id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 09 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2008:JUG.20080609.30 Rolnummer: 2677/04 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Unierecht Invoerdatum: 2010-12-21 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 17:36 Fiches 1 - 3 Wanneer de plaatsvervangende werknemersvertegenwoordiger in de Europese ondernemingsraad reeds door de verkozen werknemers van de onderneming zelf werd vervangen op het ogenblik dat hij ontslagen werd, geniet hij niet meer van de ontslagbescherming als lid van de Europese ondernemingsraad. De bescherming als lid van de Europese ondernemingsraad neemt bovendien een einde wanneer het mandaat in de Belgische ondernemingsraad een einde neemt, nu het lidmaatschap aan de ene van het mandaat in de andere afhangt. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsraad - Nationale arbeidsraad - W. 29 mei 1952 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - NATIONALE ARBEIDSRAAD - beschermde werknemer - europese ondernemingsraad - mandaat in de Belgische ondernemingsraad - vervanging door de verkozen werknemers van de onderneming zelf Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 62 - 06-02-1996 - 29 - 34 Link Justel databank 19960206-34 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN - ONTSLAGREGELING VAN DE WET VAN 19 MAART 1991 - beschermde werknemer - europese ondernemingsraad - mandaat in de Belgische ondernemingsraad - vervanging door de verkozen werknemers van de onderneming zelf Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 16 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Wet - 23-04-1998 - 9 - 46 ELI link Pub nr 1998012194 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - RECHTSHANDELINGEN - Richtlijn Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP - RICHTLIJNEN VAN DE EEG - Beschermde werknemer - europese ondernemingsraad - mandaat in de Belgische ondernemingsraad - vervanging door de verkozen werknemers van de onderneming zelf Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 94/95 - 22-09-1994 - / - 41 Link Justel databank 19940922-41 Nota: IV D - IV BIS C - IX D 6 Gerangschikt onder IV D - art. 29, IV BIS C - art. 16 en onder IX D 6 - art. / Annotaties Publicaties: SRK 2010 - - nr. 5, blz. 268-270 Tekst van de beslissing DE ARBEIDSRECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN, EERSTE KAMER, heeft het volgende vonnis uitgesproken: Rolnr. 2677/2004 INZAKE: F. A., arbeider, geboren op 22.03.1956, wonende te 3770 Val-Meer, Mgr. Kerkhofslaan 28. Eisende partij, verschijnend door de heer E. SMEETS, vakbondsafgevaardigde te 3500 Hasselt, Mgr. Broekxplein 6, houder van volmacht. TEGEN: R.A.B. NV, KBO nr. 0438.839.381 ingeschreven in het handelsregister te Tongeren onder het nummer 72.363, BE 438.839.391, met zetel te 3600 Genk, Oosterring 14. Verwerende partij, verschijnend door Mr. P. DUFAUX, advocaat te 3500 Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131. Gezien de inleidende dagvaarding d.d. 22.10.2004 betekend door C. DICTUS, plaatsvervangend Gerechtsdeurwaarder van E. STAS, Gerechtsdeurwaarder, met standplaats te Tongeren; Gezien de kennisgeving van rechtsdag d.d. 28.06.2005 overeenkomstig de toepassing van artikel 751 Ger.W voor de openbare terechtzitting van 18.01.2006; Gezien de besluiten d.d. 29.08.2005 van de raadsman van verwerende partij; Gezien de verzending naar de rol d.d. 18.01.2006 op verzoek van eisende partij; Gezien de conclusie d.d.12.02.2007 van eisende partij; Gezien het verzoek d.d. 10.08.2007 van de vertegenwoordiger van eisende partij overeenkomstig de toepassing van art. 747 § 2 Ger.W. om de conclusietermijnen te bepalen en de rechtsdag te bepalen; Gezien de beschikking d.d. 24.08.2007 van de voorzitter van deze rechtbank waarbij de conclusietermijnen werden bepaald en de zaak werd gesteld voor pleidooi op de openbare terechtzitting van 11.02.2008; Gezien de aanvullende en syntheseconclusie d.d. 30.10.2007 van de raadsman van verwerende partij; Gezien de syntheseconclusie d.d. 17.12.2007 van de vertegenwoordiger van eisende partij; Gezien de synthesebesluiten d.d. 15.01.2008 van verwerende partij; Gezien het tussenvonnis van 10.03.2008. Gehoord partijen ter terechtzitting bij monde van hun raadsman of vertegenwoordiger; Gehoord de heer M. MOENS, substituut-arbeidsauditeur,in zijn eensluidend schriftelijk advies. Partijen verklaren geen opmerkingen te hebben op het advies en wensen niet te repliceren. Partijen hebben zich niet voorafgaandelijk aan ieder debat wensen te verzoenen; Allen drukten zich uit in het Nederlands; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De vordering. Bij dagvaarding d.d. 22.10.2004 heeft de heer F. R. A. B. gedagvaard in betaling van het bedrag van 86.092,42 euro als loon voor het resterend gedeelte van het mandaat van 09.05.2004 tot en met 22.06.2007 als plaatsvervangend lid van de Europese ondernemingsraad REIT. Dit wordt gevorderd onder voorbehoud van alle andere rechten en vorderingen. Bij besluit van 8 februari 2007 verbetert eisende partij haar vordering tot betaling van 89.980,47 EUR (162 weken x 37,5 uren X 14,8116 EUR/uur. I. De Feiten. 