id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 09 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2010:JUG.20100209.10 Rolnummer: 08/7335/A Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2019-12-02 Raadplegingen: 172 - laatst gezien 2026-07-02 21:22 Fiches 1 - 3 Wanneer in het inleidend verzoekschrift wordt gesteld dat de werkgever niet verheeld heeft dat de werkelijke reden voor de afdanking de wijze is geweest waarop eiseres uitvoering heeft gegeven aan haar syndicale mandaten, o.m. door te zeggen dat zij 'niet nog eens 4 jaren met eiseres als personeelsafgevaardigde opgescheept wilde zitten', dan kan de werkneemster conform artikel 807 Ger. W. haar vordering om schadevergoeding op grond van rechtsmisbruik wijzigen in een vordering op grond van de Antidiscriminatiewet omwille van een afdanking gesteund op de syndicale overtuiging. Wanneer de werkgever een personeelsafgevaardigde in het CPBW, tevens syndicaal afgevaardigde, ontslaat 'omwille van de fel verslechterde samenwerking tussen partijen, uw weigering om eenvoudige opdrachten uit te voeren en uw houding tegenover onze contractspartijen' en in een brief van voor het ontslag staat dat zij 'bereid is als uitverkorene voor de opdracht te fungeren' en overdreven eisen stelde, wat illustreert dat zij de opdracht bij een klant met tegenzin aanvaardde, dan bewijst de werkgever de reden vreemd aan een discriminatie op grond van de syndicale overtuiging, ook al had vroeger de verhouding tussen de syndicale afvaardiging in haar geheel en de directie aanleiding gegeven tot conflicten. Een pamflet verdeeld na haar ontslag door de andere leden van de syndicale afvaardiging is ook irrelevant. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT : Wijziging van de vordering - antidiscriminatie i.p.v. rechtsmisbruik - feit in het inleidend verzoekschrift aangevoerd - afdanking omwille van de syndicale overtuiging - arbeidsovereenkomst - tegenbewijs - opdracht bij een klant met tegenzin aanvaard - pamflet na het ontslag verdeeld door de andere leden van de syndicale afvaardiging Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 807 - 04 Link Justel databank 19671009-04 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - ARBEIDSWET : Wijziging van de vordering - antidiscriminatie i.p.v. rechtsmisbruik - feit in het inleidend verzoekschrift aangevoerd - afdanking omwille van de syndicale overtuiging - arbeidsovereenkomst - tegenbewijs - opdracht bij een klant met tegenzin aanvaard - pamflet na het ontslag verdeeld door de andere leden van de syndicale afvaardiging Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1971 - 29, §§ 1 en 2 - 02 ELI link Pub nr 1971031602 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE - Discriminatie - racisme - xenofobie: Internationaal recht - Algemeen Vrije woorden: ANTIDISCRIMINATIE : Wijziging van de vordering - antidiscriminatie i.p.v. rechtsmisbruik - feit in het inleidend verzoekschrift aangevoerd - afdanking omwille van de syndicale overtuiging - arbeidsovereenkomst - tegenbewijs - opdracht bij een klant met tegenzin aanvaard - pamflet na het ontslag verdeeld door de andere leden van de syndicale afvaardiging Wettelijke bepalingen: Wet - 10-05-2007 - 28 § 1 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 807, onder III A - artikel 29, §§ 1 en 2 en onder XIII E - artikel 28 § 1 Annotaties Publicaties: SRK 2018 - noot - nr. 1, blz. 28-32 SRK 2018 - + noot - nr. 1, blz. 28-32 Tekst van de beslissing Arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen 09/02/2010 VONNIS uitgesproken door de Voorzitter van de TWEEDE KAMER in openbare terechtzitting van de Arbeidsrechtbank van het Gerechtelijk Arrondissement Antwerpen op NEGEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN TIEN INZAKE: A.R. 08/7335/A B.E., EISENDE PARTIJ: ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw GABRIELS, afgevaardigde van het A.B.V.V, met volmacht, met kantoren te 2018 Antwerpen, Ommeganckstraat 35. TEGEN: NV M.L., VERWERENDE PARTIJ: ter zitting vertegenwoordigd door Mr. K. Stappers en Mr. I. De Clerck, advocaten te 2000 Antwerpen, Vlaamse Kaai 54-57. VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS: Gelet op de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging en vermeld op de inventaris ervan, o.m.: - het inleidend verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 13.11.2008. - de beschikking ingevolge art. 747 § 2 Ger. W., gegeven op 15.12.2008. - de conclusie van verwerende partij, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 27.2.2009. - de conclusie van eisende partij, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 15.6.2009. - de syntheseconclusie van verwerende partij, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 14.8.2009. - de syntheseconclusie van eisende partij, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 31.8.2009. - de aanvullende syntheseconclusie van verwerende partij, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 16.11.2009. - het advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 15.12.2009. - de repliek van eisende partij, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 4.1.2010. - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen. * * * Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Het debat werd voorafgegaan door een poging tot minnelijke schikking overeenkomstig art. 734 Ger.W., doch partijen kwamen niet tot een verzoening. Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter openbare zitting van 1.12.2009. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 15.12.2009. * * * I. VORDERING Met inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 13 november 2008, vordert mevrouw E.B. de veroordeling van de NV M.L., - hierna verder kortweg de NV genoemd - , tot betaling van volgende bedragen: - euro 497,30 ten titel van loonachterstal 2006 - euro 49,73 ten titel van aanpassing eindejaarspremie 2006 - euro 45,75 ten titel van aanpassing vakantiegeld 2006 - euro 1 006,90 ten titel van loonachterstal 2007 - euro 92,73 ten titel van aanpassing eindejaarspremie 2007 - euro 92,15 ten titel van aanpassing vakantiegeld 2007 - euro 2 033,35 ten titel van saldo loon en toeslagloon overwerk - euro 10,34 ten titel van aanpassing feestdagenloon 25 december 2007 - euro 845,34 ten titel van aanpassing vakantiegeld einde dienst vakantiedienstjaar 2006 - euro 508,87 ten titel van aanpassing vakantiegeld einde dienst vakantiedienstjaar 2007 - euro 35 097,89 ten titel van aanvullende beschermingsvergoeding - euro 1 000,00 provisioneel ten titel van vergoeding wegens rechtsmisbruik, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten zoals bepaald door artikel 10 van de wet op de bescherming van het loon en/of artikel 102 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, de verwijls- minstens de vergoedende intresten vanaf de respectieve data van opeisbaarheid en met de gerechtelijke intresten. Verder vordert mevrouw B. de veroordeling van de NV tot de kosten van het geding, en het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling. * * * In conclusies, neergelegd ter griffie op 15 juni 2009, wijzigt mevrouw B. haar vordering in betaling van een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik in toepassing van artikel 807 van het gerechtelijk wetboek in die zin dat zij in de plaats daarvan betaling vordert van een forfaitaire schadevergoeding wegens schending van de Antidiscriminatiewet, begroot op euro 23 221,44 ( euro 3 870,24 x 6). Verder vordert zij in conclusies tevens de veroordeling van de NV tot betaling van euro 208,44 als vergoeding voor de lasten die zij noodzakelijk maakt om in onderhavige procedure bijgestaan te worden door een afgevaardigde van haar vakorganisatie, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Wat de kosten betreft verzoekt mevrouw B. in ondergeschikte orde de NV slechts euro 218,64 toe te kennen als rechtsplegingsvergoeding, uiterst ondergeschikt het minimumbedrag van euro 1 000,00. Voor het overige wordt de vordering integraal gehandhaafd. * * * In syntheseconclusies van 31 augustus 2009 handhaaft mevrouw B. haar gewijzigde vordering in betaling van een forfaitaire schadevergoeding wegens schending van de Antidiscriminatiewet, begroot op euro 23 221,44. In ondergeschikte orde, voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat de gewijzigde vordering een nieuwe vordering betreft en derhalve verjaard zou zijn, handhaaft mevrouw B. haar vordering in betaling van een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik, eveneens begroot op euro 23 221,44. II. FEITEN Mevrouw B. is op 1 oktober 1991 in dienst getreden van de NV DKT in de functie van " E.B.P. assistant" ingevolge een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor onbepaalde duur van dezelfde datum (zie stuk 1 dossier NV) In de loop van de tewerkstelling van mevrouw B. werd haar arbeidsovereenkomst overgenomen door de NV, een zustervennootschap van de NV DKT, met behoud van alle rechten en plichten. De NV maakt deel uit van de DKT-groep en verleent aan de vennootschappen van de groep zogenaamde "back-office diensten", d.w.z. dienstverlening op het vlak van boekhouding, secretariaat, informatica e.d.. Mevrouw B. was tewerkgesteld in de IT-afdeling, waar zij een ondersteunende functie uitoefende, nl. het verzorgen van opleidingen en het helpen bij de implementatie en de opstart van software in de verschillende vennootschappen van de groep. Sinds 1999 maakte mevrouw B. deel uit van het kaderpersoneel. Bij de sociale verkiezingen in 2004 werd mevrouw B. verkozen tot werknemers- afgevaardigde in de Ondernemingsraad en in het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk. Zij werd in 2004 tevens aangesteld als syndicaal afgevaardigde