id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 29 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2008:JUG.20080429.11 Rolnummer: 08/2569 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Overige Invoerdatum: 2010-07-14 Raadplegingen: 127 - laatst gezien 2026-07-02 17:24 Fiches 1 - 2 Het feit op zich dat de kandidatuur na het ontslag om dringnde reden werd ingediend, volstaat op zich niet om rechtsmisbruik aan te nemen in hoofde van de kandidaat. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ondernemingsraad Vrije woorden: Organisatie van het bedrijfsleven - ondernemingsraden - verkiezingen - verkiesbaarheidsvoorwaarden - kandidatuur - ontslag om dringende reden - IV BIS A Wettelijke bepalingen: Wet - 20-09-1948 - 19, lid 5 - 01 ELI link Pub nr 1948092002 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Sociale verkiezingen Vrije woorden: Organisatie van het bedrijfsleven - sociale verkiezingen - kandidatuur - ontslag om dringende reden. - IV BIS E Wettelijke bepalingen: Wet - 04-12-2007 - 5 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Nota: Gerangschikt onder IV BIS A - artikel 19, lid 5 en onder IV BIS E I - artikel
- Annotaties Publicaties: SRK 2010 - - nr. 3 - blz. 163-165 Tekst van de beslissing VONNIS uitgesproken door de Voorzitter van de EERSTE KAMER in buitengewone openbare terechtzitting van de Arbeidsrechtbank van het Gerechtelijk Arrondissement Antwerpen op NEGENENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ACHT INZAKE: A.R. 08/2569/A NV O.D.T.H. , (afgekort O.D.T.H.), met maatschappelijke zetel te *** EISENDE PARTIJ: ter zitting vertegenwoordigd door Mr. D. TEGEN:
- De heer DR, wonende te **
- A., representatieve werknemersorganisatie, met zetel te ***
- mevrouw S, gevolmachtigde A., wonende te *** VERWERENDE PARTIJEN: ter zitting vertegenwoordigd door Mr. L en in aanwezigheid van :
- B. representatieve werknemersorganisatie, met zetel te ***.
- C., representatieve werknemersorganisatie, met zetel te **** BETROKKEN PARTIJEN: ter zitting niet verschenen. VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS: Gelet op de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging en vermeld op de inventaris ervan, o.m.: - het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 15.4.
- - de conclusie van verwerende partijen, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 23.4.2008 en 24.4.
- - de conclusie van eisende partij, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 24.4.
- - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen. * * * Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord de eisende en verwerende partijen in hun middelen en gezegden ter openbare zitting van 28.4.
- Betrokken partijen alhoewel behoorlijk opgeroepen, zijn niet verschenen, noch iemand voor hen. Gehoord de heer E, Subsituut-arbeidsauditeur in zijn mondeling advies ter zitting van 28.4.2008 en de mondelinge repliek van eisende en verwerende partijen. * * * I. VORDERING De vordering van de NV O.D.T.H. , - hierna afgekort de NV O.D.T.H. genoemd - , zoals geformuleerd in het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 15 april 2008, strekt er toe: - te zeggen voor recht dat de kandidatuur van de heer DR op de lijst van het A. voor de sociale verkiezingen voor de ondernemingsraad bij de NV O.D.T.H. nietig is, aangezien zij werd gesteld met misbruik van recht en in strijd met de bepalingen van de Wet van de 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen 2008 en de Wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven; - te zeggen voor recht dat deze kandidatuur aldus van de lijst van het A. dient te worden verwijderd. * * * In conclusies, ontvangen ter griffie op 24 april 2008, handhaaft de NV O.D.T.H. haar vordering zoals hoger geformuleerd. II. FEITEN De sociale verkiezingen bij de NV O.D.T.H. voor de aanwijzing van de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming op het werk vinden plaats op 14 mei