1.1. Standpunt eisende partij. "Eiser trad op 11.04.1994 in dienst van verweerster, de werkgever R. A. B. NV, als arbeider. Vanaf mei 2000 was eiser lid van de Belgische ondernemingsraad van het bedrijf. Vanaf mei 2003 was eiser eveneens plaatsvervangend lid van de Europese ondernemingsraad. Op 29.10.2003 maakt verweerster zonder enig respect voor de wettelijke bepalingen inzake het ontslag van een beschermde werknemer, een einde aan de arbeidsovereenkomst zonder het volgen van enige procedure. Dit wordt door verweerster niet betwist. Verweerster deelde eiser met haar ontslagbrief d.d. 29.10.2003 mee dat de wettelijke ontslagvergoeding en beschermingsvergoeding zouden worden betaald. Conform de bepalingen van de Wet van 19.03.1991 vroeg eiser tijdig de reïntegratie. Deze werd door verweerster met een schrijven d.d. 03.11.2003 geweigerd. Verweerster betaalde eiser een vergoeding gelijk aan het loon van 2 jaar in toepassing van de bepalingen van art. 16 van de Wet van 19.03.1991. Verweerster betaalde eiser in toepassing van art. 17 van de Wet van 19.03.1991 tevens loon uit tot 08.05.2004, daarbij verwijzend naar diens bescherming als lid van de Belgische ondernemingsraad en het einde van dit mandaat op 08.05.2004. Eiser was echter eveneens plaatsvervangend lid van de Europese ondernemingsraad. Dit mandaat liep pas ten einde op 22.06.2007. De wetgeving voorziet voor dit lidmaatschap dezelfde bescherming als voor het lidmaatschap van de Belgische ondernemingsraad. Verweerster is dan ook in toepassing van art. 17 van de Wet van 19.03.1991 ingevolge de bescherming die eiser genoot als lid van de Europese ondernemingsraad, loon verschuldigd voor het resterend gedeelte van het mandaat dat liep van 30.10.2003 tot 22.06.2007, en niet slechts tot 08.05.2004. De in de wet van 19.03.1991 opgenomen bescherming als lid van de Europese ondernemingsraad is van openbare orde. De door verweerster bijgebrachte "beslissing van de werknemersvertegenwoordigers in de Ondernemingsraad" is nietig, minstens niet rechtsgeldig." 1.2. Standpunt verwerende partij. "1. De heer F. (° 22.03.1956) trad op 11.04.1994 in dienst van R. A. B. N.V. (hierna genoemd R.) als arbeider (stuk 17 bundel tegenpartij: arbeidsovereenkomst). Hij was lid van de Belgische ondernemingsraad vanaf mei 2000. Dit mandaat zou een einde nemen in mei 2004. Daarnaast was hij eveneens lid van de Europese ondernemingsraad van R. A. (REIT) als plaatsvervangend lid. Hij kreeg hiertoe het mandaat toegewezen in mei 2003. 2. Een beslissing inzake herroeping van het mandaat van de heer F. in de REIT werd ondertekend door de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad van R.. Deze beslissing werd ondertekend op 27.10.2003 (stuk 1 bundel verweerster). Vanaf 27.10.2003 maakte de heer F. geen deel meer uit van de Europese ondernemingsraad en dit conform artikel 6.2. van de overeenkomst tot oprichting van de REIT. 3. Bij aangetekend schrijven van 29.10.2003 deelde R. haar beslissing mee om een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst met de heer F., en dit met onmiddellijke ingang. De verstoorde verhouding tussen het bedrijf en het management enerzijds en de heer F. anderzijds lag aan de basis van deze beslissing. 4. De heer F. was op dat moment een beschermde werknemer. Rieter meldde dan ook in de ontslagbrief dat zij de wettelijke opzeggingsvergoedingen zou betalen maar ook de bijkomende beschermingsvergoeding waar de heer F. recht op had. De bijkomende beschermingsvergoeding bedroeg de betaling van 2 jaar loon vermeerderd met het resterende loon tot het moment waarop het mandaat in de Belgische ondernemingsraad een einde nam, te weten mei 2004. Dit betekende nog een extra vergoeding van 6 maanden loon. De bijkomende beschermingsvergoeding kwam dus overeen met 30 maanden loon. 5. Het A.C.V. vroeg door middel van een aangetekend schrijven d.d. 31.10.2003 de reïntegratie van de heer F. binnen R. in zijn functie als arbeider en in al zijn mandaten. Deze reïntegratie werd door R. geweigerd, zoals zij meedeelde in haar brief d.d. 03.11.2003. 6. Rieter betaalde aan de heer F. de beschermingsvergoeding gelijk aan het loon dat overeenstemt met de duur van 2 jaar aangezien de heer F. binnen R. een anciënniteit heeft die lager is dan 10 jaar, vermeerderd met het resterende loon tot het moment waarop het mandaat in de Belgische ondernemingsraad een einde nam, te weten mei 2004. De heer F. ontving van R. een bedrag van 80.212,01 EUR." II. In rechte. De rechtbank na inzage van alle stukken, gehoord partijen ter terechtzitting en na beraadslaging is van oordeel dat het aangewezen is de zaak mededeelbaar te maken en ze voor advies over te maken aan de diensten van de Arbeidsauditeur bij deze rechtbank. Bij vonnis d.d. 10.3.2008 heropende de rechtbank hiertoe de debatten. Gelet op het schriftelijk advies d.d. 16.04.2008 neergelegd ter terechtzitting; waarop partijen de mogelijkheid hadden om schriftelijk te repliceren, dan wel dit mondeling te doen bij de heropening der debatten voorafgaand aan de in beraadneming van het dossier; Gelet op de schriftelijke repliek d.d. 29 april 2008 van eisende partij ; verwerende partij heeft niet schriftelijk gerepliceerd; Gehoord partijen