← België

ECLI:BE:ARANT:2010:JUG.20100205.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 05 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2010:JUG.20100205.4 Rolnummer: 2081530 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2012-10-09 Raadplegingen: 131 - laatst gezien 2026-07-02 21:21 Fiche Wanneer een persoon meer jaren loopbaan telt als de volledige loopbaan als zelfstandige (45 jaren), wordt de loopbaan verminderd met de minst voordelige jaren en kwartalen; er wordt van uitgegaan dat jaren als werknemer steeds voordeliger zijn dan jaren als zelfstandige. Bij wet van 11 mei 2003 werd het principe ingevoerd dat naar de werkelijke situatie wordt gekeken. Deze regeling vereist evenwel toepassingsbesluiten, die alsnog niet zijn uitgevaardigd. De vertraging bij de uitvoering is echter objectief te verklaren en maakt geen fout uit. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige Vrije woorden: Sociale zekerheid voor zelfstandigen - rust- en overlevingspensioenen - vaststelling van het bedrag in functie van de loopbaan - vermindering van het rustpensioen - eenheid van loopbaan - meest voordelige jaren - jaren als werknemer - wet van 11 mei 2003 - geen uitvoering - overheidsaansprakelijkheid - uitvoerende macht Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 72 - 10-11-1967 - 19 - 04 ELI link Pub nr 1967111030 Annotaties Publicaties: SRK 2012 - - nr. 2, blz. 99-102 Tekst van de beslissing DE ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT. Tweede kamer. VONNIS van 5 FEBRUARI 2010 A.R. nr. 2081530 De heer B.B., ...... eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. A.STRACKX loco Mr. J.NULENS, advocaat te 3500 HASSELT, Kolonel Dusartplein 34 bus 1. tegen: RIJKSINSTITUUT SOCIALE VERZEKERINGEN ZELFSTANDIGEN, met zetel gevestigd te 3500 HASSELT, Leopoldplein 16/5, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. Natascha BIELEN loco Mr. L.FAVOREEL, advocaat te 3500 HASSELT, Prins Bisschopssingel 11. in aanwezigheid van: DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door Minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden, met zetel te 1070 ANDERLECHT, Ernest Blerotstraat 1, in tussenkomst gedaagde partij, vertegenwoordigd door Mr. SLEGERS, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 178. 1 PROCEDURE De rechtbank heeft de volgende documenten ingezien: - de administratieve beslissing van verwerende partij van 26 maart 2008; - het verzoekschrift houdende beroep tegen deze beslissing, neergelegd ter griffie op 26 juni 2008; - de dagvaarding in tussenkomst op 26 januari 2009 betekend door gerechtsdeurwaarder P. Walravens te Sint-Lambrechts-Woluwe; - de besluiten voor eisende partij, neergelegd ter griffie op 5 februari 2009; - de beschikking met toepassing van artikel 747,par. 2, 3° lid Ger. W. d.d. 12 maart 2009; - de synthesebesluiten voor verwerende partij, neergelegd ter griffie op 16 april 2009; - de besluiten voor verwerende partij in tussenkomst, neergelegd ter griffie op 22 juni 2009; - de stukken van de partijen. De partijen werden behoorlijk opgeroepen om aanwezig te zijn op de zitting van 2 oktober 2009. Zij werden in hun middelen en besluiten gehoord. De rechtbank heeft kennis genomen van het schriftelijk advies van de heer L. Muyldermans,substituut -arbeidsauditeur, neergelegd ter griffie op 21 december 2009, en de repliekbesluiten voor verwerende partij in tussenkomst, neergelegd ter griffie op 14 januari 2010. 