← België

ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070122.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 22 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070122.16 Rolnummer: KG 1255 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-01-15 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 15:12 Fiche Een OCMW-ontvanger wordt tuchtrechtelijk ontslagen en zijn verzoek tot schorsing hiervan wordt door de Raad van State verworpen. De voorzitter van de arbeidsrechtbank, rechtsprekend in kort geding, is alsdan bevoegd om de sanctiebeslissing van de RVA bij wijze van voorlopige maatregel te schorsen en hem toe te laten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen totdat de arbeidsrechtbank een beslissing ten gronde neemt over dit recht, omdat de Raad van State in het administratief kort geding geen beslissing ten gronde neemt aangaande de middelen, maar enkel een eerste toetsing ervan doet ten opzichte van de dringende noodzakelijkheid. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Voorzitter rechtbank - Kort geding (bevoegdheid voorzitter) Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - kort geding - bevoegdheid - ambtenaar - tuchtrechtelijk ontslag - verzoek tot schorsing bij Raad van State - verwerping - werkloosheidsuitkering - beslissing van RVA tot uitsluiting van recht op werkloosheidsuitkering - schorsing van tenuitvoerlegging tot behandeling ten gronde. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 584 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Annotaties Publicaties: RW 2008-09, nr. 7, blz. 292-294 - - Tekst van de beslissing Inzake KG 1255 De Heer P. EISENDE PARTIJ, ter zitting verschijnend IN PERSOON bijgestaan door Meester B. VAN REEMPTS, advocaat, kantoorhoudende te 2000 ANTWERPEN, Vrijheidstraat 30-34 bus 14, (ref. : 12073/BVR/BVR). Tegen : DE RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling opgericht bij besluitwet van 28 december 1944, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 7-

  1. VERWERENDE PARTIJ, ter zitting vertegenwoordigd door Meester F. IMPENS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 25-27 bus
  2. Mevrouw de Voorzitter verleent volgend bevelschrift : Gezien de stukken van het geding, gevoegd bij het rechtsplegingsdossier, en nader omschreven op de inventaris, o.m.: - de inleidende dagvaarding dd. 04 december 2006 van het ambt van gerechtsdeurwaarder M. EMMERECHTS, met standplaats te BRUSSEL, Emile Delvastraat 148, - de conclusies van verwerende partij neergelegd ter zitting van 02 januari 2007, - het proces-verbaal van de terechtzittingen. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd door de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet van 23 september 1985, met ingang van 1 september
  3. Gehoord partijen ter openbare terechtzitting van 02 januari
  4. *** I. VORDERING De door de heer P. op 4 december 2006 uitgebrachte dagvaarding in kort geding strekt ertoe : - te zeggen voor recht dat de bestreden beslissing (met kenmerk " C 29/71122/51D/SG ") van de RVA, meer bepaald vanwege diens adjunct-directeur R. POLFLIET van het werkloosheidsbureau Antwerpen, zoals bij brief van 29 november 2006 aan de heer P. ter kennis gebracht, waarbij werd besloten om hem "uit te sluiten van het genot van uitkeringen vanaf 04.12.2006 gedurende een periode van 9 weken omdat u ontslagen bent als redelijk gevolg van uw foutieve houding (artikelen 51 en 52 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende werkloosheidsreglementering)", vernietigd wordt, minstens dat de uitvoering van deze beslissing dient te worden geschorst tot aan de beslissing dienaangaande van de rechter ten gronde, de Arbeidsrechtbank van Antwerpen; - dienvolgens, te zeggen voor recht dat de RVA de heer P. verder dient toe te laten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen tot aan de definitieve uitspraak ten gronde van de Raad van State, minstens tot aan de beslissing ten gronde van de Arbeidsrechtbank van Antwerpen; - de RVA te veroordelen tot betaling aan de heer P. van een dwangsom