id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 18 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2009:JUG.20090818.3 Rolnummer: KG 09/6/C Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-12-20 Raadplegingen: 161 - laatst gezien 2026-07-02 20:09 Fiches 1 - 2 Arbeidsgerechten zijn niet bevoegd om een eventueel onregelmatig ontslag te vernietigen of ongedaan te maken. De arbeidsgerechten kunnen de reïntegratie van een ontslagen personeelslid van het vrij gesubsidieerd onderwijs niet bevelen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - bevoegdheid - kort geding - vrij gesubsidieerd onderwijs - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 584 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - C.A.O.-wet - 5 december 1968 - Collectieve arbeidsovereenkomsten SOCIAAL RECHT - ARBEID - C.A.O.-wet - 5 december 1968 - Collectieve arbeidsovereenkomsten - In paritair comité Vrije woorden: Collectieve arbeidsverhoudingen - paritaire comites - PC 152 voor de gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs - kort geding - IV C Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 27-03-1991 - 60 - 40 Link Justel databank 19910327-40 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 584 en onder IV C - PC 152 - artikel
- Annotaties Publicaties: Limb. Rl. 2010 - S. Eyckmans en Van Gompel-Renette - 227-237 Limb. Rl. 2010 - S. Eyckmans en Van Gompel-Renette - blz. 227-237 Tekst van de beslissing DE VOORZITTER VAN DE ARBEIDSRECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN ZETELEND ALS RECHTER IN KORTGEDING HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING UITGESPROKEN: INZAKE: D.L, schooldirectrice, wonende te 3690- Zutendaal, Boogstraat
- Eisende partij, verschijnend door Mr. Elke Goossens, loco Mr. Pascal Lahouse, advocaten te 2800- Mechelen, Leopoldstraat
- TEGEN: S.J.H. ondernemingsnummer 0409.957.533, met vennootschapszetel TE 3600- Genk, Minderbroedersstraat
- Verwerende partij, verschijnend door Mr. Peter Cafmeyer, advocaat te 3600- Genk, Winterslagstraat
- Gezien de inleidende dagvaarding d.d. 29.5.2009, voor de Voorzitter van deze Rechtbank, betekend door het ambt van Gerechtsdeurwaarder Dominique HAUMONT, loco gerechtsdeurwaarder Bart VYT met standplaats te GENK, ertoe strekkende: " Na getracht te hebben partijen te verzoenen, de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. Te zeggen voor recht dat het ontslag wegens dringende redenen d.d. 7.5.2009 alsmede de hiermee gepaard gaande rechtsgevolgen dienen opgeschort. Te zeggen voor recht dat verwerende partij eisende partij opnieuw dient te erkennen als vastbenoemde, die preventief geschorst is vanaf 7.5.2009 en dat het gestelde tuchtonderzoek dient afgewerkt te worden en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per dag, na betekening van de tussengekomen beschikking. Verwerende partij zich te horen veroordelen om aan eisende partij te betalen de kosten van het geding, erin begrepen deze door artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek voorzien. Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling." Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 9.6.2009, waarbij een verzoek tot vaststelling van conclusietermijnen en bepaling rechtsdag overeenkomstig artikel 747§1 van het Gerechtelijk Wetboek werd neergelegd. Gezien de beschikking van de Voorzitter van de arbeidsrechtbank d.d. 9.6.2009, in toepassing van artikel 747§1 Gerechtelijk Wetboek, houdende bekrachtiging van de voorgestelde conclusietermijnen en vaststelling rechtsdag op 11.8.
- Gezien de conclusies voor verwerende partij, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 30.6.2009, waarbij een tegenvordering wordt ingesteld ertoe strekkend eisende partij te veroordelen tot afgifte van de ontbrekende administratieve en boekhoudkundige stukken, evenals de aangifte van de rekeninguittreksels en/of inzage aangaande alle KBC-rekeningen zowel op naam van eisende partij als op naam van verweerster en aangaande de rekeningen 611-0119420-83 ( meisjes) en 979-5372397-57 ( jongens) in toepassing van artikel 877 Gerechtelijk Wetboek en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per dag na de betekening van de tussen te komen beslissing. Gezien de conclusies voor eisende partij, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 22.7.
- Gezien de stukken voor eisende partij, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 4.8.
