← België

ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070129.18

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070129.18 Rolnummer: 2060917 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-04-06 Raadplegingen: 215 - laatst gezien 2026-07-02 15:14 Fiche De bemiddeling door tussenkomst van de vertrouwenspersoon vereist wel het akkoord van beide partijen maar niet noodzakelijk een ontmoeting tussen hen. Het is de bedoeling de problemen te bespreken, te luisteren, met respect voor elkaars rechten, plichten en belangen, te streven naar een oplossing teneinde de relatie te verbeteren en een conflictsituatie te vermijden of er een einde aan te stellen. In deze fase mag in beginsel niet gerapporteerd worden aan de werkgever en mogen in beginsel geen getuigen gehoord worden die deel uitmaken van de dienst van het slachtoffer. Wanneer het verslag van de preventieadviseur niet van een grondig onderzoek getuigt maar eerder een weerslag is van de percepties en de interpretaties van de door de conflictsituatie betrokken personen, kan de rechtbank hier geen rekening mee houden. Het getuigenverhoor kan niet toegelaten worden wanneer het ertoe strekt 'te bewijzen dat de aangevoerde feiten geweld en pesterijen op het werk inhouden' omdat het dan een appreciatie vergt voor de getuigen. Niet een getuige maar wel de rechtbank moet oordelen of bepaalde concreet vastgestelde feiten, handelingen of bewoordingen pestgedrag uitmaken. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Vrije woorden: Arbeidsreglementering - welzijn op het werk - pesterijen op het werk - optreden van de vertrouwenspersoon - bemiddeling - inhoud- verslag van de preventieadviseur - geen grondig onderzoek - gerechtelijk recht - getuigenbewijs - beoordeling over de feiten - niet toegelaten - III AB Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32nonies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Annotaties Publicaties: SRK 2008 - - 741-742 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT. Eerste kamer. Rep.nr. VONNIS van 29 januari

  1. F.H., geboren te H., onderwijzeres, wonende te M, eisende partij, in persoon aanwezig ter zitting en vertegenwoordigd door Mr. S.CAUWENBERGHS loco Mrs. DEVOS & VAN DEN EYNDE, advocaten te 2440 GEEL, Diestseweg 155; tegen: SCHOLENGROEP X., behorende tot het Gemeenschapsonderwijs, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, zoals opgericht door het Bijzonder Decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998, eerste verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. M.STOMMELS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Americalei 220 bus 14; en M.C., geboren te O., directrice van het M., wonende te L., tweede verwerende partij, in persoon aanwezig ter zitting en vertegenwoordigd door Mr. V.SCHEYS, advocaat in het advocatenkantoor NULENS & VENNOTEN te 3500 HASSELT, Kolonel Dusartplein 34/
  2. 1 Procedure De rechtbank heeft de volgende documenten ingezien: - de inleidende dagvaarding van 2 maart 2006 van gerechtsdeurwaarder B. VERMEULEN loco gerechtsdeurwaarder K.SMEETS te Neerpelt; - de besluiten voor eisende partij neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 3 april 2006; - het proces-verbaal van de inleidingszitting van 3 april 2006 waarbij de conclusietermijnen en zittingsdatum werden vastgesteld met het akkoord van de partijen; - de besluiten voor eerste verwerende partij neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 8 mei 2006; - de besluiten voor tweede verwerende partij neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 22 mei 2006; - de antwoordbesluiten voor eiserende partij neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 6 juni 2006; - het tussenvonnis van deze rechtbank van 16 augustus 2006; - de besluiten na heropening debatten voor eiseres neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 28 september 2006; - de besluiten na heropening der debatten voor tweede verweerster neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 26 oktober 2006; - de besluiten na heropening der debatten voor eerste verweerster neergelegd ter zitting van 6 november 2006; - de overtuigingsstukken door partijen neergelegd. De rechtbank heeft de partijen in hun argumenten en besluiten gehoord ter zitting van 6 november 2006 nadat bleek dat geen verzoening kon worden bereikt. Het advies van het Openbaar Ministerie werd neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 21 november 2006 en de repliek op het advies van het Auditoraat voor eiseres op 18 december
  3. 2 Feiten en voorgaanden De rechtbank herinnert eraan dat eiseres werkzaam is als onderwijzeres aan het M.P.I.G.O. Z.te L. Zij was afwezig ingevolge arbeidsongeschiktheid van 1 september 2003 tot 30 juni
  4. Mevrouw C., tweede verweerster, was ten tijde van de aangevoerde feiten directeur van die school. Voormelde school behoort tot Scholengroep X, zijnde eerste verweerster en de heer L.R. is er algemeen directeur. Mevrouw H. is nog steeds tewerkgesteld in voormelde school. Eiseres houdt voor het slachtoffer geweest te zijn van geweld en pesterijen op het werk zoals gedefinieerd in artikel 32ter, 1° en 2° van de Wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, door mevrouw M.C. voornoemd en legde hieromtrent een klacht neer. De klacht werd bevestigd door de vertrouwenspersoon op 7 mei 2003 en midden 2005 (twee jaar na de klacht) werd het onderzoek/verslag door de preventieadviseur K.J. afgerond. Ook mevrouw C. houdt voor dat zij "gepest" werd en wel door de algemeen directeur de heer L.R. die haar "rauw lustte". Ook zij legde een klacht neer wegens pesterijen. Deze klacht maakt niet het voorwerp van dit geschil uit en over het verloop van deze klacht wordt ons niets medegedeeld. Mevrouw C. werd - na een afwezigheid van 28 februari 2005 tot 25 maart 2005 en opnieuw vanaf 18 april 2005- na een inspectie-onderzoek met een beslissing van de Raad van Bestuur van 6 maart 2006 uit het ambt van directeur ontheven en belast met een andere opdracht. Welke opdracht is ons niet bekend. Of zij deze opdracht reeds aanving dan wel nog arbeidsongeschikt is, is ons niet bekend. Volgens mevrouw C. werd dit onderzoek gevoerd (er waren er reeds eerdere geweest maar die werden steeds afgesloten in haar voordeel zonder enige disfunctie aan te tonen) naar disfuncties in de samenwerking van mevrouw C. enerzijds met de Raad van Bestuur en de algemeen directeur anderzijds naar aanleiding van haar klacht wegens pesterijen tegen de algemeen directeur. De door eiseres aangevoerde feiten - en die het voorwerp uitmaken van dit geschil -werden reeds opgenomen in het tussenvonnis en volledigheidshalve hier hernomen: " De dag dat concluante op school was om haar halftime te regelen in januari 2002 zei mevrouw C. haar dat zij geen contact mocht hebben met andere collega's: niet telefoneren, noch bezoeken. In juni 2002 werd concluante tezamen met collega's R. R. en mevrouw R. ontboden op het bureau van mevrouw C. in verband met de klasindeling schooljaar 2002 - 2003, alwaar mevrouw C. haar beslissing meedeelde om de klasindeling voor deze drie personen zonder meer te wijzigen, waardoor deze personen alle drie een volledig nieuw klassenwerkplan dienden te maken. Mevrouw C. verspreidde vervolgens het valse gerucht dat concluante op vrijwillige basis van type 1 - 8 (leerlingen met leerachterstand) naar type 2 (leerlingen met mentale handicap) ging, dit terwijl zij hiertoe gedwongen werd door mevrouw C. na 27 jaar lesgeven in type 1 -
