← België

ECLI:BE:ARANT:2009:JUG.20090420.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 20 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2009:JUG.20090420.8 Rolnummer: 2061709 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 153 - laatst gezien 2026-07-02 19:35 Fiche Wanneer een gerechtsdeurwaarder vaststellingen doet van de feiten die een dringende reden tot ontslag uitmaken, zonder zijn identiteit en hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder kenbaar te maken, wordt het proces-verbaal met zijn vaststellingen uit de debatten geweerd als onrechtmatig verkregen bewijs. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: Einde van de overeenkomst - beëindiging om dringende reden - dronkenschap en alcoholintoxicatie op het werk - bewijslast - bewijswaarde van proces-verbaal van vaststellingen door gerechtsdeurwaarder - bewijswaarde van getuigenverklaring van collega's en van de verklaring van een derde - II AAN Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Annotaties Publicaties: Limb. Rl. - - 2009 - blz. 310-316 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT. Eerste kamer. Rep.nr. VONNIS van 20 april

  1. - De heer W. K., bediende, geboren op 19/04/1978, wonende te 3720 Kortessem, Kerselarestraat 27, eiser, vertegenwoordigd door Mr. S.EYCKMANS, loco Mr. S.RENETTE, advocaat te 3500 Hasselt, Herkenrodesingel 4 bus
  2. Tegen: - A NV, ondernemingsnummer 0474.933.477, met zetel te 3500 Hasselt, Gouverneur Roppesingel 8, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. B.MULS, loco Mrs. B.COEMANS & S.WISSELS, advocaten te 3700 Tongeren, Romeinse Kassei 110 bus
  3. Gelet op - de gedinginleidende dagvaarding d.d. 29/5/2006 door het ambt van Gerechtsdeurwaarder Marc PRINCEN, plaatsvervanger van Gerechtsdeurwaarder Frank JENNEN te Hasselt; - de beschikking overeenkomstig art. 747§2 Ger. Wb. d.d. 27/8/2008 waarbij conclusietermijnen werden vastgesteld, alsook een pleitdatum op 16/3/2009; - de besluiten neergelegd ter griffie op 7/2/2007, de tweede besluiten neergelegd ter griffie op 1/10/2008 en de synthesebesluiten neergelegd ter griffie op 1/12/2008 voor verweerster; - de besluiten neergelegd op 20/5/2008 en de aanvullende besluiten neergelegd ter griffie op 31/10/2008 voor eiser; - de poging tot minnelijke schikking die overeenkomstig art. 734 Ger.Wb. werd verricht maar tot geen resultaat heeft geleid; - de bundels van partijen; - de wet van 15/6/1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; - de wet van 10/10/1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 16/3/2009 waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen;
  4. Het voorwerp van de vordering : De vordering, zoals uitgebreid bij besluiten, strekt er toe verweerster te horen veroordelen tot betaling aan eiser van: - 8.130,22 euro bruto, ten titel van verbrekingsvergoeding gelijk aan 3 maanden loon, - 929,60 euro bruto, ten titel van pro rata eindejaarspremie 2005, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf de datum van opeisbaarheid op 3/6/2005 tot en met de dag der algehele betaling. De vordering strekt er tevens toe verweerster te horen veroordelen tot afgifte aan eiser van o.a. een volledig ingevulde en ondertekende C4 met als reden voor ontslag "verbreking door de werkgever" onder verbeurte van een dwangsom van 500 euro per dag vertraging te rekenen vanaf 48 uren na de betekening van het tussen te komen vonnis. Tenslotte vordert eiser de veroordeling van verweerster tot de kosten van het geding.