- Gezien de aanvullende conclusies voor verwerende partij, ontvangen ter griffie op 4 en 5.8.
- Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 11.8.
- Gezien de voor verwerende partij neergelegde stukken. Men sprak de Nederlandse taal. Er kwam geen minnelijke regeling tot stand. I. FEITELIJKE GEGEVENS Mevrouw D. was gedurende meer dan 32 jaar in dienst bij de vzw S.J.H.. Aanvankelijk was ze tewerkgesteld als onderwijzeres. Sedert 15.3.1990 oefende ze, als vastbenoemd personeelslid, de functie van directrice uit. Niet alleen Mevrouw L. D. was betrokken bij de werking van de school. Haar vader F. D. was tot 2008 bestuurder, secretaris, boekhouder en penningmeester. Haar echtgenoot J. L. was filiaaldirecteur bij KBC en beheerde de schoolrekeningen die voor een groot deel op naam van LD. en F. D. stonden. Zoon P. D. heeft tussen 2003 en 2008 tal van elektriciteitswerken gefactureerd, waarbij volgens verwerende partij de wetgeving op de openbare aanbestedingen flagrant werd omzeild. Ter gelegenheid van de B.A.V. van 19.2.2008 werd het bestuur herschikt. De Heer J. S. werd benoemd tot nieuwe voorzitter van de Raad van Bestuur en de Heer D. zette noodgedwongen een stap terug. De machtsoverdracht geschiedde uiterst moeizaam en gaf aanleiding tot tal van conflicten. Op 6.3.2009 zou eisende partij een klacht met burgerlijke partijstelling hebben neergelegd tegen eisende partij, haar vader F. D. en haar zoon P. D., wegens misbruik van vertrouwen, afwending van fondsen, oplichting en bedrog, misbruik van vennootschapsgoederen enz. Op 10.4.2009 legde verwerende partij bewarend beslag op onroerend goed van vader D. voor een bedrag van 431.000 euro in hoofdsom. Vader D. tekende geen verzet aan tegen dit beslag. Met het schrijven d.d. 3.4.2009 deelde de vzw S.J.H. aan Mevrouw D. mede dat lastens haar een tuchtonderzoek werd opgestart. In een tweede aangetekend schrijven, eveneens gedateerd op 3.4.2009,. werd mevrouw D. uitgenodigd tot verhoor vermits het schoolbestuur voornemens was haar preventief te schorsen in toepassing van de artikel 5 en 6 van het Tuchtbesluit d.d. 22.5.
- Het verhoor kon gezien het belet van Mevrouw DRIESEN geen doorgang vinden op de aanvankelijk geplande datum van 14.4.2009 en werd verplaatst naar 24.4.2009.. Op het verhoor d.d. 24.4.2009 werd door mevrouw D. een schriftelijk gemotiveerd verweerschrift neergelegd. Naar aanleiding van dit verhoor overhandigde Mevrouw D. in aanwezigheid van Gerechtsdeurwaarder Luc BECKERS onaangekondigd een bedrag van 31.208,34 euro , zijnde het totaal van een aantal vereffende spaarrekeningen en bankrekeningen sinds
- In de begeleidende verklaring van het PV van vaststelling van Gerechtdeurwaarder BECKERS stelde zij dat zij dit geld bewaarde in de onderste lade in een map, in haar bureel. De vzw S.J.H.. besliste d.d. 24.04.2009 tot preventieve schorsing voor de duur van één jaar met behoud van wedde. Mevrouw D. berustte in de beslissing betreffende de preventieve schorsing. Tijdens de preventieve schorsing en de opstartfase van de tuchtprocedure ontving mevrouw D. plots een aangetekend schrijven d.d. 7.5.2009 waarbij ze ontslagen werd wegens dringende redenen. Verwerende partij stelt dat zij alle vertrouwen in Mevrouw D. onherroepelijk kwijt was gezien het bedrag van 31.208,34 euro dat plots uit het niets opdook en gezien er nog nieuwe feiten in het kader van het aangevatte tuchtonderzoek opdoken. Het ontslag d.d. 7.5.2009 werd gesteld onder volgende bewoordingen: " Geachte Mevrouw, Het schoolbestuur vzw S.J.H. met maatschappelijke zetel Minderbroederstraat 2 te 3600 Genk en ondernemingsnr. 0409957533 van de onderwijsinstelling: G. V. B., Meisjesschool Hoevenzavel, Halmstraat 5 te 3600 Genk. VSKO-nr. 3629, Inst nr. 014746 deelt u mede dat het schoolbestuur u ontslaat met dringende reden. Deze beslissing heeft uitwerking de derde werkdag vanaf 08.05.2009, zijnde woensdag 13.05.
