id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 31 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2008:JUG.20080131.24 Rolnummer: 21-2008 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-07-14 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 16:58 Fiche Gelet op de verschillende activiteiten van de drie vennootschappen zijn de risico's voor de verschillende bedrijven zeer uiteenlopend. De oprichting van een gezamenlijk comité voor preventie en bescherming op het werk lijkt dan ook niet aangewezen. Men dient hier het belang van de werknemers voorop te stellen en er op te letten geen structuren in het leven te roepen die contraproductief zijn voor de goede werking van de organen zelf. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie Vrije woorden: Organisatie van het bedrijfsleven - sociale verkiezingen - technische bedrijfseenheid - comité voor preventie en bescherming op het werk - activiteiten en risico's voor de ondernemingen zeer uiteenlopend - IV BIS E. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-12-2007 - 12 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Annotaties Publicaties: SRK 2010 - - nr. 3 - blz. 135-136 Tekst van de beslissing DE ARBEIDSRECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN, EERSTE KAMER, heeft het volgende vonnis uitgesproken: Rolnr. 21/2008 INZAKE: 1) ACV, Eisende partijen, verschijnend door Mr. J. NULENS, advocaat te 3500 Hasselt, Kolonel Dusartplein 34/
- TEGEN: 1) V.B. NV, 2) G. NV, 3) H. S. NV, met vennootschapszetel te 3660 Opblabbeek, Industrieweg Noord
- Verwerende partijen, verschijnend door Mr. P. DUFAUX, advocaat te 3500 Hasselt, Gouverneur Roppesingel
- Eerste blad ANDERE PARTIJEN IN HET GEDING TE BETREKKEN. 1) A.C.L.V.B. 2) N.C.K. Gezien het inleidend verzoekschrift d.d. 08.01.2008 neergelegd ter griffie. Gezien de oproeping van partijen d.d. 09.01.2008 voor de openbare terechtzitting van 14.01.
- Gezien de verdaging van de zaak naar de openbare terechtzitting van 29.01.
- Gezien de besluiten van verwerende partijen d.d.18.01.
- Gezien de besluiten van eisende partij d.d.23.1.
- Gezien de synthesebesluiten van verwerende partij d.d. 28.01.
- Gehoord partijen ter terechtzitting in de uiteenzetting van hun middelen en besluiten en gezien de door hen neergelegde inventarissen en overtuigingsstukken; Gehoord de heer M. MOENS, substituut-arbeidsauditeur, in zijn mondeling advies. Gehoord de raadsman van verwerende partij in zijn repliek. Rolnr. 21/2008 Allen drukten zich uit in het Nederlands. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. I. Voorwerp: Bij het ter griffie neergelegd verzoekschrift d.d. 8 januari 2008 vorderen aanleggers: - te zeggen voor recht dat verweersters één technische bedrijfseenheid vormen waarvan de gewoonlijke, gemiddelde tewerkstelling minstens 100 werknemers bedraagt. - Verweersters te veroordelen tot gezamenlijke organisatie van de sociale verkiezingen voor de oprichting van een comité voor preventie en bescherming op het werk en ondernemingsraad. - Verweersters te veroordelen om gezamenlijk de procedure zoals door wet van 4.12.07 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 na te leven en te volgen. - Verweersters hoofdelijk en solidair, minstens in solidum, te veroordelen tot betaling aan eiseressen van een dwangsom van 5.000,00 euro per dag vertraging bij het gezamenlijk organiseren van de verkiezingsprocedure en dit binnen de 10 dagen na de kennisgeving van het tussen te komen vonnis alsook tot een dwangsom van 5.000,00 euro per dag vertraging bij het niet stellen van de handelingen en het nemen van de beslissingen op de tijdstippen en binnen de termijnen zoals bepaald in de toepasselijke wetgeving alsook verweersters hoofdelijk en solidair, minstens in solidum, te veroordelen tot de gedingkosten. II. 0ntvankelijkheid: De vordering