  5. Mevrouw C. beschuldigde op 27 maart 2003 ten onrechte concluante ervan dat zij, samen met mevrouw R., een collega, een zekere R. R. 'over haar toeren gemaakt zou hebben' wat nochtans door die collega later ontkend werd ten aanzien van concluante en mevrouw R. Op 20 mei 2003 om 15.50 uur riep mevrouw C. op agressieve wijze in volle cafetaria dat concluante en mevrouw R. al op post hadden moeten zijn aangezien zogenaamd, quod non, collega's L. W. en A. H. hen stonden op te wachten, terwijl de shift van mevrouw R. slechts om 16.00 uur begon en terwijl concluante geen shift meer diende te doen en terwijl andere collega's ongestoord pas om 16.10 en later aan hun shift van 16.00 uur begonnen. Collega's L. W. en A. H. waren geschokt door het optreden van mevrouw C. De laatste schooldag van juni 2003 verklaarde mevrouw S. L., een nieuwe leerkracht, aan concluante en mevrouw R. dat zij geen werk meer zou krijgen van mevrouw C.. aangezien mevrouw L. was omgegaan met door mevrouw C. als 'verkeerd' aangeduide personen, met name concluante en mevrouw R.. Dit verklaarde zij in aanwezigheid van mevrouw R., mevrouw L. W., mevrouw L. W., mevrouw G. J. Op de personeelsvergadering van 27 augustus 2003 beschuldigde mevrouw C. concluante en 2 andere leerkrachten (mevrouw W. en mevrouw R.) ten onrechte ervan een anonieme brief aan haar verzonden te hebben. Tijdens een afwezigheid van concluante wegens ziekte verzond mevrouw C. eind maart - begin april 2004 een omzendbrief exclusief bevattende een vacature in de Europese School aan concluante, dit terwijl zij nooit eerder een omzendbrief overmaakte. Voor aanvang van het schooljaar 2004 - 2005 diende concluante op verzoek van mevrouw C. op 31 augustus 2004 bij de algemeen directeur te komen, wat zeer ongebruikelijk is. Op 1 september 2004 werd concluante opnieuw gedwongen overgeplaatst van type 2 naar type 1-
  6. In december 2004 beschuldigde mevrouw C. concluante er ten onrechte van dat zij het internaat in diskrediet gebracht zou hebben door het huiswerk van een leerling die op het internaat verbleef te weigeren. De moeder van de betrokken leerling was het met mevrouw H. eens en was het niet eens met het toezicht en de bijstand van de opvoeder in het internaat, doch niettemin kreeg concluante kritiek van mevrouw C.". In het tussenvonnis van 16 augustus 2006 werd aan eerste verweerster opgedragen het verslag van Arista dat door de preventieadviseur K. J. werd opgesteld ingevolge de klacht van mevrouw H. en het individueel klachtendossier mede te delen aan de andere partijen binnen de twee weken na de uitspraak van het vonnis en terzelfdertijd neer te leggen ter griffie van deze rechtbank. Hoewel in de besluiten vóór het tussenvonnis door eiseres vermeld werd dat, in afwachting van de overhandiging van het verslag van de preventieadviseur slechts enkele van de feiten werden weergegeven, worden na het tussenvonnis geen andere feiten toegevoegd. Uit het verslag blijkt dat de preventieadviseur gestart is met het onderzoek op 13 april 2004, dat door de preventieadviseur mevrouw H., 3 getuigen op aanvraag van mevrouw H. meer bepaald mevrouw R., mevrouw S. en mevrouw W. werden verhoord evenals uiteraard mevrouw C. en dan nog getuigen die evenwel anoniem wensten te blijven. De bestemmeling van het verslag was de heer L. R., de algemeen directeur van de Scholengroep, van wie blijkbaar geen verklaring werd afgenomen. Of er in het kader van de interne procedure, tussen het tijdstip van de melding aan de vertrouwenspersoon en de start van het onderzoek door de preventieadviseur, door de vertrouwenspersoon dan wel door de preventieadviseur, bemiddelingspogingen werden ondernomen is ons niet geheel duidelijk. De rechtbank meent uit het verslag te kunnen afleiden dat, eens de klacht bij de vertrouwenspersoon werd neergelegd, eisende partij een afwachtende houding wenste aan te nemen in afwachting van een onderzoek naar het functioneren van mevrouw C... eerder dan in een bemiddelingspoging te stappen. Uit het dossier blijkt ook dat de Medische Inspectie werd ingeschakeld, minstens op de hoogte gesteld maar over het resultaat worden wij niet geïnformeerd. De preventieadviseur schetst in haar verslag het theoretische kader gebaseerd op het diagnostisch model in verband met pesten op het werk van Daniël Faulx, onderzoeker aan de universiteit van Luik, die op zijn beurt verwijst naar de studie van de heer Heinz Leyman en de 5 categoriën waaronder de gedragingen van pesterijen kunnen worden ondergebracht. Per categorie worden de feiten die worden aangevoerd als pesterijen nader besproken aan de hand van de verhoren om uiteindelijk tot het volgend besluit te komen: " Op basis van de reeds besproken elementen menen we dat er sprake is van "lijden gerelateerd aan het werk" voor mevrouw H. De medische attesten wijzen erop dat de lichamelijke en psychische klachten van mevrouw H. voortkomen uit een als uiterst ongunstig ervaren werksituatie. De manier waarop mevrouw C. zich geuit en gedragen heeft tegenover mevrouw H., kan mogelijk bijgedragen hebben tot een voor haar ondraaglijke situatie op school. We menen te mogen zeggen dat we in dit dossier kunnen spreken van geweld op het werk gezien de feiten zich met een zekere frequentie, variëteit en gedurende een tijdspanne van enkele jaren hebben voorgedaan. We denken hierbij onder meer aan het uitschelden, het kwaadspreken en de onzinnige opdrachten. Sommige van de gedragingen die mevr. C. ondernomen heeft vallen perfect binnen haar leidinggevende takenpakket van directrice. Echter, de manier waarop zij in bepaalde gevallen gehandeld heeft, kan niet gerechtvaardigd worden door haar hiërarchische positie. Wel dient opgemerkt te worden dat de beweringen van de verschillende partijen elkaar tegenspreken en dat dit dossier enkel gestoeld is op de informatie die voorhanden was en daarom met de nodige omzichtigheid geinterpreteerd dient te worden. We wensen te besluiten met een diagnose van (verbaal en/of psychisch) geweld op het werk vanwege mevr. C. ten aanzien van mevr. H. Bijgevolg kunnen we niet bevestigen dat er hier sprake was van pesten op het werk." Verder doet de preventieadviseur aanbevelingen zowel op individueel als op groeps -en organisatieniveau. De individuele aanbevelingen komen erop neer de betrokken personen te ondersteunen, begeleiden, bij te sturen en te vormen met de bedoeling hun contact - en communicatievaardigheden en hun functioneren in het algemeen te optimaliseren. De aanbevelingen voor de organisatie komen er in feite op neer het preventiebeleid dat moet gevoerd worden in het kader van de pestwet op te zetten, uit te bouwen en de groep en de individuen te vormen en ermee te leren omgaan. Eiseres vermeldt niets over deze aanbevelingen en de aandacht in voorkomend geval hieraan besteed of het gevolg hieraan in voorkomend geval verleend. Volgens mevrouw C. werd door de Scholengroep op geen enkel moment rekening gehouden met - of uitvoering gegeven aan deze aanbevelingen. De Scholengroep zelf zegt in besluiten als dusdanig niet in de feitelijkheden te zijn betrokken maar wel de nodige maatregelen te hebben genomen om aan alle eventuele feitelijkheden een einde te stellen. Over de aard van de maatregelen die dan wel genomen werden of de wijze waarop uitvoering gegeven werd aan deze aanbevelingen zwijgt de Scholengroep in alle talen. 3 Middelen van de partijen 3.1 Eisende partij besluit als volgt: "
