← België

ECLI:BE:ARANT:2008:JUG.20081002.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 02 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2008:JUG.20081002.14 Rolnummer: 2147/2007 Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-12-20 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-02 18:02 Fiches 1 - 2 De algemene beginselen van behoorlijk bestuur - waaronder de hoorplicht - is niet van toepassing in geval van ontslag van een contractueel personeelslid bij een administratieve overheid. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - algemene beginselen - algemene beginselen - arbeidsovereenkomst - contractueel personeelslid - ontslag om dringende reden - algemene beginselen van behoorlijk bestuur - I K Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - 1 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - toepassingsgebied - contractueel personeelslid - ontslag om dringende reden - algemene beginselen van behoorlijk bestuur - II AAN Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 1 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder I K - artikel 1 en onder II AAN - artikel 1. Annotaties Publicaties: Limb. Rl. 2010 - - 225-227 Tekst van de beslissing DE EERSTE KAMER VAN DE ARBEIDSRECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN, heeft het volgend vonnis uitgesproken: INZAKE: D., D., bediende, wonende te 3950 REPPEL, Reppelerweg 232. Eisende partij, verschijnend door Mevrouw A.M. Claesen, vakbondsafgevaardigde ACV te 3500 Hasselt, Mgr. Broekxplein 6. TEGEN: S.B.B., Vrijthof 10 te 3960 BREE. Verwerende partij, verschijnend door Mter. St. RENETTE, advocaat te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 197; Gezien het inleidend verzoekschrift op tegenspraak d.d. 19.11.2007, neergelegd op de griffie dezer rechtbank. Gezien het gezamenlijk verzoek art. 747 § 1 voor de terechtzitting van 01/09/2008. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden. Gezien de stukken. Gezien de besluiten. Men sprak de Nederlandse taal. 1. De feiten: Eisende partij was sedert 01 april 2007 in dienst van verwerende partij als bediende-stadswacht. Zij trad voltijds in dienst met een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur die een einde zou nemen op 31 maart 2008 (stuk 1 eisende partij). Op 15 mei 2007 werd eisende partij middels aangetekend schrijven om dringende reden ontslagen (stuk 2 eisende partij). De ontslagbrief vermeldt de feiten als volgt: "Volgens diverse getuigenissen van collega's heeft u zich in het bureel van het AGB, waar de stadswacht en de mensen van het Autonoom Gemeentebedrijf Bree tewerk gesteld zijn, onrechtmatig eigendom verschaft van de parkeerroutes van de parkeerwachters voor de maand mei. Dit is zoals u weet een strikt vertrouwelijk document dat u enkel mocht bekomen mits de expliciete goedkeuring van de stadssecretaris of een door hem aangesteld personeelslid." Eisende partij laat per aangetekend schrijven dd. 21/05/2007 weten niet akkoord te gaan met de inhoud van de ontslagbrief (stuk3 eisende partij). De vakvereniging van eisende partij betwist het ontslag bij aangetekend schrijven dd.29/06/2007 (stuk 4 eisende partij). Bij aangetekend schrijven van 19/07/2007 laat verwerende partij weten bij haar standpunt te blijven. Eisende partij legt op 15/11/2007 een verzoekschrift op tegenspraak neer. 2. De vordering De bij verzoekschrift dd. 19/11/2007 ingeleide vordering strekt ertoe verwerende partij te horen veroordelen om aan eisende partij te betalen een met intresten en kosten vermeerderd bedrag van : 1. Een bedrag van 11.002,80 Euro, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 15/05/2007, als opzeggingsvergoeding 2. Een bedrag van 129,38 Euro, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 15/05/2007 als eindejaarspremie 3. Een bedrag van 19,84 Euro als vertrekvakantiegeld op de eindejaarspremie voor het vakantiedienstjaar 2007 3. Ontvankelijkheid De vordering werd naar vorm en inhoud regelmatig ingesteld en is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voorhanden tot het inroepen van een ambtshalve grond van onontvankelijkheid. 