van euro 500,00 per dag vertraging in de uitvoering van de tussen te komen beschikking, te rekenen van de dag van de betekening per gerechtsdeurwaarderexploot van de beschikking; - de RVA te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingvergoeding, en de beschikking uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, spijts welk rechtsmiddel ook, zonder zekerheidstelling en met uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement. II. FEITEN De heer P. was sinds 1 mei 1975 tewerkgesteld bij het OCMW van Antwerpen, aanvankelijk als opsteller en sedert 1 november 1991 als adjunct-directeur. Vanaf 1 januari 1995 vervulde hij de functie van ontvanger van het OCMW van Antwerpen. Na een lange hernomen tuchtprocedure nam de Raad van het OCMW van Antwerpen op 10 juni 2005 de beslissing om de heer P. van ambtswege als ontvanger te ontslaan. Deze beslissing werd overeenkomstig artikel 53 § 1 van de OCMW - wet voor advies voorgelegd aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen en ter goedkeuring aan de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen. Op 7 juli 2005 werd de beslissing van de Raad van het OCMW tot ontslag van ambtswege door de bestendige deputatie goedgekeurd. Tegen deze beslissing van 7 juli 2005 van de bestendige deputatie werd door de heer P. bij verzoekschriften van 29 juli 2005, 2 augustus 2005 en 4 augustus 2005 beroep aangetekend bij de koning, d.w.z. bij de Vlaamse regering, de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering. Ingevolge Ministerieel Besluit van 2 februari 2006 besliste de minister om dit beroep niet in te willigen. Op 24 februari 2006 diende de heer P. een verzoekschrift in bij de Raad van State teneinde de schorsing te bekomen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Raad van het OCMW van Antwerpen van 10 juni 2005, houdende het opleggen van de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege, en van het Ministerieel Besluit van 2 februari 2006, houdende de niet-inwilliging van het door hem ingestelde beroep tegen de beslissing van 7 juli
  5. Op 23 maart 2006 diende hij een verzoekschrift in bij de Raad van State, waarbij hij de nietigverklaring vordert van beide beslissingen. Inmiddels werd door de heer P. bij de VDAB op 14 juli 2005 door middel van een formulier C4 een aanvraag ingediend om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 13 juni
  6. Tegelijkertijd verzocht hij door indiening van een formulier C54 om een vrijstelling van inschrijving als werkzoekende voor de periode van 13 juni 2005 tot en met 14 juli 2005 om reden dat hij pas op 11 juli 2005 het formulier C4 mocht ontvangen. De directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau te Antwerpen besliste op 31 augustus 2005 dat de vrijstelling niet kon worden toegestaan en dit op basis van artikel 9 van de wet van 20 juli 1991 (niet inschrijving bij de VDAB als werkzoekende binnen 30 dagen na ontslag). Bij beslissing van diezelfde datum stelde de directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau te Antwerpen dat de heer P. niet kon worden toegelaten tot het recht op uitkeringen vanaf 13 juni 2005 op grond van volgende motivering : "(...)De prestaties die u verrichtte als statutair ambtenaar van 01.05.1975 tot 12.06.2005 kunnen slechts in aanmerking worden genomen indien u binnen de 30 dagen na ontslag bent ingeschreven bij de VDAB. (Art.7 tot 13 wet van 20.07.1991 houdende sociale en diverse bepalingen)." Tegen voormelde beslissing werd door de heer P. beroep aangetekend bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 18 oktober