- Het schoolbestuur heeft deze beslissing genomen om volgende redenen ten uwen laste; 1 ° oude feiten welke we de laatste maanden ontdekt hebben en waarvoor we een strafrechtelijke procedure opgestart hebben. 2° de overhandiging door u op 24.04.09 van ca 31000 welke u 5 jaar achtergehouden hebt en 3° de nieuwe feiten welke we met de installatie van de nieuwe directie op 06.05.09 ontdekt hebben. Deze feiten hebben wij gecheckt met het werkstation en met andere personeelsleden van onze school, de scholengemeenschap en de onderwijsdiensten van het bisdom. Deze feiten ( misdrijven en zware bestuurlijke fouten ) kunnen als volgt omschreven worden: 1° oude feiten Het achterhouden van de schoolkassa 'S, van alle informatie en van de rekeninguittreksels van de laatste 10 jaar en vorige jaren. Het staalhard ontkennen en liegen dat er gelden en informatie werden achtergehouden. De inbraak en datawisseling in de schoolcomputers (waarvoor er toch wel ernstige aanwijzingen zijn in uw richting, minstens voor wat uw medewerking aan deze feitelijkheden betreft). Het achterhouden van informatie betreffende schoolopbrengsten van de laatste 10 jaar en vorige jaren. Het parkeren van de schoolgelden bij de bank van uw echtgenoot (belangenvermenging). Dit op rekeningen geopend op uw persoonlijke naam en op naam van de meisjesschool Hoevenzavel, zonder de kennis van de vzw schoolbestuur en zonder enig overzicht van inkomsten en uitgaven gedurende al de jaren. Het opzetten van het onderwijspersoneel en ouders tegen het huidige schoolbestuur. 2° recente feiten De erkentenis d.d. 24.04.09 van het achterhouden van gelden, door de betaling in contanten van ca.
- 000 euro ,som overhandigd in het bijzijn van een gerechtsdeurwaarder en uw advocaten aan de voorzitter en de secretaris van het schoolbestuur, net voor de hoorzitting ivm uw preventieve schorsing. Dit terwijl U daarvoor steeds staalhard ontkend had dat er nog gelden waren, en alle informatie m.b.t. deze gelden gedurende jaren hoogst ten onechte hebt achtergehouden. Uw bewering dat u deze gelden gedurende jaren (sedert 2004) in uw schuif bewaard hebt, is trouwens uitermate ongeloofwaardig. Het lag duidelijk in uw bedoeling om deze gelden achter te houden. Minstens betreft het hier een zeer ernstige bestuursfout. U laat daarenboven na om de intresten op deze achtergehouden gelden te regelen. Evenmin hebt u ons op heden reeds een afrekening m.b.t. deze schoolkassa's bezorgd, noch de stavingsstukken. Tevens ontbreken de schoolkassa 's en de afrekeningen betreffende de andere jaren. 3° nieuwe feiten Valsheid in geschriften en het gebruik van valse stukken, alsook oplichting en misbruik van vertrouwen; zich schuldig maken aan nepotisme, het zich valselijk uitgeven als zijnde gemandateerd door schoolbestuur enz. in contracten met personeelsleden en de communicatie met het werkstation van het Ministerie van Onderwijs. Het niet doorgeven aan het werkstation van ziektedagen/afwezigheden van leerkrachten. Het o.a. ontrecht toekennen van uren zorgcoördinator vanaf 2005 aan uw nicht K. B. in het nadeel van de leerlingen en de andere leerkrachten. Het schoolbestuur neemt deze beslissing onder meer op basis van art. 1184 B.W. en verwijst naar het scholendecreet d.d. 27/03/1991, en in het bijzonder Art. 604° van voornoemd decreet. " Met het aangetekend schrijven d.d. 11.5.2009 verzocht de vakorganisatie van mevrouw D. om het ontslag om dringende reden in te trekken aangezien