van het ABVV-BBTK. Met een aangetekende brief van 30 november 2007 werd de arbeidsovereenkomst door de NV met onmiddellijke ingang beëindigd, waarbij gelet op het statuut van syndicaal afgevaardigde en beschermde werknemer een beschermingsvergoeding gelijk aan 43 maanden loon ten belope van euro 204 318,94 bruto werd betaald zulks overeenkomstig het bestaande protocol dat met de vakorganisaties werd afgesloten. (Zie stukken 2 en 8 dossier NV) De reden van het ontslag wordt in de ontslagbrief als volgt toegelicht: "Wij verwijzen naar ons gesprek van heden en dienen u tot onze spijt te bevestigen dat wij de tussen ons bestaande arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang verbreken. Wij hebben deze beslissing dienen te nemen omwille van de fel verslechterde samenwerking tussen partijen, uw weigering om eenvoudige opdrachten uit te voeren en uw houding ten aanzien van onze contractspartijen." Met een aangetekende brief van 18 december 2007 betwistte de vakorganisatie van mevrouw B. de geldigheid van het ontslag op grond van de overweging dat de procedure tot ontslag van beschermde werknemers niet werd gevolgd en het ontslag werd gegeven om redenen die eigen zijn aan het uitoefenen van haar mandaten als lid in de ondernemingsraad en in het comité en als syndicaal afgevaardigde. (Zie stuk 4 dossier mevrouw B.) Hierbij werd het verzoek geformuleerd om mevrouw B. te reïntegreren, verzoek dat door de NV werd afgewezen per aangetekende brief van 31 december 2007, waarbij tevens werd betwist dat mevrouw B. werd ontslagen omwille van haar syndicale activiteiten. (Zie stuk 5 dossier mevrouw B.) Met een aangetekende brief van 3 maart 2008 stelde de vakorganisatie van mevrouw B. de NV in gebreke tot betaling van verschillende achterstallige vergoedingen, waaronder loonachterstallen, achterstallig vakantiegeld, een aanvullende verbrekingsvergoeding, het loon voor de feestdag van 25 december 2000, loon voor overuren en een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik. (Zie stuk 6 dossier mevrouw B.) Verdere briefwisseling tussen partijen leidde niet tot een vergelijk en op 13 november 2008 startte mevrouw B. onderhavige procedure op. III. BEOORDELING 1) Loonachterstallen voor de jaren 2006 en 2007 De gevorderde loonachterstallen voor de jaren 2006 en 2007 ten belope van respectievelijk euro 497,40 bruto en euro 1 006,90 bruto hebben betrekking op de stelling van mevrouw B. dat door de NV ten onrechte per 1 januari 2006 een jaarlijkse loonsverhoging voor kaderleden ter gelegenheid van hun verjaardag werd afgeschaft. Uit de voorliggende stukken blijkt ontegensprekelijk dat er in de onderneming tot en met het jaar 2005 jaarlijks aan alle kaderleden een opslag werd toegekend naar aanleiding van de invoering van de baremisering voor de bedienden in de logistieke sector, in die zin dat de verhoging gelijk was aan de hoogste baremale verhoging van de gebaremiseerde bedienden met toepassing van de indexverhogingen. Deze praktijk was reeds in voege op het ogenblik van de indiensttreding van mevrouw B. in het jaar 1991 en de loonopslag in kwestie werd haar toegekend sinds het jaar 1999 toen zij kaderlid werd. De loonbrieven die mevrouw B. voorbrengt voor de jaren 2003 tot en met 2005 en dit voor de maanden januari tot maart, bevestigen dat er in maart van elk jaar telkens een loonsverhoging werd toegepast. (Zie stuk 10 dossier mevrouw B.) Uit de voorgebrachte stukken blijkt verder overduidelijk dat deze jaarlijkse opslag begin 2006 door de NV eenzijdig werd afgeschaft, en dit zonder enige verwittiging, laat staan enige vorm van overleg met de betrokken personeelsleden. Mevrouw B., die met een e-mail bericht van 22 december 2006 aan de personeelsdienst te kennen gaf per toeval te hebben gemerkt dat de jaarlijkse loonsverhoging in 2006 niet werd toegepast en verzocht om rechtzetting van deze fout met terugwerkende kracht, ontving diezelfde dag het laconieke antwoord van de personeelsdienst dat "de systematische loonsverhogingen voor kaderleden sinds januari 2006 niet meer in voege is". (Zie stuk 11 dossier mevrouw B.) Met brieven van 31 januari 2007 en 3 april 2007, die door alle kaderleden werden ondertekend, werd de afschaffing van de jaarlijkse loonopslag aangeklaagd en werd om een rechtzetting gevraagd, doch hierop werd door de NV nooit gereageerd. (Zie stukken 12 en 13 dossier mevrouw B.) Terecht beroept mevrouw B. zich op het bestaan van een ondernemingsgebruik om ook voor de jaren 2006 en 2007 een verworven recht te kunnen laten gelden op de jaarlijkse loonsverhoging ter gelegenheid van haar verjaardag. In de rechtspraak en rechtsleer wordt algemeen aangenomen dat een gebruik als informele bron van recht in arbeidsverhoudingen ontstaat door een praktijk die wordt gekenmerkt door algemeenheid, vastheid en bestendigheid. (Zie VAN EECKHOUTTE W., Informele rechtsbronnen in