komt naar vorm en tijdstip ontvankelijk er worden geen ambtshalve gronden van onontvankelijkheid vastgesteld. III. Ten gronde : ALGEMEEN 1) De basisbegrippen Juridische Entiteit en Technische Bedrijfseenheid De onderneming wordt door de wet omschreven als de technische bedrijfseenheid bepaald op grond van de economische en sociale criteria- in geval van twijfel primeren de sociale criteria. De bepalingen met betrekking tot de oprichting van een raad en een comité raken de openbare orde. Bijgevolg mag de rechter in geval van betwisting over het bestaan van een technische bedrijfseenheid geen rekening houden met een vroeger akkoord of een beweerde bekentenis van één van de partijen (Cass., 13.11.00, R.W., 01-02, 164). De bepalingen in verband met de verkiezingsprocedure zijn immers van openbare orde. Een akkoord in de ondernemingsraad dat niet conform is met de wettelijke voorschriften moet dus nietig verklaard worden. De technische bedrijfseenheid valt niet noodzakelijk samen met de juridische entiteit van de onderneming: 1.de juridische entiteit is de juridische vorm van de onderneming: een N.V., een B.V.B.A., een VZW, ... 2.de technische bedrijfseenheid daarentegen stemt overeen met de afzonderlijke vestigingen op voorwaarde dat die zich onderling kenmerken door een bepaalde economische en sociale zelfstandigheid. (O. VANACHTER, uitwisseling van beroepservaringen tussen magistraten van de arbeidsgerechten, "sociale verkiezingen 2008", p. 1 - 18). De technische bedrijfseenheid is een eigen begrip met een eigen karakter en de afwijking van het begrip juridische entiteit moet dan ook niet beschouwd worden als een uitzondering. ("oriëntatie 8-9, augustus-september 2003", p. 171 e.v.). 2) Hoe een Technische Bedrijfseenheid te onderscheiden A.Economische criteria: economische zelfstandigheid: Met economische zelfstandigheid wordt bedoeld dat de directie van de vestiging een zekere zelfstandigheid bezit tegenover de directie van de juridische entiteit. Het komt tot uiting wanneer de activiteiten van de afzonderlijke vestigingen verschillend zijn. Wanneer de activiteiten van de afzonderlijke vestigingen vergelijkbaar zijn, dan kan gesproken worden van een economische zelfstandigheid wanneer elke zetel over een daadwerkelijke vrijheid beschikt om zijn activiteiten te ontwikkelen. Het gaat uiteraard niet om een totale zelfstandigheid. In dit geval zou er immers geen band meer bestaan tussen de vestiging en de onderneming als geheel. De volgende criteria zijn relevant: - behoren de entiteiten tot eenzelfde economische groep? Hebben ze dezelfde aandeelhouders en bestuurders? - Oefenen de entiteiten dezelfde of op elkaar afgestemde activiteiten uit? - Zijn de volgende diensten van de onderneming al dan niet gecentraliseerd: algemene directie, personeelsdienst, boekhouding, juridische dienst, administratie... (O. VANACHTER, uitwisseling van beroepservaringen tussen magistraten van de arbeidsgerechten, "sociale verkiezingen 2008", p. 1 - 18). B.Sociale criteria: sociale zelfstandigheid Sociale zelfstandigheid is gebaseerd op: - verscheidenheid in mensenkring; - de verwijdering van de vestigingen; - eventueel het verschil in taal; - de zelfstandigheid inzake personeelsbeleid; - de zelfstandigheid op het niveau waarop de onderhandelingen over de sociale kwesties worden toegepast. (O. VANACHTER, uitwisseling van beroepservaringen tussen magistraten van de arbeidsgerechten, "sociale verkiezingen 2008", p. 1 - 18). Om te oordelen of een vestiging voldoende sociale autonomie geniet, moeten vier vragen beantwoord worden: - wordt in de technische bedrijfseenheid een gemeenschappelijk personeelsbeleid gevoerd? (bvb. één HR-manager, eenzelfde sociaal secretariaat, zelfde vakantiekas, kinderbijslagfonds, ...). - Is het personeel van de technische bedrijfseenheid onderworpen aan dezelfde