ter terechtzitting d.d. 05.05.2008; Overwegende dat via de diensten van de Arbeidsauditeur bij deze rechtbank, met name de heer M. MOENS, Substituut-Arbeidsauditeur, het hiernavolgend advies werd geformuleerd. " . Eiser was sedert 11.4.94 in dienst van R. A. B. NV als arbeider. R. A. B. NV heeft d.d. 29 oktober 2003 met onmiddellijke ingang een einde aan de arbeidsovereenkomst van eiser gemaakt en dit zonder het volgen van enige procedure hoewel eiser op dat moment een beschermd werknemer was want lid van de ondernemingsraad van het bedrijf (sedert mei 2000) alsook plaatsvervangend lid van de Europese ondernemingsraad van R.A.B. (sedert mei 2003). R. A. B. NV heeft inmiddels de wettelijke ontslagvergoeding en de beschermingsvergoeding betaald. Het bedrijf weigerde de door eiser tijdig aangevraagde reïntegratie. R. A. B. NV betaalde dus inmiddels een vergoeding gelijk aan twee jaar loon alsook loon tot einde mandaat (in casu zou het mandaat in de Belgische ondernemingsraad eindigen op 8.5.04 wat neerkwam op een bijkomende betaling van 6 maanden loon) - (zie artt. 16 en 17 wet 19.3.91). Eiser ontving reeds 80.212,01 euro. 19 MAART 1991. - Wet houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden. Art. 16. Wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen, zijn reïntegratie niet heeft aangevraagd binnen de bij artikel 14 vastgestelde termijnen, moet de werkgever hem, uitgezonderd in het geval dat de verbreking heeft plaatsgehad voor de indiening van de kandidaturen, onverminderd het recht op een hogere vergoeding, verschuldigd op grond van de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst of van de gebruiken en op elke andere schadevergoeding wegens materiële of morele schade, een vergoeding betalen gelijk aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van : - twee jaar zo hij minder dan tien dienstjaren in de onderneming telt; (- drie jaar zo hij tien doch minder dan twintig dienstjaren in de onderneming telt ; - vier jaar zo hij twintig of meer dienstjaren in de onderneming telt.) Art. 17. § 1. Wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen zijn reïntegratie heeft aangevraagd en deze door de werkgever niet werd aanvaard binnen dertig dagen na de dag waarop het verzoek hem bij een ter post aangetekende brief werd gezonden, moet deze werkgever aan de werknemer de bij artikel 16 bedoelde vergoeding betalen, evenals het loon voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van het mandaat van de leden die het personeel vertegenwoordigen bij de verkiezingen waarvoor hij kandidaat is geweest. § 2. In geval van betwisting moet de werkgever het bewijs leveren dat hij de reïntegratie, die hem gevraagd werd, aanvaard heeft. Het mandaat van eiser in de Europese ondernemingsraad zou nog doorlopen tot 22.6.07. Op grond van artikel 9 van de wet van 23 april 1998 vordert eiser ook nog loon tot het einde van zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad. Artikel 9 van de wet van 23 APRIL 1998. (Wet houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers) bepaalt het volgende: De werknemersvertegenwoordigers in de bijzondere onderhandelingsgroepen en in de Europese ondernemingsraden, evenals de werknemersvertegenwoordigers die hun taak vervullen in het kader van procedures ter informatie en raadpleging die in voorkomend geval in de plaats komen van een Europese ondernemingsraad, en hun vervangers genieten van de bijzondere ontslagregeling bepaald door de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden. Deze bijzondere regeling is op hen van toepassing voor elk ontslag dat plaatsvindt in een periode die aanvangt de dertigste dag voorafgaand aan hun aanwijzing en die eindigt de dag waarop hun mandaat een einde neemt. Eiser vordert in casu nog 89.980,47 euro, zijnde loon voor het resterend gedeelte van het mandaat in de Europese ondernemingsraad (van 9 mei 2004 tot 22 juni 2007), meer intresten en gedingkosten. 2. De ontslagbescherming voor onder meer mandaten in de Belgische en de Europese ondernemingsraad is dezelfde, alleen de beschermingsperiode kan verschillen. Als de werkgever tot ontslag wil overgaan van een werknemer die beide mandaten bekleedt, zal hij slechts één procedure moeten volgen. Bij onregelmatig ontslag, zal de werkgever slechts één beschermingsvergoeding verschuldigd zijn aangezien een analoge toepassing kan worden gemaakt van de rechtspraak dat één enkel feit (het ontslag cq de weigering tot reïntegratie) tezelfdertijd gevolg sorteert op de twee hoedanigheden van de betrokken werknemer (zie Luc ELIAERTS, beschermde werknemers, uitgeverij Larcier, 2003, pagina 47). Ook geldt Cass., 12 juni 1989, R.W., 1989-90, 258-259: De weigering tot herplaatsing maakt een enkel feit uit dat tezelfdertijd betrekking had en effect sorteerde op de twee hoedanigheden (ter gelegenheid van de sociale verkiezingen voorafgaand aan zijn onregelmatig ontslag was hij verkozen als werknemersafgevaardigde in het comité en hij was ook reeds officieel voorgedragen als kandidaat voor de komende sociale verkiezingen) die eiser bezat, zodat zij enkel aanleiding kan geven tot het verschuldigd zijn van een enkele vergoeding(...). En tenslotte is er Cass., 23 maart 