id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 28 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070628.27 Rolnummer: 2946/2005 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-05-29 Raadplegingen: 264 - laatst gezien 2026-07-02 15:53 Fiches 1 - 3 De essentiële elementen van pesterijen in de zin van de Pestwet zijn : (
- a)een gedrag dat van allerlei aard maar in elk geval onrechtmatig is - (
- b)dat terugkeert (het repetitieve karakter) - (
- c)tijdens de uitvoering van de arbeid (binnen of buiten de onderneming) - (
- d)met als doel of gevolg, de aantasting van de fysische of psychische integriteit of het in gevaar brengen van de betrekking of het creëren van een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving. Pesterijen opzichtens een werknemer bestaande in het eenzijdig wijzigen van de arbeidsplaats en functie en het dwingen tot inactiviteit kunnen de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst lastens de werkgever rechtvaardigen. De verschuldigde schadevergoeding stemt in dat geval overeen met de bezoldiging die de werknemer zou ontvangen hebben gedurende de periode waarin hij zonder werk gebleven zou zijn alvorens een gelijkwaardige betrekking te vinden, in casu de opzeggingstermijn. De bijzondere schadevergoeding waarop een werknemer op basis van artikel 32decies van de Welzijnswet aanspraak kan maken kan ex aequo et bono op euro 10.000 begroot worden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Vrije woorden: Arbeidsreglementering - welzijn op het werk - arbeidsovereenkomst - pestwet - schade en schadeloosstelling - III A B Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32ter - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Wet - 04-08-1996 - 32decies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Vrije woorden: Arbeidsreglementering - welzijn op het werk - arbeidsovereenkomst - pestwet - schade en schadeloosstelling - III AB Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32undecies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Nota: Gerangschikt onder III AB - artikel 32ter, artikel 32decies en onder artikel 32undecies Annotaties Publicaties: Limb Rl 2008 - - blz. 47-68 SRK 2008 - Paul Brasseur - speciaal nummer, blz. 743-749 SRK 2008 - Paul Brasseur - speciaal nummer, blz. 743-479 Tekst van de beslissing AR 2946/2005 Eerste blad DE ARBEIDSRECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN - EERSTE KAMER heeft het volgende vonnis uitgesproken INZAKE : L. D., bediende, eisende partij op hoofdvordering, verwerende partij op tegenvordering, verschijnend door Mr. S. Vandebroek loco Mr. J. Nulens, advocaat te 3500 Hasselt, Kolonel Dusartplein 34 bus 1 TEGEN V. S. BVBA, verwerende partij op hoofdvordering, eisende partij op tegenvordering, verschijnend door Mter J. Everaerts, advocaat te 3800 Sint-Truiden, Hoveniersstraat 26. Gezien de inleidende dagvaarding d.d.10.11.2005, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder Michaël DRIESKENS loco gerechtsdeurwaarder Guy GEMIS, met standplaats te Genk, voor de inleidende zitting van 13.12.2005. Gezien het verzoekschrift in toepassing van artikel 747§2 van het Gerechtelijk Wetboek, ten verzoeke van eisende partij neergelegd ter zitting van 13.10.2006. Gezien de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank van het arrondissement Tongeren, d.d. 7.11.2006, houdende bepaling van termijnen voor het neerleggen van conclusies, en vaststelling rechtsdag op 4.4.2007, overeenkomstig artikel 747§2 van het Gerechtelijk Wetboek. Gezien de op 8.11.2006 aan partijen verstuurde oproeping voor de openbare terechtzitting van 4.4.2007 volgens artikel 747§2 van het Gerechtelijk Wetboek. AR 2946/2005 Tweede blad Gezien de conclusies voor verwerende partij op hoofdvordering, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 11.12.2006, waarbij een tegenvordering wordt ingesteld strekkende tot gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Gezien de conclusies voor eisende partij op hoofdvordering, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 5.1.2007. Gezien de antwoordconclusies voor verwerende partij op hoofdvordering, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 12.2.2007. Gezien de syntheseconclusies voor eisende partij op hoofdvordering, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 22.2.2007. Gezien de wederantwoordconclusies voor verwerende partij, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 15.3.2007. Gezien de voor partijen neergelegde stukken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 4.4.2007, waarna de debatten gesloten werden en de betwisting gesteld werd voor neerlegging van het schriftelijk advies van het auditoraat ter zitting van 2.5.2007. Gezien het schriftelijk advies van Mevrouw Karin LOOS, substituut- arbeidsauditeur, voorgelezen ter zitting van 2.5.2007. Gezien de repliekconclusies voor eisende partij, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank op 10.5.2007. Gezien de repliekconclusies voor verwerende partij, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank op 30.5.2007. Men sprak de Nederlandse taal. De verzoeningspoging ter zitting is mislukt en partijen vorderen vonnis. VOORWERP VAN DE VORDERING Blijkens de inleidende dagvaarding, omvatte de hoofdvordering enerzijds een vordering tot staking, d.w.z. stopzetting van de daden van geweld, pesterijen, nader opgesomd in de inleidende dagvaarding, op straffe van een dwangsom van 500 EUR per dag vertraging, te rekenen vanaf 48 uren na de betekening van het tussen te komen vonnis, en anderzijds een vordering tot schadevergoeding, strekkende tot veroordeling van verwerende partij in betaling van een bedrag van 10.000 EUR ex aequo et bono, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, met inbegrip van de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding. AR 2946/2005 Derde blad Tevens wordt de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis gevorderd. Blijkens de laatste syntheseconclusies d.d. 22.2.2007 strekt de hoofdvordering ertoe: In hoofdorde De arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden lastens verwerende partij ( deze vordering werd reeds gesteld in de syntheseconclusies d.d. 5.1.2007) Verwerende partij te veroordelen in betaling van een bedrag van 54.471,72 EUR, samengesteld als volgt: - een schadevergoeding gelijk aan 29.331,60 EUR ingevolge de gerechtelijke ontbinding, meer de vergoedende en de gerechtelijke intresten tot en met de datum van algehele betaling - een schadevergoeding gelijk aan 25.000 EUR, ingevolge artikel 32 decies van de Welzijnswet, meer de wettelijke intresten en de gerechtelijke intresten vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid - de kosten voor de vaststellingen door de gerechtsdeurwaarder, gedaan op 14.9.2006 ten bedrage van 139,82 EUR In ondergeschikte orde De arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden lastens verwerende partij ( deze vordering werd reeds gesteld in de syntheseconclusies d.d. 5.1.2007) Verwerende partij te veroordelen in betaling van een bedrag van 32.472,72 EUR, samengesteld als volgt: - een schadevergoeding gelijk aan 7.332,90 EUR ingevolge de gerechtelijke ontbinding, meer de vergoedende en de gerechtelijke intresten tot en met de datum van algehele betaling - een schadevergoeding gelijk aan 25.000 EUR, ingevolge artikel 32 decies van de Welzijnswet, meer de wettelijke intresten en de gerechtelijke intresten vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid - de kosten voor de vaststellingen door de gerechtsdeurwaarder, gedaan op 14.9.2006 ten bedrage van 139,82 EUR In zeer ondergeschikte orde Te bevelen dat verwerende partij de daden van geweld en pesterijen op het werk stopzet binnen een door de rechtbank te bepalen termijn en met name dat: - Verweerster verplicht wordt eisende partij opnieuw te werk te stellen in de winkel in Genk waar zij van 1.10.1999 tot 29.8.2004 heeft gewerkt. Minstens dat zij wordt tewerkgesteld in een winkel die zich niet verder dan 15 km van haar woonplaats bevindt. AR 2946/2005 Vierde blad - Verweerster het verbod krijgt opgelegd om eisende partij over te plaatsen naar een ander filiaal tenzij omwille van redenen die daadwerkelijk verband houden met de noden van de onderneming, zoals in de arbeidsovereenkomst van 16.9.1999 werd bepaald. - Verweerster het verbod krijgt opgelegd om eisende partij te werk te stellen in een werkrooster dat haar 26 wekelijkse uren uitsmeert over de vijf werkdagen. Tevens dat verweerster het verbod krijgt opgelegd om het werkrooster van eisende partij om de haverklap te wijzigen. - Verweerster het verbod krijgt opgelegd om éénzijdig de functie van eisende partij te wijzigen, zodat eisende partij de taken kan uitoefenen waarvoor zij werd aangenomen als verkoopster. Dat eisende partij dus klanten mag bedienen en zich niet enkel dient bezig te houden met andere taken zoals brood snijden en bereidingen maken. - Verweerster het verbod krijgt opgelegd pesterijen en geweld door de loondirecteur V. M. en de zaakvoerder V.P. te laten plaatsvinden Dat deze maatregelen dienen opgelegd te worden onder verbeurte van een dwangsom van 500 EUR per dag vertraging, te rekenen vanaf 48 uren na de betekening van het tussen te komen vonnis. In uiterst ondergeschikte orde Eisende partij toe te laten tot het bewijs door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen: - Dat