regels? (dezelfde CAO's, dezelfde car of internet policy, ...). - Genieten de werknemers dezelfde voordelen? (dezelfde loonbarema's, bonussen, geschenken en feesten). - Vormen de werknemers een gemeenschap? (gemeenschappelijk feesten, diverse contacten tussen het personeel, gemeenschappelijke gereedschappen, netwerk,...). ("oriëntatie 8-9, augustus-september 2003", p. 171 e.v.). De sociale zelfstandigheid is gerealiseerd wanneer de werknemers van een onderneming het gevoel hebben tot dezelfde gemeenschap van mensen te behoren, die beheerst wordt door zijn eigen wetten. Hieronder kan men verstaan een eigen manier om bepaalde zaken te beoordelen, er op te reageren en er over te praten. Er moet zich een samenhorigheidsgevoel manifesteren dat kan worden afgebakend t.a.v. het samenhorigheidsgevoel in de andere entiteiten. Er is geen sprake van zelfstandigheid wanneer: - het personeelsbeleid en de -administratie verenigd zijn. - De aanwervingen volledig gecentraliseerd zijn met overplaatsing van personeel tussen de vestigingen. - De personeelsstructuur dezelfde is. - De afstand tussen de vestigingen niet groot is. Twee verschillende vestigingen vormen één enkele technische bedrijfseenheid wanneer zij economisch geïntegreerd zijn en door het gebruik van dezelfde taal, het ressorteren onder hetzelfde P.C., het gebruik van een analoge functieclassificatie en gelijkaardige specialisaties een grote samenhang vertonen. De vraag of een N.V. uit één of meerdere technische bedrijfseenheden bestaat, moet beantwoord worden in het licht van het door de wet nagestreefde doel: het bekomen van zo goed mogelijk functionerende overlegorganen waar alle werknemers in de best mogelijke voorwaarden bij worden betrokken. O.m. daarom zijn in geval van twijfel de sociale elementen doorslaggevend. Het fundamenteel belang dat de werknemers hebben bij het goed functioneren van overlegorganen wordt niet alleen bepaald door de vakorganisaties. Indien enkel een sociale en geen economische zelfstandigheid kan worden bewezen, dan kan er sprake zijn van een aparte technische bedrijfseenheid. (Cass., 22.10.79, R.W., 79-80, 2244). Zoniet doet men volgens het hof van cassatie economische criteria primeren boven sociale. Economische criteria kunnen eventueel achterwege blijven, maar sociale criteria niet want deze criteria zijn noodzakelijk om van een aparte technische bedrijfseenheid te kunnen spreken. 3) Raad en comité De verplichting een raad op te richten bestaat van zodra er in de juridische entiteit als geheel minstens 100 werknemers te werk gesteld zijn. Voor het comité geldt de verplichting vanaf minstens 50 werknemers te werk gesteld in de juridische entiteit als geheel. Om tegen te gaan dat ondernemingen door kunstmatige splitsingen in afzonderlijke juridische entiteiten aan de toepassing van de wet zouden kunnen ontsnappen werd een weerlegbaar vermoeden gecreëerd dat verschillende juridische entiteiten onder bepaalde voorwaarden één technische bedrijfseenheid vormen. De bewijslast wordt verdeeld. De vakorganisaties moeten het bewijs van een aantal elementen aanbrengen dat verschillende juridische entiteiten als één technische bedrijfseenheid beschouwd moeten worden. Economische samenhang De verschillende juridische entiteiten moeten: Ofwel deel uitmaken van eenzelfde economische groep of beheerd worden door eenzelfde persoon of personen die onderling een economische band hebben (moeder en dochter, joint venture) ofwel eenzelfde activiteit hebben of activiteiten die op elkaar zijn afgestemd. De woorden "of(wel)" wijzen erop dat de voorwaarden niet cumulatief vervuld moeten zijn. Het bewijs van één van deze voorwaarden volstaat. Sociale samenhang Er moet ook sociale samenhang zijn tussen de juridische entiteiten. Volgens sommige rechtbanken moet het volledig bewijs geleverd zijn van elementen die wijzen op