het arbeidsrecht", in RIGAUX M., "Actuele problemen van het arbeidsrecht 5", Gent, Mys & Breesch ,1997, 554 en de aldaar geciteerde rechtspraak) De totstandkoming van een ondernemingsgebruik veronderstelt vooreerst een door de werkgever gewilde praktijk, die dus niet mag voortvloeien uit een vergissing van de werkgever, noch mag bestaan in de loutere gedoogzaamheid van deze laatste. Algemeenheid betekent dat de praktijk, - de herhaling die het recht doet ontstaan -, zich moet manifesteren ten aanzien van een welbepaalde groep of categorie van werknemers. Vastheid betekent dat de herhaling moet zijn gekenmerkt door een welbepaald of een welbepaalbaar patroon, dat het mogelijk maakt daaruit een welomschreven recht te distilleren voor de toekomst. Bestendigheid ten slotte betekent dat de praktijk een zekere tijd moet aanhouden, waarbij moet worden opgemerkt dat de duur kan variëren van geval tot geval. Algemeen wordt aangenomen dat een gebruik kan worden opgezegd door aan de begunstigden ter kennis te brengen dat de verbintenissen die eruit voortvloeien na verloop van tijd niet meer zullen worden uitgevoerd. ( Zie VAN EECKHOUTTE W., o.c., nr 1244 e.v. p 572) Maakt de werkgever op onregelmatige wijze een einde aan een gebruik, dan staat men voor een situatie waarin de werkgever zich niet houdt aan het nog altijd bestaand gebruik, wat tot gevolg heeft dat de werknemer het voordeel kan opvorderen dat het gebruik hem toekent. In casu kan bezwaarlijk betwist worden dat er sprake was van een ondernemingsgebruik bij de NV in voormelde zin, dat aan voormelde voorwaarden beantwoordt: het gaat ontegensprekelijk om een door de werkgever tot stand gebrachte en gewilde praktijk, die sinds jaren werd toegepast voor alle kaderleden en dit volgens een welbepaald patroon, met name door jaarlijks op de verjaardag van elk kaderlid een loonstoeslag toe te kennen. Verder is het overduidelijk dat deze systematische jaarlijkse loonsverhoging door de NV begin 2006 eenzijdig werd afgeschaft, zonder enige voorafgaande verwittiging, laat staan opzegging. Dit geeft mevrouw B. gelet op voormelde principes het recht om het voordeel op te vorderen dat het gebruik haar toekende, bestaande uit de niet toegepaste loonsverhogingen voor de jaren 2006 en 2007. Ten onrechte argumenteert de NV dat de clausule van artikel 6 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst belet dat mevrouw B. zich kan beroepen op een ondernemingsgebruik als verworven recht. In de hiërarchie van de rechtsbronnen waarin de wet voorziet (zie artikel 51, 9 Cao-wet) staat het gebruik weliswaar op de laatste plaats, wat betekent dat de individuele arbeidsovereenkomst in beginsel primeert op het gebruik en deze een bestaand gebruik kan uitschakelen. Het feit dat in voormelde clausule van de arbeidsovereenkomst werd bedongen dat "de eventuele gratificatie, om het even ten welke titel verleend, die eventueel in de loop van het jaar zal worden toegekend, buiten dit kontrakt wordt gesteld ..." en verder dat "het toekennen van een gratificatie buiten de wedde steeds van facultatieve en herroepelijke aard blijft ", verhindert echter niet dat mevrouw B. ingevolge een gebruik een verworven recht kan laten gelden op de loonsverhogingen voor de jaren 2006 en 2007. Voormelde clausule heeft immers betrekking op gratificaties of vrijgevigheden die worden toegekend buiten het loon, zoals eenmalige premies en/of bonussen, terwijl het in casu gaat om systematische jaarlijkse verhogingen van het loon zelf. Hierbij moet worden opgemerkt dat het loon - en derhalve ook een verhoging van het loon - wordt toegekend als tegenprestatie voor de arbeid die wordt verricht ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst. Een verhoging van het loon zelf kan derhalve niet als een loutere gift kan worden beschouwd. Dat loonsverhogingen geen loon zouden uitmaken kan overigens door de werkgever niet rechtsgeldig worden bedongen. Er kan bijgevolg niet gesteld worden dat het voorbehoud van artikel 6 van toepassing is op de loonsverhogingen en zou beletten dat er een gebruik is tot stand gekomen. Rekening houdend met voorgaande overwegingen moet worden aangenomen dat mevrouw B. een verworven recht kan laten gelden op de jaarlijkse loonsverhogingen en dat de NV de toekenning hiervan op onregelmatige wijze beëindigde. Aldus maakt zij terecht aanspraak op de door haar gevorderde achterstallige loonsverhogingen voor de jaren 2006 en 2007 ten belope van respectievelijk euro 497,30 bruto en euro 1 006,90 bruto, waarvan de becijfering als zodanig niet wordt betwist. 2) Aanpassing eindejaarspremies 2006 en 2007 Aangezien de NV van maart 2006 tot en met november 2007 elke maand te weinig loon betaalde dienen ook de eindejaarspremie voor het jaar 2006 en de pro rata eindejaarspremie voor het jaar 2007 te worden aangepast. De door mevrouw B. gevorderde bedragen van euro 49,73 bruto ten titel van aanpassing eindejaarspremie 2006 en euro 92,73 bruto ten titel van pro rata eindejaarspremie 2007 worden cijfermatig niet betwist en kunnen derhalve worden toegekend. 