  7. Verslag preventieadviseur In het verslag van de preventieadviseur werd besloten als volgt (eigen accentuering): "Op basis van de reeds besproken elementen menen we dat er sprake is van 'lijden gerelateerd aan het werk' voor mevrouw H. De medische attesten wijzen erop dat de lichamelijke en psychische klachten van mevrouw H. voortkomen uit een als uiterst ongunstig ervaren werksituatie. De manier waarop mevrouw C. zich geuit en gedragen heeft tegenover mevrouw H., kan mogelijk bijgedragen hebben tot een voor haar ondraaglijke situatie op school. We menen te mogen zeggen dat we in dit dossier kunnen spreken van geweld op het werk gezien de feiten zich met een zekere frequentie, variëteit en gedurende een tijdsspanne van elke jaren hebben voorgedaan. We denken hierbij onder meer aan het uitschelden, het kwaadspreken en de onzinnige opdrachten. Sommige van de gedragingen die mevrouw C. ondernomen heeft vallen perfect binnen haar leidinggevende takenpakket van directrice. Echter, de manier waarop zij in bepaalde gevallen gehandeld heeft kan niet gerechtvaardigd worden door haar hiërarchische positie. Wel dient opgemerkt te worden dat de beweringen van de verschillende partijen elkaar tegenspreken en dat dit dossier dus niet optimaal getoetst kan worden aan de werkelijkheid. Dit impliceert dat onze besluitvorming enkel gestoeld is op de informatie die voorhanden was en daarom met de nodige omzichtigheid geïnterpreteerd dient te worden. We wensen te besluiten met een diagnose van (verbaal en/of psychisch) geweld op het werk vanwege mevrouw C. ten aanzien van mevrouw H. Bijgevolg kunnen we niet bevestigen dat hier sprake was van pesten." Op p. 3 van voormeld verslag vermeldt de preventieadviseur dat zij het diagnostisch model van Daniël Faulx volgt die stelt dat pesten op het werk voorafgegaan wordt door vier andere stappen, met name lijden op het werk, geweld op het werk, hyperconflict en misbruik. De enige leidraad voor beoordeling van de aangevoerde feiten betreft de "Pestwet" waarin "geweld op het werk" gedefiniëerd wordt in artikel 32ter,l° van de Welzijnswet en "pesterijen op het werk" gedefiniëerd worden in artikel 32ter,2° van de Welzijnswet. Voormelde theorie van Faulx is strijdig met voormelde definities aangezien hij onterecht vier andere stappen, waaronder geweld op het werk, doet voorafgaan aan pesten op het werk. In casu dienen de aangevoerde feiten niet enkel weerhouden te worden als geweld doch ook als pesterijen op het werk. Het is aan de rechtbank om soeverein te beoordelen of deze feiten, weerhouden als geweld ook dienen weerhouden te worden als pesterijen op het werk. In voormeld verslag werd achtereenvolgens per categorie van Leymann de door concluante aangevoerde feiten als zijnde pesterijen besproken als volgt. Hierna worden enkel de door de preventieadviseur als geweld aanvaarde feiten besproken. In het verslag op p. 4 wordt vooraf gesteld door de preventieadviseur: "(...)Alvorens verder over te gaan tot een meer diepgaande discussie van de aangehaalde feiten door mevrouw H., wensen we graag nog enkele zaken mee te geven die we vernomen hebben via anonieme getuigen (deze laatsten wensten anoniem te blijven uit vrees voor repercussies). Verschillende anonieme getuigen melden dat mevrouw C. de neiging heeft om te roddelen over haar personeelsleden, ook over mevrouw H. Ze melden dat mevrouw C. kwaad spreekt over haar personeelsleden terwijl deze afwezig zijn. Aldus zou ze de privacy van haar personeel niet respecteren en tracht ze mensen tegenover elkaar uit te spelen. Verder geven ze aan dat mevrouw C. soms fel en ondoordacht is in het communiceren met haar mensen, maar dat ze dit doet ten aanzien van iedereen. Doch, de anonieme getuigen zeggen dat mevrouw C. wat betreft bepaalde zaken een verschillende aanpak heeft naar bepaalde leerkrachten toe. Ze duiden erop dat mevrouw C. tijdens een personeelsvergadering eens gesproken heeft over het bestaan van een gunstenboekje. (.4" In verband met voormeld gunstenboekje merkt concluante op dat de getuigen die tegen haar en v66r tweede verweerster getuigden, met name mevrouw L. W. en mevrouw M. S. hoog aangestreefden stonden in het gunstenboekje van tweede verweerster. Dat voormelde personen vóór tweede verweerster getuigden lag in de lijn der verwachtingen aangezien zij ten tijde van de getuigenissen nog tijdelijk aangesteld werden in het onderwijs en hun vaste benoeming beoogden, dewelke zij nadien verkregen.
  8. aanval op de waardering en reputatie Concluante meldde dat mevrouw C. kwaad spreek over haar en valse geruchten verspreidt. In het verslag werd dienaangaande op p. 4 vermeld (eigen accentuering): "Getuigen bevestigen dat mevrouw C. tijdens een vergadering met verschillende aanwezigen over mevrouw H. gezegd heeft dat ze te vaak ziek is. Over het feit van de vrijwillige overplaatsing naar de type 2 klas, zijn de getuigen van de aangeklaagde en aanklager het niet eens. De verschillende partijen spreken elkaar gedeeltelijk tegen en daarom moeten deze laatste beschuldigingen met de nodige omzichtigheid behandeld worden. (...) We menen dat het ten zeerste gewenst is dat mevrouw C. als directrice neutraal staat ten aanzien van haar leerkrachten en niet met collega's praat of `roddelt' over andere collega's terwijl deze laatsten niet aanwezig zijn. Dit gedrag kan wel degelijk als een vorm van geweld gezien worden conform Leymann en Faulx. "
  9. aanval op de communicatiemogelijkheden In het verslag werd dienaangaande op p. 5 vermeld (eigen accentuering): "Mevrouw H. meldt dat zij meermaals door mevrouw C. werd uitgescholden. Van de drie feiten die mevrouw H. aanhaalt, worden er twee bevestigd door een getuige. Zelfs één getuige van mevrouw C. bevestigt één van de feiten gedeeltelijk. (...) De verklaringen van de getuigen doen vermoeden dat de feiten wel degelijk hebben plaatsgevonden en dat mevrouw C. wellicht een aantal fouten begaan heeft op gebied van verbale communicatie. Verbale agressie t.a.v. werknemers is eveneens een vorm van geweld."