  7. Bij vonnis van 4 september 2006 werd de administratieve beslissing van 31 augustus 2005 vernietigd en werd voor recht gezegd "dat eiser vanaf 13 juni 2005 dient toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen conform de artikelen 7 tot 13 van de wet van 20.07.1991." Tevens werd de RVA bij voormeld vonnis veroordeeld om "de uit de vernietiging van deze administratieve beslissing voortspruitende achterstallige werkloosheidsuitkeringen te betalen in zoverre eisende partij voldoet aan alle andere toelaatbaarheids - en vergoedbaarheidsvoorwaarden." Dit vonnis, dat bij gerechtsbrief van 5 september 2006 ter kennis werd gebracht aan partijen en waartegen geen hoger beroep werd aangetekend, is op 6 oktober 2006 in kracht van gewijsde getreden. Na voorafgaand verhoor van de heer P. dat plaatsvond op 30 oktober 2006, bracht de adjunct-directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen per brief van 7 november 2006 volgende beslissing ter kennis : "Na onderzoek van uw dossier kan ik u meedelen dat uw dossier voorlopig zonder gevolg wordt geklasseerd in afwachting van de uitspraak van de Raad van State. U kan voorlopig toegelaten worden tot het recht op uitkeringen." De raadsman van de heer P. verzocht per brief van 9 november 2006 om volgende verduidelijking van de genomen beslissing : "Ondertussen kreeg ik kennis van uw zending van 7 november 2006 aan mijn cliënt, de heer P.. Voor de goede orde en teneinde misverstanden te vermijden, meld ik u ervan uit te gaan dat, als u gewag maakt van "de uitspraak van de Raad van State", hiermee bedoeld is, de definitieve uitspraak ten gronde vanwege de Raad van State en iets anders zou bezwaarlijk ernstig mogelijk zijn".... Hierop volgde geen reactie van het werkloosheidsbureau Antwerpen. Wel ontving de heer P. in uitvoering van het vonnis van 4 september 2006 en de beslissing van 7 november 2006 van de RVA betaling van achterstallige werkloosheidsuitkeringen voor de periode juni 2005 tot en met oktober
  8. Op 30 oktober 2006 werd door de Raad van State, afdeling administratie, een arrest geveld, waarbij de vordering van de heer P. tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 10 juni 2005, houdende het opleggen van de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege, en van het Ministerieel Besluit van 2 februari 2006, houdende de niet-inwilliging van het door hem ingestelde beroep tegen de beslissing van 7 juli 2005, werd verworpen. Met een brief van 29 november 2006 werd door de adjunct-directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen aan de heer P. de beslissing meegedeeld dat hij werd uitgesloten van het genot van uitkeringen vanaf 4 december 2006 gedurende een periode van 9 weken "omdat u ontslagen bent als redelijk gevolg van uw foutieve houding (artikel 51 en 52 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering." Als motivering voor deze beslissing wordt onder meer het volgende aangehaald : "... Uit de gegevens in ons bezit blijkt dat dit ontslag plaatsvond als redelijk gevolg van uw foutieve houding. Inderdaad, U werd ontslagen op 10.06.2005 bij OCMW Antwerpen. Naar aanleiding van het arrest van de Raad van State blijkt dat alle door U naar voorgebrachte argumenten, die ook bij vorige verhoren werden ingeroepen, werden verworpen. U bent bijgevolg werkloos geworden wegens omstandigheden afhankelijk van uw wil. Het aantal weken uitsluiting werd bepaald op 9 weken, gelet op het feit dat U door uw houding schuld hebt aan uw werkloosheid. Enerzijds gaat het om verzwarende omstandigheden nl. over geldsommen van een zeer grote omvang. Anderzijds is er een verzachtende omstandigheid nl. het feit dat het eerder gaat om nalatigheden in de vervulling van uw taak dan wel om doelgericht handelen. Om dezelfde reden(en) beperk ik mij niet tot het geven van een verwittiging (art. 53 bis, § 1, lid 1) en laat ik de uitsluitingsbeslissing niet gepaard gaan met een geheel of gedeeltelijk uitstel (art. 53 bis, § 2, lid 1). In uw geval gaat de uitsluiting pas in vanaf 04.12.2006, dit is de maandag die volgt op de afgifte ter post van deze beslissing. ..." Op 4 december 2006 ging de heer P. over tot dagvaarding in kort geding in onderhavig dossier teneinde de vernietiging van voormelde beslissing te horen uitspreken, minstens de schorsing van de uitvoering van deze beslissing tot aan de beslissing dienaangaande van de rechter ten gronde. De procedure ten gronde werd door de heer P. ingeleid met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank alhier op 11 december 2006, gekend onder A.R. 394.