2 SITUERING VAN DE BETWISTING Met het inleidend verzoekschrift van 26 juni 2008 tekende eisende partij beroep aan tegen de beslissing van verwerende partij van 26 maart 2008 waarbij met ingang van 1 juli 2008 een rustpensioen als zelfstandige als alleenstaande aan eiser werd toegekend en betaalbaar gesteld ten bedrage van 889,42 EUR per jaar aan indexcijfer 120,84 en overeenstemmend met een loopbaanbreuk van 7/45. Bij de berekening van dit pensioen bracht verwerende partij de 5,75 minst voordelige loopbaanjaren als zelfstandige in mindering van de beroepsloopbaan als zelfstandige van 12,75 jaren omwille van de overschrijding van de eenheid van loopbaan. Het beroep van eiser strekt ertoe de bestreden beslissing te vernietigen en verwerende partij te verplichten tot herberekening over te gaan van zijn rustpensioen, waarbij er over zijn volledige loopbaan rekening zou worden gehouden met de meest voordelige jaren. De vordering in gedwongen tussenkomst tegen tweede verwerende partij, ingesteld bij dagvaarding van 26 januari 2009, strekt ertoe, voor zover de hoofdvordering ongegrond zou worden verklaard, verwerende partij in tussenkomst op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek te veroordelen tot betaling van een provisioneel bedrag van 10.800 EUR als vergoeding van de schade veroorzaakt door het verzuim van de overheid om de datum te bepalen van inwerkingtreding van artikel 3 van de wet van 11 mei 2003, en de aanstelling te bevelen van een gerechtelijk deskundige met de opdracht om de door eisende partij geleden schade te berekenen. 3. BEOORDELING VAN DE HOOFDEIS 3.1 Ontvankelijkheid van de hoofdeis De ontvankelijkheid van de hoofdvordering wordt niet betwist en de rechtbank stelt geen gronden van onontvankelijkheid vast die ambtshalve moeten worden opgeworpen, zodat de hoofdvordering ontvankelijk dient te worden verklaard. 3.2 Gegrondheid van de hoofdeis De te beoordelen problematiek in de voorliggende zaak betreft het beginsel van eenheid van loopbaan, dat ertoe strekt de samenloop te regelen van pensioenen van dezelfde aard die in verschillende regelingen worden toegekend op vlak van het ontstaan van het recht in verhouding tot de loopbaan. Dit beginsel werd ingevoerd door de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en werd opgenomen in artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen. Als algemeen principe geldt dat wanneer een persoon aanspraak kan maken op een pensioen als zelfstandige en een als zodanig geldend voordeel krachtens een of meer andere regelingen en wanneer het totaal der breuken die voor elk van die pensioenen de belangrijkheid ervan uitdrukken de eenheid overschrijdt, de breuk die de beroepsloopbaan als zelfstandige weergeeft zodanig moet worden verminderd als nodig om voormeld totaal tot de eenheid (45/45) te herleiden (artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72). Wanneer de teller van de breuk die de loopbaan als zelfstandige weergeeft, moet worden verminderd omdat de eenheid van de loopbaan overschreden is, slaat de vermindering op de jaren en kwartalen die, bij de berekening van het pensioen slaan op de jaren die aanleiding geven tot de toekenning van het laagste pensioen (artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie). Omwille van het principe inzake eenheid van loopbaan dat bij een gemengd pensioen de meest voordelige jaren worden toegekend, en omdat het mogelijk is dat iemand met een gemengde loopbaan als zelfstandige, zeker als hij hoge bijdragen betaalt, meer pensioen opbouwt dan tijdens de jaren waarin hij nog loontrekkende was (vaak in het begin van de loopbaan met een relatief laag loon) wilde de wetgever, om de situatie te vermijden dat die persoon uiteindelijk minder pensioen ontvangt dan wanneer hij heel zijn leven zelfstandige was geweest, bij overschrijding van de eenheid van loopbaan de effectief minst voordelige jaren in mindering brengen, en niet de theoretisch minst voordelige jaren. Bij Wet van 11 mei 2003 tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en zelfstandigen met het oog op de uitvoering van het principe van de eenheid van loopbaan (B.S. 24 juni 2003) werd dan ook het principe ingevoerd dat bij samenloop van werknemers - en zelfstandigenpensioenen de minst voordelige jaren in mindering worden gebracht, ongeacht onder welke verzekering die jaren zijn gepresteerd. Artikel 3 van de wet van 11 mei 2003 stelt: "In artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november,1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, opgeheven bij de wet van 6 februari 1976 en opnieuw ingevoegd bij de wet van 15 mei 1984, worden de volgende wijzingen aangebracht:

  1. a)het eerste lid wordt vervangen als volgt "Wanneer de zelfstandige aanspraak kan maken op een rustpensioen krachtens dit besluit en op een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel krachtens één of meer andere regelingen en wanneer het totaal van de breuken die voor elk van die pensioenen de belangrijkheid ervan uitdrukken de eenheid overschrijdt, wordt de breuk die de beroepsloopbaan weergeeft welke voor de berekening van het rustpensioen in aanmerking wordt genomen zodanig verminderd als nodig is om genoemd totaal tot de eenheid te herleiden, Bij samenloop van een rustpensioen krachtens dit besluit en een rustpensioen krachtens het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust en overlevingspensioen voor werknemers worden voor de toepassing van deze bepaling de minst voordelige jaren in mindering gebracht, ongeacht het stelsel waarin deze jaren gepresteerd werden; in geval van vervroegde pensionering wordt eerst de vermindering wegens vervroeging zoals bepaald in artikel 3, § 1, tweede lid, toegepast, alvorens bepaald wordt welke jaren voor de toepassing van deze bepaling in mindering gebracht worden. ";
  2. b)het vijfde lid wordt vervangen als volgt : "De Koning bepaalt : 1 ° in welke gevallen de vermindering beoogd bij dit artikel niet wordt toegepast; 2° op welke wijze, bij samenloop van een rust- of overlevingspensioen in de regeling der zelfstandigen en een rust- of overlevingspensioen als werknemer, de beroepsloopbaan wordt verminderd; 3° op welke wijze, bij samenloop van een rustpensioen in de regeling der zelfstandigen en een rustpensioen in een "andere regeling " de beroepsloopbaan wordt verminderd; 4° welke pensioengedeelten die krachtens andere regelingen worden toegekend voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing worden gelaten; 5° wat onder volledig pensioen in een andere regeling wordt verstaan". Artikel 4 van de Wet van 11 mei 2003 stelt dat de Koning de datum van de inwerkingtreding van de artikelen 2 en 3 dient te bepalen. Op het ogenblik van de bestreden pensioenbeslissing en tot op heden werd de datum van de inwerkingtreding van de artikelen 2 en 3 nog niet vastgelegd per K.B. Aangezien de pensioenwetgeving van openbare orde is, mag en kan verwerende partij uitsluitend de ongewijzigde bepalingen van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 zoals hoger vermeld toepassen. Het verzoek van eisende partij om verwerende partij te bevelen de stukken over te leggen waaruit blijkt dat zij in de praktijk de gewijzigde bepalingen reeds toepast, bewering die overigens door geen enkel element wordt gestaafd, mist bijgevolg elke relevantie. De rechtbank is van oordeel dat verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing de terzake vigerende wetgeving correct heeft toegepast. Eisende partij bewijst in de regeling der zelfstandigen een loopbaan van 12,75 jaren aan de hand van zijn geldige bijdragen voor zijn zelfstandige activiteit in hoofdberoep over de periode van het 1ste kwartaal 1963 tot en met het 3de kwartaal 1975, zoals geregistreerd bij het sociale verzekeringsfonds Attentia waarbij zij aangesloten was. In de regeling der werknemers werd door de Rijksdienst voor Pensioenen een rustpensioen als werknemer toegekend overeenstemmend met een loopbaan van 40/45 waarbij 38 jaren van gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in aanmerking werden genomen . De som van die breuken (12,75/45 + 38/45 =50,75/45) overschrijdt de eenheid (45/45) en dient als zodanig verminderd te worden. Overeenkomstig artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 en artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 dienen de voor eisende partij minst voordelige jaren in de regeling der zelfstandigen weggelaten tot aan de eenheid. Daar eisende partij enkel vóór 1984 aangesloten was als zelfstandige in hoofdberoep en de jaren voor 1984 allen berekend worden op basis van forfaitaire bedrijfsinkomsten (=wettelijk vastgesteld bedrag) en dus elk evenveel pensioen opleveren, werden de pensioenbedragen voor 5 jaren en drie kwartalen (12,75/45 + 38/45) - 45/45 = 5,75/45) vóór 1984 niet meegerekend in het totale pensioenbedrag van de loopbaan. De bestreden administratieve beslissing dient te worden bevestigd en het beroep van eisende partij is derhalve ongegrond. 