  10. aanval op het beroepsleven Concluante meldde dat zij meer plichten en minder rechten had dan andere leerkrachten in het beleid van mevrouw C. In het verslag werd dienaangaande op p. 5 vermeld (eigen accentuering): "(...)We wensen met betrekking tot deze feiten ook te verwijzen naar de anonieme getuigen die melden dat mevrouw C. inderdaad een gunstenboekje heeft. Ze gunst sommige leerkrachten schijnbaar meer voordelen dan anderen en zou een `voor wat, hoort wat'-beleid voeren. We krijgen de indruk dat mevrouw C. niet steeds op dezelfde wijze handelt ten aanzien van haar leerkrachten wat door bepaalde leerkrachten als discriminatief gedrag wordt ervaren." Concluante meldde dat zij onzinnige en onmogelijke taken kreeg van mevrouw C. In het verslag werd dienaangaande op p. 5-6 vermeld: " (...)Verder ging mevrouw C. ook duidelijk over de schreef door aan mevrouw H. te vragen om haar collega's in de gaten te houden. Het is immers niet de taak van mevrouw H. dit te doen. We menen dat dit gedrag van mevrouw C. wel als een vorm van geweld gezien kan worden."
  11. aanval op de sociale relaties Concluant meldde dat mevrouw C. haar verzocht collega's niet te telefoneren of te bezoeken. In het verslag werd dienaangaande op p. 5-6 vermeld: "(...) Het tweede feit wordt wel toegegeven door mevrouw C." Eisende partij houdt voor dat alle aangevoerde en nog aan te voeren feiten conform verslag preventieadviseur vallen onder de toepassing van de "Pestwet". Zij verwijst naar artikel 32 undecies van de Welzijnswet om te stellen dat, vermits zij duidelijk omschreven en concrete gedragingen van personen aanvoert waaruit men kan afleiden dat zij het slachtoffer werd van pesterijen en geweld conform voormelde wet, de preventieadviseur voormelde bewijslastverdeling schendt door bij tegenstrijdigheid in de verklaringen met de aangevoerde feiten geen rekening te houden in het nadeel van eiseres. Verwijzend naar artikel 32 ter tredecies § 5 Welzijnswet (lees: artikel 32 tredecies § 5) dat volgens eiseres van toepassing is, houdt zij voor dat de werkgever de beschermings-vergoeding ook dient te betalen wanneer het bevoegde rechtscollege de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk bewezen acht. De beschermingsvergoeding is naar keuze van de werknemer ofwel gelijk aan een forfaitair bedrag dat overeenstemt met het brutoloon van zes maanden ofwel een schadevergoeding die overeenstemt met de werkelijk door de werknemer geleden schade. Voormelde forfaitaire vergoeding is in de wet opgenomen aangezien het inherent is aan pesterijen dat deze schade veroorzaken bij de gepeste persoon. Dat de geleden morele schade zeer groot is blijkt uit de langdurige afwezigheid door ziekte van eiseres die het gevolg was van de pesterijen. Ook na de bevestiging van de neerlegging van de klacht op 7 mei 2003 werden door het geweld en de pesterijen de arbeidsvoorwaarden van eiseres, zo houdt zij voor, herhaaldelijk gewijzigd door: - de verklaring van mevrouw S. L., een nieuwe leerkracht, de laatste schooldag van juni 2003 aan eiseres en mevrouw R. dat zij geen werk meer zou krijgen van mevrouw C. aangezien mevrouw L. was omgegaan met door mevrouw C. als `verkeerd' aangeduide personen, met name eiseres en mevrouw R. - door eiseres op 1 september 2004 opnieuw gedwongen over te plaatsen van type 2 naar type 1-
  12. Voor het geval de forfaitaire vergoeding niet zou worden toegekend verzoekt eiseres de aanstelling van een geneesheer-deskundige ter beschrijving van de opgelopen schade. In het beschikkend gedeelte van de besluiten en ook in de repliek op het advies van het Arbeidsauditoraat doet mevrouw H. aanbod van bewijs door alle middelen van recht getuigen inbegrepen: "Alvorens recht te doen, concluante toe te laten te bewijzen door alle middelen van recht getuigen inbegrepen, dat de door concluante aangevoerde feiten zoals vermeld in de conclusies geweld en pesterijen op het werk inhouden." 3.
  13. Tweede verweerster, mevrouw C., geeft een opsomming van verscheidene onderzoeken gevoerd naar haar functioneren in opdracht van de algemeen directeur de heer R. - gestart na een anonieme klacht (volgens mevrouw C. afkomstig van de dames W., H. en R.???) - wegens financieel wanbeleid waarvan de algemeen directeur haar ten onrechte beschuldigde. Al deze onderzoeken werden afgesloten in het voordeel van mevrouw C. Het onderzoek evenwel naar de samenwerking tussen mevrouw C. enerzijds en de Raad van Bestuur en de algemeen directeur anderzijds werd afgesloten op 6 maart 2006 met de beslissing van de Raad van Bestuur dat mevrouw C. uit het ambt van directeur van het MPIGO Z. zou worden verwijderd en met een andere opdracht zou worden belast. Ook mevrouw C. was inmiddels ingevolge de pesterijen van de algemeen directeur (tegen wie zij klacht neerlegde wegens pesterijen op het werk bij de FOD Werkgelegenheid) ingestort en ziek van 28 februari 2005 tot en met 25 maart 2005 en opnieuw vanaf 18 april 2005 en louter en alleen omdat zij het voortdurend strijden moe was besliste zij onder voorbehoud te berusten in de beslissing van de Raad van Bestuur van 6 maart 2006 voornoemd. In verband met het huidig geschil houdt zij voor dat de aangevoerde feiten die dateren van vóór 1 juli 2002 - voor zover bewezen - niet in aanmerking kunnen komen ter beoordeling van de vordering daar de pestwet geen terugwerkende kracht heeft en enkel, ook wat betreft de erin opgenomen omkering van de bewijslast, kan aangewend worden voor feiten van nà die datum. Zij verwijst naar de definitie van "geweld op het werk" en "pesterijen op het werk" in artikel 32ter van de Welzijnswet : 1° geweld op het werk: elke feitelijkheid waarbij een werknemer of een andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is, psychisch of fysiek wordt lastiggevallen, bedreigd of aangevallen bij de uitvoering van het werk; 2° pesterijen op het werk: elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren, en eenzijdige geschriften en dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;..." en houdt voor, verwijzend naar rechtspraak, dat de rechtbanken een enge interpretatie voorstaan, moet onderzocht worden of de gedragingen die ervaren worden als pesterijen de normale gezagsuitoefening van de werkgever te buiten gaan, de zogenaamde "pester" de bedoeling moet hebben om te schaden... Zij bekritiseert de wijze waarop de preventieadviseur het onderzoek voerde. Meer bepaald beperkte deze zich tot slechts één onderzoeksmiddel nl. het interviewen van getuigen en werden de verklaringen enkel getoetst aan deze van andere getuigen zonder verder ten gronde onderzocht geworden te zijn. Bovendien werden de klachten van de drie dames W., H. en R. strikt gescheiden