← België

ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070315.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 15 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070315.11 Rolnummer: 334.690 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-10-31 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 15:26 Fiches 1 - 2 Het is niet omdat het regime van de tewerkstelling gedurende een bepaalde periode afwijkt van de modaliteiten bepaald in de arbeidsovereenkomst, dat daardoor de vorm van de arbeidsovereenkomst automatisch zou wijzigen. Wanneer een voltijdse werknemer tijdens de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wegens een niet definitieve arbeidsongeschiktheid, het werk deeltijds hervat, met toelating van de adviserende geneesheer van zijn ziekenfonds, gaat het niet om een tewerkstelling krachtens een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid, zoals bepaald in artikel 37bis Arbeidsongevallenwet. Conform artikel 36 § 1 Arbeidsongevallenwet dient het loon van deze tewerkstelling aangevuld met een hypothetisch loon om te komen tot het loon van voltijdse prestaties. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Basisloon Vrije woorden: beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de privésector - basisloon - hypothetisch loon - voltijdse werknemer - arbeidsongeschiktheidsperiode - deeltijdse werkhervatting - geen arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 36 § 1 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Wet - 10-04-1971 - 37bis - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: Gerangschikt onder VI A - artikel 36 § 1 en onder VI A - artikel 37bis. VI A Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 6, blz. 369-371 Tekst van de beslissing VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op DONDERDAG VIJFTIEN MAART TWEEDUIZEND EN ZEVEN in openbare zitting van de VIERDE KAMER van de Arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden : Dhr.H.BENIEST, Rechter in de Arbeidsrechtbank, Voorzitter van de kamer; Dhr. J. LIBERT, Rechter in Sociale Zaken, werkgever Dhr. F. DERIDDER, Rechter in Sociale Zaken,werknemer Mevr.M. VAN DEN BERGH, Griffier, Inzake : A.R. nr. 334.690 X; EISENDE PARTIJ : ter zitting vertegenwoordigd door ...; Tegen: XX; VERWERENDE PARTIJ : ter zitting vertegenwoordigd door ....; VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS Gezien de stukken van het geding die - na ons tussenvonnis dd. 20 december 2001- gevoegd werden bij het dossier van de rechtspleging, te weten o.m.: - het eensluidend verklaard afschrift van voormeld tussenvonnis waarbij de eis ontvankelijk werd verklaard en waarbij de heer Dr. M. V. als deskundige werd aangesteld; - het deskundig verslag, neergelegd ter griffie dd. 20 november 2002; - de conclusies van eisende partij, neergelegd ter griffie dd. 15 januari 2004; - de conclusies van verwerende partij, neergelegd ter griffie dd. 2 augustus 2004; - de conclusies van eisende partij, neergelegd ter griffie dd. 12 december 2005; - de tweede conclusies van verwerende partij, neergelegd ter griffie dd. 1 september 2006; - de syntheseconclusies van verwerende partij, neergelegd ter griffie dd. 14 februari 2007; - de conclusies van eisende partij, neergelegd ter griffie dd. 20 februari 2007; - het Proces-verbaal van de openbare terechtzittingen; Gelet op de Wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1967, houdende het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij Wet van 23 september 1985, met ingang van 1 september

  1. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter openbare zitting van donderdag 22 februari