- De heer DR, - eerste verwerende partij - , is op 18 september 2006 in dienst getreden van de NV O.D.T.H. als magazijnier - heftruckchauffeur in uitvoering van een arbeidsovereenkomst voor arbeiders voor onbepaalde duur. (Zie stuk 1 dossier verwerende partijen) Sinds september 2007 is de heer DR aangesloten als lid bij het A., - tweede verwerende partij. (Zie stuk 2 dossier verwerende partijen) Met een aangetekende brief van 7 maart 2008 werd de heer DR ontslagen om dringende reden. (Zie stuk 1 dossier NV O.D.T.H.) De dringende reden ter rechtvaardiging van dit ontslag werden ter kennis gebracht met een navolgende aangetekende brief van 10 maart
- (Zie stuk 2 dossier NV O.D.T.H.) In essentie wordt in deze brief aan de heer DR verweten dat hij eind februari 2008 doodsbedreigingen, minstens grove beledigingen of intimidaties zou hebben geuit tegenover een of meerdere collega's van de onderneming. De uitlatingen van de heer DR, die aanleiding gaven tot het ontslag om dringende reden, zouden in verband staan met gebeurtenissen die zich in de onderneming van de NV O.D.T.H. hebben afgespeeld in december 2004, waarbij een werknemer uit jaloezie omwille van een stukgelopen relatie met een werkneemster een toenmalige werknemer zou hebben vermoord. Concreet zou de heer DR tijdens een gesprek met twee collega's in februari 2008 gesuggereerd hebben dat hij omwille van gelijkaardige persoonlijke relationele problemen met een werkneemster, die thans een nieuwe relatie zou hebben met een andere werknemer, wel eens gelijkaardige feiten zou kunnen plegen. Naar aanleiding van voormelde uitlatingen werd door de NV O.D.T.H. bij de Lokale Politie Zone Rupel tevens klacht ingediend tegen de heer DR wegens mondelinge bedreigingen. (Zie stuk 3 dossier NV O.D.T.H.) Op 19 maart 2008 (dag X + 35) werd de heer DR door het A. voorgedragen als kandidaat voor de sociale verkiezingen, en dit zowel voor de ondernemingsraad als voor het comité voor preventie en bescherming op het werk. (Zie stuk 4 dossier NV O.D.T.H.) Met een aangetekende brief van 26 maart 2008 verzocht de vakorganisatie A. TRANSCOM bij monde van haar secretaris, mevrouw S, - derde verwerende partij in onderhavige procedure- , om de reïntegratie van de heer DR in de onderneming, gelet op diens statuut van beschermde werknemer in de zin van de wet van 19 maart 1991, met de vraag uiterlijk op 31 maart 2008 schriftelijk standpunt mee te delen. (Zie stuk 9 dossier verwerende partijen) Deze vraag tot reïntegratie werd herhaald met een aangetekende brief van 2 april
- (Zie stuk 10 dossier verwerende partijen) Na een klacht van twee werknemers werd door de NV O.D.T.H. op 15 april 2007 (dag X + 61) beroep aangetekend tegen de kandidatuurstelling van de heer DR wegens vermeend rechtsmisbruik, dat er zou in bestaan dat laatstgenoemde zich enkel kandidaat stelde met de bedoeling om van de ontslagbescherming te kunnen genieten. Bij de behandeling ter zitting van 28 april 2008 verklaren partijen dat inmiddels de reïntegratie door de werkgever per aangetekende brief van 25 april 2008 onder voorbehoud werd aanvaard. III. BEOORDELING A) ONTVANKELIJKHEID
- M.b.t. de betrokken partijen Verwerende partijen besluiten in conclusies, per fax toegezonden aan de griffie op 23 april 2008 om 8.56u, tot de onontvankelijkheid van de vordering om reden dat de twee overige representatieve vakorganisaties, met name het B. en het C., niet vermeld werden in het inleidend verzoekschrift als betrokken partijen, zodat deze initieel niet werden opgeroepen in het kader van onderhavige procedure. Steeds volgens verwerende partijen werden hun belangen hierdoor geschaad, vermits zeker het B. het standpunt had kunnen bevestigen dat het engagement van de heer DR om zich kandidaat te stellen voor de sociale verkiezingen dateert van januari 2008, d.w.z. van vóór de datum van zijn ontslag. Overeenkomstig artikel 24 § 2, 3° van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven is de eisende partij ertoe gehouden, in limine litis, bij de griffie van het arbeidsgerecht waarbij de zaak aanhangig is, de identiteit en het volledig adres van de betrokken partijen neer te leggen, waarbij onder volledig adres moet worden verstaan, de woonplaats of de voornaamste verblijfplaats of de gewone plaats van tewerkstelling. Artikel 24 § 2, 4° bepaalt verder dat de arbeidsrechtbank uitspraak doet zonder voorafgaande verzoening, na de betrokken partijen te hebben gehoord of behoorlijk te hebben opgeroepen. Artikel 24 § 2 in fine bepaalt dat onder betrokken partij moet worden verstaan, elke persoon, representatieve werknemersorganisatie of representatieve organisatie van kaderleden die in het kader van de procedure in het geding wordt betrokken. Met het begrip "betrokken partij" voorziet de wetgeving inzake de sociale verkiezingen een vorm van tussenkomst voor elke belanghebbende persoon of partij teneinde deze de kans te geven om tussen te komen en de vordering te ondersteunen of te betwisten. Niettegenstaande de wetgever niet heeft gepreciseerd wie als betrokken partij moet worden beschouwd in welke fase van de verkiezingsprocedure moet worden vastgesteld dat ingeval van een beroep tegen een kandidatenlijst van een bepaalde werknemersorganisatie, de andere organisaties die kandidaten hebben voorgedragen als belanghebbende partijen moeten worden aanzien. De niet-mededeling in limine litis van de identiteit en het adres van de betrokken werknemersorganisaties in het verzoekschrift brengt op zichzelf evenwel niet de onontvankelijkheid van de vordering met zich mee, wat enkel het geval is wanneer het belang van een der betrokken partijen hierdoor werd geschaad. ( Zie Cass. 1 oktober 1990, J.T.T. 1990, 433) In casu werd de procedure evenwel geregulariseerd en werden de betrokken partijen, met name het B. en het C. alsnog tijdig opgeroepen tegen de zitting waarop de zaak voor behandeling ten gronde werd vastgesteld. Immers, met een faxbericht, verzonden aan de griffie op 23 april 2008 om 8.23u, gaf de NV O.D.T.H. in toepassing van artikel 24, § 2, 3° van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven in limine litis kennis van de identiteit en het adres van de betrokken partijen, te weten het B. en het C.. Diezelfde dag nog werden beide betrokken partijen per gerechtsbrief opgeroepen voor de zitting van 28 april
- Er is derhalve geen reden om te besluiten tot op de onontvankelijkheid van de vordering, nu door de NV O.D.T.H. voldaan werd aan haar gehoudenheid om in limine litis de identiteit en het volledig adres mee te delen van de twee andere representatieve werknemersorganisaties. 2.M.b.t. de termijnen Artikel 37, eerste lid van de Wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 bepaalt dat de werknemers die op de kiezerslijsten voorkomen, alsmede de betrokken representatieve werknemersorganisaties en de betrokken representatieve organisaties van kaderleden bij de werkgever elke klacht kunnen indienen die zij in verband met de voordracht van de kandidaten nuttig achten en dit binnen zeven dagen na het verstrijken van de termijn voorgeschreven voor de aanplakking van het bericht bedoeld in artikel 36 van diezelfde wet. Door twee werknemers van de NV O.D.T.H. werd binnen de termijn bepaald in voormeld artikel, meer bepaald op 1 april 2008, klacht ingediend bij de NV O.D.T.H. tegen de voordracht van de heer DR als kandidaat voor het A. voor de sociale verkiezingen 2008 voor de ondernemingsraad. Zoals voorgeschreven door artikel 37, derde lid van de Wet van 4 december 2007 werd het A. hiervan op 1 april 2008 op de hoogte gebracht door de werkgever. Het A. ging niet over tot wijziging van de lijst van de door haar voorgedragen kandidaten en tot schrapping van de heer DR van deze lijst, waarna de NV O.D.T.H. op 10 april 2008 ( dag X + 56 ) diende over te gaan tot aanplakking van de kandidatenlijst, waarop de heer DR nog steeds voorkomt als kandidaat. Overeenkomstig artikel 5 van de Wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008 werd door de NV O.D.T.H. binnen de vijf dagen die volgen op het verstrijken van de termijn vastgesteld voor de aanplakking van het in artikel 37 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 bedoelde bericht bij de arbeidsrechtbank beroep ingesteld tegen de voordracht van de heer DR. * * * Voorgaande overwegingen leiden tot het besluit dat de vordering tijdig en regelmatig naar de vorm werd ingesteld en derhalve ontvankelijk is. B) TEN GRONDE