3) Aanpassing dubbel vakantiegeld 2006 en 2007 Ook deze onderdelen van de vordering volgen het lot van de beslissing omtrent de loonachterstallen voor de jaren 2006 en 2007. De aanpassing van het vakantiegeld voor de jaren 2006 en 2007 werd door mevrouw B. berekend op respectievelijk euro 45,75 bruto en euro 92,15 bruto. Bij gebreke aan cijfermatige betwisting kunnen ook deze bedragen worden toegekend. 4) Loon voor de feestdag van 25 december 2007 Terecht stelt mevrouw B. dat de NV voor de berekening van het loon voor de feestdag van 25 december 2007 een te laag bedrag weerhield, vermits geen rekening werd gehouden met het ingevolge de loonsverhoging verschuldigde maandloon van euro 3 870,24. Mevrouw B. berekent het loon voor de feestdag van 25 december 2007 op euro 184,30 bruto, waarvan een bedrag van euro 173,96 werd betaald, zodat nog een saldo verschuldigd blijft van euro 10,34 bruto. Ook dit onderdeel van de vordering is derhalve gegrond. 5) Saldo vakantiegeld einde dienst vakantiedienstjaar 2006 Naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst betaalde de NV een bedrag van euro 826,69 bruto ten titel van vakantiegeld einde dienst voor het vakantiedienstjaar 2006. Mevrouw B. wordt door de NV op geen enkele wijze tegengesproken waar zij stelt dat bij de berekening van dit bedrag geen rekening werd gehouden met 9 niet opgenomen vakantiedagen. Mede rekening houdend met de loonsverhoging die had moeten worden toegekend vanaf maart 2006 dient het verschuldigde bedrag volgens mevrouw B. te worden berekend als volgt: euro 48 443,48 bruto x (7,67% x 9/20) = euro 1 672,03 bruto Deze berekening wordt door de NV niet betwist, zodat deze nog een saldo verschuldigd blijft van euro 845,34 bruto. 6) Saldo vakantiegeld einde dienst vakantiedienstjaar 2007 Ook dit onderdeel van de vordering vloeit voort uit de betwisting omtrent de gevorderde loonsverhogingen voor 2006 en 2007. Ten titel van vakantiegeld einde dienst voor het vakantiedienstjaar 2007 werd een bedrag van euro 508,87 bruto te weinig betaald volgens de door mevrouw B. uitgevoerde berekening, die cijfermatig niet wordt betwist. De vordering kan derhalve ook wat dit onderdeel betreft worden toegekend. 7) Loon en toeslagloon voor overwerk Mevrouw B. vordert betaling van een saldo aan loon en overloon voor 72,42 gepresteerde overuren ten belope van euro 2 033,35 bruto. Voor de berekening van het loon en het overloon verwijst zij naar stuk 1 van haar dossier en voor het bewijs van de gepresteerde overuren verwijst zij naar haar stuk 15. De NV betwist gehouden te zijn tot betaling van een saldo aan loon en toeslagloon voor overuren op grond van de overweging dat mevrouw B. zou behoren tot de door de koning aangewezen werknemers, die een leidende functie uitoefenen of een vertrouwenspost bekleden in de zin van het KB van 10 februari 1965 en op de welke, overeenkomstig artikel 3, § 3 van de Arbeidswet, de bepalingen betreffende de arbeidsduur niet van toepassing zijn. In ondergeschikte orde voert de NV aan dat mevrouw B. haar vordering niet bewijst. De rechtbank oordeelt ter zake als volgt: Overeenkomstig het bepaalde in artikel 29, § 1 van de Arbeidswet wordt overwerk betaald tegen een bedrag dat ten minste 50% hoger is dan het gewone loon. Deze vermeerdering bedraagt 100 % voor overwerk op zondag of op rustdagen toegekend krachtens de wetgeving op de betaalde feestdagen. Overeenkomstig § 2 van diezelfde bepaling wordt arbeid verricht boven 9 uren per dag of 40 uren per week, of boven de lagere grenzen vastgesteld overeenkomstig artikel 28, aangemerkt als overwerk. De arbeidswet is principieel van toepassing op alle werknemers en werkgevers. (Zie artikel 1 Arbeidswet) De bepalingen die de arbeidsduur betreffen zijn evenwel niet van toepassing op de door de koning aangewezen werknemers die een leidende functie uitoefenen of een vertrouwenspost bekleden. (Zie artikel 3, §3 Arbeidswet) Bij K.B. van 10 februari 1965 werden de personen bekleed met een leidende functie of vertrouwenspost aangeduid. Of mevrouw B. een leidende functie uitoefende dan wel een vertrouwenspost bekleedde is afhankelijk van de werkelijk door haar uitgeoefende functie. De gegevens in dit dossier laten niet toe te besluiten dat mevrouw B. behoorde tot een van de categorieën van personen belast met een leidinggevende functie of een vertrouwenspost zoals opgenomen in voormeld KB. Zoals aangegeven in het relaas van de feiten was mevrouw B. tewerkgesteld als " E.B.P. assistant" in de IT-afdeling, waar zij een ondersteunende functie uitoefende, nl. het verzorgen van opleidingen en het helpen bij de implementatie en de opstart van software in de verschillende vennootschappen van de