  2. Recht doende over de stukken die zich in het dossier bevinden.
  3. De medische expertise - het ongeval van 11 april 2000 en de gevolgen ervan - bespreking en beoordeling "Mevrouw X was op 11/04/2000 het slachtoffer van een arbeidsongeval, waarbij zij een distorsie van de lumbale wervelzuilopliep. De aandacht moet echter getrokken worden op het feit dat betrokkene reeds sinds 1988 lijdt aan lumbo-ischialgie. Bovendien zijn er in 1993 neurologische symptomen opgetreden, die slechts gedeeltelijk door de discusherniaties konden worden uitgelegd en waarvoor tot op heden, ondanks talloze medische investigaties, eigenlijk nog geen zekerheids- diagnose is gesteld. Sommige artsen gewagen van de diagnose van multipele sclerose, maar deze diagnose kan niet met zekerheid worden bevestigd. Betrokkene kende zeer talrijke perioden van werkongeschiktheid op basis van diverse pathologieën. Op het ogenblik van het ongeval werkte zij à 50 %, maar mocht enkel rug sparende activiteiten uitvoeren. Desondanks werd zij door een vergissing van een dienstinstructie toch tewerkgesteld in omstandigheden waardoor zij een oude man plots heeft moeten tegenhouden, waarna zij een acute lumbalgie ondervond met bilaterale ischialgie. Ondanks de hevige symptomatologie konden bijkomende radiografische investiga- ties blijkbaar geen nieuwe letsels in het licht stellen, met name geen letsels die voor het ongeval nog niet gekend waren. Bovendien, ondanks de uitgesproken uitstralende pijnen in beide onderste ledematen, kon een elektromyografisch onderzoek, uitgevoerd in de diensten van Professor Dokter M. D. op 04/07/2000, al evenmin enige afwijking aantonen. Het is met name op basis van de uitslag van dit elektromyografisch onderzoek dat ik meen dat er op dat ogenblik met zekerheid kan gesteld worden dat er geen bijzondere invloed meer bestaat van de feiten van 11/04/2000 op de reeds gekende voorbestaande toestand van betrokkene, waarover hierboven reeds werd uitgewijd. Mevrouw X vertoont nog uitgesproken klachten (zie hoofdstuk VI., pagina 10). Ze is ervan overtuigd dat de klachten die zij voor de ongevalsfeiten reeds vertoonde en die goed onder controle waren met pijnstilling, sinds het ongeval merkelijk zijn toegenomen. De klachten die zij nu nog vertoont kunnen echter op geen enkele manier worden uitgelegd door het ongevalsmechanisme. Het klinisch onderzoek (zie hoofdstuk VII., pagina 11) toont een geheel van symptomen die niet fysiologisch verklaarbaar zijn door een lumbale pathologie. Met name zijn de aangegeven hypoësthesiezones en krachtsverminderingen niet fysiologisch verdeeld volgens de myotomen en dermatomen. Ik dien eraan te herinneren dat sommige van de haar behandelende artsen de mogelijke diagnose van multipele sclerose weerhouden. De studie van het radiografisch dossier (zie hoofdstuk VIII., pagina 12), in mijn opdracht uitgevoerd door Dokter K. S., bevestigt: slechts
  4. de zeer belangrijke afwijkingen ter hoogte van de lumbale wervelzuil, die reeds bestonden op het ogenblik van het ongeval en dus hierdoor niet zijn veroorzaakt, met name zoals kan worden vastgesteld uit een NMR- onderzoek van 22/02/2000; 2 . de afwezigheid van significante toename van de voorbestaande afwijkingen onder invloed van het kwestieuze ongeval. In functie van deze gegevens meen ik als volgt op de vragen van de rechtbank te kunnen antwoorden: Eisende partij, mevrouw X werd onderzocht. De toestand in verband met de letsels waarover ze zich beklaagt werd beschreven. Er kan niet ontkend worden dat de feiten van 11/04/2000 een tijdelijke opstoot hebben veroorzaakt van een voorbestaande toestand van multisegmentaire discopathie. Deze tijdelijke opstoot kan van plotse traumatische oorsprong zijn en staat naar alle waarschijnlijkheid in oorzakelijk verband met het relaas van de feiten door haar gegeven betreffende het ongeval van 11/04/