verweerster in de winkel in Genk steeds naar behoren heeft gepresteerd en dat zij niet werd overgeplaatst omdat er een kastekort zou zijn geconstateerd. - Dat verweerster haar personeel verplicht om bij een eventueel kastekort zelf het verschil bij te passen - Dat er in de winkel in Maasmechelen geen werk was voor eisende partij - Dat bij andere werknemers van verweerster wel rekening werd gehouden met de afstand tussen de arbeidsplaats en de woonplaats - Dat het uurrooster van eisende partij om de haverklap werd gewijzigd na haar overplaatsing uit de winkel in Genk - Dat eisende partij steeds werd belast met de moeilijkste uren, met name namiddagen en zaterdagwerk - Dat de huidige arbeidsongeschiktheid van eisende partij rechtstreeks gevolg is van de handelingen van verweerster - Dat Mevrouw M. V. zich regelmatig laatdunkend uitlaat over eisende partij. - Dat eisende partij en Mevrouw B. D. niet waren uitgenodigd op het personeelsfeest bij verweerster op het einde van het jaar 2004 AR 2946/2005 Vijfde blad - Dat naar aanleiding van de verjaardag van de echtgenote van P. V. iedereen in de winkel een gebakje of drankje kreeg aangeboden, behalve eisende partij - Dat op zaterdag 15.4.2006, de dag voor Pasen, iedereen een paasgebak kreeg, behalve eisende partij. Verwerende partij stelde anderzijds een tegenvordering in, strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder schadevergoeding, subsidiair met een schadevergoeding ten bedrage van een opzeggingsvergoeding van 6 maanden, begroot op 7.332,90 EUR. ONTVANKELIJKHEID De hoofdvordering werd naar vorm en inhoud regelmatig ingesteld en is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voorhanden tot het inroepen van een ambtshalve grond van onontvankelijkheid. Ook de tegenvordering is ontvankelijk. FEITEN Mevrouw L. is sedert 1.10.1999 als bediende-verkoopster in dienst van verwerende partij, welke verschillende filialen heeft voor de verkoop van brood en banket, al dan niet met verbruikzaal. De arbeidsovereenkomst voorziet dat Mevrouw L. wordt tewerkgesteld als verkoopster en onderhoud winkel, en dat de werkuren zijn vastgesteld op 26 uur per week tussen 7 uur en 19 uur. De individuele fiche voorziet elke week dezelfde uren van tewerkstelling, met name 5 uur op maandag, 5 uur op woensdag, 5 uur op donderdag, 5 uur op vrijdag en 6 uur op zaterdag. De plaats van tewerkstelling is blijkens de arbeidsovereenkomst: Genk, maar er wordt voorzien dat de werkgever naargelang van de noden van de onderneming de werknemer ook op andere plaatsen kan tewerkstellen. Vanaf haar indiensttreding tot einde augustus 2004 werkte eisende partij aldus vijf jaar als deeltijdse verkoopster in de winkel te Genk. Eisende partij stelde zich kandidaat als lid van het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk voor de sociale verkiezingen die in mei 2004 voor het eerst in de onderneming van verwerende partij plaatsvonden en waarbij zij enige kandidate was. AR 2946/2005 Zesde blad Nadat zij verkozen werd, stelt Mevrouw L. dat zij het slachtoffer werd van pesterijen op het werk, en met name vanaf de maand mei 2004. Aldus werd eisende partij sedert eind augustus 2004 van het ene filiaal naar het andere gestuurd. Zo werd ze achtereenvolgens op volgende plaatsen tewerkgesteld: - van 1.10.1999 t.e.m. 29.8.2004 te Genk - van 30.8.2004 t.e.m. 30.10.2004 te Hasselt - van 2.11.2004 t.e.m. 27.11.2004 te Maasmechelen - van 29.11.2004 t.e.m. 4.12.2004 te Hasselt - van 6.12.2004 t.e.m. 2.1.2005 te Tongeren - van 3.1.2005 tot eind september 2005 in de bakkerij te St.-Truiden - vanaf einde september 2005 naar de winkel in pralines en doopsuiker "Het S.H.". Op 23.9.2004 stelt het B.B.T.K. Limburg verwerende partij in gebreke onder volgende bewoordingen: " Betrokkene werd door onze organisatie voorgedragen als kandidate voor de sociale verkiezingen 2004 op de lijst van het C.P.B.W. U wijzigde eenzijdig de plaats van tewerkstelling (van Genk naar Hasselt) en de functie-inhoud (vroeger verkoop, nu bereidingen, afwassen.) Mogen wij U verzoeken bovenstaande wijzigingen te herstellen, zoniet zal betrokkene de arbeidsovereenkomst als door u verbroken beschouwen... .." Verwerende partij antwoordde bij schrijven van 30.9.2004 als volgt: "Omwille van reorganisatorische redenen zien wij ons genoodzaakt mevr. L. te verplaatsen, hetzij naar ons filiaal te Hasselt, waar zij de functie van verkoopster niet kan uitoefenen, gezien het aantal, hetzij naar onze winkel te Maasmechelen, waar de functie van verkoopster vacant is. Een gunstige oplossing tegemoet ziend, verblijven wij." Op 30.9.2004 schrijft de raadsman van eisende partij, verwerende partij aan als volgt: " Mijn cliënte is sedert 1.10.1999 als bediende-verkoopster in dienst van uw firma. Tot voor kort was zij als deeltijds bediende tewerkgesteld in de winkel te Genk, waar zij de functie van verkoopster uitoefende, zoals trouwens voorzien in haar arbeidsovereenkomst." Sedert zij zich kandidaat stelde bij de sociale verkiezingen, is uw houding evenwel volledig omgeslagen. Niet alleen deelde u haar mondeling mee dat u haar kandidatuurstelling allesbehalve kon appreciëren. Bovendien werd sedertdien haar uurrooster om de haverklap gewijzigd. AR 2946/2005 Zevende blad Daarbij komt nog dat U haar sedert vorige week eenzijdig opgedragen hebt om in Hasselt te gaan werken, daar waar haar tewerkstellingsplaats Genk was, alsook om een andere functie uit te oefenen, nl. bereidingen en afwassen, daar waar zij in Genk de functie van verkoopster uitoefende. Gelieve er nota van te nemen dat mijn cliënt deze eenzijdige wijziging van tewerkstellingsplaats en functie niet kan aanvaarden. ...." Verweerster antwoordde op 6.10.2004 onder volgende bewoordingen: " Vermits wij een noodzakelijke reorganisatie hebben moeten doorvoeren, gezien de situatie in onze winkel te Hasselt, en gezien er in onze winkel te Genk overbezetting bestond, was het voor ons noodzakelijk mevr. L. naar Hasselt over te plaatsen. Wat het omslaan van onze houding betreft, hiervan hebben wij helemaal geen weet, het wijzigen van de uurroosters is, gezien de nodige flexibiliteit, een steeds wederkerend gegeven. Steeds bereid tot verdere informatie, verblijven wij," Op 18.5.2005 deed eisende partij een eerste telefonische melding van pesterijen( zie dossier Auditoraat). Op basis van deze telefonische mededeling werd er beslist een algemene inspectie te doen bij verwerende partij naar de toepassing van de pestwetgeving. De dienst Toezicht op het Welzijn op het Werk stelde bij inspectiebezoeken op 2.6.2005 te Tongeren en op 7.6.2005 te St.- Truiden, vast dat verwerende partij geen enkele preventiemaatregel en/of structuur had binnen haar onderneming, met betrekking tot de wet van 11 juni 2002. De volgende inbreuken werden vastgesteld en schriftelijk bevestigd aan verwerende partij met het verzoek de nodige maatregelen te nemen om de toestand te regulariseren: - geen preventiemaatregelen betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag - geen risicoanalyse psychosociale aspecten - geen aanduiding van een preventieadviseur voor psychosociale aspecten. Verweerster werd aldus verplicht een contract af te sluiten met de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk. Dit werd uiteindelijk ENCARE PREVENT. ( vroegere GEDILO -IK) Op 28.6.2005 richtte eisende partij een klachtschrijven aan de Dienst Toezicht op het Welzijn op het Werk bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, waarin zij uitdrukkelijk vermeldt dat zij sinds 1.5.2004 het slachtoffer is van pesterijen uitgaande van V. M. stuk 6 eisende partij) AR 2946/2005 Achtste blad Deze klacht wordt formeel geregistreerd op 4.7.2005 zoals blijkt uit het schrijven van FOD, Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg d.d. 18.5.2006, gevoegd bij het bundel van het arbeidsauditoraat. Deze klacht wordt nogmaals bevestigd bij het schrijven van de raadsman van eisende partij d.d. 5.8.2005, onder volgende bewoordingen: "...Mijn cliënte is sedert 1.10.1999 als deeltijds verkoopster in dienst van V. S. BVBA, met zetel te 3700 TONGEREN, Ms 86. Sedert mijn cliënte kandidaat was bij de laatste sociale verkiezingen is de houding van de werkgever volledig omgeslagen. Waar zij tot augustus 2004 als verkoopster tewerkgesteld was in het filiaal te Genk en dit praktisch steeds in de middagpost, wordt zij sedert eind augustus 2004, van het ene filiaal naar het andere gestuurd en wordt zij dan in de voormiddag en nadien weer in de namiddag tewerkgesteld, zonder veel regelmaat. Zo werd zij sedert eind augustus 2004 achtereenvolgens tewerkgesteld in de filialen te Hasselt, Maasmechelen en St. Truiden en werd haar plaats te Genk ingenomen, door ofwel een interim ofwel door iemand die van een ander filiaal naar Genk, gedetacheerd werd. In ieder geval meen ik dat deze overplaatsingen niet zijn ingegeven door economische of organisatorische noodwendigheden. Bij huidig schrijven wenst mijn cliënte dan ook klacht in te dienen wegens pesterijen. ...." ( stuk 7 eisende partij) Op 13.7.2005 verzond verweerster volgende aangetekende zending aan Mevrouw L.: " Reeds herhaalde keren stellen wij vast dat U zich niet schikt naar de richtlijnen en opmerkingen van uw winkeloverste. Door uw nalatigheden en tegenwerkingen kunnen de HACCP procedures niet gevolgd worden en kunnen wij de voedselveiligheid niet verder garanderen. Tevens wijzen wij U erop dat