- Principes Overeenkomstig artikel 5 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 kan de werkgever beroep instellen tegen de voordracht van kandidaten wanneer de kandidaturen of de kandidatenlijsten niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van het werk, en van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar
- In een arrest van 22 juni 1992 werd door het Hof van Cassatie duidelijk gesteld dat deze mogelijkheid tot beroep in het kader van de procedure sociale verkiezingen zich niet beperkt tot een onderzoek naar de verkiesbaarheid als dusdanig van de kandidaten, doch tevens van toepassing is op alle betwistingen betreffende de geldigheid van een kandidatuur en de samenstelling van de kandidatenlijsten. (Zie Cass., 22 juni 1992, R.W. 1992-1993, 359) De rechtsgronden, voorzien in artikel 5 van de wet van 4 december 2007, zijn niet als limitatief te beschouwen en het is de werkgever toegestaan om een vordering in te stellen, gesteund op rechtsmisbruik. Rechtsmisbruik wordt omschreven als het uitoefenen van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van een normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en vooruitziend persoon (zie o.m. Cass., 16 december 1982, Pas. 1983, I, 472; Cass. 9 november 1987, Pas. 1988, I, 332 en CUYPERS D., " Rechtsmisbruik in het arbeidsrecht - Revisited ", in Actuele Problemen van het Arbeidsrecht 5, Gent, Mys en Breesch, 1997, p. 85) Het recht dat in het kader van de sociale verkiezingen ter discussie staat betreft het subjectief recht van iedere werknemer om zich verkiesbaar te stellen, voor zover de betrokkene voldoet aan de wettelijk vereiste voorwaarden van verkiesbaarheid. Dit subjectief recht, dat wordt toegekend met een specifiek doel, namelijk het uitoefenen van een mandaat in een sociaal overlegorgaan, dit in het belang van de gemeenschap van werknemers, kan het voorwerp uitmaken van rechtsmisbruik, wanneer dit recht wordt afgewend van dit doel en het voor andere oogmerken wordt aangewend. Zo is er sprake van rechtsmisbruik indien de werknemer zich kandidaat stelt met de uitsluitende bedoeling om een ontslag te verhinderen of om te genieten van de bijzondere ontslagbescherming (zie VANTHOURNHOUT J., Praktijkgids sociale verkiezingen 2008, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 291 en de aldaar geciteerde rechtspraak). Dit rechtsmisbruik heeft de nietigheid van de kandidatuur tot gevolg wat betekent dat de kandidatuur geacht wordt niet bestaan te hebben. Overeenkomstig artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek rust de bewijslast inzake het vermeende rechtsmisbruik in hoofde van de werknemer bij de werkgever, die dit feit mag bewijzen met alle middelen van recht, getuigenbewijs inbegrepen, evenals gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens. (Zie o.m. Ed. HUMBLET P. en VANTHOURNHOUT J., De sociale verkiezingen doorgelicht, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 75 en de aldaar geciteerde rechtspraak) Ingeval van ontslag vóór de kandidatuurstelling zal de werkgever moeten aantonen dat de werknemer zijn kandidatuur niet gesteld zou hebben, indien hij niet zou zijn ontslagen. (Zie VANTHOURNHOUT J., o.c., p. 291)