1981, R.W., 1981-82, kol. 2673-2675: Bij weigering van de werkgever tot herplaatsing van een onregelmatig afgedankte werknemer, die tezelfdertijd lid was van de ondernemingsraad en van het veiligheidscomité, heeft de belanghebbende slechts recht op een enkele speciale vergoeding. Een andere beslissing zou tegen de wil van de wetgever ingaan omdat hij de bescherming van de werknemers, lid van de ondernemingsraad en van het comité, wil verstevigen NIET OPDAT ZE BEVOORRECHT ZOUDEN ZIJN, maar in het belang van hun functies in de onderneming en teneinde de normale werking van die comités niet te beletten bij abusieve verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. De eis is dus reeds ongegrond ongeacht de duurtijd van het nog lopende mandaat in de Europese ondernemingsraad. 3. Voor zover als nog nodig (zie immers 2.) kan nog het volgende opgemerkt worden. a)Naast bovenvermelde wetgeving wordt bijkomend verwezen naar de artikelen 29 (en 30) van CAO nr. 62 d.d. 6.2.96, algemeen bindend verklaard bij KB van 22 maart 1996. 6 FEBRUARI 1996. - Nationale Arbeidsraad. - Collectieve arbeidsovereenkomst nr. 62 van 6 februari 1996 betreffende de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (Overeenkomst geregistreerd op 26 februari 1996 onder het nr. 40834/CO/300). Art. 29. De in België tewerkgestelde leden van de Europese ondernemingsraad worden aangewezen door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegenwoordigers die zitting hebben in de ondernemingsraden. (Wanneer er geen akkoord is onder die vertegenwoordigers, worden de leden van de Europese ondernemingsraad aangewezen door de meerderheid van die vertegenwoordigers. Bij ontstentenis van ondernemingsraad worden de leden van de Europese ondernemingsraad aangewezen door en onder de werknemersvertegenwoordigers die zitting hebben in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen. Wanneer er geen akkoord is onder die vertegenwoordigers, worden de leden van de Europese ondernemingsraad aangewezen door de meerderheid van die vertegenwoordigers. Bij ontstentenis van ondernemingsraad en comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, kan elk paritair comité de vakbondsafvaardigingen van de ondernemingen of vestigingen die onder zijn sectorale bevoegdheid vallen, machtigen de leden van de Europese ondernemingsraad aan te wijzen. Bij ontstentenis van ondernemingsraad of comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen in de in België gelegen ondernemingen of vestigingen, en bij ontstentenis van machtiging van het paritair comité, hebben de werknemers van de onderneming of van de vestiging het recht de leden van de Europese ondernemingsraad te verkiezen of aan te wijzen.) Art. 30. Er wordt een reservelijst samengesteld om te zorgen voor de continuïteit binnen de Europese ondernemingsraad in geval van overlijden, arbeidsongeschiktheid van langere duur, moederschap, vertrek uit de onderneming of de vestiging of ontslag van het lid. De personen op die reservelijst worden aangewezen volgens dezelfde procedure als de leden van de Europese ondernemingsraad. Die lijst wordt op de volgende manier samengesteld : - een vervanger per Lidstaat; - een extravervanger indien ten minste 75 % van de werknemers van de onderneming met een communautaire dimensie of van het concern met een communautaire dimensie in de betrokken Staat worden tewerkgesteld. Uit lezing van artikel 29 blijkt dat eiser, gelet op zijn ontslag, niet meer in de Europese ondernemingsraad kon zetelen en er dus zijn mandaat en de daaraan verbonden bescherming ook verloren was. Door de beëindiging d.d. 29.10.03 van zijn arbeidsovereenkomst voldeed eiser immers niet meer aan de voorwaarden om deel uit te maken van de Europese ondernemingsraad aangezien hij niet meer kon verkozen worden in de Belgische ondernemingsraad en evenmin nog kon afgevaardigd worden in de Europese ondernemingsraad. Voor het overige zijn de andere middelen zoals door beide partijen opgeworpen, niet relevant of betreft het slechts verdere uitwerkingen van hetgeen reeds werd uiteengezet onder 2..
- b)De beslissing tot herroeping van het mandaat van eiser in de Europese ondernemingsraad werd trouwens ondertekend door de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad. De ondertekening gebeurde op 27.10.03. Dit betekende dus dat eiser vanaf 27.10.03 geen deel meer uitmaakte van de Europese ondernemingsraad want volgens artikel 6.2 van de overeenkomst tot oprichting van de Europese ondernemingsraad bij REIT kan een lid van de REIT door de werknemersvertegenwoordigers die hem hebben afgevaardigd, ook afgezet worden. I.t.t. hetgeen eiser beweert, schrijft artikel 6.2 niet voor dat n.a.v. de herroeping van het mandaat van plaatsvervangend lid van de Europese ondernemingsraad een formele vergadering van de Belgische ondernemingsraad moet plaatsvinden. Dit bewuste artikel 6.2 is evenmin strijdig met welke bepaling ook van de wet van 19.3.91 of van de bedrijfsorganisatiewet.