Uw gedrag en het vele ziekteverzuim de sfeer bij uw collega's heeft verpest. Zij wensen aldus klacht neer te leggen bij de preventieadviseur. AR 2946/2005 Negende blad Wij dringen er dan ook op aan om onmiddellijk uw gedragingen aan te passen." Op 5.8.2005 richt de raadsman van eisende partij volgend aangetekend schrijven aan verweerster: "... Mijn cliënte maakt mij afschrift over van uw aangetekend schrijven d.d. 13.7.2005. Gelieve er nota van te nemen dat mijn cliënte formeel betwist dat zij zich niet zou houden of schikken naar de richtlijnen en opmerkingen van haar winkeloverste. Tevens betwist zij dat zij nalatig zou zijn of zou tegenwerken. Er wordt trouwens nergens geconcretiseerd waaruit deze nalatigheden of tegenwerkingen zouden bestaan. Ik dien in tegendeel vast te stellen dat u de pesterijen op de spits drijft. Waar mijn cliënte oorspronkelijk als verkoopster in de winkel tewerkgesteld was, wordt zij thans van het ene filiaal naar het andere gestuurd, nl. Hasselt, Maasmechelen en St. Truiden. Daarbij komt nog dat haar plaats als verkoopster te Genk een tijd lang zelfs ingenomen werd door een interim of andere vervangster. Dit bewijst mijns inziens duidelijk dat deze verplaatsingen zeker niet ingegeven zijn door economische of organisatorische noodwendigheden. Huidig schrijven geldt als officiële ingebrekestelling." Voor zover bekend, werd dit schrijven niet betwist door verwerende partij. Op 10.8.2005 zendt de raadsman van eisende partij volgende aangetekende zending aan verweerster: "... Blijkbaar vindt U het nodig de pesterijen t.o.v. haar nog meer op te drijven. Waar door de winkelverantwoordelijke van de winkel te St. Truiden, Mevrouw A. C., voor de maand augustus een werkrooster was uitgewerkt in het kader waarvan mijn cliënte per week 3 dagen van 8à9 uur diende te werken, heeft u vorige zaterdag dit werkrooster opnieuw overhoop gehaald. In plaats van haar arbeidsuren te verdelen over 3 werkdagen, worden deze thans opnieuw uitgesmeerd over 5 dagen. Bovendien werd haar opgedragen dat zij enkel nog brood mag snijden en geen activiteiten in de keuken meer mag verrichten en ook geen bediening van de klanten. Nochtans werd er noch door de klanten noch door de verantwoordelijke van de winkel te St. Truiden of haar collega's enige opmerking gemaakt over haar functioneren of over haar omgang met de klanten. Tevens blijkt dat mijn cliënte heden nog steeds niet haar loon voor de maand juli 2005 ontvangen heeft. Bij huidig schrijven stel ik U nogmaals in gebreke. AR 2946/2005 Tiende blad Gelieve er nota van te nemen dat bij gebreke aan positief gevolg aan deze ingebrekestellingen, ik mij verplicht zie deze zaak aanhangig te maken bij de arbeidsrechtbank." Voor zover de rechtbank bekend is, wordt ook dit schrijven niet betwist door verwerende partij. Mevrouw K. T., toenmalige externe preventieadviseur van verweerster, deed een onderzoek en stelde een verslag op in datum van 29.9.2005 waarbij onder meer het volgende werd gesteld ( stuk 11 eisende partij): "... Uit de verschillende gesprekken die ik met haar heb gehad, blijft het beeld hangen van een vrouw die zeker niet de bedoeling heeft schade te berokkenen aan het bedrijf maar wakker en wijs met de levenservaring die ze heeft opgedaan, door het leven gaat en daarin haar rechten en plichten kent. Uit de verschillende getuigenissen op de werkvloer worden de klachten met betrekking tot het ondermaats presteren en de negatieve houding van mevrouw D. L. niet bevestigd. Gezien de klachten zich zuiver situeren in de relatie tussen de werkgever en betrokkene zelf en gezien het zeer negatief geladen beeld van de werkgever ten aanzien van de persoon van mevrouw D. L., is het raadzaam haar de nodige mogelijkheden aan te reiken bijvoorbeeld in de vorm van een outplacement waarin hij haar de kans geeft om ander werk te vinden. Tevens is de werkgever gehouden om de klachtenprocedure, zoals voorzien in de wet van 11 juni 2002, met betrekking tot geweld, pesterijen en ongewenste intimiteiten op het werk, te verduidelijken, in het arbeidsreglement op te nemen en deze te communiceren naar het personeel. Het doorgeven van signalen over aspecten binnen het bedrijf die minder goed zouden functioneren en personen die zich niet goed voelen op het werk dienen mogelijk gemaakt te worden conform de wet zonder dat deze personen en de signalen die ze uitsturen op een negatieve wijze aangepakt worden. Het bevorderen van het welzijn van het personeel kan zeker het bedrijf ten goede komen." In het dossier van het arbeidsauditoraat bevindt zich tevens een handgeschreven nota van Mevrouw K. T. d.d. 29.9.2005 aan Mevrouw S. van de Dienst voor Toezicht op het Welzijn op het Werk, luidend als volgt: " Ik heb bij P. V. nogmaals aangedrongen tot mogelijkheden van bemiddeling. Hij blijft echter vasthouden aan zijn standpunt en vond het niet nodig hierover nog een gesprek te hebben. Ik heb dit hem dan ook aangetekend opgestuurd." AR 2946/2005 Elfde blad Op 28.10.2005 verstuurde de Dienst Toezicht op het Welzijn op het Werk een schriftelijke waarschuwingsbrief aan verweerster met de volgende verzoeken: - preventiemaatregelen te treffen en deze op te nemen in het arbeidsreglement en mee te delen aan de werknemers - het arbeidsreglement te vervolledigen met de klachtenprocedure, de gegevens van de preventieadviseur en de sancties - voor 30 november een omstandig verslag met voorstel van maatregelen te bezorgen aan de Dienst Toezicht op het Welzijn op het Werk ter oplossing. ( zie dossier arbeidsauditoraat) Op 8.10.2005 past verweerster haar arbeidsreglement aan op het vlak van afwezigheid door ziekte waarbij quasi dezelfde bewoordingen voorkomen als in de voorafgaande ingebrekestelling d.d. 13.7.2005 aan Mevrouw L.: ".... Het herhaaldelijk afwezig zijn door ziekte/ongeval, waardoor de organisatie van het werk verstoord wordt en de HACCP niet gegarandeerd is, kan na een schriftelijke ingebrekestelling, een reden voor ontslag uitmaken." Mevrouw L. heeft deze kennisgeving niet ondertekend. Op 10.11.2005 lanceert eisende partij huidige dagvaarding tot staking en schadevergoeding. Op 5.12.2005 maakte verweerster dan een schrijven over aan de Dienst voor Toezicht op het Welzijn op het Werk, waarin geen voorstel van maatregelen werd gedaan ter oplossing van het probleem van Mevrouw L.. ( zie verslag van Mevrouw S. d.d. 18.5.2006 aan het Directiehoofd- zich bevindend in het dossier van het arbeidsauditoraat) Uit gemeld verslag blijkt dat verweerster geen enkele poging deed om zich in de regel te stellen met betrekking tot de preventiemaatregelen en/of het zoeken naar een oplossing voor de klacht van eisende partij, alsmede dat de klachten inzake pesterijen bleven aanhouden: " ... Klaagster is niet op de hoogte gebracht door de werkgever over het resultaat van het onderzoek van de preventieadviseur en over een voorstel van maatregelen. Op 5 januari 2006 meldt klaagster telefonisch dat pesterijen doorgaan. Het voorbeeld is gegeven door de klaagster dat ze moet buiten gaan als de werkgever binnenkomt. De externe preventieadviseur meldt vervolgens dat het contract met de externe dienst door de werkgever is opgezegd. In november 2005 deed de werkgever moeilijk over de facturen. Klaagster meldt tenslotte telefonisch dat een minnelijke schikking is voorgesteld door de werkgever. Dit voorstel van de werkgever om 6 maanden loon uit te betalen is geweigerd door de klaagster. AR 2946/2005 Twaalfde blad Haar argumenten zijn de volgende: - het voorgesteld bedrag is onvoldoende voor de door haar toegebrachte financiële en morele schade - het overlevingspensioen dat ze geniet, kan niet worden gecumuleerd met een eventueel vervangingsinkomen na ontslag en de daarop volgende werkloosheid - haar statuut als vakbondsafgevaardigde - de sociale gevolgen van een ontslag en werkloosheid. Er is een tegenvoorstel gedaan door klaagster. 4. Opvolging Opvolging voor maatregelen te nemen door de werkgever en de aansluiting bij een externe preventiedienst is gepland. P. S. Attachée" Er worden geen stukken bijgebracht omtrent de verdere opvolging. Eind september 2005 werd Mevrouw L. zoals gezegd overgeplaatst naar de naast de bakkerij gelegen winkel in pralines en doopsuiker het S.H.. In het jaar 2006 stelt Mevrouw L. dat de pesterijen een hoogtepunt bereikten. In dit verband dient opgemerkt dat verwerende partij in de maand januari 2006 het contract met de Externe Dienst voor Preventie op het Werk, omwille van een te hoge kostprijs verbroken heeft. ( zie hoger Inspectieverslag attachée S. d.d.18.5.2006) Volgens verweerster was dit niet het geval en zou zij enkel tweemaal een factuur van ENCARE PREVENT hebben geprotesteerd, hetgeen leidde tot twee kredietnota's in de maand december 2006.