id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 28 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2008:JUG.20080428.14 Rolnummer: 83.562 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-12-30 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-02 17:23 Fiches 1 - 3 Geen preventieadviseur in de zin van de Wet Bescherming Preventieadviseurs is de werknemer die met een arbeidsovereenkomst is verbonden met een werkgever die geen erkende preventiedienst is en op wie een andere werkgever een beroep doet voor de uitvoering van diens verplichtingen inzake welzijn op het werk. Om geldig te zijn moet een arbeidsovereenkomst voor een duidelijk omschreven werk het werk zelf omschrijven met helderheid, nauwkeurigheid en zekerheid. De volgende omschrijving : 'als preventieadviseur het leveren van tijdelijke projectmatige ondersteuning voor het realiseren van projecten' beantwoordt niet aan dit vereiste. Bij ontstentenis van wettelijke omkering van de bewijslast dient de werknemer, die zich op een verboden ter beschikking stelling beroept, hiervan het bewijs te leveren en aan te tonen dat de gebruiker over hem enig gedeelte van het werkgeversgezag uitoefende, dat geen betrekking had op de naleving van de verplichtingen inzake welzijn op het werk. Dit bewijs wordt niet geleverd door het enkele feit dat de gebruiker een einde heeft gemaakt aan de opdracht van de werknemer als preventieadviseur. Een uitgeleende werknemer die bij de gebruiker optreedt als preventieadviseur kan bijgevolg geen aanspraak maken op de beschermingsvergoeding met toepassing van de Wet Bescherming Preventieadviseurs noch op een opzeggingsvergoeding ten laste van deze gebruiker indien zijn opdracht vroegtijdig beëindigd wordt. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - tijdelijke arbeid, uitzendarbeid en ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers - reglementering van het ter beschikking stellen van de werknemers ten behoeve van gebruikers - onregelmatige ter beschikking stelling - arbeidsovereenkomst - welzijn op het werk - preventieadviseur bij een eerste werkgever - arbeidsovereenkomst voor een duidelijk omschreven werk bij een tweede werkgever - onduidelijke omschrijving - uitzendarbeid - verboden ter beschikking stelling - bewijslast (II K II) Wettelijke bepalingen: Wet - 24-07-1987 - 31 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Nota: Gerangschikt onder II K II - artikel 31, III A B - artikel 33, § 1, 4de lid, 3° en onder IV BIS F - artikel 10, lid 1 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID Vrije woorden: Arbeidsreglementering - welzijn op het werk - arbeidsovereenkomst - welzijn op het werk - preventieadviseur bij een eerste werkgever - arbeidsovereenkomst voor een duidelijk omschreven werk bij een tweede werkgever - onduidelijke omschrijving - uitzendarbeid - verboden ter beschikking stelling - bewijslast - (III A B) Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 33, § 1, Lid 4, 3° - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Nota: Gerangschikt onder II K II - artikel 312, III A B - artikel 33, § 1, Lid 4, 3° en onder IV BIS F - artikel 10, L 1, 1°. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie Vrije woorden: Organisatie van het bedrijfsleven - preventieadviseurs - arbeidsovereenkomst - welzijn op het werk - preventieadviseur bij een eerste werkgever - arbeidsovereenkomst voor een duidelijk omschreven werk bij een tweede werkgever - onduidelijke omschrijving - uitzendarbeid - verboden ter beschikking stelling - bewijslast - (IV BIS F) Wettelijke bepalingen: Wet - 20-12-2002 - 10, Lid 1, 1° - 51 ELI link Pub nr 2002013513 Nota: Gerangschikt onder II K II - artikel 31, III A B - artikel 33, § 1, L 4, 3° en onder IV BIS F - artikel 10, L 1, 1°. Annotaties Publicaties: SRK 2010 - - nr. 7 - blz. 384-386 Tekst van de beslissing 07/83.562/A VONNIS gewezen en uitgesproken door de eerste kamer van de ______________ ARBEIDSRECHTBANK te TURNHOUT in het gewoon lokaal van haar zittingen, Kasteelplein 11 te 2300 Turnhout, in openbare zitting 28.4.2008 van maandag, achtentwintig april tweeduizend en acht; ______________ Waar zetelden: Rep.: 08/1617 ______________ D. RYCKX toegevoegd rechter, voorzitter der kamer; H. SEGERS rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever Not. Aud. F. NUYENS rechter in sociale zaken, benoemd als werknemer In tegenwoordigheid van J. GIELEN, arbeidsauditeur WB 55/06 ______________ Bijgestaan door B. ANTONISSEN, griffier, _______________________________________________________________ INZAKE : De Heer V., bediende, Herentals, eisende partij, vertegenwoordigd door Mr.L.V., advocaat te Herselt. TEGEN :