4. Ten gronde 1. In casu wordt noch de vormvereiste, noch de termijnvereiste van het ontslag om dringende reden, zoals gegeven door verwerende partij middels aangetekend schrijven dd.15/05/2007 betwist. De betwisting betreft de inhoudvereiste die vervuld dient te zijn om van een terecht ontslag om dringende reden te kunnen spreken. De overige vorderingen, zijde de eindejaarspremie en het vertrekvakantiegeld op eindejaarspremie zijn hiermee samenhangend. 2. De toepasselijke wetgeving Eisende partij stelt dat zowel de Wet van 29 juli 1991 als de beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn op verweerster als administratieve overheid. De Wet op de formele motiveringsplicht is een veruitwendiging van een van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een ander in casu belangrijk beginsel is hoorplicht. Verwerende partij stelt dat de Wet Motivering Bestuurshandelingen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op het ontslag van een contractueel personeelslid in casu niet toepasselijk zijn. In artikel 1, 1° van de Wet Motivering Bestuurshandelingen wordt een bestuurshandeling als volgt omschreven: "(...) de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een of meer besturen of voor een ander bestuur." De verwijzing naar de zogenaamde "algemene beginselen van behoorlijk bestuur" zijn evenmin van toepassing in het geval van een ontslag van een contractueel personeelslid: ook hier treedt het bestuur niet op als overheid, maar als contractspartij, aldus verwerende partij. De rechtbank stelt dat de Wet Motivering Bestuurshandelingen, krachtens artikel 1, 1° niet toepasselijk is op de contractuele verhouding tussen verwerende partij en eisende partij als contractueel personeelslid. Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur beschermen de individuen tegen éénzijdige bestuurshandelingen van de staat (zoals o.m. bij een onteigening), doch zijn niet toepasselijk bij een contractuele meerzijdige overeenkomst waarbij beide partijen, zowel eisende als verwerende partij, een vrijheid hadden om hun contract af te sluiten. De toepasselijke wetgeving is aldus de Arbeidsovereenkomstenwet van 03/07/1978. Haar toepassingsgebied wordt geregeld in artikel 1 § 1 en bepaalt het volgende: "Deze wet regelt de arbeidsovereenkomsten voor werklieden, bedienden, handelsvertegenwoordigers en dienstboden. Ze is ook van toepassing op de bij het eerste lid bedoelde werknemers, tewerk gesteld door her Rijk, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de openbare instellingen welke er onder ressorteren, de instellingen van openbaar nut en door het Rijk gesubsidieerde inrichtingen van vrij onderwijs en wier toestand niet statutair geregeld is." Afdanking om dringende reden blijft de uitzonderingssituatie waar de grootste voorzichtigheid geboden is. 3. De algemene principes kunnen dan ook als volgt weergegeven worden: De partij die de dringende reden inroept moet het bewijs leveren van de feiten welke het voorwerp uitmaken van het ontslag om dringende reden, alsook van de ernst van de feiten en het zwaarwichtige karakter (Engels, Ontslag om dringende reden, Kluwer, p. 134, nr. 756). De Wet (art. 35 AOW) omschrijft de dringende reden als "de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. De verwijzing naar een tekortkoming vindt men niet als dusdanig verwoord in de definitie van het sociaalrechtelijk woordenboek, dat als dringende reden bedoelt iedere omstandigheid of ieder voorval op grond waarvan het voortduren van de dienstbetrekking voor een bij de arbeidsovereenkomst betrokken partij, zo bezwaarlijk is dat deze dienstbetrekking