- c)Uit niets blijkt trouwens de valsheid van de beslissing tot herroeping; deze beweerde valsheid blijkt ook niet uit de door eiser geciteerde briefwisseling die verweerster destijds voerde. Het is niet omdat verweerster in haar briefwisseling geruime tijd niet gesproken zou hebben over de herroeping van het mandaat van eiser in de Europese ondernemingsraad, dat daarom zelfs maar een begin van bewijs voorligt dat de beslissing tot herroeping d.d. 27.10.03 vals (geantidateerd) zou zijn. Eiser heeft ook nooit strafklacht neergelegd bij de daartoe bevoegde instantie (zijnde het parket van de heer Procureur des Konings) of aangedrongen op een schriftonderzoek. Gelet op het bovenstaande is het thans niet meer dienend om eiser toe te laten met alle middelen van recht de zgn. valsheid van het stuk aan te tonen." Beoordeling. In zijn repliek formuleert de vertegenwoordiger van eisende partij het standpunt dat eiser op geen enkel ogenblik enige beschermingsvergoeding tegelijkertijd voortvloeiend uit de bescherming van zijn mandaat in de Belgische ondernemingsraad én zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad heeft gevorderd of heeft ontvangen. Hij stelt dat eiser enkel het saldo vordert van de verschuldigde vergoedingen uit de bescherming die hij genoot in toepassing van zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad. Hij verwijst daarbij naar de bescherming voorzien in de Wet van 19/03/1991 . De rechtbank heeft kennis genomen van de standpunten van partijen en de stukken van het dossier. A.. De toekenning en de ( mogelijke) beëindiging van het mandaat. 1. Eiser was een, als arbeider, verkozen lid van de Ondernemingsraad van de onderneming R. A. B. N.V. De arbeidsovereenkomst werd op 29.10.2003 beëindigd zonder het volgen van enige procedure; aan eiser werd op 29.10.2003 meegedeeld dat hem de wettelijke ontslag- en beschermingsvergoeding zou worden betaald. De door eiser gevraagde integratie in de onderneming werd geweigerd. Aan eiser werd een vergoeding gelijk aan het loon van 2 jaar betaald in toepassing van artikel 16 van de Wet van 19.03.1991. Gedaagde betaalde aan eiser in functie van diens bescherming als ondernemingsraadslid in het bedrijf, tevens het loon uit tot 08/05/2004 zijnde het einde van het mandaat, in toepassing van de bepalingen van art.16 van de wet van 19/03/1991. 2. Eiser was tevens plaatsvervangend lid van de Europese Ondernemingsraad. 3. Dit mandaat valt onder de toepassing van de Richtlijn van 22 september 1994 in verband met informatie en raadpleging van werknemers - 94/95 EEG, P.B., 30 september 1994, L254/64-72. Op 6 februari 1996 werd in de Nationale Arbeidsraad een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten die tot doel had de Europese richtlijn van 22 september 1994 " inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van werknemers, minstens gedeeltelijk te implementeren. De collectieve arbeidsovereenkomst nr. 62 werd bij Koninklijk Besluit van 22 maart 1996 algemeen verbindend verklaard. ( B.S. 10 april 1996, 8465.) De c.a.o is in werking getreden op 22 september 1996.- 4. Een aantal facetten van de Richtlijn waarvoor de Nationale Arbeidsraad zich onbevoegd verklaarde, werden overgelaten aan de wetgever. Deze materies werden dan uiteindelijk geregeld door twee wetten van 23 april 1998. - B.S. 21 mei 1998 - wet van 23 april 1998 houdende begeleidende bepalingen. Cfr Engels., C. De verdere implementering van de Richtlijn 94/95 : Beter laat dan nooit, in Or., 1996-121-136. De wet van 23 april 1998 verklaarde de bijzondere ontslagregeling van de Wet van 19 maart 1991 van toepassing op de werknemers-afgevaardigden in de bijzondere onderhandelingsgroepen, in de Europese ondernemingsraden of op diegenen die actief zijn in een procedure ter informatie en raadpleging . - Art. 9 van de Wet van 23 april 1998 houdende begeleidende maatregelen. Dezelfde bescherming geldt ook voor de vervangers van deze vertegenwoordigers. De ontslagbescherming vangt aan de dertigste dag voorafgaand aan de aanwijzing van de werknemersvertegenwoordiger en eindigt de dag waarop hun mandaat een einde neemt. Het mandaat verschilt naargelang het gaat om een bestaande overeenkomst, een overeenkomst in het kader van artikel 6 van de C.A.O. of een EOR op grond van subsidiaire voorschriften. - cfr C.Engels, l.c. 240-241. 5. Het mandaat waarop aanlegger zich beroept is gebaseerd op de : Overeenkomst tussen R. A. N. B/V. als vertegenwoordiger van het R. -concern met hoofdvestiging te Winterhur, Zwitserland en het College Bijzondere Onderhandelingen inzake de oprichting van een Europese Ondernemingsraad volgens richtlijn 94/45 EG van de Raad d.d. 22 september 1994. ( stuk 3 dossier verwerende partij) Artikel 5 regelt de Samenstelling en zetel van de REIT Reit is samengesteld uit werknemers van de in bijlage 1 aangegeven ondernemingen en bedrijven, die door de werknemersvertegenwoordigers uit hun midden of, bij gebreke aan dergelijke vertegenwoordigers, door de totaliteit van de werknemers uit hun midden worden gekozen of benoemd. De verkiezing dan wel benoeming vindt plaats volgens de nationale wetten en/ of gebruiken. Artikel 6 regelt de Duur van het mandaat. Voor de gekozen of benoemde leden van Reit begint het lidmaatschap bij de eerste vergadering van Reit volgens punt 9.1 en duur vier jaar. De daarna opnieuw te geschieden afvaardiging vindt plaats volgens punt 5.1 e.v. Een herkiezing is mogelijk. De leden van Reit kunnen overeenkomstig de regeling die ten grondslag lag aan hun verkiezing of benoeming door die werknemers of werknemersvertegenwoordigers worden afgezet, die ze in Reit hebben afgevaardigd. 