  5. Rekening houdend met de diverse uitgevoerde investigaties, met name met het elektromyografisch onderzoek van 04/07/2000 in de diensten van het Universitair Ziekenhuis te Antwerpen, meen ik met een grote graad van zekerheid te kunnen stellen dat vanaf die datum het tijdelijke sensibiliserend effect van de feiten van 11/04/2000 is uitgedoofd. Om deze reden worden de perioden en graad van tijdelijke arbeidsongeschiktheid als volgt bepaald: 100 % van 11/04/2000 tot 04/07/2000 De datum van consolidatie der letsels, veroorzaakt door het ongeval van 11/04/2000 worden wordt bepaald op 05/07/
  6. Er kan geen zuiver fysieke minderwaarde worden weerhouden ten gevolge van de feiten van 11 april
  7. Vanaf 5 juli 2000 dient te worden vastgesteld dat mevr. X is teruggekeerd naar de voorbestaande toestand van multipele pathologieën." Eisende partij gaat akkoord met de besluiten van de deskundige en vraagt dienovereenkomstig vonnis te vellen. Verwerende partij stelt dat de letsels in casu van degeneratieve aard zijn en niet van traumatische aard. Uit de gegevens van het deskundig verslag volgt dat niet alleen het letsel niet bewezen is, tevens dat de vastgestelde letsels niet traumatisch van aard zijn, doch een gevolg van een voorafbestaande toestand van multiple pathologieën. Uit de gegevens van het deskundig verslag volgt dat er geen letsel werd gedocumenteerd, ook geen verergering van de voorafbestaande toestand. Na de feiten van 11.4.00 was er geen toename van volume van de voorafbestaande discusuitpuilingen. Het besluit van de gerechtsdeskundige -alleen ingegeven in een eerste poging tot minnelijke regeling- die heeft besloten dat er ten gevolge van het aangegeven feit een tijdelijke opstoot is geweest van de voorafbestaande rugklachten ten gevolge van discuslijden, kan niet gevolgd worden en wordt overigens tegengesproken door de gegevens van datzelfde deskundig verslag. In de bijkomende verslagen, zoals overhandigd aan de gerechtsdeskundige en gevoegd bij diens eindverslag, worden geen aanwijzingen gevonden voor een letsel dat zou zijn opgelopen bij de feiten van 11.4.
  8. Ten gevolge van het aangegeven feit van 11.4.00 werd geen (nieuw) letsel opgelopen. Verwerende partij meent niet tot tussenkomst gehouden te zijn. De Rechtbank stelt vast dat eisende partij behept was ten tijde van het ongeval van 11 april 2000 met een voorafbestaande (lumbale) toestand. De deskundige is formeel dat niet kan ontkend worden dat de feiten van 11 april 2000 een tijdelijke opstoot veroorzaakt hebben van de voorafbestaande toestand van multisegmentaire discopathie. Deze opstoot kan van plotse traumatische oorsprong zijn en staat naar alle waarschijnlijkheid in oorzakelijk verband met het relaas van de feiten. Er is dan ook duidelijk sprake van beïnvloeding van een voorafbestaande toestand door het ongeval van 11 april
  9. Deze beïnvloeding is evenwel van tijdelijke aard geweest : rekening houdend met het elektromyografisch onderzoek van 4 juli 2000 meent de deskundige met grote graad van zekerheid te kunnen stellen dat vanaf deze datum het tijdelijke sensibiliserend effect van de feiten van 11 april 2000 uitgedoofd is. Het deskundig verslag dat derhalve op redelijk en aanvaardbare wijze is opgesteld, wordt door de Rechtbank dan ook bijgetreden zodat dienovereenkomstig vonnis kan geveld worden.