deze sociale samenhang, volgens andere rechtbanken volstaat een begin van bewijs. Voorbeelden: een gemeenschap van mensen verzameld in dezelfde gebouwen of in nabije gebouwen, gemeenschappelijk personeelsbeheer en -beleid, gemeenschappelijke CAO,... De eiser moet enkel het bewijs van bepaalde feiten aanbrengen waarbij de opsomming hierboven als voorbeeld dient, die toelaten te veronderstellen dat er een sociale samenhang bestaat tussen de verschillende juridische entiteiten. Sociale criteria moeten beoordeeld worden op het niveau van de verschillende juridische entiteiten en niet op het niveau van een deel ervan (Arbrb. Luik, 8.3.04, R.G., 338.030 en 338.031). Van zodra het dubbel bewijs geleverd is, is er een weerlegbaar vermoeden dat de verschillende Juridische Entiteiten één Technische bedrijfseenheid vormen. De werkgever kan nog steeds het bewijs leveren dat het niet om één technische bedrijfseenheid gaat. Zij kunnen dit door aan te tonen dat het personeelsbeheer en -beleid geen sociale kenmerken aan het licht brengen die kenmerkend zijn voor het bestaan van een Technische Bedrijfseenheid. Het vermoeden is weerlegd wanneer het dagelijks beheer van de verschillende juridische entiteiten in handen blijft van de respectievelijke zaakvoerders, wanneer het arbeidsreglement vertrekkend van een model uitgewerkt door het bevoegd P.C. in elke entiteit afzonderlijk verder werd uitgewerkt en aanvaard of wanneer de entiteiten aangesloten zijn bij andere sociale secretariaten. Wanneer de werkgever er niet in slaagt het vermoeden te weerleggen dan vormen de betrokken juridische entiteiten samen één technische bedrijfseenheid. (O. VANACHTER, uitwisseling van beroepservaringen tussen magistraten van de arbeidsgerechten, "sociale verkiezingen 2008", p. 1 - 18). Het begrip technische bedrijfseenheid kan verschillend worden ingevuld naargelang het de inrichting van een preventiecomité dan wel ondernemingsraad betreft. TOEPASSING IN CASU Feiten 1) Op 1 april 1989 werd NV V. B. opgericht onder de naam NV P.I.. Op dat ogenblik kocht de familie V. de afdeling matrassen terug van NV V.. NV V.B. produceert matrassen en boxsprings. Deze NV stelt 125 personen te werk. In voltijdse equivalenten betekent dit een tewerkstelling van 102,
- 2) NV HBS werd op 30 september 1994 gekocht van de gebroeders S.. Deze firma is een industriële schrijnwerkerij waar lattenbodems worden geproduceerd. De NV stelt 32 personen te werk (d.i. 28,83 voltijdse equivalenten). 3) Op 31.12.97 fuseerde HBS met de firma M. uit Kortrijk (productiebedrijf relaxzetels). Op 12.2.01 werd Medal verkocht. 4.) In 2001 verhuisde de productie van ECOSIT (producent van gestoffeerde zitmeubelen) naar de gebouwen van HBS. HBS nam ook het personeel over. HBS bestond vanaf dan uit afdeling schrijnwerkerij HBS WOOD en HBS furniture (afdeling zetelstoffering). 5) Op 1.1.07 werd HBS overgebracht naar de gebouwen van V.B.. Op 1.7.07 ging het personeel van HBS over naar NV G. samen met enkele personeelsleden van V. B.. NV G is een holdingmaatschappij die aandelen bezit van V.G.. 6) Vanaf 1.7.07 werd G. de beheerder van het machinepark. De afdeling zetelstoffering HBS furniture kwam onder G.. Bepaalde personeelsleden van V. B. uit de afdeling onderhoud en productontwikkeling werden getransfereerd naar G. met behoud van rechten en loon. G. nam de onderhoudsmensen over omdat er nieuwe machines aangekocht zouden worden. NV G. stelt 29 personen te werk (25,73 voltijdse equivalenten). 7) Op 3.1.08 gebeurde een overdracht van handelsfonds van E. naar G.. 8) In casu heeft NV V.B. op 6.12.07 ter kennis gebracht dat er een comité voor preventie en bescherming op het werk en een ondernemingsraad zal worden opgericht voor de Technische bedrijfseenheid NV V.B. met zetel te Opglabbeek, Industrie Noord
- De sociale verkiezingen zullen plaatsvinden op 5.5.