mevrouw D. niet ontslagen kon worden om dringende reden. Verweerster motiveert het ontslag wegens dringende redenen in fine van haar schrijven d.d. 7.5.2009 door te vervijzen naar artikel 1184 B.W. en het Decreet Rechtspositie d.d. 27.03.1991 en in het bijzonder naar artikel 60, 40 van voormeld decreet. Bij exploot van 29.5.2009 werd huidige procedure ingeleid. II. BEOORDELING IN RECHTE DE HOOFDVORDERING Krachtens artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, doet de voorzitter van de arbeidsrechtbank bij voorraad uitspraak in de gevallen die hij spoedeisend acht, in de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken. Van de rechter in kortgeding, wordt een beslissing " bij voorraad" ( artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek) gevraagd, die " geen nadeel toebrengt aan de zaak zelf" (artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek). De beoordeling, door de rechter, van de aanwezigheid van de door eiser ingeroepen spoed, raakt de gegrondheid van de vordering. Hetzelfde geldt voor de beoordeling of het gevorderde, zoals het bij de rechter is aangebracht, niet de grenzen van het voorlopige overschrijdt. (Van Limbergen, Sociaal Procesrecht, blz. 152 nr 6 en 7, en blz. 162 nr. 17) BEVOEGDHEID Verweerster is een instelling van het vrij onderwijs. Dergelijke instelling is geen administratieve overheid. De inrichtende macht van een dergelijke onderwijsinstelling die als werkgever optreedt, oefent geen deel van de openbare macht uit. Betwistingen die hierop betrekking hebben behoren niet tot de bevoegdheid van de Raad van State. ( zie Grondwettelijk Hof, 8.5.2002, nr. 87/2002) De arbeidsrelaties in het vrij onderwijs zijn van contractuele aard. ( zie arrest RvSt. Nr. 93.289 van 13.2.2001 D. S. /I. L.L.. en arrest van 26.2.2002 inzake L.J/KUL onuitgegeven; Het cassatieberoep tegen dit laatste arrest is verworpen: Cass. 6.9.2002 RG.C. 02.0177.N.J.T.T. 2003 p.249: " de personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onderwijs, die door de inrichtende macht aangesteld of benoemd zijn op de wijze gepreciseerd in het decreet van het Vlaams Parlement van 12 juli 1991, zijn aangesteld of benoemd bij middel van een arbeidsovereenkomst, waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken behoort. De arbeidsrechtbank is bevoegd. In kortgedingprocedures speelt de urgentie een dubbele rol: enerzijds als bevoegdheidsvereiste en anderzijds als gegrondheidsvereiste. (Sagaert V En Lambrecht D, Actuele Ontwikkelingen inzake verbintenissenrecht, Intersentia 2009, blz. 164 en 165) Wat de bevoegdheid van de kortgedingrechter betreft, moet de urgentie in de gedinginleidende akte, expliciet of impliciet zijn aangevoerd. Dit is een regel van openbare orde, zodat de rechter verplicht is zijn onbevoegdheid op te werpen indien hij vaststelt dat de urgentie niet is aangevoerd. Dit is in overeenstemming met de algemene regel dat de bevoegdheid van een rechter wordt bepaald naar het voorwerp van de vordering, zoals in de dagvaarding omschreven ( zie in dit verband Cass. 11.5.1990, Arr. Cass. 1989-1990, 1169 In casu heeft eiser de urgentie aangevoerd in de inleidende dagvaarding. De voorzitter in kortgeding is dus bevoegd ONTVANKELIJKHEID De vordering is ontvankelijk. GEGRONDHEID VAN DE VORDERING PRINCIPES a. Spoedeisend karakter Naar het oordeel van de voorzitter zetelend in huidig kortgeding dient eerst onderzocht te worden of de vordering spoedeisend is.