  9. III. BEOORDELING Overeenkomstig artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek doet de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank bij voorraad uitspraak in de gevallen die hij spoedeisend acht, in aangelegenheden die behoren tot zijn bevoegdheid. Dat de vordering van de heer P., die strekt tot de vernietiging van voormelde beslissing van de RVA, minstens tot de schorsing van de uitvoering van deze beslissing, behoort tot de materiële bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank staat buiten betwisting. Evenmin bestaat er discussie omtrent de hoogdringendheid of het spoedeisend karakter van deze vordering. In de zin van artikel 584 voormeld vertoont een vordering een spoedeisend karakter wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang of ernstige ongemakken te voorkomen en wanneer met de gewone rechtspleging het geschil niet tijdig zal op te lossen zijn. (Zie Cassatie, 21 mei 1987, Arr. Cass., 1986-1987, 1287) In casu volgt de hoogdringendheid uit de aard van de vordering zelf. Het zijn immers de werkloosheidsuitkeringen waarop de heer P. gerechtigd is op basis van het vonnis van de Arbeidsrechtbank van 4 september 2006, en waarvan hij ingevolge de beslissing van de RVA van 29 november 2006 werd uitgesloten voor een periode van 9 weken, die hem in staat moeten stellen in zijn levensonderhoud te voorzien. De procedure ten gronde, die werd ingeleid met verzoekschrift van 11 december 2006, werd tot op heden nog niet voor behandeling vastgesteld voor de rechter ten gronde en laat bijgevolg niet toe het geschil tussen partijen op korte termijn te beslechten. Rest derhalve de vraag of in casu door de rechter in kort geding een uitspraak bij voorraad kan worden gedaan. Overeenkomstig artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek mag de rechter in kort geding slechts bij voorraad uitspraak doen, zonder nadeel toe te brengen aan de zaak zelf. Deze bepaling impliceert : -dat de rechter in kort geding er zich moet toe beperken de ogenschijnlijke rechten van de partijen te onderzoeken en na te gaan of er een schijn van recht is die het nemen van de gevraagde voorlopige maatregel verantwoordt : hij gaat m.a.w. na of het bestaan van een recht voldoende waarschijnlijk is om de gevraagde maatregel tot bewaring van het recht te bevelen. (Zie Cass. 31 januari 1997, R.W. 1997-1998, 605) -dat de rechter in kort geding geen maatregelen mag bevelen waardoor de rechten van partijen definitief en onherroepelijk worden aangetast en hij geen rechtsverklarende uitspraak mag doen. (Zie Cass. 31 januari 1997, o.c. en Cass. 25 november 1996, R.W. 1997-1998, 14) -dat de rechter ten gronde in geen enkel opzicht gebonden is door de voorlopige, prima facie beoordeling van de rechten van partijen door de rechter in kort geding en door de door hem bevolen maatregelen : de beslissing van de rechter in kort geding heeft geen enkel gezag van gewijsde ten aanzien van de rechter ten gronde, die volkomen vrij blijft de rechten van partijen anders te beoordelen dan de rechter in kort geding. In casu moet worden nagegaan of de beslissing van de RVA van 27 november 2006, houdende de uitsluiting van het genot van werkloosheidsuitkeringen gedurende een periode van 9 weken, prima face een wettig karakter vertoont en zo niet, dient bij wijze van voorlopige maatregel de schorsing van de uitvoering van deze beslissing te worden uitgesproken in afwachting van de behandeling van de procedure ten gronde. Bij het nemen van voormelde beslissing heeft de adjunct-directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen zich gesteund op de bepalingen van de artikelen 51 en 52 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Deze bepalingen voorzien dat de werknemer die ontslagen wordt als redelijk gevolg van zijn foutieve houding, beschouwd wordt als iemand die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil, en dat deze kan worden uitgesloten van het genot van uitkeringen gedurende ten minste 4 tot en met ten hoogste 26 weken. Dat de RVA het klaarblijkelijk als vaststaand beschouwt dat het ontslag van de heer P. het gevolg is van zijn eigen foutieve houding kan onbetwistbaar worden afgeleid uit de motivering van de beslissing van 27 november 2006, waarin de adjunct-directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen uitdrukkelijk stelt dat "naar aanleiding van het arrest van de Raad van State blijkt dat alle door U naar de voorgebrachte argumenten, die ook bij vorige verhoren werden ingeroepen, werden verworpen" en hij verder een afweging doet van enerzijds "verzwarende" en anderzijds "verzachtende "omstandigheden ter rechtvaardiging van zijn beslissing tot oplegging van een uitsluiting van 9 weken. Ogenschijnlijk is de RVA er bij het nemen van deze beslissing aldus verkeerdelijk van uitgegaan dat door de Raad van State een beslissing ten gronde werd genomen waarbij de door de heer P. aangevoerde middelen ter verantwoording van de vernietiging van de beslissing houdende zijn ontslag van ambtswege werden verworpen. Niets is echter minder waar. Het arrest van de Raad van State van 30 oktober 2006, waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing houdende het ontslag van ambtswege, wordt verworpen, houdt immers geen beslissing ten gronde in aangaande de middelen, die in het kader van de vordering tot nietigverklaring worden ingeroepen. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden administratieve beslissing worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Zoals door de heer P. terecht wordt opgemerkt in de dagvaarding in kort geding werd door de Raad van State bij de behandeling van het verzoek tot dringende schorsing van de genomen tuchtrechtelijke beslissing een eerste toetsing van de aangevoerde middelen uitgevoerd, waarbij de ernst van deze middelen wordt onderzocht ten opzichte van de dringende noodzakelijkheid, terwijl bij de behandeling van de procedure ten gronde, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beslissing de middelen zelf in extenso worden onderzocht. Ingevolge het arrest van 30 oktober 2006 werd de vordering tot schorsing, - ook wel "administratief kort geding" genoemd - , door de Raad van State verworpen op grond van de uiteindelijke overweging "dat niet voldaan is aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17,§ 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van state die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen." Of aan de heer P. een fout kan worden verweten die geleid heeft tot zijn ontslag als ontvanger bij het OCW van Antwerpen en hij derhalve ontslagen werd als "redelijk gevolg van zijn foutieve houding" kan pas worden uitgemaakt na afhandeling van de procedure ten gronde door de Raad van State. Overigens valt de beslissing van 29 november 2006 moeilijk te rijmen met de eerder genomen beslissing van de RVA van 7 november 2006, waarbij de heer P. in uitvoering van het vonnis van de Arbeidsrechtbank van 4 september 2006 voorlopig werd toegelaten tot het recht op uitkeringen en de RVA uitdrukkelijk zelf stelde het dossier voorlopig zonder gevolg te klasseren "in afwachting van de uitspraak van de Raad van State"... Door in de beslissing van 29 november 2006 het als een vaststaand feit te beschouwen dat de heer P. door het OCMW werd ontslagen als redelijk gevolg van zijn foutieve houding loopt de RVA naar ons oordeel duidelijk vooruit op de beslissing ten gronde van de Raad van State. Prima facie bestaat er dan ook geen wettelijke grondslag ter staving van de beslissing van de RVA van 29 november 2006 waarbij de heer P. werd uitgesloten van het genot van werkloosheidsuitkeringen vanaf 4 december 2006 gedurende een periode van 9 weken. Op basis van voorgaande overwegingen zijn wij van oordeel dat bij wijze van voorlopige maatregel en in afwachting van de behandeling van de procedure ten gronde de uitvoering van de beslissing van de RVA van 27 november 2006 dient te worden geschorst en de RVA de heer P. verder dient toe te laten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen minstens tot aan de beslissing ten gronde van de Arbeidsrechtbank. Er bestaat evenwel geen reden om de RVA te veroordelen tot betaling van een dwangsom van euro 500,00 per dag vertraging in de uitvoering van huidige beschikking, zoals door de heer P. wordt gevorderd. Er zijn immers geen redenen om aan te nemen dat de RVA deze beschikking naast zich neer zou leggen en/of zich aan de haar hierbij opgelegde verplichtingen zou onttrekken. Voor zover als nodig kan nog worden opgemerkt dat de huidige beschikking in kort geding uitvoerbaar is bij voorraad, ingevolge de uitdrukkelijke bepalingen van de artikelen 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek. OM DEZE REDENEN Wij, mevrouw H. VELLEMAN, Ondervoorzitter in de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, zetelend in Kort Geding, Bolivarplaats 20/5 te 2000 Antwerpen, lokaal B005, bijgestaan door M.R. VAN REETH, griffier, Recht doende op tegenspraak, Alle andersluidende conclusies verwerpende, Verklaart de vordering van de heer P. ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond : - Zegt voor recht dat bij wijze van voorlopige maatregel de uitvoering van de beslissing van de adjunct-directeur van het werkloosheidsbureau van de RVA te Antwerpen, ter kennis gebracht aan de heer P. op 29 november 2006, waarbij laatstgenoemde wordt uitgesloten van het genot van werkloosheidsuitkeringen vanaf 4 december 2006 gedurende een periode van 9 weken, dient te worden geschorst in afwachting van de behandeling van de zaak door de rechter ten gronde, - Zegt voor recht dat de RVA de heer P. vanaf 4 december 2006 verder dient toe te laten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen minstens tot aan de beslissing ten gronde van de Arbeidsrechtbank. - Veroordeelt de RVA tot de kosten van het geding, deze alleen aan de zijde van de heer P. begroot op 132,98 EUR dagvaardingskosten. Aldus gewezen te Antwerpen, in openbare terechtzitting van maandag tweeëntwintig januari tweeduizend en zeven. PDF document ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070122.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.