- NV T.I.S., met ondernemingsnummer, met zetel gevestigd te Lummen, , eerste verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr.P. C., advocaat te Hasselt,
- J.C.A., met ondernemingsnummer , met zetel gevestigd te Geel, , tweede verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr.L.V., advocaat te Antwerpen; Gelet op de inleidende dagvaarding op 5.5.2006 betekend door Gerechtsdeurwaarder P. Winkelmolen, kantoorhoudende te Hasselt aan eerste verwerende partij en op 3.5.2006 betekend door plv. Gerechtsdeurwaarder Snoeck in vervanging van Gerechtsdeurwaarder M.Van Deun, kantoorhoudende te Turnhout, neergelegd ter griffie van deze Rechtbank op 11.5.2006 en ingeschreven in het register van de algemene rol onder nummer 07.83.562.A.. Gezien hoger vermelde dagvaarding ertoe strekt de verwerende partijen solidair, in solidum te horen veroordelen tot betaling aan de eisende partij van : 12.068,64 euro , opzeggingsvergoeding te verhogen met de verwijlsintresten vanaf 1.12.2005 en de gerechtelijke intresten telkens op het brutobedrag; Tweede verwerende partij te horen veroordelen tot betaling aan eisende partij van een beschermingsvergoeding van 72.411,84 euro te verhogen met de verwijlsintresten vanaf 1.12.2005 en de gerechtelijke intresten telkens op het brutobedrag; Verwerende partijen zich solidair, in solidum te horen veroordelen tot de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding; Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling; Gelet op het verzoek van eisende partij om vaststelling van de zaak in toepassing van artikel 747 par.2 van het Gerechtelijk Wetboek; Gelet op de beschikking van de Voorzitter d.d. 9.5.2007 waarin conclusietermijnen werden bepaald en de zaak voor pleidooien werd vastgesteld op de zitting van 14.1.
- Gehoord de beide partijen in hun middelen en verklaringen tijdens de zitting van 14.1.
- Gezien de besluiten van partijen en gezien de door hen neergelegde bundels. Gelet op de mislukte poging partijen te verzoenen.
- Feiten Op 10 mei 2004 sloten Nv J.C.A. (hierna genoemd Nv J.C.A.) en Nv T.I.S. (hierna genoemd Nv T.I.S.) een raamovereenkomst waarbij Nv J.C.A. aan Nv T.I.S. een opdracht toevertrouwde, die in bijlage I van deze overeenkomst werd omschreven als 'het leveren van tijdelijke projectmatige ondersteuning op vlak van veiligheid en milieu' vanaf 2 juni 2004 voor een verwachte projectomvang van ongeveer jaar. In de bijlage werd tevens aangegeven dat ter ondersteuning de heer V. als medewerker van Nv T.I.S. zou worden ingezet met als functie preventieadviseur. Op 1 juni 2004 sloten de heer V. en Nv T.I.S. een arbeidsovereenkomst voor een duidelijk omschreven werk, dat in de bijlage werd omschreven als volgt: "Als preventie adviseur het leveren van tijdelijke projectmatige ondersteuning voor het realiseren van projecten." Op de vergadering van het CPBW van Nv J.C.A. van 8 juni 2004 werd de aanstelling van de heer V. als interne preventieadviseur voor Nv J.C.A. in Geel goedgekeurd. In het verslag van een speciale vergadering tot regeling van de vervanging van de preventieadviseur van het CBPW van Nv J.C.A. van 2 juni 2005 wordt vermeld: "Er waren geen bezwaren om Willy V. te verwijderen uit zijn functie als preventieadviseur. Dit zou onmiddellijk ingaan met behoud van een tijdelijk en extern contract voor een periode van 3 maanden via het Engineeringbureau Nv T.I.S.." Met E-mail van 18 oktober 2005 bevestigde Nv J.C.A. aan Nv T.I.S. dat overeengekomen werd "dat Willy V. nog één maand, dus tot november 2005, ondersteuning mag geven naar de plant toe zoals voorheen". Met aangetekende brief van 25 november 2005 meldde Nv T.I.S. aan de heer V.: "Hierbij delen wij u mede dat het werk waarvoor u met ons een overeenkomst heeft afgesloten op 02-06-2004, voltooid is op 30-11-
- Dit betekent dat onze overeenkomst met u ook op voornoemde datum van 30-11-2005 stopt." Met brief van 16 februari 2006 vorderde de vakorganisatie van de heer V. betaling door Nv T.I.S. van een opzeggingsvergoeding en van een beschermingsvergoeding met toepassing van de Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van preventieadviseurs. Met brief van 16 februari 2006 vorderde de vakorganisatie van de heer V. betaling door Nv J.C.A. van een beschermingsvergoeding met toepassing van de Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van preventieadviseurs. Met brief van 6 maart 2006 antwoordde de raadsman van Nv J.C.A. dat de heer V. geen preventieadviseur was in de zin de wet daar hij geen arbeidsovereenkomst had met Nv J.C.A. noch met een erkende externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, en hij zich bijgevolg niet kon beroepen op de wettelijke bescherming. Met aangetekende brief van 9 maart 2006 betwistte ook Nv T.I.S. de vordering van de heer V..