  5. De feiten: Eiser trad op 4/11/2004 als "verkoper" in dienst van verweerster krachtens een schriftelijke arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Op 3/6/2005 's morgens werd filiaalhouder V. door 3 collega's gemeld dat eiser in dronken toestand werd aangetroffen op het werk. Filiaalmanager V. heeft hierop aan eiser voorgesteld om een klant die zich in de showroom had aangeboden verder te helpen. Nadat aan die klant de nodige uitleg werd verstrekt, werd eiser in de bureau van filiaalmanager V. geroepen en werd hem verteld dat die zogezegde klant in feite een gerechtsdeurwaarder was die had vastgesteld dat eiser in dronken toestand zijn werk had uitgevoerd. Hierop volgend liet de filiaalhouder aan eiser weten dat een ontslag om dringende reden zou volgen. Eiser werd vervolgens verzocht om de werkvloer te verlaten maar deze weigerde dat en bleef nog de hele dag op kantoor teneinde afgevaardigd bestuurder Vd B. nog persoonlijk te kunnen spreken. Op 4/6/2005 bood eiser zich bij verweerster aan maar filiaalmanager V. verbood hem zijn werkzaamheden aan te vatten. Bij brief van 6/6/2005 werd het ontslag om dringende reden bevestigd: "Geachte heer K., Tot onze spijt zien wij ons genoodzaakt, zoals besproken tussen Uzelf, de heer V. L. en ondergetekende op vrijdag 3 juni 2005, U hierbij ontslag te betekenen met onmiddellijke ingang vanaf vrijdag 3 juni 2005 om 17.00 uur en dit wegens dringende redenen. Gelieve hierna een gedetailleerd relaas te vinden van de feiten die deze beslissing verrechtvaardigen. U verscheen op vrijdag 3 juni 2005 om 8.00 uur op het werk. Om 9.20 uur werd aan de heer L. V. gemeld dat: - U zich in een kantoor van A NV bevond en dat U duidelijke tekenen van intoxicatie (dronkenschap) vertoonde, - U de gebouwen voortijdig geopend had en het alarm gedeeltelijk uitgeschakeld had en hierdoor een risico gecreëerd hebt voor toegang door onbevoegden en de eventuele consequenties hiervan, wat neerkomt op het onveilig maken van het patrimonium, - U ingeslapen was op het werk, - U ons imago beschadigd heeft, daar een klant (Bsl) U in genoemde toestand gezien heeft, wat indruist tegen Uw commerciële verantwoordelijkheid. - U door bevuiling ten gevolge van dronkenschap overlast bezorgd heeft aan de onderneming. Van deze feiten werd de firma, vertegenwoordigd door ondergetekende, in kennis gesteld op vrijdag 3 juni 2005 om 9.20 uur via de volgende personen: mevrouw V. K., de heer Vdh. M. en de heer S. J.. Hun verslag luidt als volgt:
  6. Bij het binnenkomen van de gebouwen om 7.55 uur bleek de voordeur niet op slot en was het alarm slechts gedeeltelijk uitgeschakeld. De heer W. K. bevond zich aan de receptie op de bureelstoel. Deze laatste vertoonde volgens ons ook urinesporen. De heer W. K. beschikt over een sleutel van het gebouw en over de code van de alarminstallatie.
  7. Wij troffen heer W. K. duidelijk in zeer dronken toestand aan. Hij sprak met dubbele tong, hij rook zeer sterk naar de drank, hij wankelde op zijn benen en had rood doorlopen ogen.
  8. Achter de receptiebalie was overgegeven en de bureelstoel was bevuild. Deze toestand werd door mevrouw V. en de heer Vdh. opgepoetst.
  9. Wij hebben de heer K. zijn autosleutels in zijn belang en dat van de firma in beslag genomen.
  10. De heer K. heeft zich dan teruggetrokken in het gesloten lokaal van de boekhouding waar hij op een stoel in slaap gevallen is. Hij is dit lokaal gebleven tot ca. 10.15 uur. Dan heeft hij zich moeizaam naar zijn kantoor (boven) begeven.
  11. Tussen 8 uur en 8.15 uur heeft de heer VB. van de firma Bsl, een klant van A NV Hasselt, zich aangeboden.
  12. Om circa 9.20 uur hebben we L. V., filiaalmanager, van bovenstaande feiten verwittigd en is hij vanuit een externe afspraak onmiddellijk ter plaatse gekomen. De punten 2, 5 en 7 kunnen eveneens bevestigd worden door de heer L. V., daar hij ze kon vaststellen bij zijn aankomst op de firma omstreeks 9.30 uur. Trouwens daarenboven werd ter zake een proces-verbaal van vaststelling gedaan door de heer Daniël Palet, vervanger van gerechtsdeurwaarder Gilbert Moria te Sint-Truiden en dit op vrijdag 3 juni 2005 vanaf 10.25 uur. U begrijpt dat dergelijke houding voor ons bedrijf en voor het cliënteel onoverkomelijke problemen schept en totaal onaanvaardbaar is. Uw eindafrekening zal U bij de eerstvolgende maandelijkse afrekening overgemaakt worden. Gezien Uw ontslag op vrijdag 3 juni om 17.00 uur omwille van dringende reden verbieden wij U de toegang tot onze bedrijfsterreinen en bedrijfslokalen." Via de brieven d.d. 8/7/2005 en d.d. 2/12/2005 van zijn vakorganisatie ontkende eiser de aan hem verweten tekortkoming en vorderde hij de betaling van een verbrekingsvergoeding en een pro rata eindejaarspremie. Verweerster handhaafde in haar schrijven van 19/7/2005 en 9/1/2006 de door haar aangevoerde zwaarwichtige tekortkomingen in hoofde van eiser en weigerde de gevorderde posten te betalen. Bij gebrek aan minnelijke regeling besliste eiser om tot dagvaarding over te gaan.