groep. Op zich kan deze functie niet gekwalificeerd worden als een functie bedoeld in artikel 2 van het KB van 10 februari 1965. Het feit dat mevrouw B. tot het kaderpersoneel behoorde en dat zij tevens procuratiehouder was, wat naar de NV zelf in conclusies aangeeft inhield dat zij briefwisseling en documenten mocht ondertekenen in naam van de vennootschap, betekent evenmin dat gewag kan gemaakt worden van een leidinggevende functie of een vertrouwenspost. Er zijn immers geen elementen die erop wijzen dat mevrouw B. werkelijk gezag kon uitoefenen en verantwoordelijk was voor de onderneming of voor een belangrijk onderdeel daarvan in die zin dat zij autonome beslissingsbevoegdheid had. Aldus dient besloten te worden dat de bepalingen van de Arbeidswet wel degelijk van toepassing waren op mevrouw B.. Het staat niet ter discussie dat de NV met betrekking tot de tewerkstelling van haar personeel ressorteert onder de bevoegdheid van het paritair comité nr. 226. In de mate waarin mevrouw B. effectief arbeidsuren presteerde boven de maximale arbeidsduurgrenzen, maakt zij terecht aanspraak op loon en toeslagloon voor deze prestaties. Aan de hand van de voorliggende stukken is het evenwel niet mogelijk na te gaan aan of en in welke mate deze maximale arbeidsduurgrenzen werden overschreden. Meer zelfs, er wordt door mevrouw B. niet eens aangegeven in welk stelsel zij was tewerkgesteld en welke de maximale arbeidsduurgrenzen waren. In conclusies begroot mevrouw B. het aantal beweerdelijk gepresteerde overuren op een totaal van 72uur en 42 minuten, waarvoor zij verwijst naar stuk 15 van haar dossier. Uit de tweede bijlage bij dit stuk blijkt dat bij de laatste boeking begin december 2007 volgende uren nog niet werden gecompenseerd: "Compensatie Maandelijks Glijsaldo: saldo uren: 1,01 Compensatie naglijuren: saldo uren: 55,10" Hieruit blijkt aldus - en dit wordt door de NV ook niet betwist - dat voor het jaar 2007 alleszins 56 uren en 11 minuten niet werden gecompenseerd. Mevrouw B. houdt weliswaar voor dat hieraan nog de niet gecompenseerde uren voor de maand november 2007 moeten worden toegevoegd, hetzij 16 uren en 31 minuten, waarvoor zij verwijst naar de eerste bijlage van stuk 15, doch uit niets blijkt dat deze uren niet reeds zijn opgenomen in het totaal van 56 uur en 11 minuten. De NV dient gevolgd te worden in haar stelling dat het niet volstaat te verwijzen naar een totaal aan niet gecompenseerde naglijuren opdat er sprake zou zijn van overuren, vermits hieruit niet kan worden afgeleid dat de maximale arbeidsduurgrenzen werden overschreden. Anderzijds betwist de NV niet dat mevrouw B. in het jaar 2007 minstens 56 uren en 11 minuten presteerde die niet werden vergoed, zodat zij voor deze uren terecht aanspraak maakt op het loon aan 100%. Het verweer van de NV dat erin bestaat dat zij geen toestemming zou hebben gegeven voor het presteren van deze niet gecompenseerde uren is zonder meer weinig ernstig te noemen. Hierop moet dan ook niet verder worden ingegaan. Uitgaande van een niet betwist bruto uurloon van euro 24,1387 bedraagt het loon voor de niet gecompenseerde arbeidsuren (56 uren en 11 minuten) euro 1 356,19 bruto, berekend als volgt: euro 24,1387 x 56,1833. Vermits mevrouw B. zelf stelt dat door de NV een bedrag werd uitbetaald van euro 399,63, dat hierop in mindering mag worden gebracht, blijft een bedrag verschuldigd van euro 956,56 bruto. 8) Aanvullende beschermingsvergoeding Naar aanleiding van haar ontslag ontving mevrouw B. betaling van een beschermingsvergoeding gelijk aan 43 maanden loon ten belope van euro 204 318,94 bruto. (Zie stuk 10 dossier NV) Mevrouw B. betwist het aantal maanden van de uitgekeerde beschermingsvergoeding niet, doch wel de berekeningsbasis ervan en zij vordert uit dien hoofde betaling van een aanvullende beschermingsvergoeding van euro 35 097,89 bruto. Het jaarloon dat in aanmerking moet worden genomen bedraagt volgens mevrouw B. euro 66 814,00 bruto, terwijl de NV het jaarloon berekent op euro 57 019,24 bruto. Meer bepaald bestaat er betwisting tussen partijen omtrent volgende looncomponenten:
- a)vast maandloon: Mevrouw B. gaat er terecht van uit dat het vast maandloon dat in aanmerking moet worden genomen euro 3 870,24 bedraagt, zijnde het loon waarop zij recht had ingevolge de jaarlijkse loonsverhoging die de NV had moeten doorvoeren op basis van het ondernemersgebruik. De betwisting desbetreffend tussen partijen werd beslecht onder punt 1)
- b)loon voor niet-gecompenseerde uren : Het loon waarop mevrouw B. gerechtigd is voor gepresteerde, doch niet gecompenseerde arbeidsuren in 2007 maakt een vast onderdeel uit van het loon en moet derhalve in aanmerking worden genomen voor de berekening van het jaarloon waarop de beschermingsvergoeding wordt berekend. Het bedrag van euro 1 356,19 bruto moet derhalve in de berekeningsbasis worden opgenomen.