4. BEOORDELING VAN DE TUSSENVORDERING 4.1 Ontvankelijkheid van de tusseneis Verwerende partij in tussenkomst roept de onontvankelijkheid van de vordering in tussenkomst in op grond van verjaring met toepassing van artikel l00 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. Deze bepaling voorziet dat verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of terzake overeengekomen bepalingen: 1 ° de schuldvorderingen, waarvan de wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen eert termijn van tien, jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan. Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de (tienjarige) verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas. In tegenstelling met wat verwerende partij in tussenkomst voorhoudt begint de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 100 niet te lopen op het ogenblik dat de wet van 11 mei 2003 werd uitgevaardigd of gepubliceerd maar op het moment dat de schade die eiser beweerd te hebben geleden tot uiting is gekomen. De schade in hoofde van eiser is immers maar ontstaan doordat eiser op het ogenblik dat zijn recht op pensioen opeisbaar werd nog geen uitvoering werd gegeven aan de wet van 11 mei 2003. De tussenvordering is bijgevolg niet verjaard. 4.2 De gegrondheid van de tussenvordering Eisende partij is van oordeel dat de Belgische Staat een fout heeft begaan in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Deze fout bestaat in het plegen van een inbreuk op de zorgvuldigheidplicht door niet binnen een redelijke termijn de inwerkingtreding van artikel 3 van de Wet van 11 mei 2003 te bepalen, waardoor zij schade zou hebben geleden. Verwerende partij in tussenkomst bevestigt dat de overheid zoals éénieder moet instaan voor zijn fouten, doch zij beklemtoont dat de rechter zich niet in de plaats van de overheid mag stellen en enkel mag nagaan of het bestuur kennelijk onredelijk heeft gehandeld. De rechtbank sluit zich aan bij dit standpunt, dat bovendien een weerslag vindt in de thans vigerende rechtspraak. Concreet wat betreft de uitvoerende macht oordeelde het Hof van Cassatie reeds in een arrest van 23 april 1971 dat, voortvloeiend uit de algemene plicht van voorzichtigheid en voorzorg waaraan de uitvoerende macht ook in de uitvoering van die opdracht is onderworpen, de Koning zijn verordenende functie binnen een redelijke termijn dient uit te oefenen, "dat zelfs in de gevallen waarin aan de uitvoerende macht geen termijn door een wetsbepaling is voorgeschreven om een verordening uit te vaardigen, het verzuim een verordening te treffen, met toepassing van de art. 1382 en 1383 B.W. tot schadeloosstelling aanleiding kan geven, wanneer schade erdoor werd veroorzaakt" (R.W. , 1970-71,1793). Deze rechtspraak werd recent nog bevestigd in een arrest van 27 maart 2003 (R.W. 2006-2007,55). In de voorliggende zaak is de problematiek echter meer complex. De wetgever heeft in casu soeverein beslist om de inwerkingtreding van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 11 mei 2003 uit te stellen "naar een door de Koning nog nader te bepalen datum". De wetgever heeft de uitwerking van de wet niet onmiddellijk gewild en heeft de datum van toepasselijkheid uitgesteld en overgelaten aan de uitvoerende macht om de datum van de inwerkingtreding te bepalen. Eén en ander heeft uiteraard te maken met het gegeven dat het nieuwe artikel 19 van het K.B. van 10 november 1967 maar kan worden toegepast op voorwaarde dat de Koning de opdracht zoals vervat in het vijfde lid van dit K.B. tot een goed einde heeft kunnen brengen. De vraag die