- Bespreking 2.
- De vordering zoals gesteld tegen Nv J.C.A. 2.1.
- Bestond tussen de heer V. en Nv J.C.A. een arbeidsovereenkomst? i.- Aan de orde is de vraag of tussen de heer V. en Nv J.C.A. een arbeidsovereenkomst bestond. De heer V. meent van wel en beroept zich in hoofdorde op artikel 31 Uitzendarbeidwet en in ondergeschikte orde op de nietigheid van de overeenkomst tussen Nv T.I.S. en Nv J.C.A.. ii.- Het staat niet ter discussie dat de heer V. door Nv T.I.S. in dienst werd genomen om arbeid te verrichten bij Nv J.C.A.. Artikel 31 § 3 eerste lid van de Uitzendarbeidwet bepaalt: "Wanneer een gebruiker arbeid laat verrichten door werknemers die te zijner beschikking werden gesteld in strijd met de bepaling van § 1, worden die gebruiker en die werknemers beschouwd als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf het begin der uitvoering van de arbeid." Wanneer een werknemer door zijn werkgever ter beschikking wordt gesteld van een gebruiker, ontstaat bijgevolg slechts een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen de gebruiker en de werknemer wanneer de ter beschikking stelling een verboden ter beschikking stelling is in de zin van artikel 31 § 1 Uitzendarbeidwet. Voornoemd artikel bepaalt: "Verboden is de activiteit die [...] door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt uitgeoefend om door hen in dienst genomen werknemers ter beschikking te stellen van derden die deze werknemers gebruiken en over hen enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt. Geldt evenwel niet als de uitoefening van een gezag in de zin van dit artikel, het naleven door de derde van de verplichtingen die op hem rusten inzake het welzijn op het werk alsook instructies die door de derde worden gegeven in uitvoering van de overeenkomst die hem met de werkgever verbindt, zowel inzake arbeids- en rusttijden als inzake de uitvoering van het overeengekomen werk." Bij ontstentenis van enige omkering van de bewijslast is het aan de heer V. om aan te tonen dat zijn ter beschikking stelling door Nv T.I.S. aan Nv J.C.A. een verboden ter beschikking stelling is. Hiertoe dient hij in het bijzonder het bewijs te leveren van het feit dat Nv J.C.A. over hem enig gedeelte van het werkgeversgezag uitoefende, en dat deze uitoefening van het werkgeversgezag geen betrekking heeft op de naleving van de verplichtingen inzake het welzijn op het werk, of dat door Nv J.C.A. gegeven instructies niet worden gegeven in uitvoering van de overeenkomst met Nv T.I.S., zowel inzake arbeids- en rusttijden als inzake de uitvoering van het overeengekomen werk. Naar het oordeel van de rechtbank levert de heer V. dit bewijs niet. Dit bewijs wordt niet geleverd door het enkele feit dat Nv J.C.A. vanaf 2 juni 2005 een einde heeft gemaakt aan de opdracht van de heer V. als preventieadviseur. In tegenstelling tot wat de heer V. argumenteert wordt het voorwerp van de aannemingsovereenkomst tussen Nv T.I.S. en Nv J.C.A. hierdoor niet gewijzigd. Het voorwerp van deze overeenkomst is inderdaad 'het leveren van tijdelijke projectmatige ondersteuning op vlak van veiligheid en milieu' en het wordt niet aangetoond dat de heer V. iets anders heeft gedaan dan voornoemde activiteiten. iii.- In ondergeschikte orde beroept de heer V. zich op de nietigheid van de arbeidsovereenkomst tussen Nv T.I.S. en de heer V. daar zij gesloten zou zijn in strijd met de bepalingen van de Welzijnswet en aldus een ongeoorloofde oorzaak zou hebben. Er moet evenwel een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de bepalingen van de Welzijnswet en deze van de Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseur. Mogelijk kan aan Nv J.C.A. worden verweten dat de taken van de preventieadviseur worden toevertrouwd aan een werknemer die geen interne of externe preventieadviseur is, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat tussen Nv J.C.A. en de heer V. een arbeidsovereenkomst is ontstaan. iv.- Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat tussen de heer V. en Nv J.C.A. geen arbeidsovereenkomst bestond. 2.1.