  13. De ontvankelijkheid: De vordering werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.
  14. Ten gronde: 4.
  15. De termijn voor het geven van een ontslag om dringende reden en de termijn tot kennisgeving van de dringende reden: Partijen betwisten niet dat de wettelijke drie-dagen-termijnen tot het geven van het ontslag om dringende reden en tot de kennisgeving van die aangevoerde dringende reden gerespecteerd werden. 4.
  16. De gegrondheid van de ingeroepen zwaarwichtige tekortkomingen: - Het ontslag om dringende reden veronderstelt een ontslag omwille van een ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Opdat er sprake kan zijn van een dringende reden moeten volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn: - er moet een ernstige of zwaarwichtige tekortkoming zijn van de werknemer of werkgever, - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, - en dit op een bijzondere manier, nl. onmiddellijk en definitief. De partij die de dringende reden inroept, in casu verweerster, draagt de bewijslast daarvan. In het kader van de op haar rustende bewijslast dient verweerster de in haar ontslagbrief van 6/6/2005 weerhouden zwaarwichtige tekortkomingen te bewijzen. Samengevat komen deze neer op:
  17. het zich op 3/6/2005 in een kantoor van verweerster bevinden en duidelijke tekenen van alcoholintoxicatie vertonen,
  18. het voortijdig openen van de gebouwen en het alarm gedeeltelijk uitschakelen waardoor het risico gecreëerd wordt dat onbevoegden toegang zouden krijgen tot de gebouwen met alle gevolgen van dien, of m.a.w. het onveilig maken van de bedrijfsgebouwen,
  19. het inslapen op het werk,
  20. het beschadigen van het imago van verweerster daar klant BSL eiser in dergelijke dronken toestand heeft gezien,
  21. door de bevuiling van kleren, ingevolge van dronkenschap, overlast bezorgen aan de onderneming. - Eiser stelt dat er geen sprake kan zijn van een geldig ontslag om dringende reden aangezien verweerster niet aantoont dat de professionele samenwerking definitief en onmiddellijk onmogelijk was geworden. Hij beweert immers dat hij na het door V. gegeven ontslag om dringende reden toch nog heeft moeten verderwerken tot 17u, moment waarop Vd B. in de firma aankwam en hem nogmaals ontsloeg om dringende reden. Eiser bewijst deze beweerde gang van zaken, die overigens ten stelligste wordt ontkend door verweerster, niet. Hij toont niet aan dat hij na het mondeling ontslag om dringende reden daadwerkelijk nog arbeidsprestaties zou geleverd hebben in naam en voor rekening van verweerster. De verwijzing naar de betaling van een volledig dagloon op 3/6/2005 volstaat dienaangaande niet als bewijs. Deze betaling toont immers enkel de wil van verweerster aan om eiser voor die dag volledig te vergoeden, zonder dat hieruit met zekerheid kan worden afgeleid dat hij dee ganse dag effectief zou gewerkt hebben. Ook de bevestiging van het ontslag om dringende reden op 3/6/2005 om 17u door bestuurder Vd B. vormt geen voldoende bewijs van de bewering dat hij die dag na 11u nog arbeidsprestaties zou geleverd hebben. - Verweerster voert als 1e en 3e tekortkoming aan dat eiser zich in dronken toestand op het werk bevond en er ook was ingeslapen. Zij draagt hiervan de bewijslast. Verweerster verwijst daartoe naar een proces-verbaal dat door plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder Palet werd opgesteld n.a.v. de door hem op 3/6/2005 gedane vaststellingen. Eiser stelt terecht dat dit proces-verbaal uit de debatten dient te worden geweerd omdat de gerechtsdeurwaarder tijdens de vaststellingen zijn identiteit en hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder niet kenbaar maakte, hetgeen hij nochtans hoorde te doen. Er was geen enkel beletsel om deze identiteit en hoedanigheid bekend te maken want de beweerde dronken toestand van eiser had de gerechtsdeurwaarder ook kunnen vaststellen indien hij zijn hoedanigheid en identiteit wel had bekend gemaakt. Het is dus niet zo dat indien hij zich kenbaar had gemaakt als gerechtsdeurwaarder hij voormelde vaststellingen niet had kunnen doen. Derhalve wordt dit onrechtmatig verkregen bewijs uit de debatten geweerd. Verweerster beroept zich, in het kader van de op haar rustende bewijslast, ook op de verklaring die door 3 van haar werknemers ondertekend werden op 6/6/
  22. Dit verslag luidt als volgt: "Getuigenverslag Hierbij bevestigen wij, werknemers van A NV Hasselt NV, de volgende feiten die zich voorgedaan hebben op vrijdag 3 juni 2005 vanaf 8.00 uur in de gebouwen van voornoemde onderneming:
  23. Bij het binnenkomen van de gebouwen om 7.55 uur bleek de voordeur niet op slot en was het alarm slechts gedeeltelijk uitgeschakeld. De heer W. K. bevond zich aan de receptie op de bureelstoel. Deze laatste vertoonde volgens ons ook urinesporen. De heer W. K. beschikt over een sleutel van het gebouw en over de code van de alarminstallatie.