zich stelt is dus of het ontbreken van een uitvoeringsbesluit, meer dan 6 jaar na de verschijning van de Wet van 11 mei 2003 in het Belgisch Staatsblad, de aansprakelijkheid van de Belgische Staat in het gedrang brengt. Zoals hoger reeds werd gesteld is het toetsingsrecht van de rechtbank terzake marginaal en dient te worden afgewogen of de overheid in concreto de redelijke termijn heeft miskend. De ruimte voor de marginale toetsing is omgekeerd evenredig met de mate waarin de uitvoerende macht tot normstelling moet overgaan. Hoe uitdrukkelijker de impliciete verplichting tot handelen aanwezig is, hoe beperkter de marge is waarover de rechter beschikt. Hoe groter de beleidsmarge van de overheid, hoe meer de rechterlijke controle terugtreedt. (Maes G., De afdwingbaarheid van sociale grondrechten, Antwerpen, Intersentia, 2003,279). Andere criteria waarbij de rechter zich kan laten leiden bij de beoordeling van de redelijke termijn zijn, zoals eisende partij terecht opmerkt: - het belang van de maatschappij en de rechtzoekende op een snelle beslissing; - de complexiteit van de zaak; - het gedrag van het bestuur; - financiële problemen. Uit de parlementaire bescheiden waarnaar de partijen in besluiten en het openbaar ministerie in zijn advies verwijzen blijkt dat de concrete uitwerking van de Wet van 11 mei 2003 heel veel onverwachte problemen met zich teweeg brengt. Bij wijze van voorbeeld: Antwoord op de parlementaire vraag nr. 3-5795 van de heer Steverlynck van 24 augustus 2006 aan de minister: "Het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ) en de Rijksdienst voor pensioenen (RVP) hebben de problematiek inzake de wet van 11 mei 2003 tot uitvoering van het principe eenheid van loopbaan ten gronde onderzocht. Uit de studie blijkt dat er zich bij de uitvoering van der voormelde wet een aantal fundamentele problemen stellen. 1. Algemeen Vooreerst stelt de uitvoering van de wet van 11 mei 2003 ons momenteel voor enorme administratieve problemen. In alle gevallen van gemengde loopbaan (ongeveer 30 % van alle pensioenaanvragen) zou de voordeligste toestand individueel moeten bekeken worden, met grote vertragingen bij de toekenning van deze pensioenen tot gevolg. In eerste instantie zou het werknemerspensioen moeten berekend worden door de Rijksdienst voor pensioenen. Echter, in tegenstelling tot vandaag, zou de Rijksdienst voor pensioenen geen (definitieve) beslissing kunnen betekenen aan de pensioengerechtigde daar nog niet duidelijk is welke jaren voor de pensioenberekening al dan niet in aanmerking moeten genomen worden. Het RSVZ zou vervolgens moeten nagaan welke - minst voordelige - jaren in elk stelsel buiten beschouwing zouden moeten gelaten worden. Pas zodra het pensioen als zelfstandige berekend zou zijn, zouden beide pensioeninstellingen de definitieve beslissing kunnen betekenen aan de pensioengerechtigde. Bovendien breken de bepalingen van de voormelde wet volledig met de actueel van toepassing zijnde hiërarchie van de wettelijke pensioenstelsels. Thans wordt bij de vaststelling van de pensioenrechten in de verschillende regelingen in de pensioenregeling voor zelfstandigen rekening gehouden met deze van de werknemers en de openbare diensten, en in de pensioenregeling voor werknemers rekening gehouden met deze van de openbare diensten. De toekenning van een recht in een bepaalde regeling wordt dus ondergeschikt gemaakt aan het ontbreken van rechten in een andere regeling. Artikel 2 van de wet van 11 met 2003 bepaalt expliciet dat, vooraleer de minder voordelige jaren worden weggelaten, in voorkomend geval, eerst de vermindering wegens vervroeging zoals bepaald in artikel 3, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 wordt toegepast. Hieruit mag worden afgeleid dat er overeenkomstig de wettekst slechts één bewerking wordt uitgevoerd alvorens de minst voordelige jaren vastgesteld worden. Mutatis mutandis kan men er dus van uitgaan dat voor het overige enkel de bruto gegevens van de sociaal verzekerde in aanmerking worden genomen. Naast de voormelde algemene opmerkingen zijn er echter ook enkele meer specifieke opmerkingen. 