- In de zin van artikel 584, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, is er sprake van spoedeisende gevallen, wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen; Men kan derhalve zijn toevlucht nemen tot het kort geding, wanneer de gewone rechtspleging niet bij machte is het geschil tijdig op te lossen, wat maakt dat de rechter in kortgeding over een ruime feitelijke beoordelingsmacht beschikt, en binnen de juiste maat, over de grootste vrijheid. (Cass. 21.5.1987, R.W. 1987-1988, 1425 met verwijzing naar het verslag Van Reepinghen, Rapport sur la Réforme judiciaire, Belgisch Staatsblad, 1964, 217-218) Het spoedeisend karakter van de zaak dient beoordeeld te worden op het ogenblik dat de rechter in kortgeding uitspraak doet. (Van Limbergen, Sociaal Procesrecht, blz. 151 nr. 5) De concrete beoordeling van deze vereiste is een feitenkwestie en behoort tot de in cassatie onaantastbare appreciatiebevoegdheid van de kortgedingrechter. De vereiste van urgentie raakt de openbare orde, en de kortgedingrechter dient dus deze vereiste desnoods ambtshalve te onderzoeken. Ten slotte gaat de rechter bij de beoordeling van de urgentie vaak over tot een afweging van de belangen van de partijen. ( Sofie Beernaert, Algemene principes van het civiel kortgeding, RW 2001-2002, 1341 e.v., nr.15, en de referenties aldaar) het nadeel voor de eiser bij het afwijzen van de vordering wordt afgewogen tegen het nadeel dat de verweerder lijdt bij de toekenning van de eis. Hierbij dient opgemerkt dat de kortgedingrechter niet verplicht is nader in te gaan op het verweer van diegene tegen wie de maatregel wordt gevraagd, en dat gebaseerd is op het materiële recht ( Cass.4.2.2000, RW 2000-2001, 813, noot M. Storme: ' kort geding omdat het moet'. ) Het kort geding wordt daardoor herleid tot zijn zuiverste verschijningsvorm, want herleid tot drie essentiële toetsingscriteria: urgentie, belangenafweging en dreigende schade, zoals M. Storme schrijft onder het arrest. b. Uitspraak bij voorraad De beslissing van de rechter in kortgeding geldt slechts als een uitspraak " bij voorraad" die geen nadeel aan de zaak ten gronde mag toebrengen. De onbevoegdheid van de rechter in kortgeding, om uitspraak te doen over de grond van de zaak is van openbare orde. (Arbeidshof Antwerpen, 1ste Kamer, dd. 3.3.1998, A.R. KG 28/87, onuitgegeven, aangehaald in het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Mechelen dd. 5.4.1990, Sportrechtspraak, onder de hoofding Sociaal Recht, 6.
- nr. 20, blz. 148) De kortgedingrechter mag dus geen beslissing treffen over de zaak zelf, ook niet voorlopig. Er is nadeel ten principale, telkens als de beschikking vooruitloopt op de zaak zelf, telkens als zij de oplossing voorstelt of aangeeft, die de rechtbank zelf zal moeten aannemen, wanneer zij op haar beurt uitspraak zal doen. Fettweis, Handboek voor Gerechtelijk Recht, Deel 1, II, Bevoegdheid, nr. 472, voetnota 72) Vrij algemeen wordt verdedigd dat de voorzitter onbevoegd is om zich over rechten en plichten van partijen uit te spreken. Dit zou immers onverenigbaar zijn met het voorlopig karakter van de beslissing en met het beweerd verbod de grond van de zaak te raken. Zelfs bij een ruim geïnterpreteerde bevoegdheid in kortgeding, wordt het "declaratoir van rechten" afgewezen. ( Lindemans, Kortgeding, blz. 64 nr. 102) Anderzijds stelt Lindemans ( zie Kortgeding, blz. 61 nr. 97 en de aangehaalde verwijzingen naar de rechtspraak onder voetnoot 86) dat de rechter in kortgeding weliswaar onbeperkt kennis mag nemen van alle bestanddelen van een geschil om op die wijze met voldoende kennis van zaken, een voorlopige maatregel te nemen die het meest wenselijk is. TOEPASSING IN CASU In casu wenst eisende partij van de rechter in kortgeding te bekomen dat het ontslag om dringende redenen d.d. 7.5.2009 wordt opgeschort alsmede de hiermee gepaard gaande rechtsgevolgen. Eisende partij wenst met name dat gezegd wordt voor recht dat verweerster haar dient te erkennen als een vastbenoemde die preventief geschorst is vanaf 7.5.2009 en dat het ingesteld tuchtonderzoek dient afgewerkt te worden onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per