- De vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding Het feit dat tussen de heer V. en Nv J.C.A. geen arbeidsovereenkomst bestond heeft tot gevolg dat de heer V. geen vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding ten opzichte van Nv J.C.A. kan stellen. De vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding bij beweerde onregelmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst moet inderdaad worden gesteld tegen de werkgever. Dit onderdeel van de vordering van de heer V. tegen Nv J.C.A. is bijgevolg ongegrond. 2.1.
- De vordering tot betaling van een beschermingsvergoeding Met toepassing van artikel 10 eerste lid 1° van de Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs is de werkgever aan de preventieadviseur van wie de overeenkomst een vergoeding verschuldigd, wanneer de werkgever de krachtens de wet voorgeschreven procedures niet volgt. De beschermingsvergoeding is bijgevolg verschuldigd wanneer de werkgever in de zin van de wet de arbeidsovereenkomst van de preventieadviseur in de zin van de wet beëindigt met miskenning van de door de wet voorgeschreven procedures. Het is bijgevolg van belang te bepalen wie werkgever en wie preventieadviseur is in de zin van de Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs. Met toepassing van artikel 2, tweede lid 1° van de Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs wordt voor de toepassing van de wet verstaan onder werkgever: - de werkgever zoals bedoeld in artikel 2 van de Welzijnswet - de erkende externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. Met toepassing van artikel 2, tweede lid 2° van de Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs wordt voor de toepassing van de wet verstaan onder werknemer: - de natuurlijke persoon verbonden aan een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, met wie de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, die daadwerkelijk wordt tewerkgesteld door die werkgever en die de door artikel 33 § 1 vierde lid en 3° van de Welzijnswet opdrachten vervult - de natuurlijke persoon die al dan niet krachtens een arbeidsovereenkomst verbonden is met een erkende externe dienst voor preventie, waarop een werkgever beroep doet voor de uitvoering van de door artikel 33 § 1 vierde lid en 3° van de Welzijnswet. Vermits de heer V. niet door een arbeidsovereenkomst verbonden is met Nv J.C.A., is deze laatste geen werkgever in de zin van de Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs, en eerstgenoemde geen preventieadviseur in de zin van deze wet. In die omstandigheden is de Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs niet van toepassing op de verhouding tussen de heer V. en Nv J.C.A., en kan de heer V. zich bijgevolg niet beroepen op de door deze wet verleende bescherming. Ook dit onderdeel van de vordering van de heer V. tegen Nv J.C.A. is bijgevolg ongegrond. 2.