6. In dit verband verwijst verwerende partij naar het stuk nr. 1 - Beslissing van de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad d.d. 27.10.20003. De beslissing is geformuleerd als volgt : " de ondertekenende werknemersvertegenwoordigers die zitting hebben in de Ondernemingsraad van R. A. B. N.V. hebben bij meerderheid beslist om het mandaat van A. F. als plaatsvervangend lid in de Reit , dit is de Europese Ondernemingsraad van R., te herroepen en te beëindigen met ingang van 27 oktober 2003 overeenkomstig artikel 6 van de overeenkomst d.d. 23 juni 2003 inzake de Reit. Vanaf 28 oktober 2003 wordt Q. A. aangewezen als plaatsvervangend lid in de Reit, en dit, behoudens herroeping overeenkomstig voormeld artikel 6 tot op het tijdstip van de vernieuwing van de Reit in juni 2007. Opgemaakt op 27 oktober 2003 te Genk. ...." 7. Eisende partij beroept zich op de wettelijke bescherming voorzien in : - artikel 6 van de Wet van 23/4/1998 betreffende de regels ivm de aanwijzing van de werknemersvertegenwoordigers in de Europese ondernemingsraad - artikel 7 van de Wet van 23/4/1998 dat bepaalt dat het statuut van de werknemersvertegenwoordigers beheerst wordt door het recht van de lidstaat waar de werkgever gevestigd is. - Artikel 9 van de Wet van 23/4/1998 dat bepaalt dat de werknemersvertegenwoordigers en hun plaatsvervangers in de Europese ondernemingsraad, genieten van de bijzondere ontslagregeling bepaald door de Wet van 19/3/1991 ; - Artikel 10 van de oorspronkelijke Europese Richtlijn waarin werd bepaald dat : " ... de leden van bijzondere onderhandelingsgroepen , de leden van de Europese ondernemingsraad en de werknemersvertegenwoordigers die hun taak in het kader van de procedure van artikel 6 lid 3 vervullen bij het verrichten van hun taak een zelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen genieten als de werknemersvertegenwoordigers bij of krachtens de nationale wetgevingen/of de gebruiken in het land waar zij hun dienstbetrekking hebben. - Artikel 45 van de C.A.O. d.d. 6/2/1996 dat bepaalt dat de in België tewerkgestelde leden van de Europese ondernemingsraad bij het verrichten van hun taak dezelfde rechten en dezelfde bescherming genieten als de leden die de werknemers vertegenwoordigen in de ondernemingsraad. 8. De rechtbank, na beraadslaging , is van oordeel dat niet kan worden voorbijgegaan aan de vaststelling dat eiser niet werd ontslagen op een ogenblik dat hij nog plaatsvervangend lid was van de Europese ondernemingsraad. Hij had op het ogenblik van zijn ontslag, als werknemer en lid van de ondernemingsraad, geen mandaat als plaatsvervangend lid van de europese ondernemingsraad. Dit mandaat was hem ontnomen ingevolge de beslissing d.d. 27 oktober 2003 houdende herroeping , door de vertegenwoordigers van de werknemers in de ondernemingsraad, overeenkomstig de toepassing van de procedure voorzien in artikel 6 van 23 juni 2003 inzake de Reit. Eiser verwijst naar de toepassing van art. 21,5° van de Wet van 20.09.1948 luidens welk het mandaat van de personeelsafgevaardigde slechts kan worden ingetrokken wegens ernstige tekortkoming uitgesproken door de arbeidsrechtbank op verzoek van de representatieve werknemersorganisatie . Eiser gaat hier voorbij aan de vaststelling dat het wel degelijk gaat om twee verschillende mandaten, waarvan het ene, als lid van de ondernemingsraad, het resultaat is van verkiezing in de onderneming door alle werknemers die daarvoor in aanmerking komen, en het andere, als plaatsvervangend lid van de europese ondernemingsraad, het resultaat is van een aanduiding - enkel en alleen - door diezelfde verkozen leden van de ondernemingsraad , en dit ingevolge een procedure zoals voorzien in artikel 5.1 van de hoger geciteerde overeenkomst inzake de oprichting van een Europese ondernemingsraad volgens de richtlijn 94/45 EG van de Raad d.d. 22 september 1994. Ook artikel 29 van de c.a.o nr 62 bepaalt in het eerste lid dat de in België tewerkgestelde leden van de Europese ondernemingsraad worden aangewezen door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegenwoordigers die zitting hebben in de ondernemingsraad. De opmerkingen van eiser in besluiten m.b.t tot de onder punt 3.2.1. mogelijke nietigheid van de beslissing van de vertegenwoordigers van de Belgische ondernemingsraad houdende de afzetting van eiser als plaatsvervangend lid van de Europese ondernemingsraad zijn niet dienend. Vooreerst gaat het hier niet om een door de werknemers verkozen mandaat maar om een mandaat ingevolge "aanduiding" door gekozen vertegenwoordigers van de werknemers, ingevolge een procedure zoals voorzien in artikel 5 en 6 van de overeenkomst tot oprichting van een Europese Ondernemingsraad volgens de richtlijn 394/45 EG van de raad dd. 22 september 1994. Indien eiser van oordeel is - punt 3.2.1. van de conclusie d.d. 17.12.2007 - dat een dergelijke procedure inzake herroeping van het mandaat de deur zou openen voor ontoelaatbare intriges, combines en