( zie repliekconclusies verwerende partij) Het bewijs van het onafgebroken doorlopen van het contract met de Externe Dienst voor Preventie op het Werk, wordt evenwel niet bijgebracht. Bij het begin van het jaar 2006 bezorgde de Heer P. V. volgende nota aan alle winkels binnen de groep van verweerster: " Via deze weg willen wij het voltallige winkelpersoneel ( uitgezonderd L. D.) onze beste wensen meegeven voor 2006 met uiteraard een goede gezondheid, daar worden wij allemaal beter van.." (stuk 12 eisende partij) AR 2946/2005 Dertiende blad Op 21.3.2006 verjaarde de echtgenote van zaakvoerder P. V. en Mevrouw L. stelt dat iedereen in de winkel een gebakje of drankje kreeg aangeboden, behalve zij zelf. Verweerster stelt desbetreffend in conclusies dat het gebakje van Mevrouw L. klaarstond doch dat zij het niet kwam afhalen... Begin juni 2006 werden de pralines uit de winkel het S.H., waar Mevrouw L. tewerkgesteld was, verhuisd naar een winkel in het centrum, zodat eisende partij in een lege winkel zonder koopwaar stond. Uit stuk 15 van eisende partij blijkt dat in de maand september 2006 de opbrengst over twee weken 36,25 EUR bedroeg, hetgeen voor zichzelf spreekt. Op 14.9.2006 deed gerechtsdeurwaarder HEINES volgende vaststellingen inzake: " .. De enige koopwaar/voorraad dewelke ik in het winkelpand aantref zijn een partij oude poppen ( dewelke zich enkel in de vitrine bevinden) zes manden, 3 kleine huisjes in kunststof (vermoedelijk het peperkoeken huisje uit het sprookje "Hans en Grietje") en een kleine partij namaakbloemetjes; De winkel is voor het overige leeg; Alle rekken zijn leeg, met uitzondering van vier lege potten. Ik informeer bij verzoekster naar andere koopwaren; Verzoekster deelt mij mee dat de door mij opgesomde goederen de enige koopwaar zijn; Ik maak verzoekster attent op het feit dat aan de voorgevel vlaggen hangen met de opschriften "doopsuiker en pralines". Verzoekster deelt mij mede dat vroeger in deze winkel doopsuiker en pralines werden verkocht, doch dat zulk nu reeds geruime tijd niet meer het geval is. Verzoekster deelt mij mede dat zij quasi nooit cliënteel in de winkel ontvangt en dat zij de meeste dagen dient af te sluiten zonder enige ontvangsten." De winkel het S.H. zou sinds de maand januari 2007 gesloten zijn, sic Mevrouw L.. Dit wordt betwist door verwerende partij. Op 9.11.2006 richt de raadsman van Mevrouw L. een officieel schrijven aan de raadsman van verweerster inzake het niet uitbetaald zijn van het loon voor de maand oktober 2006. In het jaar 2005 was zij naar eigen zeggen wegens pesterijen arbeidsongeschikt van 5 tot 28 februari, van 1 tot 5 maart, van 18 tot 30 april, van 1 tot 18 mei, en 4 en 5 augustus of 63 dagen. In 2006 was Mevrouw L. arbeidsongeschikt van 24 tot 30 april, op 15 juli, van 14 tot 31 augustus, op 1 september, van 9 tot 31 december of 64 dagen. De arbeidsongeschiktheid van de maand december 2007 duurt verder tot op heden. AR 2946/2005 Veertiende blad Eisende partij brengt een niet gedateerd schrijven bij van verweerster aan haar huisarts M. S.: "Gezien de vele attesten - met voorbedachte data- en het feit dat Mevrouw L. haar collega's verwittigde dat ze binnenkort terug bedrieglijk ziek zou worden; waarvan schriftelijke verklaringen, leiden ons ertoe om U als behandelende geneesheer op de hoogte te brengen dat wij deze zaak overmaken aan onze raadsman. Gezien er mogelijk misbruik is, zullen wij tevens bij meerdere instanties en/of beleidsorganen aandringen op een onderzoek." Mevrouw L. klaagt in dit verband aan dat verweerster haar vroegere controledokter D. P. Ph., dewelke haar verschillende arbeidsongeschiktheden erkende, op een bepaald ogenblik werd vervangen door Dokter G., welke ondanks een onheuse behandeling, aan haar adres niet anders kon dan haar arbeidsongeschiktheid sinds december 2006 verder erkennen. Eisende partij zou sindsdien enkel kunnen terugvallen op haar overlevingspensioen, nu een cumul met een vervangingsinkomen niet is toegestaan. TEN GRONDE 1. BEROEPT EISENDE PARTIJ ZICH TERECHT OP DE PESTWET? JURIDISCHE PRINCIPES 1. Door de wet van 11 juni 2002 ( Pestwet) heeft de wetgever een aantal maatregelen ingevoerd met het oog op het voorkomen, behandelen en sanctioneren van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. De wet werd opgenomen in de Welzijnswet van 4 augustus 1996, die hierdoor werd uitgebreid met een hoofdstuk V bis. Het K.B. van 11 juli 2002 voorzag in de uitvoeringsmaatregelen. De wet en het K.B. traden in werking op 1 juli 2002. Artikel 32 ter van de Welzijnswet definieert pesterijen op het werk als: " elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden en bedreigingen, handelingen en gebaren, en eenzijdige geschriften, dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een ander persoon, waarop dit hoofdstuk van toepassing is bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd." AR 2946/2005 Vijftiende blad De essentiële elementen van pesterijen zijn: - een gedrag dat van allerlei aard maar in elk geval onrechtmatig is - dat terugkeert ( het repetitieve karakter) - tijdens de uitvoering van de arbeid ( binnen of buiten de onderneming) - met als doel of gevolg: * de aantasting van de fysieke of psychische integriteit * het in gevaar brengen van een betrekking * het creëren van een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving. De arbeidsrechtbanken geven een enge interpretatie aan het begrip "pesterijen". Er wordt een objectiveerbaar onrechtmatig gedrag vereist. De subjectieve beleving van de werknemer is niet bepalend voor de interpretatie van het begrip. ( Arbh. Brussel 16.10.2003, Ref 260) De arbeidsrechtbank van Leuven stelde: " De Welzijnswet beschermt geen persoonlijke perceptie maar wel de integriteit van een mogelijks gepeste werknemer enkel en alleen bij feitelijkheden die daartoe aanleiding kunnen geven." ( Arbrb Leuven, 3.6.2004, A.R. 3399/2002) ( VERHELST I. ,Twee en een half jaar Pestwet: een analyse van de rechtspraak, Oriëntatie nr. 2, februari 2005 blz. 26) Pesterijen worden niet gemeten in functie van een onvermijdelijk subjectief aanvoelen, maar van gedragingen die objectiveerbaar zijn in tijd en ruimte. ( Arbrb. Brussel, 30.11.2004, J.T.T 30.4.2005, blz. 200) De rechtspraak benadrukt dat pesterijen precieze herhaalde gedragingen inhouden en geen samenraapsel van verschillende gedragingen zijn. Elk gedrag dat als pesterij wordt ervaren, moet zich meer dan eens voordoen. Bovendien veronderstelt het repetitieve karakter, dat deze gedragingen onderworpen worden aan een beoordeling op langere termijn. (Arbh. Antwerpen, 7.6.2004, A.R. 2030577) De Arbeidsrechtbank van Antwerpen benadrukte dat pesterijen niet zijn gelijk te stellen met " de uitoefening van het hiërarchisch gezag, waarbij rechtmatige beleidslijnen worden uitgevoerd, wanneer die niet stroken met het persoonlijk verwachtingspatroon van een hiërarchisch ondergeschikte. (Arbrb. Antwerpen, 20.12.2004, A.R. 367413) 2.. Artikel 32 undecies van de Welzijnswet bepaalt: " Wanneer een persoon die een belang kan aantonen voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden, valt de AR 2946/2005 Zestiende blad bewijslast dat er zich geen geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk hebben voorgedaan, ten laste van de verweerder." Zoals uit de wettekst blijkt, dient de belanghebbende feiten aan te voeren die het bestaan van pesterijen kunnen doen vermoeden om te kunnen genieten van de omkering van de bewijslast. Zulks impliceert dat de loutere bewering van pestgedrag of het louter aanvoeren in de zin van poneren van feiten, niet als voldoende kan worden beschouwd. (A. WITTERS en I. VERHELST, Geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk: een analyse van de wet Onkelincx en uitvoeringsbesluiten, Oriëntatie, 2002, 247) Zulks impliceert dat de aangevoerde feitelijkheden voldoende in tijd en ruimte moeten omschreven zijn, en toe te rekenen zijn aan identificeerbare personen. Het slachtoffer zal dan ook moeten opgeven wanneer en door wie wat precies gezegd werd. (Arbh. Antwerpen, 7.6.2004, A.R. 2030577) Het slachtoffer van pesterijen heeft verschillende actiemogelijkheden: - het intern indienen van een klacht bij de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur - het indienen van een klacht bij de Medische Inspectie, bv. indien de werkgever niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan en geen preventieadviseur heeft aangesteld - het indienen van een klacht bij de politie, of het Openbaar Ministerie of de Arbeidsauditeur - het instellen van een vordering tot staken voor de arbeidsrechtbank - het instellen van een vordering tot schadevergoeding De vrijheid van de werknemer om een actiemiddel te kiezen wordt bevestigd in artikel 32 nonies van de Welzijnswet en artikel 15 van het KB. Alhoewel het voorafgaand volgen van de interne procedure niet vereist is om een vordering in te stellen voor de arbeidsrechtbank, vormt ze een belangrijk element bij de beoordeling. Uit de voorbereidende werken van de Pestwet blijkt wat de wetgever beoogde met het aannemelijk maken van feiten waardoor de bewijslast wordt omgekeerd: " de omkering van de bewijslast geldt alleen als de werknemer/slachtoffer kan aantonen dat hij een belang heeft. Dat zal hij moeten doen aan de hand van het verslag van de preventieadviseur en door toedoen van de verschillende personen die getracht hebben het probleem op te lossen binnen de onderneming." AR 2946/2005 Zeventiende blad Deze verantwoording zal geschieden "door de indiening van de rapporten van de preventieadviseur en de medische inspectie, die de elementen van geweld of pesterijen vaststellen." (Verslag namens de commissie voor sociale zaken bij het wetsontwerp betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, Parl. St., Kamer, 2001-2002, doc. 50, 1583/005, p. 35 e.v.) Hieruit kan afgeleid worden dat de wetgever veel belang hechtte aan de interne procedure omdat hierdoor meer elementen worden verschaft die het slachtoffer ten goede komen waardoor het vereiste begin van bewijs gemakkelijker