  10. Het basisloon Ondergeschikt verzoekt verwerende partij tot opname in het vonnis van de modaliteiten van betaling, dit in plaats van de gebruikelijke vermelding van de graad en periode van tijdelijke werkongeschiktheid en dat het bedrag van het basisloon 32 524,95 EUR is gelimiteerd tot het wettelijk plafond. Verwerende partij stelt het volgende : Vanaf de dag die volgt op het begin van de arbeidsongeschiktheid heeft de getroffene, bij tijdelijke en algehele arbeidsongeschiktheid, recht op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90% van het gemiddeld dagbedrag. (art. 22,al. 1 AOW) Het gemiddeld dagbedrag is gelijk aan het basisloon gedeeld door 365 (art. 40, al. 1 AOW). In arbeidsongevallen zijn de uitkeringen forfaitair, en worden bepaald in functie van het (begrensde) basisloon van de getroffene, dat geacht wordt zijn economische waarde op de algemene arbeidsmarkt te weerspiegelen. Ingeval van tijdelijke en volledige arbeidsongeschiktheid wordt een (geïndexeerde) vergoeding toegekend, die gelijk is aan 90 % van het gemiddeld dagloon. Wanneer het slachtoffer een arbeidsovereenkomst heeft op voltijdse basis, dienen de vergoedingen uitgekeerd op het voltijds basisloon. Het omgekeerde is echter ook het geval: Indien het slachtoffer ten tijde van het ongeval in een halftijds regime werkt, dan zullen de vergoedingen slechts toegestaan worden op een halftijdse basis. (vergoedingen voor BWO worden daarentegen bij deeltijdse arbeid ook steeds verleend op basis van het loon van de voltijdse betrekking). In casu dient betaald te worden in wet op halftijdse basis, aldus per kalenderdag 90 % x 32 524,95/2 x 1/365 bruto, hetzij 90 % x 24.400,16/2 x 1/
  11. Vergoedingen TWO moeten slechts overeenkomstig de gedeeltelijke tewerkstelling toegestaan worden. In casu heeft eisende partij een arbeidsovereenkomst op voltijdse basis, maar werkt al jaren deeltijds en geniet deeltijds uitkeringen van het Ziekenfonds. In feite zit eisende partij in een deeltijds regime. Indien in casu verwerende partij vergoedingen zou uitkeren op het voltijdse basisloon, leidt dit tot feitelijke onrechtmatige gronden. Dit betekent in feite dat eisende partij méér ontvangt wanneer zij arbeidsonbekwaam is, dan wanneer zij werkt. Dit is de bedoeling van de wetgever niet, aldus verwerende partij . Hierbij merkt verwerende partij op dat dit ook wil zeggen dat zij dan het Ziekenfonds moet terugbetalen voor de periode dat eisende partij werkonbekwaam werd verklaard als gevolg van het ongeval. M.a.w. gedurende de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het arbeidsongeval, moet het Ziekenfonds GEEN uitkeringen betalen, terwijl zij dit al jaren hebben gedaan. In casu dient betaald te worden in wet op halftijdse basis, aldus per kalenderdag 90% x 32.524,95/2 x 1/365 bruto, hetzij 90 % x 24.400,16/2 x 1/
  12. Deze oplossing heeft inderdaad het voordeel dat eisende partij in vergelijking met voltijds werkende niet bevoorrecht wordt, aldus verwerende partij. Verwerende partij vraagt derhalve de modaliteiten van betaling op te nemen en te bepalen dat dient betaald te worden in wet op halftijdse basis, aldus per kalenderdag 90 % x 32 524,95/2 x 1/365 bruto, hetzij 90 % x 24.400,16/2 x 1/
  13. Eisende partij gaat niet akkoord met de stellingname van verwerende partij. Eisende partij stelt dat ze nog steeds in dienst was op basis van een voltijdse arbeidsovereenkomst. Gezien een voorafbestaande medische toestand ontving zij in het kader van een toegelaten arbeid een deeltijds loon, gecombineerd met uitkeringen uit de ziekteverzekering. Ze meent recht De Rechtbank kan het standpunt van verwerende partij niet bijtreden op grond van volgende redenen:
  14. Uit de stukken voorgebracht door eisende partij blijkt dat er op 1 januari 1983 een arbeidsovereenkomst werd afgesloten tussen de Univ. Instellingen Antwerpen - Akad. Ziekenhuis en eisende partij Uit de elementen van dit kontrakt (o.a. remuneratie) blijkt dat het in casu ging om een voltijdse tewerkstelling. Het kontrakt is welswaar afgesloten voor een bepaalde duur van 1 januari 1983 tot en met 31 januari 1983, maar onder artikel 3 : proeftijd, wordt verwezen naar een kontrakt voor onbepaalde duur mét ingang vanaf 1 februari
  15. Dit kontrakt voor onbepaalde duur wordt niet voorgelegd, maar er bestaat geen betwisting tussen partijen over het feit dat eisende partij vanaf 1 februari 1983 verder in dienst is gebleven met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur met voltijdse prestaties. Het kontrakt d.d. 1 januari 1983 bevat volgende clausule: art. 6 : Bijzondere bepalingen: "onderhavige arbeidsovereenkomst is slechts geldig mits gunstig geneeskundig onderzoek". Aangezien eisende partij zonder enig voorbehoud in dienst is getreden op 1 januari 1983 en verder onafgebroken is blijven werken na 1 februari 1983, mag aangenomen worden dat zij op dat ogenblik voldoende medisch geschikt was om voltijdse arbeidsprestaties te leveren.