manipulaties, zou dit ongetwijfeld ook kunnen van toepassing zijn voor de toekenning van het mandaat volgens de geëigende procedures. Eiser gaat wel degelijk voorbij aan de vaststelling dat er geen betwisting bestaat over de principes van de regeling inzake de bescherming van mandaathouders met betrekking tot hun ontslag door de werkgever, gegeven tijdens de duur van het mandaat. Het gaat hier evenwel over de intrekking van een mandaat door precies de verkozen vertegenwoordigers van de werknemers zelf. Artikel 6.2. van de Reit voorziet enkel in de afzetting van een lid van de Europese ondernemingsraad door de leden van de Belgische ondernemingsraad. Op het ogenblik van het ontslag was eiser reeds vervangen in zijn mandaat als plaatsvervangend lid van de Europese ondernemingsraad, door de verkozen werknemers van de onderneming zelf . Indien aanlegger ten slotte de valsheid van het bestreden stuk ( nr.1) aanvoert kon wat dat betreft de geëigende procedure worden ingesteld zoals reeds uiteengezet in het schriftelijk advies van de Arbeidsauditeur. B. De bescherming van het mandaat. 1. Loon is verschuldigd tot het einde van het mandaat bij verkiezingen waarvoor men kandidaat is geweest. Artikel 10 lid l van de Europese Richtlijn betreffende de Europese ondernemingsraden - Richtlijn 94/45 /EG - bepaalt dat " de leden van de bijzondere onderhandelingsgroep, de leden van de Europese ondernemingsraad en de werknemersvertegenwoordigers die hun taak vervullen in het kader van procedures voor informatieverstrekking en raadpleging, eenzelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen genieten als de werknemersvertegenwoordigers bij of krachtens de nationale wetgeving. Deze bepaling die voorziet in een ontslagbescherming voor bovenstaande personen werd omgezet in het Belgische recht door artikel 9 van de Wet van 23 april 1998". Artikel 9 van de Wet van 23 april bepaalt dat " de werknemersvertegenwoordigers in de bijzondere onderhandelingsgroepen en in de Europese ondernemingsraden, evenals de werknemersvertegenwoordigers, die hun taak vervullen in het kader van procedures ter informatie en raadpleging die in voorkomend geval in de plaats komen van de Europese ondernemingsraad, en hun vervangers genieten van de bijzondere ontslagregeling bepaald door de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, alsmede voor de kandidaat personeelsafgevaardigden." Artikel 17 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede de kandidaat-personeelsafgevaardigden voorziet dat " wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen zijn reïntegratie heeft aangevraagd en deze door de werkgever niet werd aanvaard binnen de dertig dagen na de dag waarop het verzoek hem bij een ter post aangetekende brief werd gezonden, deze werkgever aan de werknemers de bij artikel 16 bedoelde vergoeding moet betalen, evenals het loon voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van het mandaat van de leden die het personeel vertegenwoordigen bij de verkiezingen waarvoor hij kandidaat is geweest". Artikel 17 van de Wet van 19 maart 1991 vermeldt dus dat " loon is verschuldigd voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van het mandaat van de leden die het personeel vertegenwoordigen bij de verkiezingen waarvoor hij kandidaat is geweest. Artikel 29 van de c.a.o nr. 62 voorziet dat " de in België tewerkgestelde leden van de Europese ondernemingsraad worden aangewezen door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegenwoordigers die zitting hebben in de ondernemingsraad." . Eiser was kandidaat voor de sociale verkiezingen van het jaar 2000. Hij werd verkozen voor een duur van 4 jaar, namelijk tot 8 mei 2004. Aan aanlegger werd het loon betaald tot 8 mei 2004 omwille van het feit dat de laatste verkiezingen waarvoor hij kandidaat was geweest, deze waren van het jaar 2000. Aanlegger vordert een vergoeding wegens plaatsvervangend lidmaatschap van de Europese ondernemingsraad voor een periode die begint te lopen na 8 mei 2004. Artikel 29 van de c.a.o nr. 62 voorziet dat : " de in België tewerkgestelde leden van de Europese ondernemingsraad worden aangeworven door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegenwoordigers die hebben in de ondernemingsraad. Artikel 29 voorziet eveneens in een cascadesysteem voor het geval er geen Belgische ondernemingsraad is. Dit is hier evenwel niet aan de orde; er is wel degelijk een aanduiding geweest door de Belgische ondernemingsraad. In de veronderstelling dat eiser niet was ontslagen, diende hij om zijn Europees mandaat te behouden, minstens kandidaat te zijn bij de verkiezingen van 2004: bovendien zou hij moeten behoren tot de effectief verkozen kandidaten van de Belgische ondernemingsraad én zou hij vanuit die ondernemingsraad moeten worden afgevaardigd. 