wordt voorgelegd om de bewijslast te leggen bij de persoon die zich schuldig zou maken aan ongewenst gedrag. (Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, Parl. St. Kamer, 2001-2002, doc. 50, 1583/001,20) De rechtspraak sluit zich aan bij de stelling dat het vereiste begin van bewijs kan geleverd worden aan de hand van de verklaringen van het slachtoffer en van eventuele getuigen tijdens de interne procedure. De Arbeidsrechtbank van Antwerpen oordeelde dat het niet volgen van de interne procedure tot gevolg heeft dat, bij gebrek aan andere elementen of stukken, die het beweerd pestgedrag aannemelijk maken, er geen reden kan zijn om de bewijslast om te keren. Dit betekent geenszins dat de omkering van de bewijslast afhankelijk wordt gesteld van het volgen van de interne procedure, want dan zou een voorwaarde aan de wet worden toegevoegd. Het betekent enkel dat het voor het slachtoffer heel wat moeilijker wordt om de feiten aannemelijk te maken en dat hij zich hiervoor zal moeten baseren op andere bewijsstukken. (Arbrb. Antwerpen, 20.12.2004, A.R. 367413) De arbeidsrechtbank van Brussel stelde in haar vonnis van 30.11.2004: "Om te genieten van de omkering van de bewijslast bepaald in artikel 32 undecies van de wet van 4 augustus 1996, moet de werknemer feiten inroepen die voldoende nauwkeurig beschreven zijn in tijd en ruimte: getuigschriften in verband met de context, de omgeving en de sfeer op het werk volstaan niet om een vermoeden van pesterijen te weerhouden. Dit geldt des te meer wanneer de werknemer naliet een klacht in te dienen bij de gespecialiseerde preventieadviseur, wat een grotere objectivering van de verwijten mogelijk had gemaakt, en hij pas meerdere maanden na de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst, klaagde over pesterijen, terwijl hij reeds geruime tijd arbeidsongeschikt was." ( Arbrb. Brussel, 30.11.2004, J.T.T. 30.4.2005, blz. 200) AR 2946/2005 Achttiende blad TOEPASSING IN CASU 1. Eisende partij stelt dat het pestgedrag ten haren opzichte een aanvang nam in mei 2004 nadat zij zich kandidaat had gesteld voor de sociale verkiezingen, die in mei 2004 voor het eerst in de onderneming van verweerster plaatsvonden. Zoals hoger gesteld, is het volgen van de interne procedure van groot belang voor wat betreft de omkering van de bewijslast. Op 28.6.2005 richtte eisende partij een klachtschrijven aan de Dienst Toezicht op het Welzijn op het Werk bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, waarin zij melding maakt van pesterijen sinds 1.5.2004. Op 4.7.2005 is de formele klacht wegens pesterijen geregistreerd door de Dienst Toezicht op het Welzijn op het Werk. Het kan in casu aan eisende partij niet verweten worden dat zij de interne procedure niet gevolgd heeft, gezien zij hiertoe de mogelijkheid niet had. Verweerster nam geen preventiemaatregelen, had geen preventieadviseur aangesteld en had geen contract met een Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk. Na de inspectiebezoeken van 2.6.2005 en 7.6.2005 werd verweerster aldus verplicht om de nodige maatregelen te nemen ter regularisatie van de toestand. Dit werd uiteindelijk ENCARE PREVENT. Voorafgaandelijk aan haar formele klacht trachtte Mevrouw L. binnen het bedrijf van verweerster al tot een gesprek te komen, zoals blijkt uit de door haar ingevulde vragenlijst naar aanleiding van haar klacht, waarin zij vermeldde dat zij met moeder V. gesproken had over haar problemen, doch dat dit niet leidde tot een oplossing. Mevrouw L. haalde een aantal concrete feiten aan (waarover verder meer) welke pesterijen deden vermoeden. De externe preventieadviseur van verweerster, Mevrouw K. T. voegde aan haar formeel verslag d.d. 29.9.2005 een handgeschreven nota ten behoeve van Mevrouw S., attachée van de Dienst Toezicht op het Welzijn op het werk, waaruit bleek dat verdere bemiddelingspogingen faalden door de houding van de Heer Peter V. die vasthield aan zijn standpunt en het niet nodig vond nog verdere gesprekken te hebben. Uit het verslag van Mevrouw T. bleek anderzijds dat de klachten van de werkgever met betrekking tot het ondermaats presteren en de AR 2946/2005 Negentiende blad negatieve houding uit de verschillende getuigenissen niet werden bevestigd. De zinsnede in het verslag van Mevrouw T.: " Gezien de klachten zich zuiver situeren in de relatie tussen de werkgever en betrokkene zelf en gezien het zeer negatief geladen beeld van de werkgever ten aanzien van de persoon van mevrouw D. L., is het raadzaam haar de nodige mogelijkheden aan te reiken bijvoorbeeld in de vorm van een outplacement waarin hij haar de kans geeft om ander werk te vinden" spreekt voor zichzelf. Ondanks een schriftelijke waarschuwingsbrief d.d. 28.10.2005 van de Dienst Toezicht op het Welzijn op het Werk, formuleerde verweerster in haar schrijven d.d. 5.12.2005 geen voorstel van maatregelen ter oplossing van de klacht van Mevrouw L.. Het feit dat eisende partij de procedure inleidde op 10.11.2005 biedt verwerende partij geen verontschuldiging gezien zij voordien voorstellen tot regeling had kunnen doen. Uit het inspectieverslag d.d. 18.5.2006 van Mevrouw S. van de Dienst Toezicht op het Werk, blijkt dat Mevrouw L. telefonisch meldde dat de pesterijen doorgingen, alsmede dat verweerster het contract met de externe preventieadviseur opzegde. Uit het voorgaande blijkt dat het aan verweerster ligt dat er geen oplossing kon worden gevonden.... Eisende partij stelt integendeel dat het pestgedrag nog verder zou escaleren. Eisende partij heeft in de mate van het mogelijke de verschillende actiemogelijkheden tot een minnelijke oplossing van het aangeklaagde pestgedrag uitgeput, zodat een dagvaarding voor de arbeidsrechtbank de enige mogelijkheid bleek, nu de werkgever zelf elk gesprek onmogelijk maakte. 2. Eisende partij haalt naar het oordeel van de rechtbank inderdaad een aantal feiten aan die pesterijen laten vermoeden. 2.1. Het overplaatsen van het ene naar het andere filiaal en het eenzijdig wijzigen van de functie-inhoud Het wordt niet betwist dat eisende partij vanaf haar indiensttreding op 1.10.1999 onafgebroken als verkoopster gedurende 26 uur per week werkte in de winkel in Genk, waar zij blijkens de arbeidsovereenkomst eveneens diende in te staan voor het onderhoud van de winkel. Deze situatie veranderde in het jaar 2004. Zo werd ze achtereenvolgens overgeplaatst naar volgende plaatsen: AR 2946/2005 Twintigste blad - van 30.8.2004 t.e.m. 30.10.2004 te Hasselt - van 2.11.2004 t.e.m. 27.11.2004 te Maasmechelen - van 29.11.2004 t.e.m. 4.12.2004 te Hasselt - van 6.12.2004 t.e.m. 2.1.2005 te Tongeren - van 3.1.2005 tot eind september 2005 in de bakkerij te St.-Truiden - vanaf einde september 2005 naar de winkel in pralines en doopsuiker "Het S.H.". Verwerende partij werd hieromtrent een eerste maal in gebreke gesteld op 23.9.2004, waar de eenzijdige overplaatsing van Genk naar Hasselt werd aangeklaagd, alsmede de wijziging van functie-inhoud. ( vroeger verkoop, nu bereidingen, afwassen). Verwerende partij antwoordde desbetreffend op 30.9.2004 dat de overplaatsing van Genk naar Hasselt gebeurde om organisatorische redenen en gaf toe dat de functie-inhoud te Hasselt inderdaad gewijzigd werd, gezien er voldoende verkoopsters waren in de winkel te Hasselt. Een mogelijke overplaatsing naar Maasmechelen werd aangekondigd waar de functie van verkoopster vacant was. De raadsman van eisende partij stelde verweerster hieromtrent eveneens in gebreke op 30.9.2004, waarop verweerster op 6.10.2004 antwoordde dat de overplaatsing naar Hasselt noodzakelijk was, gezien de situatie ter plaatse, terwijl er in de winkel te Genk overbezetting was. In een navolgend aangetekend schrijven van 5.8.2005 en 9.8.2005 klaagt de raadsman van eisende partij de navolgende overplaatsingen aan naar de filialen van Hasselt, Maasmechelen en St. Truiden, met de vermelding dat er geen sprake kon zijn van overplaatsingen wegens economische of organisatorische noodwendigheden, gezien de plaats als verkoopster te Genk zelfs een tijd lang werd ingenomen door een interim of een andere vervangster. Dit schrijven wordt door verwerende partij niet betwist... In een volgend aangetekend schrijven d.d. 10.8.2005 klaagt de raadsman van eisende partij de veranderingen in het werkrooster aan, alsmede dat haar zou zijn opgedragen dat zij enkel nog brood mocht snijden en geen activiteiten meer mocht doen in de keuken en ook geen bediening van klanten, alhoewel de verantwoordelijke van de winkel ter plaatse en de andere collega's geen opmerkingen hadden over het functioneren van eisende partij of over haar omgang met de klanten. Ook dit schrijven werd door verwerende partij niet betwist. Verwerende partij tracht in huidige procedure de herhaalde overplaatsingen te verantwoorden door te stellen dat er herhaalde kas- en stocktekorten waren in de winkel te Genk en dat zij daarom precies werd overgeplaatst, gezien het vermoeden dat eisende partij hiervoor verantwoordelijk was. AR 2946/2005 Eenentwintigste blad Verwerende partij tracht dit te staven door een aangetekend schrijven d.d. 5.2.2003 aan de verantwoordelijke R. V. van het filiaal te Genk, waarin gesteld wordt: " ... Wij hebben vastgesteld dat voor het jaar 2002 enkel de maand november korrekt was wat betreft de kaskontrole. Voor de overige maanden hebben wij een tekort genoteerd tbv 2.500,00 Eur. U begrijpt dat deze situatie