  16. Eisende partij is werkonbekwaam geworden wegens ziekte in de loop van de maand juli 1997, na 14 jaar volledige arbeidsprestaties geleverd te hebben; zij werd bij haar ziekenfonds +66% werkonbekwaam verklaard vanaf 27 augustus 1997 (cfr. attest d.d. 29 augustus 2005 van de Christelijke Mutualiteit van Antwerpen). Vanaf 27 augustus 1998 is zij +66% invalide- RIZIV erkend. Op dat ogenblik was zij nog steeds verbonden met een arbeidsovereenkomst voor voltijdse prestaties met haar werkgever. Er is geen enkel formeel gegeven dat er een wijziging zou gebracht zijn aan de vorm van de arbeidsovereenkomst. Art. 31 § 1 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 bepaalt trouwens: "De onmogelijkheid van de werknemer om zijn werk te verrichten ten gevolge van ziekte of ongeval, schorst de uitvoering van de overeenkomst."
  17. Uit bovenvermelde verklaring van het Christelijk Ziekenfonds Antwerpen blijkt dat eisende partij in de loop van de maand september 1999 in het kader van een toegelaten beroepsarbeid het werk deeltijds heeft hervat. Het door verwerende partij betwiste arbeidsongeval dateert van 11 april
  18. In tegenstelling tot wat verwerende partij beweert werkte eisende partij op dat ogenblik dus nog geen jaren overeenkomstig een deeltijdse tewerkstelling, doch hoogstens een 8-tal maanden. Ingevolge de specifieke omstandigheden (zie infra) werkte eisende partij op het ogenblik van het betwiste arbeidsongeval weliswaar slechts deeltijds, doch zij was op dat ogenblik nog steeds verbonden met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met voltijdse arbeidsprestaties.
  19. De toegelaten beroepsarbeid verricht door eisende partij vindt zijn grond in art 100 van de Gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (B.S. 27 augustus 1994), meer specifiek in par. 2 van bovenvermeld artikel: " Wordt als arbeidsongeschikt erkend de werknemer die, onder de voorwaarden bepaald in de in art. 89,5° bedoelde verordening, een vooraf toegelaten arbeid hervat op voorwaarde dat hij, van geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50% behoudt." Om toelating te bekomen tot het uitoefenen van dergelijke beroepsactiviteit dient vooraf een aanvraag gericht te worden tot de Adviserend Geneesheer van de verzekeringsinstelling (art. 230 § 2 KB 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet van 14 juli 1994, B.S. 31 juli 1996). De omvang op zich van de toegelaten beroepsarbeid is niet wettelijk vastgelegd (zoals dit bv. wel het geval is in het kader van de pensioenregelingen), kan verschillen van gerechtigde tot gerechtigde en de aard, het volume en de bijkomende voorwaarden tot uitoefening van de beroepsarbeid worden bepaald door de Medisch Adviseur van de verzekeringsinstelling. De ongeschiktheidsuitkeringen worden in ieder geval steeds verminderd in verhouding tot de inkomsten uit de toegelaten beroepsarbeid.