  24. Wij troffen heer W. K. duidelijk in zeer dronken toestand aan. Hij sprak met dubbele tong, hij rook zeer sterk naar de drank, hij wankelde op zijn benen en had rood doorlopen ogen.
  25. Achter de receptiebalie was overgegeven en de bureelstoel was bevuild. Deze toestand werd door mevrouw V. en de heer Vdh. opgepoetst.
  26. Wij hebben de heer K. zijn autosleutels in zijn belang en dat van de firma in beslag genomen.
  27. De heer K. heeft zich dan teruggetrokken in het gesloten lokaal van de boekhouding waar hij op een stoel in slaap gevallen is. Hij is dit lokaal gebleven tot ca. 10.15 uur. Dan heeft hij zich moeizaam naar zijn kantoor (boven) begeven.
  28. Tussen 8 uur en 8.15 uur heeft de heer VB. van de firma Bsl, een klant van A NV Hasselt, zich aangeboden.
  29. Om circa 9.20 uur hebben we L. V., filiaalmanager, van bovenstaande feiten verwittigd en is hij vanuit een externe afspraak onmiddellijk ter plaatse gekomen. Voor waar verklaard te Hasselt op 6 juni 2005." Het feit dat dit verslag werd ondertekend door 3 werknemers doet aan de geloof-waardigheid ervan geen afbreuk. Het is in dit concreet geval eerder logisch dat enkel collega's dergelijke vaststellingen konden doen aangezien deze zich deels hebben voorgedaan 's morgens vroeg op de werkvloer nog voor de openingstijd van de showroom en deels in een boekhoudingslokaal waartoe anderen dan collega's geen toegang hadden. Bovendien ondersteunt de verklaring van J. V., die door eiser zelf wordt bijgebracht, verweersters stelling. Hieruit blijkt immers dat eiser en zijn vriend de dag vóór die bewuste 3/6/2005, namelijk op donderdag 2/6/2005, sedert 20u30 op stap waren geweest, bij ettelijke vrienden en in een discotheek gedronken hadden en dan zonder slapen waren doorgereden naar de garage van verweerster. De slotzin van deze verklaring spreekt boekdelen en bevestigt dat eiser zich die morgen in een dronken toestand bevond: "Van de verhalen die ik de dag nadien gehoord heb, heb ik eerlijk gezegd mijn twijfels aangezien Wil zeker en vast niet zo zat was als er beweerd wordt." Het hoeft weinig betoog dat wanneer een werknemer-verkoper zich in dronken toestand op het werk bevindt, dit wel degelijk een zwaarwichtige tekortkoming uitmaakt die elke verdere samenwerking definitief en onmiddellijk onmogelijk maakt. Het feit dat hij in het verleden dienaangaande nooit enige opmerking gekregen heeft en hij gunstig geëvalueerd werd, doet geen enkele afbreuk aan het zwaarwichtige karakter van de fout om zich dronken op de werkvloer te bevinden en rechtvaardigt het gegeven ontslag om dringende reden. De overige aangevoerde tekortkomingen behoeven geen verdere beoordeling meer omdat op grond van hetgeen hierboven geoordeeld werd het ontslag om dringende reden gegrond voorkomt. 4.
  30. De verbrekingsvergoeding en pro rata eindejaarspremie: Daar onder punt 4.2 het ontslag om dringende reden gegrond werd bevonden, heeft eiser geen recht op de betaling van een verbrekingsvergoeding en een pro rata eindejaarspremie. Evenmin heeft hij recht op de afgifte van een aangepaste C4 met de vermelding dat de arbeidsovereenkomst door de werkgever werd verbroken. - OM DEZE REDENEN : DE RECHTBANK : Rechtdoende op tegenspraak en in eerste aanleg; Verklaart de vordering ontvankelijk, doch ongegrond; Veroordeelt eiser, in toepassing van art. 1017,1e lid Ger. Wb., tot de kosten van het geding en vereffent deze voor hem op 106,69 euro dagvaardingskosten en 900 euro rechtsplegingsvergoeding en voor verweerster op 900 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door: Mevrouw S.RASKIN rechter, voorzitter van de kamer; de heer W.SCHROEVEN rechter in sociale zaken, werkgever; Mevrouw I.MAURISSEN rechter in sociale zaken, werknemer-bediende; en uitgesproken in openbare terechtzitting van TWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN door voormelde voorzitter van de kamer met bijstand van Mevrouw A.BERVOETS griffier-hoofd van dienst. PDF document ECLI:BE:ARANT:2009:JUG.20090420.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.