onhoudbaar is en dat in geval van herhaling in de loop van 2003 de gepaste maatregelen zullen worden genomen." Naar het oordeel van de rechtbank is de gegeven uitleg manifest onjuist gezien er geen enkele reden is om eisende partij in augustus 2004 over te plaatsen voor beweerde kastekorten waarvoor zij verantwoordelijk werd geacht in het jaar 2002. De herhaalde overplaatsingen, welke aanvankelijk slechts voor zeer korte periodes golden en waarvoor verweerster geen economische noodwendigheden kan aanhalen, nijgen naar willekeur, en laten naar het oordeel van de rechtbank pesterijen vermoeden. Eisende partij, welke woonachtig is in As en gedurende jaren vlakbij huis werkzaam was in het filiaal te Genk, wordt vanaf augustus 2004 overgeplaatst naar andere filialen die manifest veel verder verwijderd zijn van haar woonplaats, zodat zij blijkens het door verweerster onder nr. 2 bijgebrachte stuk, dagelijks een verplaatsing van 49 km x 2, of 98 km diende te maken. Blijkens de routeplanner bedraagt de afstand van As naar St. Truiden 57 km, hetgeen een reisduur van ongeveer 40 minuten vereist, terwijl de afstand van As naar Genk 8,5 km bedraagt en kan gedaan worden op 9 minuten. Uit het door verweerster bijgebrachte stuk 2 blijkt ook dat de afstand tussen woon- en werkplaats voor Mevrouw L. veel groter is dan voor het merendeel van de andere werknemers. Objectief kan inderdaad de vraag gesteld worden waarom het nodig is dat eisende partij welke gedurende meer dan 4 jaren op 9 km van haar woonplaats werkte, sinds 2004 ineens op meer dan 50 km van huis dient te werken..... Blijkens de bijgebrachte individuele rekeningen kreeg eisende partij hiervoor de minimumvergoeding, waarbij het de rechtbank opvalt dat de individuele rekeningen nog steeds "Genk" als plaats van tewerkstelling vermelden... Blijkens de arbeidsovereenkomst worden de 26 te presteren uren verspreid over 5 dagen, terwijl verweerster anderzijds in conclusies toegeeft dat eisende partij gedurende een bepaalde tijd haar uren op 3 dagen mocht presteren..... AR 2946/2005 Tweeëntwintigste blad Nadien werden de te presteren uren klaarblijkelijk terug verspreid over 5 dagen. Alhoewel dit werd overeengekomen in de arbeidsovereenkomst, is de spreiding van de arbeidsprestaties over 5 werkdagen voor eisende partij veel zwaarder, nu zij gezien de gewijzigde arbeidsplaats aldus gedurende 5 werkdagen zware kosten heeft aan verre verplaatsingen ( waar slechts een minimale vergoeding tegenover staat) en een kleine 2 uur per dag verliest. Indien er geen aangetoonde noodwendigheden voor de onderneming zijn, kan de eenzijdige wijziging van de plaats van tewerkstelling naar een veel verder afgelegen plaats als een vermoeden van pesterijen beschouwd worden..... Daarbij komt nog dat ook de functie-inhoud van eisende partij werd aangepast, hetgeen verweerster ook toegaf, zonder hiervoor economische noodwendigheden aan te tonen. Het komt naar het oordeel van de rechtbank daarenboven vernederend over voor eisende partij, als zij op een bepaald ogenblik zelfs geen klanten meer mag bedienen, hetgeen niet betwist werd door verwerende partij. De rechtbank heeft de stellige indruk dat de acties van verwerende partij tot doel hadden eisende partij te demotiveren, zodat zij haar ontslag zou indienen.... De laatste overplaatsing van eisende partij van de bakkerswinkel naar de winkel het SOETE-HUYS in St. Truiden in september 2005 tart naar het oordeel van de rechtbank elke verbeelding. Waar eisende partij klaarblijkelijk aanvankelijk nog bepaalde taken kon vervullen in de verkoop van doopsuikers en pralines, werd zij vanaf de maand juni 2006 op non-actief gezet in een lege winkel zonder koopwaar.... Eisende partij toont dit voldoende aan door de vaststellingen van gerechtsdeurwaarder HEINES d.d. 14.9.2006. Ook de bijgebrachte kasticketten over een periode van 14 dagen in de maand september 2006 tonen aan dat de omzet omzeggens nihil was. Verwerende partij stelt in conclusies thans dat de winkel niet leeg was doch in uitverkoop en er in het achterliggende magazijn nog veel koopwaar staat.... Indien dit inderdaad zo zou zijn, blijkt hier eens te meer een gedrag van verweerster dat naar pesten nijgt.... Indien men uitverkoopt, is het toch niet normaal om eisende partij in een lege winkel te zetten, terwijl er nog zoveel koopwaar uit het achterliggende magazijn zou dienen verkocht te worden... 2.2. Het overige personeel tegen eisende partij opzetten Eisende partij brengt hiervoor een aantal concrete aanwijzingen bij. AR 2946/2005 Drieëntwintigste blad In dit verband kan verwezen worden naar de ingebrekestelling d.d. 13.7.2005 van verwerende partij, waarin werd gesteld dat eisende partij zich niet schikte naar de richtlijnen en opmerkingen van de winkeloverste. Gemeld schrijven stelt verder: "Door uw nalatigheden en tegenwerkingen kunnen de HACCP- procedures niet gevolgd worden en kunnen wij de voedselveiligheid niet verder garanderen. Tevens wijzen wij U erop dat uw gedrag en het vele ziekteverzuim de sfeer bij uw collega's heeft verpest. Zij wensen aldus klacht neer te leggen bij onze preventieadviseur" Het schrijven van 13.7.2005 maakt het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat verweerster eisende partij in een slecht daglicht stelde bij haar collega's.... Gemeld schrijven werd formeel betwist door de raadsman van eisende partij, met name ingevolge de aangetekende zendingen d.d. 5 en 9.8.2005. Verwerende partij heeft haar vage beschuldigingen nooit hard gemaakt en de aangekondigde klacht van de collega's kwam er niet... Anderzijds is er de berichtgeving van verweerster bij de jaarwisseling van 2005/2006: " Via deze weg willen wij het voltallig winkelpersoneel ( uitgezonderd L. D.) onze beste wensen meegeven voor 2006 met uiteraard een goede gezondheid, daar worden wij allemaal beter van.." Tenslotte is het maar al te toevallig dat het enkel Mevrouw L. was die op 21.3.2006 en met Pasen geen gebak kreeg aangeboden.... De uitleg van verweerster dat een en ander klaarstond maar door Mevrouw L. niet werd afgehaald, overtuigt de rechtbank niet. Het is duidelijk dat een dergelijke sfeerschepperij eisende partij isoleert van haar collega's... De totale isolatie van eisende partij in de winkel het S.H. is het sluitstuk.... In dit opzicht spreekt het verslag van de toenmalige externe preventieadviseur van verwerende partij d.d. 29.9.2005 voor zichzelf: "... Uit de verschillende gesprekken die ik met haar heb gehad, blijft het beeld hangen van een vrouw die zeker niet de bedoeling heeft schade te berokkenen aan het bedrijf maar wakker en wijs met de levenservaring die ze heeft opgedaan, door het leven gaat en daarin haar rechten en plichten kent. Uit de verschillende getuigenissen op de werkvloer worden de klachten met betrekking tot het ondermaats presteren en de negatieve houding van mevrouw D. L. niet bevestigd. AR 2946/2005 Vierentwintigste blad Gezien de klachten zich zuiver situeren in de relatie tussen de werkgever en betrokkene zelf en gezien het zeer negatief geladen beeld van de werkgever ten aanzien van de persoon van mevrouw D. L., is het raadzaam haar de nodige mogelijkheden aan te reiken bijvoorbeeld in de vorm van een outplacement waarin hij haar de kans geeft om ander werk te vinden...." 2.3. Acties met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid van eisende partij Uit de individuele rekening, welke verweerster bijbracht voor het jaar 2004, blijkt dat eisende partij tot augustus 2004 geen enkele dag ziekteverlet had. Vanaf dan zijn er geregelde arbeidsongeschiktheden met een depressiebeeld. Sinds december 2006 kon eisende partij niet meer aan het werk. Mevrouw K. T. vermeldt reeds in haar verslag d.d. 20.9.2005: ".... De hiermee gepaard gaande sterke druk waar zij ( Mevrouw L.) weerstand dient aan te bieden, leidt tot een aantal negatieve stresssignalen." In dit verband dient opgemerkt te worden, dat in tegenstelling met wat verweerster beweert, de herhaalde arbeidsongeschiktheden een financiële ramp betekenen voor Mevrouw L., gezien zij geen ziekte-uitkeringen kan combineren met het overlevingspensioen dat zij ontvangt. In dit opzicht is het opvallend dat na de aangetekende zending van 13.7.2005, waarin aan eisende partij nalatigheden en tegenwerkingen werden verweten, waardoor de HACCP procedures niet gevolgd konden worden, alsmede haar vele ziekteverzuim werd aangeklaagd, er op 8.10.2005 een aanpassing komt van het arbeidsreglement met betrekking tot afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid tengevolge ziekte of ongeval, waarbij ogenschijnlijk Mevrouw L. in concreto wordt geviseerd. In het gewijzigde arbeidsreglement wordt onder meer bepaald: " Bij herhaalde tekortkomingen aan de in het ganse artikel 11 opgenomen verplichtingen door de werknemer, zal de werkgever dit beschouwen als een dringende reden, die een ontslag zonder uitbetalen van een verbrekingsvergoeding en zonder het naleven van een opzeggingstermijn mogelijk maakt." Hier wordt dan aan toegevoegd in bewoordingen die verdacht gelijken op de "ingebrekestelling" die eisende partij op 13.7.2005 mocht ontvangen: " Het herhaaldelijk afwezig zijn door ziekte/ongeval, waardoor de organisatie van het werk verstoord wordt en de HACCP niet gegarandeerd is, kan na een schriftelijke ingebrekestelling een reden voor ontslag uitmaken." AR 2946/2005 Vijfentwintigste blad De door verwerende partij ingeschakelde controlegeneesheren konden klaarblijkelijk niet anders dan de arbeidsongeschiktheden van eisende partij bevestigen. In deze omstandigheden vindt verweerster het nodig volgend schrijven te richten aan de persoonlijke huisarts van Mevrouw L., in de persoon van S. M.: "Gezien de vele attesten - met voorbedachte data- en het feit dat Mevrouw L. haar collega's verwittigde dat ze binnenkort terug bedrieglijk ziek zou worden; waarvan schriftelijke verklaringen, leiden ons ertoe om U als behandelende geneesheer op de hoogte te brengen dat wij deze zaak overmaken aan onze raadsman. Gezien er mogelijk misbruik is, zullen wij tevens bij meerdere instanties en/of beleidsorganen aandringen op een onderzoek." Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijk schrijven op zijn minst ongebruikelijk en alleszins ongepast en maakt ook dit element pesterijen door verwerende partij opzichtens Mevrouw L. aannemelijk. Inzake brengt eisende partij voldoende elementen bij, welke pesterijen laten vermoeten, hetgeen niet weerlegd werd door eisende partij. Allerhande onrechtmatige gedragingen werden genoegzaam aangetoond. 3. In casu kan niet ontkend worden dat het pestgedrag zijn oorsprong vindt in de voormelde herhaalde gedragingen over de periode van 1.5.2004 tot (voorlopig) 15.12.2006. Er is dus voldaan aan het vereiste repetitief karakter. Anderzijds vereist artikel 32 ter van de Welzijnswet dat het pestgedrag ervoor zorgt dat: - de persoonlijkheid, de waardigheid en de fysieke of psychische integriteit van eisende partij bij de uitvoering van haar werk wordt aangetast - dat haar betrekking in gevaar wordt gebracht - dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd. Dit is in casu naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk het geval. Het is opvallend dat de arbeidsongeschiktheden van eisende partij slechts een aanvang nemen vanaf augustus 2004, op welk ogenblik zij wordt overgeplaatst van het filiaal te Genk naar het filiaal te Hasselt.... AR 2946/2005 Zesentwintigste blad Zoals reeds gezegd is eisende partij sindsdien regelmatig arbeidsongeschikt en leidt zij onder hevige stress en depressiesymptomen... Mevrouw K. T. vermeldde de zware druk waaraan eisende partij onderhevig was reeds in haar verslag d.d. 20.9.2005: ".... De hiermee gepaard gaande sterke druk waar zij ( Mevrouw L.) weerstand dient aan te bieden, leidt tot een aantal negatieve stresssignalen." Uit het voorgaande blijkt dat de subtiele pesterijen naderhand zijn opgedreven en dat verdere bemiddelingen in het kader van een interne procedure door verweerster onmogelijk gemaakt werden gezien de samenwerking met de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming, omwille van " een te hoge kostprijs" werd beëindigd. Verwerende partij stelt dat er nooit een einde aan de samenwerking met de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming is gekomen, doch brengt hier niet het minste bewijs van bij. Eisende partij heeft zich klaarblijkelijk weten staande te houden totdat zij in de lege winkel " Het S.H." diende te werken, waarna zij thans reeds meer dan 6 maanden arbeidsongeschikt is. Eisende partij stelt dat zij thans aan haar fysisch en psychisch welzijn dient te denken en er haar thans niets anders rest dan om in rechte te vragen om de arbeidsovereenkomst met verweerster te ontbinden. Ook verwerende partij ziet een verdere samenwerking niet zitten en streeft een ontbinding van de arbeidsovereenkomst na. BESLUIT Eisende partij maakt de pestfeiten aannemelijk, zodat de bewijslast wordt omgekeerd en het aan verwerende partij is om te bewijzen dat de aangevoerde feiten geen pesterijen uitmaken. Verwerende partij faalt hierin. De pesterijen lastens eisende partij worden door de rechtbank aldus aangenomen. 2. WAT BETREFT VORDERING IN ONTBINDING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST MET EEN SCHADEVERGOEDING GELIJK AAN 29.331,60 EUR, IN ONDERGESCHIKTE ORDE GELIJK AAN 7.332,90 EUR Het betreft hier de hoofdvordering terwijl de ontbinding van de arbeidsovereenkomst eveneens bij tegenvordering wordt gevorderd. Op tegenvordering is verwerende partij in ondergeschikte orde akkoord met een schadevergoeding ten zijnen laste van 7.332,90 EUR. AR 2946/2005 Zevenentwintigste blad 1. Overeenkomstig artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, kan elk van de partijen bij een wederkerige overeenkomst de ontbinding in rechte vorderen van deze overeenkomst, ingeval de andere partij haar verbintenissen niet nakomt. Ook de door een arbeidsovereenkomst verbonden partijen kunnen de gerechtelijke ontbinding daarvan vorderen met toepassing van artikel 1184 van het B.W. (Cass. 23.11.1981, R.W. 1981-1982, 1405) De beëindiging van de arbeidsovereenkomst door gerechtelijke ontbinding vereist in elk geval dat één van de partijen haar verbintenissen in vrij belangrijke mate niet nakomt, waarover de feitenrechter op in cassatie onaantastbare wijze oordeelt. (Arbeidshof Brussel 31.1.1989, R.W. 1989-1990, 21) Een arbeidsovereenkomst kan niet ontbonden worden indien één der partijen slechts een onbelangrijke tekortkoming kan verweten worden. Veeleer dient onderzocht te worden of de andere partij de arbeidsovereenkomst zou gesloten hebben, indien zij deze tekortkoming had kunnen voorzien. ( Arbrb. Brussel 5.9.1983, J.T.T. 1985, 18 noot) De fout die voldoende zwaar wordt geacht om de gerechtelijke ontbinding te verantwoorden, is een ruimer begrip dan de zware fout, die een dringende reden uitmaakt. (Arbh. Luik, 15.11.2001, Soc. Kron. 2003, 37, Arbh. Luik 3.6.2003, J.T.T. 2004,21 en de andere rechtspraak waarnaar verwezen wordt in VAN EECKHOUTTE, Sociaal Compendium, 03-04, Arbeidsrecht, Band II, blz. 1441, nr. 5007) Wel is vereist dat de fout reële ernst vertoont en schade berokkent aan de belangen van de medecontractant. ( Arbh. Bergen, 10.8.1989, J.T.T. 1990, 343) Zo werd geoordeeld dat de gerechtelijke ontbinding mogelijk is in geval van tewerkstelling in onaangepaste arbeidsvoorwaarden, zelfs al werden de bepalingen van de A.R.A.B. gerespecteerd. ( Arbh. Bergen, 13.2.1981, R.R.D. 1981, 201) Wanneer door de werkgever essentiële wijzigingen werden aangebracht aan de functie van de betrokken werknemer. (Arbh. Luik (Afd. Neufchâteau) 17.9.1980, R.D.D.1981, 258 - Arbrb. Brussel 2.5.2002, J.T.T. 2002, 428) Wanneer de werkgever een werknemer taken ontneemt en hem aldus tot inactiviteit dwingt. (Arbrb. Dinant, 17.12.1992, Os. 1995, noot M. DAVAGLE) AR 2946/2005 Achtentwintigste blad De hoofdvordering strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten laste van verweerster kan gegrond verklaard worden. De gerechtelijke ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst dringt zich ook op, wegens de schromelijke tekortkomingen van verwerende partij, met name de door de rechtbank weerhouden pesterijen opzichtens eisende partij, bestaande onder meer in eenzijdige wijzigingen van de arbeidsplaats, de functie, het dwingen tot inactiviteit. De tegenvordering strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is ongegrond. Verwerende partij slaagt er niet in een ernstige fout in hoofde van eisende partij aan te tonen. Eisende partij kan niet verweten worden misbruik gemaakt te hebben van haar syndicaal statuut. Wel is het zo, dat omwille van het syndicaal statuut, verwerende partij, eisende partij in dienst hield, waarschijnlijk ook omdat zij maar al te goed besefte dat er geen dringende redenen lastens eisende partij konden worden ingeroepen, zodat een eventueel ontslag met een zwaar prijskaartje zou gepaard gaan. 2. Aldus stelt zich de vraag op welke vergoeding eisende partij ingevolge de tussengekomen gerechtelijke ontbinding, aanspraak kan maken. Bij gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan er slechts sprake zijn van een schadevergoeding op basis van het gemeen recht. Dit betekent dat enkel een vergoeding kan worden toegekend, indien het bewijs wordt geleverd van het bestaan en de omvang van de schade. ( VAN EECKHOUTTE W, Sociaal Compendium 03-04, Arbeidsrecht, Band II, blz. 1443, nr. 5009) De rechtbank is het eens met de opvatting dat de verschuldigde schadevergoeding overeenstemt met de bezoldiging die hij in uitvoering van de overeenkomst zou ontvangen hebben gedurende de periode waarin hij zonder werk zou blijven alvorens een gelijkwaardige betrekking te vinden, in casu gedurende de opzeggingstermijn. Bij het berekenen van de opzeggingsvergoeding wordt immers rekening gehouden met alle voordelen die de werknemer genoot op het ogenblik van de gerechtelijke ontbinding van en dit gedurende de periode die ongeveer overeenstemt met deze die de werknemer nodig zal hebben voor zijn reclassering. AR 2946/2005 Negenentwintigste blad Voor de begroting van haar schade hanteert eisende partij een bedrag gelijk aan de bijzondere beschermingsvergoeding waarop zij gerechtigd is bij ontslag door verweerster ingevolge de wet van 19.3.1991, houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden. Artikel 2 van deze wet, bepaalt dat de kandidaat-personeelsafgevaardigde (bij de sociale verkiezingen) voor het comité voor preventie en bescherming op het werk slechts kan worden ontslagen om dringende reden, die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend. Het kan niet betwist worden dat eisende partij deze bijzondere bescherming geniet, vermits zij bij de sociale verkiezingen in mei 2004 bij