dag na betekening van de tussen te komen beschikking. De rechter in kortgeding heeft inzake moeite met het spoedeisend karakter van de zaak, nu eisende partij niet aantoont dat haar vordering niet volgens de gewone procedure binnen een nuttig tijdsbestek kan worden opgelost. Eisende partij liet tot op heden zelfs na een vordering ten gronde in te leiden en nam hiertoe nog geen enkel initiatief. Prima facie zijn er elementen die erop wijzen dat er opmerkingen mogelijk waren op het beleid van eisende partij als directrice, zoals blijkt uit de feitelijke uiteenzetting. Eisende partij toont naar het oordeel van de rechtbank evenmin een dreigende schade aan. Het feit van haar bezoldiging niet te ontvangen, is geen bewijs van urgentie, die meer bepaald zou bestaan in het ontberen van elk inkomen, inbegrepen vervangingsinkomsten. Gezien het personeelstekort in het onderwijs, moet het voor eisende partij mogelijk zijn een nieuwe betrekking te vinden aldaar. De voorzitter in kortgeding moet ook een gepast evenwicht zien te vinden bij de afweging van belangen. Gezien de conflictueuze situatie van partijen zou een reïntegratie van eisende partij hevige commotie veroorzaken en een uiterst nadelige invloed hebben op de goede werking van de school. Ook het beschouwen van eisende partij als zijnde een vastbenoemde die preventief geschorst is, zou een onevenwichtige situatie meebrengen, nu eisende partij zonder prestaties loon zou ontvangen. Tenslotte is het zo dat in casu van de kortgedingrechter een beslissing ten gronde wordt gevraagd, meer nog eisende partij vraagt een beslissing, die zelfs de rechter ten gronde niet kan nemen. Het is inderdaad niet aan de kortgedingrechter om zich uit te spreken over de geldigheid van het ontslag. De kortgedingrechter kan enkel vaststellen dat verweerster gebruikt heeft gemaakt van haar ontslagmacht en aldus onherroepelijk een definitief einde heeft gesteld aan de arbeidsovereenkomst, al dan niet met schending van de bepalingen van het Decreet rechtspositie van 27.3.1991 van personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs. De arbeidsgerechten zijn er niet toe gemachtigd om de rechtshandeling van het ontslag te vernietigen of ongedaan te maken. Zij kunnen evenmin de reïntegratie bevelen. Noch in het DRP, noch in het arbeidsrecht is immers de mogelijkheid tot reïntegratie voorzien in geval van onregelmatig ontslag. ( Arbeidshof Antwerpen, 30.12.1986, R.W. 1986-1987, p 2035) Wanneer herstel in natura materieel noch juridisch mogelijk blijkt heeft het herstel plaats bij equivalent onder vorm van een schadevergoeding, waarmee beoogd wordt de schuldeiser in dezelfde situatie te plaatsen als waarin hij zich zou bevonden hebben indien de overeenkomst correct zou zijn uitgevoerd. ( Van Oevelen A, Actuele jurisprudentiële en legislatieve ontwikkelingen inzake sancties bij niet nakoming van contractuele verbintenissen, R.W. 1994-1995, p. 793 e.v.) De enige sanctie voor een mogelijk onrechtmatig ontslag bestaat derhalve in de toekenning van een schadevergoeding. Ingaan op de vordering van eisende partij betekent eigenlijk dat er getornd wordt aan het definitief karakter van het gegeven ontslag, hetgeen de kortgedingrechter niet kan. De vordering is dan ook ONGEGROND. DE TEGENVORDERING Verwerende partij stelt een tegenvordering in ertoe strekkend eisende partij te veroordelen tot afgifte van de ontbrekende administratieve en boekhoudkundige stukken, evenals de aangifte van de rekeninguittreksels en/of inzage aangaande alle KBC-rekeningen zowel op naam van eisende partij als op naam van verweerster en aangaande de rekeningen 611-0119420-83 (meisjes) en 979-5372397-57 (jongens) in toepassing van artikel 877 Gerechtelijk Wetboek en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per dag na de betekening van de tussen te komen beslissing. De kortgedingrechter is in casu bevoegd om kennis te nemen van deze tegenvordering. De tegenvordering is ontvankelijk. De rechter kan aan iedere gedingvoerende partij bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit, over te leggen ( art. 871 Ger. Wb. ). Op elke partij rust inderdaad een medewerkingslast. Geen partij kan zich in stilzwijgen en onthouding terugtrekken onder voorwendsel dat op de tegenpartij de bewijslast rust, indien zij beschikt over elementen van bewijs waarvan deze laatste nuttig zou kunnen gebruik maken.