behandeld zodat de klaagster in het ene dossier getuige werd in het andere dossier. Aan de personen van wie mevrouw C. gevraagd had dat zij zouden worden gehoord als getuige werd enkel gevraagd of zij rechtstreeks getuige waren geweest van een conflict tussen eiseres en mevrouw C. en indien ze ontkennend antwoordden werden ze gewoon niet gehoord. Zo werd aldus geen rekening gehouden met de visie van een aantal voor mevrouw C. belangrijke getuigen. Zij verwijst naar het besluit van de preventieadviseur (zie hoger onder 2 Feiten en voorgaanden geciteerd) en meent dat het weerhouden van "geweld op het werk" op basis van het model van de heer FAULX geenszins betekent dat mevrouw C. zich schuldig maakte aan een inbreuk in de zin van hoofdstuk Vbis van de Welzijnswet. Tweede verweerster beklemtoont dat zij door de Scholengroep X nooit op de hoogte gebracht werd van het feit dat aanlegster een klacht wegens pesterijen tegen haar had neergelegd. Slechts op het ogenblik dat de preventieadviseur haar onderzoek startte, werd zij hiervan verwittigd. Hierdoor was zij zich niet alleen niet bewust van het feit dat aanlegster aanstoot gaf aan haar gedrag, doch werd haar tevens de mogelijkheid ontnomen hierover een gesprek te voeren met aanlegster en desgevallend haar houding te wijzigen. Ook aan de concrete aanbevelingen op individueel niveau en op groeps - en organisatieniveau die de preventieadviseur in haar verslag vooropstelt, heeft de Scholengroep op geen enkel ogenblik uitvoering gegeven. Hoewel de Scholengroep reeds in de loop van de maand juli 2005 in het bezit werd gesteld van het verslag opgesteld door preventieadviseur K. J., werd mevrouw C. pas in de loop van december 2005 door de directeur van het CLB op de hoogte gebracht van de eindconclusies die erin staan vermeld. Mevrouw C. nam - net zoals eiseres en de dames W. en R. - slechts n.a.v. het tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt dd. 26.08.2006 kennis van de volledige inhoud ervan. Ook de aanbevolen begeleiding en ondersteuning van mevrouw C. heeft de Scholengroep nooit aangevat, laat staan dat er een functioneringsgesprek of een poging tot bemiddeling tussen partijen heeft plaatsgevonden. Mevrouw C. is dan ook van oordeel dat de Scholengroep terzake ernstig in gebreke is gebleven. Hoewel uit het verslag van preventieadviseur K. J. volgens mevrouw C. reeds duidelijk blijkt dat zij zich niet schuldig maakte aan een inbreuk op de bepalingen van Hoofdstuk Vbis, weerlegt zij de diverse feiten die door eiseres als "pesterijen" worden beschouwd, zich hierbij beperkend tot de feiten vermeld in de besluiten na heropening der debatten voor eiseres, en door de rechtbank samengevat als volgt:
  14. Aanval op de waardering en reputatie Uit het overzicht van de door eiseres opgenomen ziektedagen blijkt dat eiseres zeer frequent ziek was zodat, indien mevrouw C. dit op een vergadering ter sprake brengt dit enkel een objectieve vaststelling is en er geenszins sprake is van roddelen of het verspreiden van valse geruchten. Geconfronteerd met het voorstel van mevrouw C. tijdens een vergadering in de loop van 2002 om het volgend jaar naar een type 2 klas te gaan daar eiseres tijdens het schooljaar 2001-2002 vaak ziek was geweest, deelde eiseres mee dit als een uitdaging te zien zodat de melding van mevrouw C. dat eiseres dit vrijwillig deed geenszins als het verspreiden van valse geruchten kan worden beschouwd. Ook mevrouw W., aanwezig op kwestieuze vergadering, verklaarde dat eiseres zich kandidaat stelde. Als directrice was mevrouw C. de hiërarchische overste van eiseres en oefende zij gezag uit over eiseres en was het haar toegestaan kritiek te hebben over de wijze waarop laatstgenoemde haar lesopdracht waarnam. Zolang deze kritiek terecht is en niet luidkeels wordt verkondigd kan er geen sprake zijn van pesterijen.
  15. Aanval op communicatiemogelijkheden In tegenstelling tot hetgeen eiseres in haar besluiten laat uitschijnen waren de dames W. en H. geenszins getuige van de feitelijkheden die zich op 20.05.2003 tijdens het schoolfeest zouden hebben voorgedaan. Mevrouw C. ontkent ten stelligste dat zij op agressieve wijze is uitgevlogen, zij heeft de dames enkel op hun verplichtingen gewezen, hetgeen bij hen blijkbaar in het verkeerde keelgat is geschoten. Mevrouw C. erkent dat zij niet blij was met het gegeven dat er een anonieme klacht tegen haar was ingediend maar zij heeft zich hierover geenszins dreigend of beledigend t.a.v. eiseres en haar medestanders uitgedrukt. Zij maakte hiervan melding tijdens een personeelsvergadering en zoals blijkt uit het verslag van die vergadering werden geen namen genoemd of geïnsinueerd.
  16. Aanval op het beroepsleven Toen eiseres na haar ziekteverlof in februari 2002 terug deeltijds begon te werken deelde ze aan mevrouw C. mee dat ze vier halve dagen per week zou lesgeven. Ten onrechte meldde eiseres aan M. S. dat ze haar deeltijdse prestaties niet mocht groeperen op twee dagen doch deze diende te leveren op vier halve dagen. Ter staving verwijst mevrouw C. naar de verklaring van M. S.: "...Blijkbaar moet zij toen voor halve dagen gekozen hebben wat ik persoonlijk jammer vond omdat ik dan geen taal meer kon geven. Op zeker ogenblik kwamen mevrouw C. en F. in de klas mededelen dat F. gekozen had voor halve dagenformule. Achteraf hoorde ik dan van M. dat F. zich bij Arista had beklaagd over het feit dat ze halve dagen moest geven, terwijl ik dacht dat dat haar keuze was." Het "gunstenboekje" is een mythe en betreft een schriftje waarin de afwezigheden worden genoteerd als geheugensteuntje voor directie en secretariaat. Wat betreft de "onzinnige en onmogelijke taken" sluit mevrouw C. niet uit dat zij gevraagd heeft aan eiseres om haar duo-collega M. S. aan te sporen consequent haar agenda in te vullen. Zij meent evenwel dat dit niet gelijkstaat met "vragen om haar collega's in de gaten te houden". De bewering van de preventieadviseur dat mevrouw C. de neiging heeft om haar leerkrachten sterk te controleren wordt tegengesproken door de bevindingen van het onderzoeksteam van het gemeenschapsonderwijs dat op verzoek van de algemeen directeur tot twee keer toe het functioneren van mevrouw C. onder de loep nam. De "omzendbrief" werd conform de instructies erop vermeld aan alle personeelsleden zonder onderscheid gestuurd. Het gesprek bij de algemeen directeur voor de aanvang van het schooljaar 2004-2005 werd ingegeven enerzijds door het feit dat eiseres bijna het ganse voorgaande schooljaar afwezig was geweest wegens ziekte en anderzijds door de klacht wegens pesterijen die tegen mevrouw C. was ingediend en enkel met het oog op een goede samenwerking tijdens het nieuwe schooljaar.