verweerster kandidate was voor het B.B.T.K. om te zetelen in het C.P.B.W. Eisende partij werd ook effectief verkozen. Een gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten nadele van verweerster, kan evenwel niet gelijkgesteld worden met een ontslag. Indien een verzoek tot gerechtelijke ontbinding, ingediend door de werknemer door de rechtbank gegrond wordt geacht, is het recht om reïntegratie te verzoeken en het recht op een beschermingsvergoeding, niet van toepassing. (zie Arbrb. Brussel, 10.9.2001, J.T.T., 2001, 368) Eisende partij kan aldus slechts aanspraak maken op een schadevergoeding gelijk aan de normale opzeggingsvergoeding bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door verweerster. Gezien eisende partij in dienst is bij verweerster sinds 1.10.1999 heeft zij een anciënniteit van 7 jaar en kan zij aanspraak maken op een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 6 maanden. Het huidig bruto maandloon van eisende partij bedroeg 1.053,58 EUR in een deeltijdse betrekking van 26 uur per week. Verhoogd met de eindejaarspremie en dubbel vakantiegeld geeft dit een basismaandloon van 1.222,15 EUR. Eisende partij kan aldus aanspraak maken op een schadevergoeding gelijk aan 6 maanden, of 7.332,90 EUR, bedrag dat cijfermatig niet betwist wordt door verwerende partij. AR 2946/2005 Dertigste blad De vergoeding, toegekend in geval van een gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst is geen loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet. De intrest dient dan ook op het brutobedrag te worden berekend. (Arbh. Bergen, 12.6.1989, J.T.T. 1989, 386, advies M. LECLERCQ) 3.WAT BETREFT DE VORDERING TOT SCHADEVERGOEDING IN DE ZIN VAN ARTIKEL 32 DECIES VAN DE WET VAN 4 AUGUSTUS 1996 Artikel 32 decies van de Welzijnswet stelt: " Al wie een belang kan aantonen kan voor het bevoegde rechtscollege een vordering instellen tot naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk af te dwingen. Onverminderd de mogelijkheid tot toekenning van een schadevergoeding kan het bevoegde rechtscollege het bevel opleggen aan diegene die zich schuldig maakt aan geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, alsmede aan de werkgever om hieraan binnen een door hem vastgestelde termijn een einde te maken. In de inleidende dagvaarding stelde eisende partij een vordering tot staking van de pesterijen. Doordat de pesterijen in tussentijd nog verder zijn geëscaleerd, handhaafde eisende partij haar vordering tot staking van pesterijen enkel voor zover de arbeidsrechtbank geen gevolg zou geven aan de vordering tot gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Gezien de rechtbank de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitsprak, lastens verwerende partij, dient in casu enkel rekening gehouden te worden met de vordering tot schadevergoeding. Eisende partij dient naar het oordeel van de rechtbank aanspraak te kunnen maken op een billijke schadevergoeding. De pesterijen welke door de rechtbank aanvaard werden, bestaande in de herhaalde overplaatsingen van eisende partij, die niets met de noodwendigheden van de onderneming te maken hebben, betekenen inderdaad een schadepost voor eisende partij. Aanvankelijk werkte zij op 9 km van haar woonplaats en vanaf december 2004 zelfs op 50 km van huis. Voor deze verplaatsingen kreeg ze niet de werkelijke kosten betaald, vermits haar enkel de wettelijke minimumvergoeding werd uitgekeerd. Anderzijds is er ook een schade in hoofde van eisende partij ingevolge het tijdverlies door deze verplaatsingen. AR 2946/2005 Eenendertigste blad Inzake was het tevens duidelijk dat eisende partij slechts te kampen kreeg met arbeidsongeschiktheden vanaf het ogenblik van deze onterechte overplaatsingen. Ook de externe preventieadviseur TIREZ van verweerster had bij het onderzoek van de klacht wegens pesterijen reeds oog voor de druk die de houding van verwerende partij op eisende partij legde, welke leidde tot negatieve stresssignalen. De voortdurende stress ingevolge de werksituatie leidde klaarblijkelijk tot een depressie in december 2006, op welk ogenblik eisende partij was geïsoleerd in de lege winkel het S.H. en haar functies volledig uitgehold zag. Gezien eisende partij haar overlevingspensioen niet kan combineren met haar vervangingsinkomsten wegens ziekte, heeft zij gedurende maanden ernstige financiële schade, gezien zij aldus diende terug te vallen op haar overlevingspensioen. Eisende partij kan inderdaad slechts gedurende één maand aanspraak maken op het gewaarborgd loon, en ontbeert thans aldus reeds maanden haar loon of vervangingsinkomen. De ondraaglijkheid van de werksituatie bracht voor eisende partij ook mee dat zij haar vordering tot staking, omzette in een vordering tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, waardoor zij thans op bijna 50-jarige leeftijd zonder werk is, met alle gevaren van dien voor een mogelijke reclassering. In deze omstandigheden verloor zij overigens ook de beschermingsvergoeding waarop zij gerechtigd zou zijn bij een eventueel ontslag door verwerende partij. Uit de debatten bleek maar al te duidelijk dat ook verwerende partij de arbeidsovereenkomst wenste te beëindigen, maar hiertoe niet overging door de zware beschermingsvergoeding welke zij ingeval van ontslag verschuldigd zou zijn. Tenslotte mag het moreel leed van eisende partij niet uit het oog verloren worden. De rechtbank meent dan ook dat eisende partij ex aequo et bono aanspraak kan maken op een schadevergoeding van 10.000 EUR, meer de gerechtelijke intresten. 4. WAT BETREFT DE GEVORDERDE KOSTEN VAN VASTSTELLING GERECHTSDEURWAARDER TEN BEDRAGE VAN 139,82 EUR Deze kosten welke eisende partij uitzette tot het bekomen van een bewijs voor haar vorderingen, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet lastens verwerende partij gelegd worden. AR 2946/2005 Tweeëndertigste blad 5. WAT BETREFT DE KOSTEN Als verliezende partij dient verwerende partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding. 6. WAT BETREFT DE GEVORDERDE UITVOERBAARHEID BIJ VOORRAAD Eisende partij vraagt de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis. Zij brengt desbetreffend geen argumenten bij, en de rechtbank meent dat uit de omstandigheden van de zaak, niet kan afgeleid worden dat op dit verzoek dient ingegaan te worden. De uitvoerbaarheid bij voorraad mag inderdaad slechts in uitzonderlijke gevallen worden uitgesproken en met afweging van de belangen van de partijen. - Antwerpen, 11.2.1987, R.W. 1986-1987, 2640 met noot LAENENS J. - Arbh. Bergen, 7.4.1992, J.L.M.B., 1992, 1204 - Kh. Luik, 10.11.1983, T.B.H., 1985, 118, noot) Daarenboven is een uitvoerbaarheid bij voorraad slechts aangewezen voor bedragen die als verschuldigd erkend zijn of als dusdanig moeten worden beschouwd, quod non in casu. (LAENENS J. noot onder Arbh. Gent, 7.5.1990, R.W. 1990-1991, 301) De rechtspraak aanvaardt verder de uitvoerbaarheid bij voorraad in zogenaamde bijzondere omstandigheden en preciseert dat er geen sprake is van dergelijke omstandigheden indien de verwerende partij (schuldenaar) niet insolvabel is. (Arbh. Bergen, 7.4.1992, J.L.M.B., 1992, 1204) In casu is er geen enkel gevaar op insolvabiliteit, minstens wordt deze door eisende partij niet aangetoond. De uitvoerbaarheid bij voorraad is in huidige betwisting dan ook niet verantwoord. === De verdere argumenten van partijen, ontwikkeld in conclusies of ter zitting, en voor zover niet beantwoord in huidig vonnis, worden verworpen als irrelevant, minstens ongegrond. AR 2946/2005 Drieëndertigste blad Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, statuerende op tegenspraak, Na beraad, Verklaart de hoofdvordering ONTVANKELIJK Verklaart deze hoofdvordering GEGROND, zoals hierna bepaald. Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, ten nadele van verwerende partij op hoofdvordering. Veroordeelt verwerende partij op hoofdvordering, in betaling aan eisende partij op hoofdvordering, van een schadevergoeding gelijk aan 7.332,90 EUR ingevolge de gerechtelijke ontbinding, meer de gerechtelijke intresten; Veroordeelt verwerende partij op hoofdvordering, in betaling aan eisende partij op hoofdvordering, van een schadevergoeding gelijk aan 10.000 EUR, ingevolge artikel 32 decies van de Welzijnswet, meer de wettelijke intresten en de gerechtelijke intresten vanaf de resp. data van opeisbaarheid. Wijst eisende partij op hoofdvordering, af van haar overige vorderingen. Wijst de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad af. Verklaart de tegenvordering ONTVANKELIJK doch ONGEGROND. Wijst verwerende partij, eisende partij op tegenvordering, af van haar tegenvordering. Veroordeelt verwerende partij op hoofdvordering in betaling van de kosten van het geding, in hoofde van eisende partij op hoofdvordering, vastgesteld op 136,21 EUR dagvaardingskosten en 218,64 EUR rechtsplegingsvergoeding, en in haren hoofde vastgesteld op 218,64 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus uitgesproken door de Eerste Kamer van deze Rechtbank in datum van 28.06.2007 AR 2946/2005 Vierendertigste blad AANWEZIG : H. VELAERS, Voorzitter, E. GIERAERTS, werkend rechter in sociale zaken, werkgever, J.P. TOMMISSEN, werkend rechter in sociale zaken, werknemer-bediende. C. TIELENS, adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:ARANT:2007:JUG.20070628.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.