2. Zelfstandigen De wettekst geeft met betrekking tot de pensioenregeling voor zelfstandigen geen duidelijk antwoord op de vraag of bij de vaststelling van de minst voordelige jaren ook de loopbaanjaren met een niet gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling in aanmerking moeten worden genomen. In toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen worden de loopbaanjaren met een niet gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling thans buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van het principe van de eenheid van loopbaan. Bovendien leiden de in het voormelde artikel 19 toe te passen cumulatieregels in het kader van de wet van 11 mei 2003 tot toepassingsmoeilijkheden. De vermindering in functie van het omgerekende bedrag in de werknemersregeling zal, in sommige gevallen, tot gevolg hebben dat het aantal in mindering te brengen loopbaanjaren in de regeling voor zelfstandigen verhoogt. 3. Werknemers Het weglaten van de minst voordelige loopbaanjaren in de regeling voor werknemers kan ertoe leiden dat : - het gewaarborgd minimumpensioen niet langer toekenbaar is; - er bij de vaststelling van de pensioenrechten niet langer aan de voorwaarden voldaan is om recht te hebben op het minimumrecht per loopbaanjaar,- - bij de berekening van het pensioen de hoogte van de fictieve lonen voor de jaren volgend op het weggelaten jaar, vermindert. Dit resulteert in een lager pensioenbedrag; - bij cumulatie van een pensioen als werknemer met een pensioen ten laste van de openbare sector het aantal in de werknemersregeling weg te laten loopbaanjaren in het kader van de toepassing van artikel 10 bis van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust - en overlevingspensioen voor werknemers vermindert. 4. Besluit De uitvoering van de wet van I1 mei 2003 stelt ons momenteel voor enorme administratieve problemen. Daarenboven mag niet uit het oog verloren worden dat de wet van 11 mei 2003 slechts voor een beperkt aantal een voordeliger pensioen zou opleveren. Bovendien zou de toepassing van de wet van 11 mei 2003 aanleiding geven tot een bijkomende budgettaire kost in het sociaal statuut der zelfstandigen. Het RSVZ is nochtans niet in de mogelijkheid deze impact te berekenen; de pensioeninstelling beschikt in haar gegevensbank niet over voldoende elementen om een raming op te stellen van het aantal gevallen die onder toepassing zouden vallen van de wet van 11 mei 2003. Pas zodra er een databank voorhanden is waarin de pensioenrechten van de zelfstandigen worden bijgehouden. (deze bestaat reeds voor de rechten als werknemer) kan overgegaan worden tot de uitvoering van de wet." Antwoord op de schriftelijke vraag nr. 4-1220 van de heer Wouter Beke van 11 juli 2008 aan de minister: "De administratieve problemen zijn te wijten aan het feit dat de Rijksdienst voor pensioenen en het RSVZ voor elk dossier afzonderlijk de meest voordelige situatie zouden moeten onderzoeken, wat uiteraard belangrijke vertragingen met zich zou meebrengen bij de toekenning van de pensioenen. Daarnaast zijn er ook problemen op functioneel vlak te wijten aan de gebrekkige overeenstemming tussen de verschillende wettelijke bepalingen. De keuze van het ene jaar of het andere jaar uit de loopbaan kan bijvoorbeeld zowel positieve als negatieve gevolgen hebben voor het recht op een minimumpensioen. Dit zorgt ervoor dat de uitvoering van correcte schattingen complexer wordt. De Rijksdienst voor pensioenen en het RSVZ hebben al vele discussies gevoerd en voeren deze nog steeds om deze problemen aan het licht te brengen en op te lossen zonder dat een werkgroep hierover een eindverslag opstelt. Beide instellingen zijn momenteel volop bezig met het zoeken naar een oplossing voor de technische problematiek van de elektronische communicatie tussen hen beiden. Dit is de eerste voorwaarde voor de praktische uitvoerbaarheid van