- Toepassing In het kader van de procedure van de sociale verkiezingen begint de bescherming van de werknemers die zich kandidaat stellen voor de verkiezingen te lopen op dag X - 30, zijnde het begin van wat de "occulte periode" wordt genoemd. Overeenkomstig artikel 19, vijfde lid van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, kan een werknemer die werd ontslagen in strijd met de bepalingen van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat- personeelsafgevaardigden, als kandidaat worden voorgedragen. In casu werd de heer DR ontslagen ruim na dag X - 30, doch vóór zijn kandidatuurstelling die dateert van 19 maart 2008, wat betekent dat hij te beschouwen is als een beschermde werknemer in de zin van de wet van 19 maart 1991 en dat zijn kandidatuur in beginsel rechtsgeldig is. In toepassing van hogervermelde principes komt het toe aan de NV O.D.T.H. te bewijzen dat de heer DR het recht om zich verkiesbaar te stellen afgewend heeft van het doel van dit recht, dat bestaat in het uitoefenen van een sociaal mandaat in een ondernemingsraad en dit in het belang van de gemeenschap van werknemers, en hij dit recht aangewend heeft met het enkel doel voor zichzelf een ontslagbescherming te creëren, zoals zij voorhoudt. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt de NV O.D.T.H. niet in deze op haar rustende bewijslast. Volgende overwegingen hebben tot deze besluitvorming geleid: Het feit op zich dat de kandidatuurstelling na het ontslag om dringende reden werd ingediend volstaat op zich niet om rechtsmisbruik te weerhouden in hoofde van de heer DR. Er kan inderdaad niet zonder meer van worden uitgegaan dat wie ontslagen is en zich daarna kandidaat stelt, rechtsmisbruik pleegt. Zoals hoger werd vastgesteld dient de NV O.D.T.H. aan te tonen dat de heer DR zich geen kandidaat zou hebben gesteld indien hij niet was ontslagen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de rechtbank slechts een marginale controle kan uitoefenen, vermits de indiening van de kandidatenlijsten een recht is van de vakorganisaties, die hierover zelf beslissen. De rechter kan zich niet uitspreken over de opportuniteit van de beslissing van de vakbond om een bepaalde kandidaat voor te dragen. (Zie VANTHOURNHOUT J., o.c., p. 291) In casu zijn er geen elementen die erop wijzen dat de heer DR zich kandidaat stelde enkel en alleen met de intentie om te kunnen genieten van de ontslagbescherming en niet met het oog op de deelname aan de verkiezingen of de uitoefening van een sociaal mandaat ten gunste van de collectiviteit van de werknemers. Verwerende partijen brengen een aantal stukken voor, waaronder de verklaring van de heer Koen Lauwers, personeelsafgevaardigde bij de NV O.D.T.H. voor het A. en thans opnieuw kandidaat, waaruit blijkt dat de heer DR op 26 januari 2008 deel nam aan een vergadering ter voorbereiding van de sociale verkiezingen die door zijn vakorganisatie werd georganiseerd. De waarachtigheid van de inhoud van deze verklaring wordt door de NV O.D.T.H. niet op ernstige wijze in twijfel getrokken. Aan de hand van de voorgebrachte stukken mag dan ook als vaststaand beschouwd worden dat de heer DR zich reeds vóór het ontslag, - en dus in tempore non suspectu - , kandidaat wilde stellen voor de sociale verkiezingen. Het feit dat de heer DR een verzoek tot reïntegratie indiende wijst er daarenboven op dat hij verdere interesse toont, niet enkel voor zijn tewerkstelling bij de NV O.D.T.H., doch tevens voor de kandidatuur voor een sociaal mandaat. Ter staving van haar stelling dat er sprake is van rechtsmisbruik verwijst de NV O.D.T.H. naar de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het ontslag om dringende reden, dat werd betekend op 7 maart 2008 en die naar haar oordeel getuigen van een houding, die onverenigbaar is met de betrokkenheid die de heer DR aan de dag dient te leggen bij de verdediging van de belangen van zijn collega's in de onderneming, wat de essentie uitmaakt van het mandaat waarvoor hij zich verkiesbaar wenst te stellen. De rechtbank stelt ter zake vooreerst vast dat de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het ontslag