- De vordering zoals gesteld tegen Nv T.I.S. i.- Om geldig te zijn moet een arbeidsovereenkomst voor een duidelijk omschreven werk het werk zelf omschrijven met helderheid, nauwkeurigheid en zekerheid. (vgl. Arbh. Antwerpen 18 april 1991, R.W. 1992-91 (verkort), 472) De werknemer moet op het ogenblik van zijn aanwerving (a) duidelijk weten welk werk hij precies zal uitvoeren en (b) moet in staat zijn de omvang en de duur ervan te schatten. (vgl. Arbh. Brussel 27 juni 2001, J.T.T. 2002, 8) Wanneer het werk niet duidelijk omschreven is, gelden voor de arbeidsovereenkomst dezelfde voorwaarden als voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. (vgl. Arbh. Bergen 27 april 2001, J.T.T. 2002, 9) De op 1 juni 2004 tussen de heer V. en Nv T.I.S. gesloten arbeidsovereenkomst voor een duidelijk omschreven werk, omschrijft dit werk in de bijlage als volgt: "Als preventie adviseur het leveren van tijdelijke projectmatige ondersteuning voor het realiseren van projecten." Naar het oordeel van de rechtbank beantwoordt deze omschrijving niet aan het vereiste van helderheid, nauwkeurigheid en zekerheid. Evenmin maakt deze omschrijving het de heer V. mogelijk in te schatten wat de omvang en de duur van de overeenkomst zou kunnen zijn. In die omstandigheden gelden voor de arbeidsovereenkomst tussen Nv T.I.S. en de heer V. dezelfde voorwaarden als voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. ii.- Bij ontstentenis van akkoord tussen partijen dient de opzeggingsvergoeding met toepassing van artikel 82 § 3 en artikel 39 § 1 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaald te worden door de rechter. De opzeggingstermijn moet bepaald worden met inachtneming van de op het tijdstip van de opzegging voor de bediende bestaande kans om een gelijkwaardige en passende betrekking te vinden, rekening houdend met de hiernavolgende criteria: anciënniteit: 1 jaar en 6 maanden leeftijd: 44 jaar en 7 maanden functie: bediende belast met technische ondersteuning loon: 36.205,92 EUR (niet betwist) mede in acht genomen de gegevens eigen aan de zaak en de belangen van beide partijen. (vgl. Cass. 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass. 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass. 4 februari 1991, R.W. 1990-91, 1409; Cass. 9 mei 1994, Arr. Cass. 1994, 461; Cass. 2 december 2002, Soc. Kron. 2003, 166; Cass. 3 februari 2003, J.T.T. 2003, 262) Rekening houdend met deze criteria heeft de heer V. recht op een opzeggingsvergoeding gelijk aan vier maanden loon en voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst voor een bedrag van 36.205,92 EUR x 4/12 = 12.068,64 EUR. Gezien het schriftelijk advies van de heer J. Gielen, arbeidsauditeur, neergelegd ter griffie op 27 februari 2008, waarna schriftelijke repliek van beide partijen; OM DEZE REDENEN, DE ARBEIDSRECHTBANK; Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 houdende het taalgebruik in gerechtszaken; Gezien het eensluidend advies van de heer J. Gielen, Arbeidsauditeur; Vonnissend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben; Verklaart de vordering ten laste van tweede verweerster ontvankelijk doch ongegrond; Verklaart de vordering ten laste van eerste verweerster ontvankelijk en gegrond in volgende mate: Veroordeelt tweede verwerende partij om aan eisende partij te betalen: TWAALFDUIZEND ACHTENZESTIG EURO VIERENZESTIG CENT opzeggingsvergoeding te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen in zoverre deze verschuldigd zijn, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 1 december 2005 en de gerechtelijke intrest; deze intrest te berekenen aan de wettelijke intrestvoet op het netto bedrag van de bruto toegekende vergoeding; Veroordeelt eisende partij tot betaling van de gerechtskosten van tweede verwerende partij; begroot de kosten van tweede verwerende partij op DRIEDUIZEND EURO. Veroordeelt eerste verwerende partij tot de gerechtskosten van eisende partij; begroot de kosten van eisende partij op HONDERDACHTENDERTIG EURO NEGENTIG CENT kosten dagvaarding en DRIEDUIZEND EURO rechtsplegingsvergoeding; Begroot de kosten in hoofde van eerste verwerende partij op DRIEDUIZEND EURO rechtsplegingsvergoeding; legt deze ten laste van eerste verwerende partij; Zegt dat er geen reden is het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad. Overeenkomstig artikel 782bis Ger.W. kan een vonnis uitgesproken worden door de Voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters. B.ANTONISSEN F.NUYENS H.SEGERS D.RYCKX Pag. 8 - 07/83.562/A 807.83.562.A.aangepaste versie.doc PDF document ECLI:BE:ARANT:2008:JUG.20080428.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div