de wet van 11 mei 2003. Het gaat om het Hermes project waarvan de eerste fasen op dit ogenblik worden getest. Doordat het geheel erg complex is en de realisatie ervan veel tijd vraagt van alle betrokkene actoren, is het voor mij op dit ogenblik onmogelijk een datum voorop te stellen waarop deze nieuwe bepalingen operationeel zullen kunnen zijn." Op de vraag nr. 108.288 van volksvertegenwoordiger Sonja Becq van 23 maart 2009 antwoordde de Minister "dat de uitvoering van de nieuwe principes van de wet van 11 mei 2003 inzake eenheid van loopbaan in essentie ondergeschikt is aan de oplossing van de problemen van zowel functionele aard, door de goedkeuring van wettelijke bepalingen die werkelijk toepasbaar kunnen worden gemaakt, als van technische aard, door de realisatie van het Hermes-project enerzijds en de creatie van een loopbaandatabank voor de zelfstandigen anderzijds. Er werden oplossingen gezocht en gevonden maar de realisatie ervan door alle betrokken actoren vraagt tijd. Het is onmogelijk, in de huidige stand van het dossier, om een precieze datum vast te leggen waarop de nieuwe regels operationeel zullen zijn. De problematiek van de gemengde loopbanen is trouwens een van de belangrijkste thema's op de nationale pensioenconferentie". En tenslotte in de Kamercommissie voor de sociale zaken antwoordde de Minister op 1 juli 2009 aan volksvertegenwoordiger Sonja Becq: "In een eerste fase namen we contact op met de Rijksdienst voor Pensioenen, wat heeft geresulteerd in een concreet voorstel. Na het reces zullen we onderhandelen met de RSVZ en de Federatie Onafhankelijke Senioren (FedOS). Sommigen stellen voor om de loopbaan niet in 45sten te tellen. Heel wat oplossingen zijn technisch echter niet evident, zodat het wat tijd zal vragen om ze in praktijk te kunnen brengen." De rechtbank is samen met het Openbaar Ministerie van oordeel dat in de antwoorden die de respectieve elkaar opvolgende beleidsvoerende ministers in het parlement hebben gegeven op de diverse schriftelijke vragen die achtereenvolgens door verschillende leden van de wetgevende Kamer zijn gesteld in het parlement over de jaren 2005 tot 2009 een aanvaardbare reden kan worden gevonden om de vertraging in de uitvoering en de inwerkingtreding van de Wet van 11 mei 2003 te rechtvaardigen zodat de overheid tot op heden niet abnormaal of onredelijk lang heeft stilgezeten. De rechtbank dient dan ook te besluiten dat er in hoofde van de Belgische Staat geen fout wordt aangetoond door eisende partij. Om die reden alleen reeds is haar vordering in tussenkomst ongegrond. OM DEZE REDENEN: DE ARBEIDSRECHTBANK: Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging en op tegenspraak; Verklaart het beroep van eisende partij tegen de beslissing van 26 maart 2008 van verwerende partij ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt deze beslissing in al haar geledingen; Verklaart de tussenvordering van eisende partij tegen verwerende partij in tussenkomst ontvankelijk, doch ongegrond; Verwijst verwerende partij wat betreft de hoofdvordering met toepassing van artikel 1017, tweede lid Ger. W. in de gerechtskosten. Vereffent de kosten van eisende partij desbetreffend op 109,32 EUR rechtsplegingsvergoeding; Verwijst eisende partij in de gerechtskosten wat betreft de tussenvordering; Vereffent deze kosten aan de zijde van eisende partij op 119,81 EUR dagvaardingskosten en 1.100 EUR rechtsplegingsvergoeding. Laat deze kosten onvereffend aan de zijde van verwerende partij in tussenkomst bij gebreke aan concrete kostenbegroting; Aldus gewezen door mevrouw A.ARIËN rechter, voorzitter van de kamer; de heer A.OPSTEYN rechter in sociale zaken, zelfstandige; de heer P.BUTENEERS rechter in sociale zaken, zelfstandige; en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIJF FEBRUARI TWEEDUIZEND EN TIEN door voormelde voorzitter van de kamer met bijstand van mevrouw M.DONCKERS griffier. PDF document ECLI:BE:ARANT:2010:JUG.20100205.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.