( J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia 2004, Blz.500, nr.1086; Ch. Van Reepinghen, Verslag over de gerechtelijke hervorming, Brussel, Belgisch Staatsblad, 1964, 357; R Mougenot, Droit des Obligations. La preuve, Brussel, Larcier 1997, 91, nr.31; A. Fettweis, Handboek voor Gerechtelijk Recht, II, Bevoegdheid, Antwerpen Standaard, 1971, 352, nr.476). De rechter mag trouwens uit een ongerechtvaardigd gebrek aan medewerking 'alle nodige besluiten' trekken, minstens vermoedens, althans wanneer voldaan is aan de vereisten van art.1341 B.W. ( J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia 2004, Blz.500, nr.1086, en de referenties aldaar). De verplichte overlegging van stukken is het voorbeeld bij uitstek van de medewerkingslast die op elke partij rust. Wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij ( of zelfs een derde) een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de rechter ambtshalve of op verzoek van de tegenpartij, desnoods onder verbeurte van een dwangsom, bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd ( art. 877 Ger. Wb. ). Indien geen gevolg wordt gegeven aan het rechterlijk bevel, kan de partij die zonder wettige reden nalaat het stuk of het afschrift voor te leggen, veroordeeld worden tot een schadevergoeding. (art. 882 Ger. Wb. ). De partij, die een stuk dat zij onder zich heeft en waarvan de overlegging bij vonnis werd bevolen, bedrieglijk vernietigt, verandert of verbergt, kan ook strafrechtelijk worden vervolgd ( art. 495 bis Sw). (J. Laenens, Het bewijs en de onderzoeksmaatregelen, in: Gerechtelijk deskundigenonderzoek, De rol van de accountant en de belastingconsulent, G. De Leval en B. Tilleman (eds.), Die Keure, 2003, Blz.50, nr.35; J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia 2004, Blz.502, nr.1088, en de referenties aldaar). In casu is de tegenvordering evenwel zo vaag geformuleerd, dat er geen gevolg kan aan worden verleend. Ook tegenvordering tot afgifte van de rekeningen 611-0119420-83 ( meisjes) en 979-5372397-57 ( jongens) is ongegrond, nu er geen elementen zijn om aan te nemen, alleszins wordt dit niet aangetoond, dat eisende partij deze stukken in haar bezit heeft, terwijl het voor verwerende partij moet mogelijk zijn deze stukken desgevallend te bekomen in het kader van het hangend strafonderzoek. OMTRENT DE KOSTEN Voor wat betreft de rechtsplegingsvergoeding dient toepassing gemaakt van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Volgens artikel 1, 2de lid van het KB van 26.10.2007, worden de rechtsplegingsvergoedingen toegekend per aanleg en naar het oordeel van de kortgedingrechter betreft huidig geschil geen aparte aanleg, terwijl een veroordeling tot de kosten eveneens een beslissing over de grond zou inhouden. De kosten worden dan ook aangehouden om gevoegd te worden bij de hoofdzaak. De verdere en niet uitdrukkelijk beantwoorde bemerkingen van partijen, in conclusies, of ter zitting, worden verworpen als niet relevant, minstens ongegrond. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. OM DEZE REDENEN, WIJ, Hilde Velaers, VOORZITTER, ZETELEND ALS RECHTER IN KORGEDING, BIJGESTAAN DOOR Mevrouw Marijke Liesenborghs, afgevaardigd griffier (M.B. 18.05.2000, B.S. 24.05.2000) , Uitspraak doende op tegenspraak, Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van het voorgelegde geschil. Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk, doch ongegrond. Wijst eisende partij af van deze vordering. Verklaart de tegenvordering ontvankelijk, doch ongegrond. Wijst verwerende partij af van deze vordering. Houdt de kosten aan om te voegen bij de hoofdzaak. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting, op ACHTTIEN AUGUSTUS TWEEDUIZEND EN NEGEN. H.VELAERS, Voorzitter, zetelend als rechter in kortgeding, en Marijke Liesenborghs, afgevaardigd griffier (M.B. 18.05.2000, B.S. 24.05.2000). PDF document ECLI:BE:ARANT:2009:JUG.20090818.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.