  20. Op het ogenblik dat eisende partij de toegelaten beroepsarbeid aanvatte bevond zij zich in de zogenaamde "invaliditeitsperiode" en was zij voor meer dan 66% arbeidsongeschiktheid erkend door de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit. Hieruit kan echter niet afgeleid worden dat zij definitief als arbeidsongeschikt werd erkend. In het kader van de GVU-Wet is de notie "definitief" eerder een relatief begrip. Het stadium van "invaliditeit" is eerder een wettelijke-administratieve aanduiding: het stadium waarin een gerechtigde zich op dat ogenblik bevindt. Uit het in art. 94 GVU-Wet bepaalde volgt dat de staat van invaliditeit steeds beperkt is in de tijd. Een rechter kan derhalve niet wettig ten aanzien van een gerechtigde beslissen dat diens staat van invaliditeit definitief is. ( Cass. 3 mei 1993, R. W. 1993-94, 509). Zeker indien rekening gehouden wordt met de beperkte duur welke inmiddels was verlopen tussen de dag van de deeltijdse arbeidshervatting en de dag van het betwiste arbeidsongeval (een 8-tal maanden), kan niet gesteld worden dat eisende partij op dat ogenblik defintief onbekwaam zou geweest zijn om nog voltijdse arbeidsprestaties te leveren om reden van een definitieve arbeidsongeschiktheid.
  21. Artikel 34 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt: "Onder basisloon wordt verstaan het loon waarop de werknemer, in de functie waarin hij is tewerkgesteld in de onderneming op het ogenblik van het ongeval, recht heeft voor de periode van het jaar dat het ongeval voorafgaat. De referteperiode is maar volledig, wanneer de werknemer gedurende dat ganse jaar arbeid heeft verricht als een voltijdse werknemer. Voor de toepassing van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten gelden de definities van de arbeidsgegevens zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. (gewijzigd bij art.23, 1 ° en 2° KB 10 juni 2001 (B.S. 31 juli 2001 (eerste uitg.), met ingang van 1 januari 2003 en van toepassing op ongevallen die zich voordoen vanaf die datum (art.1 3° K.B. 5 november 2002, B.S. 20 november 2002, eerste uitg.). Tot voor deze datum bepaalde art.34 : " ....de referteperiode is maar volledig, wanneer de werknemer gedurende dat ganse jaar arbeid heeft verricht overeenkomstig de arbeidsregeling, die krachtens de wet of gebruik in de onderneming geldt als voltijdse arbeidsregeling." Art. 36 van de Arbeidsongevallenwet bepaalt: " Wanneer de referteperiode zoals bepaald bij artikel 34, tweede lid, onvolledig is of wanneer het loon van de werknemer wegens toevallige omstandigheden lager is dan het loon dat hij normaal verdient, wordt het loon waarop de werknemer recht heeft aangevuld met een hypothetisch loon voor de dagen, buiten de rustdagen, waarop de werknemer geen loon ontving ..." Art. 37 van de Arbeidsongevallenwet voorziet weliswaar in de beperking van het basisloon, doch dit artikel is enkel van toepassing voor zover de betrokkene krachtens een sociaal zekerheids- of sociaal voorzorgsstelsel uitkeringen geniet die slechts toegekend worden op voorwaarde dat de wettelijke vastgestelde perken van toegelaten arbeid voor gepensioneerden niet worden overschreden. Dit artikel dient inderdaad beperkend geïnterpreteerd te worden (zie: Cass. 30 juni 1976, J.T.T. 31 maart 1970, R.W. 1977, 1698, T.P.R. 1984, 1169, M. 90) Artikel 37 bis § 1 van de Arbeidsongevallenwet bepaalt: " Wanneer de getroffene is tewerkgesteld krachtens een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid, wordt het basisloon voor de berekening van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid vastgesteld uitsluitend met inachtneming van het loon dat verschuldigd is krachtens voormelde arbeidsovereenkomst." In casu is de stelling van verwerende partij niet te verzoenen met de ratio legis van artikel 37 van de