onder onverwijlde mededeling van de reden, zonder opzegging kan worden beëindigd. Aanleiding tot ontslag wegens dringende reden is steeds een ernstige tekortkoming (objectief gegeven) beïnvloed door een subjectief gegeven (namelijk dringend zijn voor hem die ze inroept). (Steyaert, De Arbeidsovereenkomst, pag. 579, nr. 802). Opdat er sprake zou zijn van een dringende reden moeten dus volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn: - Er moet een ernstige tekortkoming zijn van werkgever of werknemer - Die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt - En dit op een bijzondere manier, met name onmiddellijk en definitief. (Van Eeckhoutte, E.A., Overzicht van Rechtspraak, Arbeidsovereenkomsten, TPR, nr. 2/89, nr. 267, pag. 733) De werkgever dient dan ook te bewijzen dat de werknemer een ernstige tekortkoming beging, die elke verdere professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Zie: sociaal compendium 1995-1996, Arbeidsrecht met Fiscale notities, band 2, pag. 1195: "De ernst van het ontslag om dringende reden vereist een vaststaand bewijs van de feiten die de werknemer ten laste worden gelegd." (Arbeidshof Mons, 16/05/1991, Bull. VBO 1992 (weergave) Afl. 2, 78). De ontslaggevende partij moet zelf eerst de ernst van de feiten afwegen, vermits zij op eigen verantwoordelijkheid en risico van oordeel is een einde te moeten maken aan de arbeidsovereenkomst. (Steyaert, o.c., pag. 585, nr. 807). Het ontslag om dringende reden veronderstelt het bestaan van een ernstige tekortkoming van één der partijen. Bij dringende reden moet het noodzakelijk gaan om feiten die als een fout moeten kunnen worden aangemerkt (Cass., 23/10/1989, JTT 1989, 432). Om in aanmerking te komen als grond voor het ontslag wegens dringende reden, moet de tekortkoming ernstig en zwaarwichtig zijn. Niet elke fout kan als dringende reden weerhouden worden. De ernst van de ingeroepen redenen moet in concreto, geval per geval, beoordeeld worden, rekening houdend met alle omstandigheden, eigen aan de zaak. Het begrip "dringend reden" is dan ook een zeer relatief en subjectief begrip: de concrete feitelijke gegevens van de zaak geven de doorslag. Praktische richtlijnen aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt of bepaalde feiten en gedragingen ernstig genoeg zijn om een ontslag om dringende redenen te rechtvaardigen, kunnen niet worden gegeven. Wel kan algemeen gesteld worden dat er rekening moet worden gehouden met de overweging dat ook de werknemer maar een mens is met zijn zwakheden en fouten. Hij moet dan ook als zodanig behandeld worden. Een fout, zelfs een ernstige, rechtvaardigt niet altijd een onmiddellijk ontslag (Engels, Ontslag wegens dringende reden, Kluwer, 1988, 9 e.v.). Iedere foutieve tekortkoming kan nadelig inwerken op de beroepsactiviteit. Om ernstig te zijn moet de culpabiliteit een zekere grens overschrijden, waardoor het vertrouwen vernietigd wordt (Steyaert, o.c. pag. 588, nr. 809). Overigens is het ontslag wegens dringende redenen een uitzonderlijke beëindigingwijze. Voorzichtigheid en nauwkeurig onderzoek zijn dus geboden (ArbRb. Brussel 20/12/1979, TSR 1980, 197). Het bestaan van een ernstige tekortkoming is absoluut noodzakelijk, wil men ontslag geven om dringende reden. Het feit dat de samenwerking psychologisch onmogelijk is geworden, ingevolge de animositeit die tussen de partijen is ontstaan, is niet voldoende (ArbRb. Antwerpen, 15/05/1984, TSR 1984, 589). Wanneer de werkgever tekortkomingen vaststelt bij een werknemer, is het zijn plicht de werknemer op deze tekortkomingen te wijzen. De indruk wekken dat deze tekortkomingen geduld worden, en ze dan achteraf inroepen als dringende reden, gaat niet op (Arbhof Brussel 04/04/4974, TSR 1974, 520). 4. In concreto wordt door eisende partij zowel het bestaan van de feiten als de ernst van de ingeroepen feiten betwist.