- c)voordeel gratis parkeerplaats: Mevrouw B. kon gebruik maken van een parkeerplaats in de garage van de NV, waarvan zij het voordeel begroot op euro 82,07 op maandbasis, hetzij euro 984,84 op jaarbasis. De NV wijst er terecht op dat het gebruik van een door de werkgever ter beschikking van een werknemer gestelde parkeerruimte geen deel uit maakt van het loon of de krachtens de overeenkomst verworven voordelen, die in aanmerking komen voor de berekening van de opzeggingsvergoeding. ( Arbh.Brussel,18 maart 1980, geciteerd in VAN EECKHOUTTE W., Sociaal Compendium, Arbeidsrecht 2007-2008, band 2, pagina 2045)
- d)voordeel privégebruik GSM, Internet en tankkaart: Het staat vast dat mevrouw B. voor de uitvoering van haar werkzaamheden de beschikking had over een GSM-toestel en een internetverbinding, waarvan alle kosten gedragen werden door de werkgever, en dat zij tevens voor de verplaatsingen met haar wagen gebruik kon maken van een tankkaart van de NV. Hiervoor brengt zij volgende voordelen in natura in rekening: GSM: euro 80,00 per maand, tankkaart: euro 200,00 per maand en internetverbinding: euro 41,95 per maand De NV verzet zich tegen de opname van deze bedragen, omdat het mevrouw B. niet was toegestaan de GSM, de internetverbinding en de tankkaart voor privé-doeleinden te gebruiken. Er kan slechts worden vastgesteld dat mevrouw B. aan de hand van haar eigen affirmatie niet kan hard maken dat het privégebruik van voormelde faciliteiten toegelaten was, laat staan dat zij aantoont dat deze haar een voordeel van respectievelijk euro 80,00, euro 200,00 en euro 41,95 per maand zouden hebben opgeleverd.
- e)premies aanvullend pensioenstelsel: Mevrouw B. brengt een bedrag in rekening van euro 247,82 ten titel van werkgeversbijdrage aanvullend sectoraal pensioenstelsel. In conclusies licht de NV toe dat dit een vanaf 1 januari 2007 op het niveau van het paritair comité 226 georganiseerd pensioenstelsel betreft, voor zover in de ondernemingen van deze sector geen gelijkwaardig pensioenplan in voege is. De NV geeft verder te kennen dat zij niet is toegetreden tot dit aanvullend sectoraal pensioenstelsel omdat zij voor haar personeel reeds is aangesloten bij een gelijkwaardige groepsverzekering. Mevrouw B., die zich in conclusies desbetreffend thans naar de wijsheid van de rechtbank gedraagt, spreekt de NV op dit punt niet tegen en er bestaat dan ook geen reden om ter zake een voordeel in de berekeningsbasis van de beschermingsvergoeding op te nemen.
- f)vergoeding verzekering privé-leven Dit vermeende voordeel, dat door mevrouw B. wordt begroot op euro 720,00 op jaarbasis, betreft het onderdeel "privéleven" van de ongevallenverzekering van de NV, die per 1 januari 2004 afliep. Volgens mevrouw B. werd deze verzekering ten onrechte door de NV stopgezet, waar de werknemers slechts per toeval achter kwamen nadat één van hen een ongeval had gehad, en waartegen werd geprotesteerd per brief van 19 september 2007. (Zie stuk 17 dossier mevrouw B.) De NV stelt in haar verweer dat het ter zake gaat om het onderdeel privéleven van de ongevallenverzekering van de onderneming, die per 1 januari 2004 afliep en die derhalve niet behoort tot het lopend loon dat in aanmerking komt voor de berekening van de beschermingsvergoeding. Dat dit onderdeel van de ongevallenverzekering op onregelmatige wijze door de NV werd beëindigd blijkt uit niets en wordt door mevrouw B. ook niet aangetoond. Er bestaat dan ook geen aanleiding om ter zake een voordeel in de berekeningsbasis op te nemen.
