepensioneerden aanspraak kunnen maken op een aanvullende vergoeding doch de in Nederland wonende bruggepensioneerden van dit voordeel verstoken blijven. Deze ongelijkheid is in strijd met artikel 7, lid 1 van de Verordening 1612/68. Overeenkomstig artikel 7, lid 4 van deze Verordening zijn bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten inzake voorwaarden voor ontslag nietig wanneer zij discriminerende voorwaarden bevatten voor de werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten. In dezelfde zin werd geoordeeld door de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad op 3 maart 1987 (stuk 22 eiser). In zijn vergadering van 3 maart 1987 heeft de Nationale arbeidsraad de knoop willen doorhakken in verband met de controversiële toepassing van cao nr.17 van 19 december 1974 op de grensarbeiders. De Raad kwam tot de volgende aanbeveling: " De in de Nationale arbeidsraad vertegenwoordigde interprofessionele organisaties van werkgevers en van werknemers herinneren eraan dat krachtens de door hen gesloten collectieve arbeidsovereenkomst nr.17 van 19 december 1974 aan sommige ontslagen bejaarde werknemers een aanvullende vergoeding wordt toegekend, voor zover zij werkloosheidsuitkeringen ontvangen. Die organisaties hebben geconstateerd dat het recht op die aanvullende vergoeding soms in vraag wordt gesteld wanneer het gaat om gewezen grensarbeiders, die in België waren tewerkgesteld maar werkloosheidsuitkeringen genieten op grond van een vreemde wetgeving. Ten einde in de toekomst moeilijkheden daaromtrent te voorkomen, bevelen genoemde organisaties aan om aan die werknemers de aanvullende vergoeding toe te kennen, indien zij voldoen aan de bij de collectieve arbeidsovereenkomsten nr.17 gestelde vereisten alsook aan de bijzondere voorwaarden inzake leeftijd en anciënniteit, die door de Belgische reglementering betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen worden opgelegd. Die aanvullende vergoeding zou berekend moeten worden alsof die werknemers op grond van de Belgische wetgeving werkloosheidsuitkeringen zouden genieten." Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat het hierbij niet terzake dienend is dat er grote verschillen zijn tussen de hoe grootheid van de Belgische en Nederlandse werkloosheidsuitkeringen gezien er naast het verschil in omvang er eveneens een reële kans bestaat dat de Nederlandse werkloosheidsverzekering haar tussenkomst gaat beperken of niet zal accepteren dat de werkloosheidsgerechtigde grensarbeider, zoals zijn Belgische collega bruggepensioneerde, niet meer beschikbaar is voor de arbeidsmarkt (stuk 21 eiser)( Konsultatiebureau Claeys en Vanrobays, Conventioneel brugpensioen 2001, Diegem, Ced. Samson, 2001, 163). Tevens zou verweerster zich op deze wijze op grond van de woonplaats van de werknemer een besparing kunnen toeëigenen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat eiser aanspraak kan maken op een aanvullende werkgeversvergoeding brugpensioen op een zelfde wijze als een bruggepensioneerden woonachtig in België met ingang van de maand november 2004 en is de vordering tot betaling van de vervallen achterstallen provisioneel begroot op 1,00 euro gegrond. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Gelet op het schriftelijk advies van mevrouw substituut-arbeidsauditeur neergelegd in de Nederlandse taal ter griffie op datum van 20 november 2006 in toepassing van artikel 767 Ger.W. Rechtsprekende op tegenspraak, Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andersluidende conclusies verwerpende, Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond zoals hierna bepaald : Zegt voor recht dat eisende partij met ingang van de maand november 2004 aanspraak maakt op een aanvullende werkgeversvergoeding brugpensioen op een zelfde wijze als een bruggepensioneerden woonachtig in België. Veroordeelt verwerende partij tot betaling van de vervallen achterstallen, provisioneel begroot op EEN EURO (1,00 EUR) . Zegt dat er geen reden is om het vonnis uitvoerbaar te verklaren. Veroordeelt verwerende partij tot betaling van de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van eisende partij bepaald op euro 74,82 dagvaardingskosten en euro 107,09 rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van verwerende partij op euro 107,09 rechtsplegingsvergoeding. De Griffier, De Voorzitter, De Rechters in Sociale Zaken, PDF document ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070117.28 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.