  1. a)M.b.t. het bestaan van de feiten Verwerende partij stelt dat de heer G. op toevallige wijze ontdekte dat eisende partij over een kopie beschikte van het document waarop de parkeerroute en uren van de maand mei van de parkeerwachters werden opgenomen. Zij had een kopie van dit document in een van haar kaften gestoken en deze kaft vervolgens op de vensterbank terug geplaatst. Bij het openen van het raam zag de Heer G. de kaft liggen en merkte hij het document met de parkeerroutes onmiddellijk op. Omdat noch hijzelf, noch de heer A. dit document hadden overhandigd aan eisende partij, besloot de heer G. toelichting te vragen aan mevrouw W. (stuk 1 verwerende partij). Mevrouw W. was zeer verrast toen zij hieromtrent maandagochtend 14/05/2007 door de heer G. werd aangesproken. Want ook zij had de kopie niet aan eisende partij bezorgd. Onmiddellijk bij aankomst op kantoor controleerde zij de map met werkdocumenten van eisende partij en daaruit bleek dat het wel degelijk om een kopie ging van de parkeerroutes voor de maand mei. Toen eisende partij op kantoor arriveerde, confronteerde mevrouw W. haar met de voornoemde feiten, doch eisende partij ontkende - tot tweemaal toe - in het bezit te zijn van de uurroosters. Toen mevrouw W. vervolgens verder ging met haar dagelijkse werkzaamheden, hoorde zij dat eisende partij iets in haar tas stopte en daarna het kantoor verliet. Het document dat zich enkele ogenblikken eerder in de map had bevonden, bleek ineens verdwenen ... (stuk 2 verwerende partij). Teneinde er helemaal zeker van te zijn dat eisende partij de routes niet op een rechtmatige wijze had verkregen, nam mevrouw W. tot slot nog contact op met mevrouw Marijke E., personeelsverantwoordelijke van de S. B. en de laatste in rij die over de uurroosters en routes beschikte. Ook mevrouw E. bevestigde haar met klem voornoemde gegevens niet aan eisende partij te hebben verstrekt (stuk 3 verwerende partij). M.b.t. de feiten biedt verwerende partij aan om met alle middelen van recht te mogen bewijzen, getuigen inbegrepen dat eisende partij in de periode van 12/05/2007 tot en met 15/05/2007 op onrechtmatige wijze in het bezit was gesteld of minstens op onrechtmatige wijze kennis had verkregen van de parkeerroutes en uren van de parkeerwachters voor de maand mei 2007. Eisende partij stelt dat zij niet in het bezit was van de lijst van de parkeerroutes van de parkeerwachters van de maand mei. Zij heeft dit ook ontkend aan mevrouw W. en het document kon niet aangetroffen worden in de map van eisende partij. Volgens eisende partij was zij wel in het bezit gesteld van de lijst van de parkeerroutes van de parkeerwachters van de maand april, omdat zij met de parkeerwachters mee op ronde moest teneinde de stad Bree beter te leren kennen.
  2. b)M.b.t. de ernst van de ingeroepen feiten Verwerende partij stelt dat de lijsten met routes als uiterst vertrouwelijk dienen beschouwd te worden en daarom enkel bezorgd worden aan de twee parkeerwachters en aan mevrouw M. E., personeelsverantwoordelijke van de S. B.. Mevrouw E. verwerkt de juiste uren van de parkeerwachters - tevens op een uiterst vertrouwelijke wijze - in het tijdsregistratiesysteem. Iedereen die in kennis wordt gesteld van de parkeerroutes zou immers perfect kunnen voorspellen waar en wanneer de parkeerwachters hun controles zouden uitvoeren, hetgeen logischerwijs aanleiding geeft tot misbruiken. De zeer vertrouwelijke documentatie mag aldus niet uitlekken. Volgens eisende partij wist zij niet dat deze lijsten vertrouwelijk waren aangezien de lijst van april wel aan haar werd overhandigd. Uit het feit dat deze lijst zich zou bevonden hebben in een map op haar bureel, blijkt net dat eisende partij geen slechte of kwade bedoelingen kan hebben gehad. Eisende partij heeft deze lijst nooit verspreid.