  17. Aanval op sociale relaties Mevrouw C. ontkent dat zij ooit aan nieuwe personeelsleden heeft medegedeeld dat het niet wenselijk is om met eiseres en haar vriendinnen om te gaan. De preventieadviseur is in dat verband enkel voortgegaan op de verklaringen van eiseres en de andere dames die een klacht tegen mevrouw C. indienden. Zij verwijst naar de verklaring van R. P. aan de preventieadviseur inzake L. R.: " Ik heb nooit gezegd of gehoord dat mevrouw C. het niet op prijs stelt dat de leerkrachten met L. en F. H. omgaan." Mevrouw C. stipt verder aan dat toen L. W. het slachtoffer werd van een hersenbloeding, haar echtgenoot aan collega G. O. gevraagd had dat "de roddeltantes", nl. eiseres, L. W. en L. R., weg zouden blijven uit het ziekenhuis. Op die manier wenste hij te vermijden dat zij zijn echtgenote zouden opjagen met nieuwe verhalen over de school en over mevrouw C. G. O. heeft deze mededeling doorgegeven aan mevrouw C., die op haar beurt in verbloemde bewoordingen aan eiseres gevraagd heeft de wens van de echtgenoot van L. W. te respecteren. Mevrouw C. besluit dat de preventieadviseur ten onrechte spreekt van herhaaldelijk weerkerende gedragingen met een gewelddadig karakter. In werkelijkheid werd de houding en het gedrag van mevrouw C. reeds jarenlang onder de loep genomen en bekritiseerd door eiseres en haar kompanen de dames W., R. en W. Het enige uitgangspunt dat de dames hierbij hanteerden was "M. C. is een slechte persoon en doet alles verkeerd". Daarenboven deinsden zij er niet voor terug om de woorden en daden van mevrouw C. te verdraaien en om publiekelijk reacties bij mevrouw C. uit te lokken om deze naderhand tegen haar te gebruiken. Tot slot merkt zij op dat eiseres mevrouw C. herhaaldelijk de indruk gaf akkoord te gaan voorstellen en dan achteraf ging beweren dat er haar een bevel was opgelegd. Zij verwijst in dit verband naar de verklaring van mevrouw S. in het verslag van de preventieadviseur: "Ik heb zelf eigenlijk nooit gemerkt dat er echt problemen waren tussen M. en F., ik had eerder de indruk dat er problemen waren met andere leerkrachten die haar hebben meegesleept in hun eigen verhaal. Ik weet niet meer wat ik hier moet geloven. F. heeft mij altijd goed geholpen en begeleid, maar ik denk dat ze hier door anderen opgezet is geweest. Ik ben verder nooit zelf bij een ruzie of een conflict tussen hen beiden betrokken geweest." Zij meent dan ook dat geen inbreuk op de bepalingen van Hoofdstuk Vbis van de Welzijnswet i.v.m. geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk weerhouden kan worden en de vorderingen als ongegrond dienen te worden afgewezen. Voor wat de gevorderde vergoeding betreft is mevrouw C., samen met eerste verweerster, van oordeel dat eiseres zich niet op art. 32tredecies van de Welzijnswet kan beroepen om haar vordering in betaling van een vergoeding gelijk aan het loon van zes maanden of 15.106,18 EUR te ondersteunen. Dit artikel regelt immers de financiële gevolgen van een ontslag of wijziging van arbeidsvoorwaarden nadat er een klacht wegens pesterijen werd ingediend. Vermits eiseres nog steeds in dienst is van eerste verweerster kan zij zich in geen geval op de ontslagbescherming zoals uiteengezet in voormeld artikel 32tredecies beroep doen, doch enkel op artikel 32decies. Dit artikel bepaalt dat de werknemer-slachtoffer een schadevergoeding kan vorderen voor de rechtbank en dit n.a.v. een vordering tot staken, afzonderlijk daarvan of nog, in het kader van een strafprocedure via burgerlijke partij stelling. Hij zal dan overeenkomstig de gemeenrechtelijke principes van art. 1382 BW een fout, schade en oorzakelijk verband moeten bewijzen. Zie: WITTERS, A. en VERHELST, I., "Geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk: een analyse van de Wet Onkelinx en de uitvoeringsbesluiten", Or. 2002,
  18. Vermits eiseres tot op heden geen fout in hoofde van concluante aantoont en op geen enkele wijze bewijst dat het gevorderde bedrag overeenkomt met de door haar beweerde schade, dient dit vorderingsonderdeel ongegrond te worden verklaard. Mevrouw C. verzet zich principieel tegen de aanstelling van een geneesheer-deskundige en is de mening toegedaan dat de herhaalde en weerkerende arbeidsongeschiktheid van eiseres ook haar oorzaken vindt in het privé-leven van eiseres. 3.
  19. De Scholengroep houdt m.b.t. de grond van de zaak voor als dusdanig niet betrokken te zijn in deze feitelijkheden. "Zoals reeds gesteld bij de behandeling van de zaak vóór het vonnis van heropening der debatten heeft concludent wel de nodige maatregelen genomen om aan alle eventuele feitelijkheden een einde te stellen" zo besluit eerste verweerster. Binnen het Gemeenschapsonderwijs wordt elke school bestuurd door een directeur, bijgestaan door een adviserende schoolraad. De scholengroepen worden bestuurd door een algemene vergadering, een raad van besstuur, een college van directeurs en een algemeen directeur. De directeur van een school (eerste verweerder verwijst naar artikel 14 van het BDGO) heeft een mandaat en is bevoegd voor het vaststellen van de ambtsbevoegdheden van de personeelsleden, van de functiebeschrijvingen van de personeelsleden en voor de begeleiding en evaluatie van de personeelsleden. De raad van bestuur grijpt als dusdanig niet in in dat beleid van de schooldirecteur. De Scholengroep houdt voor dat eiseres niet aanduidt op welke rechtsgrond zij de Scholengroep heeft gedagvaard en evenmin aangeeft op welke wettekst zij zich beroept om de solidaire veroordeling te vragen. Er wordt geen eigen fout in hoofde van de Scholengroep ingeroepen laat staan aangetoond en indien de rechtbank tot de vaststelling zou komen dat de voorgehouden feiten bewezen zijn en geweld en pesterijen op het werk uitmaken, dan is er in hoofde van de directeur afwending van macht in strijd met de toewijzing van bevoegdheden en is de Scholengroep (aansteller) niet aansprakelijk. De Scholengroep meent dat eiseres zich ten onrechte beroept op artikel 32 tredecies Welzijnswet ter staving van de gevorderde vergoeding. Dit artikel § 5 handelt over ontslag of wijziging van de arbeidsvoorwaarden en de werknemer moet zijn reïntegratie niet meer vragen als het pestgedrag bewezen wordt in tegenstelling tot het geval bedoeld in § 3 en §
  20. Indien de rechtbank toch de mening zou toegedaan zijn dat de Scholengroep aansprakelijk kan worden gesteld, vraagt eerste verweerder akte van zijn voorbehoud tegen tweede verwerende partij de passende vorderingen in te leiden ondermeer rekening houdend met de wet van 10 februari
  21. 4 Beoordeling 4.