om dringende reden door de heer DR worden betwist en dat het al dan niet rechtmatig karakter van het ontslag om dringende reden niet het voorwerp uitmaakt van huidig geschil. Het loutere feit dat de NV O.D.T.H. mogelijkerwijze om terechte en gegronde redenen overging tot ontslag om dringende reden bewijst op zich niet dat er sprake is van rechtsmisbruik in hoofde van de heer DR bij zijn kandidatuurstelling op de lijst van het A. in het kader van de sociale verkiezingen. Het is immers niet de ontslaghandeling van de NV O.D.T.H., doch wel de intentie van de heer DR bij het indienen van zijn kandidatuur die ter beoordeling staat. Verder moet worden vastgesteld dat het in vraag stellen van de morele integriteit van de heer DR gelijk te stellen is met het in vraag stellen van de opportuniteit van de kandidaatstelling. Hoger werd reeds vastgesteld dat het niet toekomt aan de rechtbank om hierover te oordelen. Voor zover het moreel gezag van de heer DR al zou zijn aangetast door de feiten die het voorwerp uitmaken van het ontslag om dringende reden, betekent zulks nog niet dat het indienen van zijn kandidatuur kan beschouwd worden als een vorm van rechtsmisbruik. De uitlatingen van de heer DR, die door de NV O.D.T.H. worden omschreven als doodsbedreigingen aan het adres van één of meerdere collega's, situeren zich, voor zover al bewezen, in de privé-sfeer en geven op zich geen blijk van een algemeen negatieve houding naar de gemeenschap van werknemers toe. Alleszins laten deze uitlatingen niet toe te besluiten dat de kandidatuurstelling, die gebeurde na het ontslag dat werd betekend omwille van voormelde feiten, enkel werd ingesteld met het eigen belang voor ogen, waarbij het de heer DR enkel te doen zou zijn geweest om de ontslagbescherming. Om alle hogervermelde redenen is het vermeende rechtsmisbruik in hoofde van de heer DR niet bewezen zodat de vordering van de NV O.D.T.H. als ongegrond moet worden afgewezen. C) RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, die de NV O.D.T.H. verschuldigd is aan verwerende partijen die in het gelijk worden gesteld in onderhavige zaak, dient toepassing te worden gemaakt van de tarieven voor geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen conform artikel 3 van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Conform dit artikel bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding euro 1 200,00, het minimumbedrag euro 75,00 en het maximumbedrag euro 10 000,
- Artikel 1022 en van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding kan verminderen, ofwel die verhogen, zonder de maximum - en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling desbetreffend houdt de rechter rekening met: - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. De rechtbank meent niet te moeten ingaan op de vraag van verwerende partijen om af te wijken van het basisbedrag en een hogere rechtsplegingvergoeding ten belope van euro 2 500,00 toe te kennen. De complexiteit van de zaak is immers niet van die aard dat dit de toekenning van een rechtsplegingvergoeding hoger dan het basisbedrag zou kunnen verantwoorden. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Rechtsprekende op tegenspraak ten overstaan van eisende en verwerende partijen, Rechtsprekende in afwezigheid van betrokken partijen, Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andersluidende conclusies verwerpende, Verklaart de vordering ONTVANKELIJK doch ONGEGROND, Veroordeelt de NV O.D.T.H. tot de kosten van het geding, tot op heden niet begroot aan haar zijde, en aan de zijde van verwerende partijen begroot op euro 2 500,00 verhoogde rechtsplegingvergoeding, doch door ons herleid tot het basisbedrag van euro 1200,
- De Griffier, De Voorzitter van de kamer, N.B. H.V. Rechter in Sociale Zaken, Rechter in Sociale Zaken, werkgever, werknemer-bediende, J.C E.M. PDF document ECLI:BE:ARANT:2008:JUG.20080429.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div