  3. c)Beoordeling door de rechtbank De rechtbank oordeelt dat in eerste instantie rekening dient te worden gehouden met de specifieke omstandigheden van de zaak. Eisende partij was amper zes weken in dienst van verwerende partij. Haar functie was "straatwacht". In de maand april liep zij mee met de parkeerwachters - waarbij haar functie aansluit - zodat van eisende partij niet kan verwacht worden te weten wat nu precies tot het beroepsgeheim van de parkeerwachters dan tot het hare behoort. Eisende partij blijft ontkennen dat zij de lijst in haar bezit had. Het kon inderdaad niet bewezen worden door verwerende partij dat de lijst in de map van eisende partij stak, noch hoe de lijst dan in de map geraakt was. Het komt de rechtbank lichtzinnig en onderdacht voor om over te gaan tot een ontslag om dringende reden zonder de zaak eerst grondig te hebben onderzocht en besproken met eisende partij. Thans biedt verwerende partij het bewijs aan door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen. De rechtbank gaat niet in op dit aanbod, aangezien zij van oordeel is dat, rekening houdend met de concrete omstandigheden eigen aan de zaak, de feiten die als fout worden aangegeven, niet voldoende ernstig zijn. Er is in casu geen sprake van een totaal gebrek aan verantwoordelijkheidszin. Het loutere feit van de lijst in haar kaft te hebben impliceert nog niet dat zij deze lijst naar buiten bracht en hierdoor misbruik maakte van de vertrouwelijke informatie van verwerende partij. De rechtbank is van oordeel dat zelfs indien de feiten bewezen zijn zoals ze voorliggen en omschreven zijn in de ontslagbrief, deze feiten niet van die aard zijn om de arbeidsovereenkomst onmiddellijk en definitief te beëindigen en een verdere samenwerking onmogelijk te maken. Een vermaning zou aldus passender zijn geweest. Verwerende partij ging ten onrechte over tot een ontslag om dringende redenen, zodat er een opzeggingsvergoeding verschuldigd is. 5. A. De verschuldigde opzeggingsvergoeding door verwerende partij bedraagt, conform artikel 40 van de arbeidsovereenkomstenwet 6 maanden. De vergoeding moet gelijk zijn aan het bedrag van het loon dat verschuldigd is tot het bereiken van de bepaalde termijn zoals overeengekomen in de overeenkomst, doch mag niet het dubbel overtreffen van het loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, die in acht had moeten worden genomen, indien de arbeidsovereenkomst zonder tijdsbepaling was gesloten. Eisende partij berekent deze opzeggingsvergoeding op correcte wijze, zijnde 11.002,80 Euro, bedrag dat rekenkundig niet dor verwerende partij wordt betwist. B. Eindejaarspremie en vakantiegeld. Eisende partij steunt haar vordering eindejaarspremie op het K.B. van 23/10/1979 (B.S. 22/11/1979) (stuk 7 eisende partij). Dit K.B. dat een eindejaarspremie toekent aan o.a. contractuele werknemers in Staatsdienst stelt echter niet als voorwaarde voor het recht op eindejaarspremie dat de werknemer nog in dienst moet zijn, of niet om dringende reden mag zijn ontslagen. Daarenboven werd eisende partij ten onrechte ontslagen om dringende reden. Eisende partij is dan ook gerechtigd op de gevorderde eindejaarspremie en het vakantiegeld. De berekening is gebeurd conform het K.B. en pro rata de periode dat zij in de verwijzingsperiode (van januari tot en met september) in dienst was. De bedragen worden door verwerende partij rekenkundig niet betwist en kunnen toegekend worden zoals ze opgenomen zijn in de synthesebesluiten van eisende partij. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, na beraadslaging, statuerend op tegenspraak. Verklaart de vordering ONTVANKELIJK en GRGROND; Veroordeelt verwerende partij tot betaling aan eisende partij van de hiernavolgende bedragen: - 129,38 Euro als eindejaarspremie, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 15/05/2007 op het netto opeisbare bedrag; - 19,84 Euro als vakantiegeld te vermeerderen met de moratoire intrest vanaf 29/06/2007, zijnde de dag der aanmaning tot betaling, de vergoedende intrest aan de wettelijke rentevoet op het netto opeisbare bedrag; - 11.002,80 Euro als opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 15/05/2007 op het netto opeisbaar bedrag; - Bedragen te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen, in zoverre deze verschuldigd zijn en aan de bevoegde instellingen worden overgemaakt, en te vermeerderen met de wettelijke verwijlintresten sedert 15/05/2007 en de gerechtelijke intresten, deze intresten te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte van de voormelde bruto bedragen. Veroordeelt verwerende partij tot de gerechtelijke intresten en de kosten, in hoofde van verwerende partij begroot op 1.100,00 Euro R.P.V. Aldus gewezen door de eerste Kamer van de arbeidsrechtbank te Tongeren samengesteld uit: H. THOMAS, Rechter, Voorzitter van deze Kamer, P. NEVEN, werkend rechter in sociale zaken, zelfstandige, J. CLAES, werkend rechter in sociale zaken, werknemer-bediende, C. PYPOPS, d.d. griffier. en uitgesproken in openbare terechtzitting van diezelfde kamer op 2.10.2008 door H. THOMAS, Rechter, Voorzitter van die kamer, bijgestaan door M. Liesenborghs, adjunct-griffier met opdracht (B.S. 18.05.2000 - B.S. 24.05.2000). PDF document ECLI:BE:ARANT:2008:JUG.20081002.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.