2. De leden van de Europese ondernemingsraad moeten dezelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen genieten als leden van de Belgische ondernemingsraad. De rechtbank is van oordeel dat de onderneming R. A. B. n.v. de bepalingen van de wet van 19 maart 1991 heeft nageleefd en de beide componenten van de beschermingsvergoeding aan de heer F. heeft betaald tot het einde van het mandaat dat hij uitoefende door de verkiezingen waarbij hij in het jaar 2000 kandidaat was geweest. Door de toekenning aan eiser van een bescherming tot 8 mei 2004 geniet hij dezelfde bescherming als deze van de leden van de Belgische ondernemingsraad; hij geniet dan een bescherming voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van het mandaat van de leden die het personeel vertegenwoordigen bij de verkiezingen waarvoor hij kandidaat is geweest. Indien aan eiser, een vergoeding zou worden betaald voor de periode na 8 mei 20041 geniet hij niet eenzelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen als de leden van de Belgische ondernemingsraad. Integendeel, hij zou dan een grotere bescherming en een betere waarborg kennen dan de leden van de Belgische ondernemingsraad. 3. De leden van en plaatsvervangende leden van de Europese ondernemingsraad zijn slechts beschermd voor de duur van hun mandaat in de Belgische ondernemingsraad; er is geen sprake van bescherming zonder meer voor een duur van vier jaren. Artikel 9 van de wet van 23 april 1998 bepaalt dat de bijzondere ontslagregeling van de wet van 19 maart 1991 geldt voor leden en plaatsvervangers van de Europese ondernemingsraad voor elk ontslag gedurende een periode die aanvangt 30 dagen voor de aanwijzing en die eindigt de dag waarop het mandaat een einde neemt. Dit betekent dat de wet van 23 april 1998 voor de bescherming van de leden en de plaatsvervangende leden van de Europese ondernemingsraad geen eigen bescherming creëert maar verwijst naar artikel 16 en 17 van de Wet van 19 maart 1991. De logica van deze regeling is te vinden in artikel 29 van de c.a.o nr. 62 dat voorziet dat " de in België tewerkgestelde leden van de Europese ondernemingsraad worden aangewezen door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegenwoordigers die zitting hebben in de ondernemingsraad. Men is aldus slechts lid van de Europese ondernemingsraad in de mate dat men verkozen is in de Belgische ondernemingsraad en vanuit deze Belgische ondernemingsraad werd afgevaardigd. Aldus is het mandaat in de Europese ondernemingsraad gekoppeld aan het mandaat in de Belgische ondernemingsraad zodat de bescherming eveneens een einde neemt op het ogenblik dat het mandaat in de Belgische ondernemingsraad een einde neemt. Cfr. Vanachter, O., De Europese ondernemingsraad, in - Rigaux M. en Humblet,P. Actuele problemen van het arbeidsrecht, Intersentia,2001, blz. 647-672. Het kan met name niet de bedoeling zijn dat een soort " extra of superbescherming " zou worden gecreëerd. Het volstaat aldus niet te worden afgevaardigd in de Europese ondernemingsraad - als verkozen lid van de ondernemingsraad - één of meerdere maanden voor de Belgische ondernemingsraad wordt vernieuwd om op die manier toch te blijven zetelen In de Europese ondernemingsraad en zonder nog deel te nemen aan de verkiezingen die leiden tot de samenstelling van de Belgische ondernemingsraad. Het probleem van Belgische werknemers die betrokken zijn bij een raad of een procedure op basis van een artikel -13 overeenkomst is eerder theoretisch. In voorliggende zaak is de werknemer beschermd door de wet van 19 maart 1991 omdat hij zetelt in een ondernemingsraad van een Belgische vestiging. Aan eiser werd een beschermingsvergoeding betaald bestaande uit twee delen: een vergoeding gelijk aan het loon dat overeenstemt met de duur van 2 jaar aangezien aanlegger binnen de onderneming R. een anciënniteit heeft die lager is dan 10 jaar, vermeerderd met het resterende loon tot het moment waarop het mandaat in de ondernemingsraad een einde nam, hetzij mei 2004. Dit principe - de vaststelling dat een werknemer die een dubbel mandaat uitoefent geen aanspraak kan maken op twee afzonderlijke vergoedingen, werd bevestigd in de rechtspraak van het Hof van Cassatie dd. 23 maart 1981, T.S.R., 1981,397 en Cass., 12 juni 1989, R.W. 1989-90,258 De regel is dat een mandaat moet dienen waarvoor het is voorzien; het is niet bedoeld om voorrechten te scheppen voor individuele werknemers of hun vertegenwoordigers. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, Uitspraak doende op tegenspraak; Na beraadslaging, alle verdere en tegengestelde conclusies verwerpend als ongegrond, minstens irrelevant of niet dienend; verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk doch ongegrond; Veroordeelt aanlegger tot de kosten van het geding hetzij de rechtsplegingsvergoeding begroot in hoofde van verwerende partij op euro 3.000 - het basisbedrag voor een vordering begroot in de dagvaarding tussen 60.000 en euro 100.000 - en euro 140,10 dagvaardingskosten in hoofde van eisende partij. Aldus gewezen door de Eerste Kamer, van de arbeidsrechtbank van Tongeren,samengesteld uit: T. KEULEN , rechter, Voorzitter van deze kamer, D. LORQUIN, werkend rechter in sociale zaken, werkgever, A. NESKENS, werkend rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider. M. LOWIST, griffier, en uitgesproken in openbare zitting van diezelfde kamer door T. KEULEN, rechter, Voorzitter van de Kamer, bijgestaan door M. LOWIST, griffier op 9 juni 2008. PDF document ECLI:BE:ARANT:2008:JUG.20080609.30 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div