  22. Het wettelijk kader. De wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk ("Pestwet" genoemd), gepubliceerd in het B.S. van 22 juni 2002, voegt een nieuw hoofdstuk Vbis toe aan de Welzijnswet van 4 augustus
  23. Het nieuw artikel 32bis van de Welzijnswet verplicht de werkgevers, werknemers en derden zich te onthouden van drie vormen van agressie op het werk, met name geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag. Artikel 32ter 1° en 2° waarop eiseres haar vordering steunt, definieert : " 1° geweld op het werk : elke feitelijkheid waarbij een werknemer of een andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is, psychisch of fysiek wordt lastiggevallen, bedreigd of aangevallen bij de uitvoering van het werk; 2° pesterijen op het werk : elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren, en eenzijdige geschriften en dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;" Aan de werknemer die het slachtoffer wordt van pesterijen op het werk worden in de wet een aantal actiemiddelen ter beschikking gesteld. Zo bepaalt artikel 32nonies van de Welzijnswet dat de werknemer die meent het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, zich ofwel kan richten tot de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon, ofwel de bevoegde inspectiediensten. In voorkomend geval kan deze werknemer bij die personen een met redenen omklede klacht indienen. De zogenaamde "interne procedure" wordt verder uitgewerkt in het K.B. van 11 juli 2002 (cfr. de artt. 10 t.e.m. 15). Deze interne procedure kent een informele -, bemiddelingsfase waarbij de feiten worden medegedeeld aan de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur tijdens een volledig vertrouwelijk gesprek. Indien de werknemer ervoor opteert zich tot de vertrouwenspersoon te wenden, hoort deze het slachtoffer , geeft hem raad en biedt opvang, hulp en de vereiste bijstand. Op verzoek van het slachtoffer kan de vertrouwenspersoon tevens proberen te bemiddelen tussen hem en de aangeklaagde. De bemiddeling vereist niet noodzakelijk een ontmoeting tussen de partijen. Het is de bedoeling de problemen te bespreken, te luisteren, met respect voor elkaars rechten, plichten en belangen, te streven naar een oplossing teneinde de relatie te verbeteren en een conflictsituatie te vermijden of er een einde aan te stellen. In deze fase wordt niet gerapporteerd aan de werkgever, worden geen getuigen gehoord die deel uitmaken van de dienst van het slachtoffer. Indien de bemiddeling tot geen resultaten leidt of onmogelijk blijkt, neemt de vertrouwenspersoon op uitdrukkelijk verzoek van het slachtoffer, de met redenen omklede klacht in ontvangst, die hij onmiddellijk doorstuurt aan de bevoegde preventieadviseur. De formele procedure wordt gestart door het neerleggen van bovenvermelde "met redenen omklede" klacht. De met redenen omklede klacht wordt opgenomen in een document dat wordt gedateerd en waarin de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen worden opgenomen en in voorkomend geval het resultaat van de bemiddeling . Van zodra een met redenen omklede klacht is ingediend, brengt de bevoegde preventieadviseur de werkgever hiervan op de hoogte door hem een afschrift te bezorgen van de met redenen omklede klacht en nodigt hij de werkgever uit om passende maatregelen te nemen . Hij wijst de werkgever ook op de ontslagbescherming die de werknemer geniet ingevolge het indienen van een met redenen omklede klacht. Overeenkomstig artikel 32decies van de Welzijnswet kan al wie een belang kan aantonen voor het bevoegde rechtscollege een vordering instellen om de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk af te dwingen. Onverminderd de mogelijkheid tot toekenning van een schadevergoeding, kan het bevoegde rechtscollege het bevel opleggen aan diegene die zich schuldig maakt aan geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, alsmede aan de werkgever om hieraan, binnen een door hem vastgestelde termijn, een einde te maken. Bovendien bepaalt artikel 32undecies van de Welzijnswet dat wanneer deze persoon feiten aanvoert die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden, de bewijslast dat er zich geen geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk hebben voorgedaan ten laste van de verweerder. Tenslotte voorziet artikel 32 tredecies van de Welzijnswet in een ontslagbescherming van de werknemer die beweert het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag en volgens de daartoe voorziene interne procedures een klacht heeft ingediend, of een rechtsvordering heeft ingesteld op grond van hoofdstuk Vbis van de wet. "Art. 32tredecies. §
  24. De werkgever die een werknemer tewerkstelt die, hetzij op het vlak van de onderneming of van de instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures, hetzij bij de met het toezicht belaste ambtenaren, een met redenen omklede klacht heeft ingediend of voor wie deze ambtenaren zijn opgetreden, of die een rechtsvordering instelt op grond van dit hoofdstuk, mag de arbeidsverhouding niet beëindigen, noch de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigen, behalve om redenen die vreemd zijn aan die klacht of aan die rechtsvordering. §
  25. De bewijslast van de in § 1 bedoelde redenen berust bij de werkgever, wanneer de werknemer wordt ontslagen of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig worden gewijzigd binnen twaalf maanden volgend op het indienen van de klacht of het afleggen van de getuigenverklaring. Deze bewijslast berust eveneens bij de werkgever in geval van ontslag of eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden nadat een rechtsvordering werd ingesteld, en dit tot drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis. §
  26. Wanneer de werkgever de arbeidsverhouding beëindigt of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigt in strijd met de bepalingen van § 1, kan de werknemer, of de werknemersorganisatie waarbij hij is aangesloten, verzoeken hem opnieuw in de onderneming of de instelling op te nemen onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven. Het verzoek moet met een aangetekende brief gebeuren binnen dertig dagen volgend op de datum van de kennisgeving van de opzegging, van de beëindiging zonder opzegging of van de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. De werkgever moet zich binnen dertig dagen volgend op de kennisgeving van de brief over het verzoek uitspreken. De werkgever die de werknemer opnieuw in de onderneming of de instelling opneemt of hem zijn functie onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven laat uitoefenen, moet het wegens ontslag of wijziging van de arbeidsvoorwaarden gederfde loon betalen alsmede de werkgevers- en werknemersbijdragen op dat loon storten. §
  27. Wanneer de werknemer na het in § 3, eerste lid bedoelde verzoek niet opnieuw wordt opgenomen of zijn functie niet onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven kan uitoefenen en de rechter geoordeeld heeft dat het ontslag of de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden indruist tegen de bepalingen van § 1, moet de werkgever aan de werknemer een vergoeding betalen die, naar keuze van de werknemer, gelijk is hetzij aan een forfaitair bedrag dat overeenstemt met het brutoloon voor zes maanden, hetzij aan de werkelijk door de werknemer geleden schade; in laatstgenoemd geval moet de werknemer de omvang van de geleden schade bewijzen. §
  28. De werkgever is verplicht dezelfde vergoeding uit te betalen, zonder dat de werknemer het in § 3, eerste lid bedoelde verzoek moet indienen om opnieuw te worden opgenomen op zijn functie onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven te kunnen uitoefenen : 1° wanneer het bevoegde rechtscollege de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk bewezen acht;..." 4.