- IN RECHTE
- Economische samenhang De economische samenhang tussen de 3 vennootschappen blijkt uit het volgende: -De familie V. is vertegenwoordigd in de 3 NV's. Gedelegeerd bestuurder van de drie NV's is NV C. met als gedelegeerd bestuurder M. V.. In de 3 raden van bestuur komen dezelfde bestuurders terug. De vennootschapszetels van de 3 NV's liggen op hetzelfde adres of minstens naast elkaar. Marc VELDEMAN is bestuurder in de 3 NV's (hij is via NV C. gedelegeerd bestuurder van de 3 vennootschappen). Ook de namen van D. en S. duiken steeds op als bestuurders van de 3 NV's. De aandeelhoudersstructuur wijst op een zekere samenhang tussen de 3 NV's. 2.Sociale samenhang De rechtbank stelt vast dat de activiteiten van de diverse vennootschappen niet op elkaar zijn afgestemd. V. B. N.V. produceert matrassen. H. S. N.V. op haar beurt produceert lattenbodems. Ter terechtzitting wordt meegedeeld dat weliswaar V. B. N.V. de voornaamste afnemer is van de producten van HBS. -H. S. hetzij voor 73% tegenover 27 % voor externe klanten. Het is wel zo dat beide producten in beginsel niet in hun geheel als één bed worden op de markt gebracht. Beide vennootschappen promoten en verkopen hun producten afzonderlijk. G. N.V. heeft een totaal andere productie. G. N.V. produceert op maat gemaakte luxe zetels. Hierdoor is ook het cliënteel van G. N.V. totaal verschillend. Deze productie kan op geen enkele wijze worden verbonden , noch met de productie van lattenbodem, noch met de productie van matrassen. Beweren dat de bedrijven voor 95 % dezelfde klanten hebben is zeker niet correct. Dit wordt aangetoond aan de hand van de klantenlijst - stuk 48,49 en 50 verwerende partij-. V. B. richt zich op een brede markt; HBS N.V. heeft slechts een beperkt aantal klanten en G. N.V. heeft een totaal ander cliënteel dat meestal luxe meubelen laat ontwikkelen en maken naar aanleiding van een herinrichting van woning of kantoor . De rechtbank is van oordeel dat de bedoelde economische criteria in de hier van toepassing zijnde wetgeving - in een wereldwijde economie - op en andere manier moet worden benaderd en beoordeeld; met name kan men zich best voorstellen dat elk van de drie ondernemingen nog zusterbedrijven of afdelingen zou hebben in het buitenland, of onderdelen zou betrekken van eigen buitenlandse vestigingen of afzonderlijke toeleveraars. Het is duidelijk dat er in die optiek weinig plaats is voor het simpel samenvoegen van afzonderlijke juridische entiteiten tot zogenaamde technische bedrijfseenheden. Van meer belang zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank de sociale criteria, de sociale samenhang en al de feiten en gegevens die in die richting wijzen. Gelet op de verschillende activiteiten van de vennootschappen - HBS als industriële zagerij, V. B. als montagebedrijf en G. N.V. als hout- en stofferingsbedrijf dat producten aflevert - moet worden vastgesteld dat de risico's voor de verschillende bedrijven zeer uiteenlopend zijn. De oprichting van een gezamenlijk CPBW lijkt dan niet aangewezen. Men dient hier het belang van de werknemers voorop te stellen en er op te letten geen structuren in het leven te roepen die contraproductief zijn voor de goede werking van de organen zelf. De rechtbank is daarom, na beraadslaging, en na onderzoek van al de aangevoerde elementen - pro en contra - van oordeel dat er enkel voor de ondernemingen HBS N.V. en G. N.V. - deels houtverwerkende bedrijven er één CPBW dient te worden opgericht. De N.V G. is ontstaan en gegroeid, deels uit werknemers van V. B., maar zeker van HBS N.V. Dit laatste bedrijf is daardoor gedaald onder de vijftig werknemers. Ook in 2004 werden bij de sociale verkiezingen de vennootschappen V. B. en HBS als afzonderlijke technische bedrijfseenheden beschouwd. Er werden verkiezingen georganiseerd in de twee verschillende vennootschappen. Door opnieuw en voor de beide ondernemingen HBS N.V. en Glocom N.V. te voorzien in een technische bedrijfseenheid voor de oprichting van een CPBW wordt het best tegemoet gekomen aan de belangen van de betrokken werknemers; voor de N.V. V. B. verandert er niets gelet op het feit dat het gaat om een onderneming met méér dan honderd werknemers. Het is immers de bedoeling de werknemer zo nauw mogelijk te betrekken bij het ondernemingsgebeuren. Optimaal is dat de ondernemingsraad en/of het comité zo direct mogelijk aansluiten bij de sociale leefwereld van de betrokken werknemers - Art.10-12 Wet Sociale Verkiezingen
- IV. De rechtsplegingsvergoeding De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot het vaststellen en bepalen van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in het algemeen en bij de arbeidsrechtbank in het bijzonder, er een aantal problemen zijn gerezen waarvan de rechtbank heeft kennis gekregen los van de voorliggende procedure. Zo is de vakorganisatie in het geding van oordeel dat zowel het K.B. van 26 oktober 2007 als artikel 7 van de Wet van 21 april 2007 door de Arbeidsrechtbank niet kunnen worden toegepast omwille van volgende overwegingen, die hier schematisch worden weergegeven:
- niet toepasbaarheid van het K.B. van 26 oktober 2007 - Exceptie van illegaliteit. Tegen het K.B; werd een schorsings- en vernietigingsberoep ingediend bij de Raad van State. Het K.B. van 26 oktober 2007 werd uitgevaardigd door de ontslagnemende regering; deze regering was op 26 oktober 2007 enkel bevoegd voor de lopende zaken.