Arbeidsongevallenwet. Verwerende partij argumenteert dus als volgt : "Wanneer het slachtoffer een arbeidsovereenkomst heeft op voltijdse basis, dienen de vergoedingen uitgekeerd te worden op het voltijds basisloon. Het omgekeerde is echter ook het geval: Indien het slachtoffer ten tijde van het ongeval in een halftijds regime werkt, dan zullen de vergoedingen slechts toegestaan worden op halftijdse basis... in casu heeft eisende partij een arbeidsovereenkomst op voltijdse basis, maar werkt al jaren deeltijds en geniet deeltijdse uitkeringen van het Ziekenfonds. In feite zit eisende partij in een deeltijds regime..." Verwerende partij verwart aldus de noties "arbeidsovereenkomst" en "regime van tewerkstelling". Art. 37 bis § 1 verwijst duidelijk naar de vorm van de arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid. Op het ogenblik van het betwiste arbeidsongeval was eisende partij verbonden met een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeidsprestaties. Deze arbeidsovereenkomst was eerst volledig en nadien gedeeltelijk geschorst wegens ziekte. Deze gedeeltelijke schorsing bedroeg op het ogenblik van het ongeval slechts enkele maanden en geen jaren zoals verwerende partij voorhoudt. Het is niet omdat het regime van de tewerkstelling gedurende een bepaalde periode afwijkt van de modaliteiten bepaald in de arbeidsovereenkomst dat daardoor de vorm van de arbeidsovereenkomst automatisch zou wijzigen. Het terzake geldende basisloon is dan ook het basisloon dat rekening houdt met een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeidsprestaties. Het basisloon bedraagt derhalve 32 524,95 EUR, zodat het wettelijk maximum basisloon De gevolgen van het arbeidsongeval dd. 11 april 2000 dienen vergoed te worden zoals hierna bepaald. OM DEZE REDENEN, DE ARBEIDSRECHTBANK, Recht doende ten gronde, in eerste aanleg en op tegenspraak. Na erover beraadslaagd te hebben. Alle andersluidende en strijdige conclusies verwerpend. Verklaart de eis IN HIERNABEPAALDE MATE GEGROND. ZEGT VOOR RECHT DAT eisende partij op 11 april 2000 in dienst van UZA het slachtoffer werd van een arbeidsongeval waarvan de gevolgen door verwerende partij dienen vergoed te worden op basis als volgt : - Arbeidsongeschiktheid VOLLEDIG van 11 april 2000 tot en met 4 juli 2000 - CONSOLIDATIE : op 5 juli 2000 met blijvende arbeidsongeschiktheid van NUL PROCENT (0 %). - BASISLOON : VIERENTWINTIG DUIZEND VIERHONDERD EURO EN ZESTIEN CENT (24 400,16 EUR) Veroordeelt derhalve verwerende partij tot betaling aan eisende partij van de wettelijke forfaitaire vergoedingen op bovenvermelde basis, verhoogd met de verwijlintresten op alle door haar verschuldigde bedragen vanaf hun vervaldatum tot aan de datum van de inleidende dagvaarding, zijnde 18 mei 2001 en met de gerechtelijke intresten vanaf deze laatste datum tot aan de dag van de betaling, hierbij verstaan zijnde dat de vergoedingen voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid te betalen zijn op basis van de bepalingen van art.22 en in overeenstemming met deze van art.23 van de Arbeidsongevallenwet , doch slechts verschuldigd zijn in de mate dat er loonverlies is geweest en voor zover zij niet reeds betaald werden. Legt de gedingkosten, hierin begrepen de kosten van het deskundig onderzoek, conform de wet, ten laste van verwerende partij deze tot op heden aan de zijde van eisende partij begroot op euro 69,21 dagvaardingskosten en aan de zijde van verwerende partij niet begroot. Verklaart dit vonnis voorlopig uitvoerbaar, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, noch kantonnement. de Griffier, de Voorzitter, M. VAN DEN BERGH H.BENIEST De Rechters in Sociale Zaken, F. DERIDDER J. LIBERT PDF document ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070315.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.