  29. De rechtbank is in casu, op basis van de voorhanden zijnde stukken, de mening toegedaan dat de feiten zoals ze door eiseres worden aangevoerd om het pestgedrag in hoofde van tweede verweerster aannemelijk te maken, noch afzonderlijk noch in samenhang gelezen, rekening houdend met de tijdspanne waarbinnen ze zich situeren (1997/1998- maart 2004), beantwoorden aan de wettelijke definitie van geweld en pesterijen (zie hoger 4.1). Wij wensen bovendien nog de volgende overwegingen te maken: Eiseres kan niet worden toegelaten tot het door haar aangeboden bewijs door getuigen. Een getuigenverhoor strekt ertoe concrete feiten en vaststellingen aan te tonen. Aan getuigen kan geenszins worden gevraagd beoordelingen of appreciaties uit te brengen. Het getuigenverhoor ertoe strekkend "eiseres toe te laten te bewijzen ...dat de door haar aangevoerde feiten zoals vermeld in conclusies geweld en pesterijen op het werk inhouden" vergt van de getuigen een beoordeling, een appreciatie. Het is niet een getuige maar wel de rechtbank die moet oordelen of bepaalde concreet vastgestelde feiten of handelingen of geuite bewoordingen pestgedrag uitmaken. Bovendien - en daarom heeft de rechtbank de besluiten van eiseres en tweede verwerende partij integraal in het vonnis overgenomen - worden dezelfde feiten door de beide betrokken partijen op een totaal andere manier gepercipieerd en dus ook weergegeven hetgeen duidelijk aantoont dat op basis hiervan onmogelijk objectieve vaststellingen kunnen worden gemaakt. Dezelfde feiten, gedragingen, handelingen worden door de ene partij in een volledig ander daglicht geplaatst, even aannemelijk als het negatieve daglicht waarin de andere partij ze ziet en wenst geïnterpreteerd te zien . Het verslag van de preventieadviseur biedt geen soelaas. Het getuigt niet van een grondig onderzoek en is eerder een weerslag van de percepties en de interpretaties van de partijen en van getuigen waarvan sommigen dan nog anoniem wensten te blijven. Dat sommige getuigen anoniem wensen te blijven is begrijpelijk maar biedt geen waarborg voor objectiviteit. Leerkrachten die zich niet wensten te mengen in dit "welles-nietes" spel en geen verklaring wensten af te leggen zouden mogelijk een heel ander verhaal hebben gebracht. Terecht bekritiseert tweede verwerende partij deze wijze van onderzoek omdat het onvoldoende waarborgen biedt voor objectiviteit. Overigens zegt de preventieadviseur zelf - meermaals zelfs - dat haar besluitvorming met de nodige omzichtigheid moet worden benaderd daar de beweringen van de verschillende partijen elkaar tegenspreken en niet optimaal getoetst konden worden aan de werkelijkheid. Het besluit van de preventieadviseur is overigens eerder merkwaardig te noemen na lezing van de verklaringen die ons werden overlegd. De getuigen die op verzoek van eiseres verhoord werden en niet anoniem wensten te blijven, zijn helemaal niet zo affirmatief in hun verklaringen als eiseres wil doen geloven. Zij dachten of hadden de indruk of bevestigen integendeel het standpunt van mevrouw C. Bij wijze van voorbeeld : - in verband met feit 2 (de volgens mevrouw H. gedwongen overplaatsing van type 1 naar type 2 en de valse geruchten die mevrouw C. hieromtrent verspreidde als was het een vrijwillige overstap) verklaart mevrouw L. W. immers "Mevrouw H. heeft zich toen op een vergadering tot mijn verwondering kandidaat gesteld, terwijl ik nooit gedacht had dat ze daar interesse zou voor hebben". - zo verklaart mevrouw S: "...Ikzelf heb eigenlijk nooit gemerkt dat er echt problemen waren tussen M. en F., ik had eerder de indruk dat er problemen waren met andere leerkrachten die haar hebben meegesleept in hun eigen verhaal...Blijkbaar moet zij (lees: eiseres) toen voor halve dagen gekozen hebben, wat ik persoonlijk wel jammer vond omdat ik dan geen taal en rekenen meer kon geven. Op zeker ogenblik kwamen mevrouw C. en F. in de klas mededelen dat F. gekozen had voor de halve dagen-formule. Achteraf hoorde ik van M. dat F. zich beklaagd had bij Arista over het feit dat ze halve dagen les moest geven, terwijl ik dacht dat dit haar keuze was..." De objectieve gronden waarop het besluit van de preventieadviseur is gestoeld worden ons aldus onthouden. Het is duidelijk dat er in de geciteerde periode spanningen waren tussen welbepaalde leerkrachten en de directie die de sfeer vertroebelden, dat er hierdoor "clans" of "kampen" ontstonden met voor - en tegenstanders, dat de contact - en communicatiestoornissen veel energie en inspanningen hebben gekost met mogelijk negatieve gevolgen voor het welzijn van de sommige betrokkenen en vooral voor hun functioneren en het volbrengen van hun dagtaak (= het opvoeden van kinderen , zo leest de rechtbank in één van de neergelegde stukken). Het is mogelijk dat mevrouw C. soms de grenzen van de normale gezagsuitoefening overschreed, soms onvoldoende aandacht gehad heeft voor het menselijk aspect bij de benadering van een probleem, misschien bijgestuurd diende te worden in het "leidinggeven"... Indien dit zo zou zijn zouden deze vaststellingen niet volstaan om te spreken van pestgedrag in de zin van de Welzijnswet. Anderzijds is het evenzeer mogelijk dat de wijze waarop zij de school leidde en controle uitoefende kortom uitvoering gaf aan haar opdracht wel professioneel was maar steevast stuitte op kritiek of verzet van bepaalde leerkrachten. Kortom aan de hand van de ons voorgelegde dossiers kunnen wij onmogelijk een op objectief gegronde elementen gebaseerd oordeel uitbrengen. Gebrekkige communicatie in hoofde van alle partijen ligt ongetwijfeld aan de basis van de problematiek ...maar wat is oorzaak en wat is gevolg? De voorliggende problematiek had veeleer een oplossing moeten krijgen in het kader van de interne procedure maar het onderzoek naar de oorzaak van het falen hiervan valt buiten het bestek van deze vordering die er enkel toe strekt een "beschermingsvergoeding" te bekomen en niet de voorgehouden "pesterijen" te staken. Hieruit meent de rechtbank te kunnen afleiden dat inmiddels de rust is weergekeerd. 4.
  30. Vermits de rechtbank geen geweld noch pestgedrag weerhoudt kan geen vergoeding worden toegekend en is de vordering ongegrond. Enkel ten overvloede wenst de rechtbank te vermelden dat eerste en tweede verwerende partijen terecht hebben opgeworpen dat de vordering op grond van artikel 32tredecies van de welzijnswet een ontslagbescherming daarstelt en als dusdanig voorbehouden is aan de werknemer wiens arbeidsverhouding werd beëindigd of wiens arbeidsvoorwaarden eenzijdig werden gewijzigd nadat hij een met redenen omklede klacht heeft ingediend of een rechtsvordering heeft ingesteld. Eiseres beantwoordt niet aan die voorwaarde. Weliswaar houdt zij voor dat haar arbeidsvoorwaarden eenzijdig werden gewijzigd maar dit wordt formeel betwist en het tegendeel wordt niet aangetoond. De rechtbank heeft de voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken nageleefd. OM DEZE REDENEN BESLIST DE ARBEIDSRECHTBANK Na lezing van het gelijkluidend schriftelijk advies van mevrouw C. WOUTERS, eerste substituut - arbeidsauditeur, en de repliek van eisende partij op dit advies. Na beraadslaging en op tegenspraak. Het tussenvonnis van 16 augustus 2006 verder uitwerkend. De vordering ongegrond te verklaren. De gerechtskosten ten laste te leggen van de eisende partij, volgens kostenopgave aan de zijde van eisende partij begroot op 139,93 EUR dagvaardingskosten, 218,64 EUR rechtsplegingsvergoeding en 60,73 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van eerste verwerende partij begroot op 218, 64 EUR rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van tweede verwerende partij begroot op 218,64 EUR rechtsplegingsvergoeding en 60,71 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding. Dit vonnis werd uitgesproken in openbare terechtzitting van NEGENENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN waar zitting hielden: mevrouw B.DEWAEL voorzitter van de rechtbank; de heer E.HASEVOETS rechter in sociale zaken, werkgever; de heer S.DAMEN rechter in sociale zaken, werknemer - bediende; mevrouw A.BERVOETS griffier-hoofd van dienst. PDF document ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070129.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.