- niet-toepasbaarheid van artikel 7 Wet van 21 april
- Tegen de wet van 21 april 2007 werden 5 beroepen tot vernietiging ingediend ( de zaken 4313,4354,4357,4366 en 4370 ) bij het Grondwettelijk Hof. Tot voor kort was een rechtsplegingsvergoeding een vergoeding voor " materiële daden gesteld door advocaten in de loop van de rechtspleging" oud art. 1022 Ger.W; zie ook Arbitragehof nr. 113/99 , 14 oktober 1999) - het gelijkheidsbeginsel ( artikel 10 en 11 G.W. en artikel 14 E.V.R.M.) - recht op toegang tot de rechtbank ( artikel 10 en 11 G.W en art. 6 E.V.R.M. De rechtbank wijst erop dat enig inzicht in de historische achtergrond inzake het beslechten van sociale geschillen aangewezen is, rekening houdend met de vaststelling dat het beslechten van sociale geschillen nu eens aan de gewone rechters, dan weer aan werkrechtersraden of aan scheidsrechterlijke commissies, later meer aan administratieve rechtscolleges werd toevertrouwd. Eenzelfde inzicht in de historische achtergrond is tevens van belang om de draagwijdte van de in 1967 doorgevoerde hervorming te begrijpen en de uitwerking ervan op zijn juiste waarde in te schatten. - cfr Petit, J. Arbeidsgerechten en Sociaal Procesrecht, APR, 1980, Story - Scientia, Gent blz.1 e.v. en 388 e.v.en Lenaerts H., Sociaal Procesrecht , Story-Scientia, Gent 1968, blz. 116-
- De representatieve vertegenwoordigers van de werknemers hebben zowel de vertegenwoordiging van hun leden als het pleitrecht voor de arbeidsgerechten bekomen, - zowel in geschillen van sociaal zekerheidsrecht, als in arbeidsgeschillen en arbeidsongevallen en beroepsziekten. Rolnr. 21/2008 De representatieve organisaties van werknemers mogen ook zonder opdracht van een aangesloten lid of namens een aangesloten lid optreden in de geschillen nopens sociale verkiezingen ( art. 21 § 3 en 24 van de wet van 20 september 1948 ). Vanuit het standpunt van de werknemers geldt de overweging dat hun verdediging in rechte in de prijs van hun aansluiting bij een vakorganisatie is begrepen. In besluiten vorderen zowel eisende als verwerende partij de betaling van een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van euro 1.
- De rechtbank, na beraadslaging, is van oordeel dat iedere partij dient in te staan voor de eigen kosten, gelet op het feit dat de vordering niet in haar totaliteit kan worden toegekend en beide partijen op een onderdeel ervan in het ongelijk werden gesteld. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, uitspraak doende op tegenspraak; Na beraadslaging, alle verdere en tegengestelde conclusies en overwegingen verwerpend als ongegrond, minstens irrelevant of niet dienend, Verklaart de vordering ontvankelijk en in de hierna gestelde mate en ondergeschikt, gedeeltelijk gegrond. Zegt voor recht dat dient te worden overgegaan tot de oprichting van een Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk voor de vennootschappen HBS N.V. en G. N.V.samen , zoals geregeld in de Welzijnswet, de Bedrijfsorganisatiewet en de wet van 04 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar
- Veroordeelt verweerders HBS. N.V. en G. N.V. om voor deze beide ondernemingen gezamenlijk de procedure zoals voorzien door de wet van 04 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 na te leven en te volgen door het stellen van de handelingen en het nemen van de beslissingen op de tijdstippen en binnen de termijnen zoals bepaald in bovenvermelde wet. Wijst de vordering af voor hetgeen er meer werd gevraagd. Laat de kosten aan ieder van beide partijen zelf zoals uiteengezet in het motiverende gedeelte van voorliggend vonnis Aldus gewezen door de Eerste Kamer, van de arbeidsrechtbank van Tongeren,samengesteld uit: T. KEULEN, rechter, Voorzitter van deze kamer, M. JANSEN, werkend rechter in sociale zaken, werkgever, A. NESKENS, werkend rechter in sociale zaken,werknemer-arbeider, J. HOUBEN e.a. adjunct-griffier. en uitgesproken in openbare zitting van diezelfde kamer door T. KEULEN rechter, Voorzitter van de Kamer, bijgestaan door J. HOUBEN, e.a. adjunct-griffier op 31 januari
- PDF document ECLI:BE:ARANT:2008:JUG.20080131.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div