- g)werkgeversbijdragen in de groepsverzekering: Mevrouw B. neemt een bedrag in aanmerking van euro 4 309,90 op jaarbasis, terwijl de betaalde premies volgens de NV slechts euro 2 653,13 op jaarbasis bedragen. (Zie stuk 13 dossier NV) Terecht gaat mevrouw B. ervan uit dat rekening moet worden gehouden met de premie die de NV had moeten betalen overeenkomstig de bepalingen van het voorzorgsplan en op basis van het loon waarop zij gerechtigd was, rekening houdend met de jaarlijkse loonsverhogingen die hadden moeten worden doorgevoerd in de maand van haar verjaardag. Volgens de bepalingen van het voorzorgsplan bedroeg de jaarlijkse werkgeversbijdrage in de groepsverzekering, rekening houdend met de anciënniteit van mevrouw B., 8 % van het bruto maandloon x 13,92. De door de NV te betalen premie in de groepsverzekering dient derhalve te worden berekend als volgt: euro 3 870,24 x 13,92 = euro 53 873,74 bruto x 8 % = euro 4 309,90 op jaarbasis
- h)Besluit met betrekking tot de samenstelling van het jaarloon ter berekening van de beschermingsvergoeding: - vast bruto maandloon euro 3 870,24 x 13,92= euro 53 873,74 - loon voor niet gecompenseerde arbeidsuren: euro 1 356,19 bruto/ 12 x 13,92 = euro 1 573,18 - werkgeversbijdragen in de groepsverzekering: euro 4 309,90 TOTAAL: euro 59 756,82 De beschermingsvergoeding gelijk aan 43 maanden loon, waarop mevrouw B. gerechtigd is, bedroeg derhalve euro 214 128,61 bruto ( euro 59 756,82 x 43/12) waarvan reeds een bedrag werd betaald van euro 204 318,94, zodat nog een saldo verschuldigd blijft van euro 9 809,67 bruto. 9. Schending Antidiscriminatiewet 9.a. Verjaring - wijziging van de vordering Waar mevrouw B. initieel betaling vorderde van een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht ten belope van euro 1 000,00 provisioneel, wijzigt zij dit onderdeel van haar vordering in conclusies en vordert zij thans betaling van een forfaitaire schadevergoeding van 6 maanden loon op basis van artikel 18 van de Antidiscriminatiewet wegens beweerde discriminatie op grond van syndicale overtuiging. De NV werpt in conclusies de verjaring op van deze gewijzigde vordering, op grond van de overweging dat het gaat om een nieuwe vordering die werd ingesteld in conclusies van 15 juni 2009, terwijl de arbeidsovereenkomst werd beëindigd op 30 november 2007, zodat deze vordering buiten de verjaringstermijn van 1 jaar van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet werd ingesteld. Mevrouw B. betwist dat het gaat om een nieuwe vordering en houdt voor dat het gaat om een gewijzigde vordering in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek die steunt op dezelfde feiten als deze die in de dagvaarding worden vermeld. Volgende principes moeten ter zake in acht worden genomen: Enerzijds bepaalt artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet dat rechtsvorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan één jaar na het eindigen van deze overeenkomst verjaren. Hierbij moet worden opgemerkt dat de inleidende akte, in casu het verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 13 november 2008, slechts de verjaring stuit van de vordering die zij inleidt en van de vorderingen die virtueel daarin begrepen zijn. Anderzijds kan overeenkomstig artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek een vordering die voor de rechter aanhangig is, slechts uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. De wijziging kan betrekking hebben op het voorwerp van de vordering of op de oorzaak en het is tevens mogelijk de juridische omschrijving of de rechtsgrond te wijzigen.(Zie PETIT J., "Sociaal Procesrecht", Brugge, Die Keure, 2000, 173 e.v.) In casu kan niet betwist worden dat de gewijzigde vordering gesteund is op een feit dat reeds in het inleidend verzoekschrift werd vermeld. In het inleidend verzoekschrift wordt immers uitdrukkelijk gesteld dat "verwerende partij niet verheeld heeft dat de werkelijke reden voor deze afdanking de wijze is geweest, waarop verzoekster uitvoering heeft gegeven aan haar syndicale mandaten, want verwerende partij heeft met name uitdrukkelijk aan de directe chef van de verzoekster bevestigd dat zij "niet nog eens 4 jaren met verzoekster als personeelsafgevaardigde opgescheept wilde zitten" Verder wordt gesteld dat "deze onwettige handelswijze van verwerende partij, die een regelrechte inbreuk uitmaakt op rechtsregels van openbare orde, een manifest rechtsmisbruik vormt, waardoor verzoekster schadevergoeding vordert, heden provisioneel begroot euro 1 000,00" In conclusies, neergelegd op 15 juni 2009, wijzigt mevrouw B. de rechtsgrond van dit onderdeel van de vordering, en beroept zij zich niet langer op het principe van het misbruik van ontslagrecht, maar wel op een schending van de Antidiscriminatiewet, en dit op grond van de overweging dat het op basis van deze wet en het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2 april 2009 (B.S.29 april 2009) verboden is werknemers te ontslaan omwille van hun syndicale overtuiging, aangezien dit een vorm van discriminatie uitmaakt. De initiële vordering, die ertoe strekte de betaling te bekomen van een provisionele schadevergoeding wegens rechtsmisbruik, steunde eveneens op de overweging dat de syndicale activiteiten van mevrouw B. de aanleiding vormde voor haar onmiddellijk ontslag met uitbetaling van een beschermingsvergoeding. Hoewel de rechtsgrond van deze vordering verschillend is van deze welke initieel in het inleidend verzoekschrift werd gesteld, is deze vordering niet nieuw. Zij berust immers op een feit dat werd aangehaald in de inleidende akte. Dat deze vordering steunt op een andere rechtsgrond doet daaraan niets af. De gewijzigde vordering is derhalve op grond van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek ontvankelijk. De vraag of deze vordering al dan niet verjaard is op grond van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet moet worden beoordeeld op het ogenblik van de neerlegging van de conclusies. In casu werd de gewijzigde vordering geformuleerd in conclusies van 15 juni 2009, terwijl de arbeidsovereenkomst werd beëindigd op 30 november 2007, zodat deze vordering in beginsel buiten de verjaringstermijn van 1 jaar van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet werd ingesteld. De inleidende akte, in casu het verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 13 november 2008, stuit slechts de verjaring van de vordering die zij inleidt en van de vorderingen die virtueel daarin begrepen zijn, zodat enkel een uitbreiding van de oorspronkelijke vordering nog kan gebeuren meer dan een jaar na de dagvaarding. Aangezien in het inleidend verzoekschrift uitdrukkelijk door mevrouw B. wordt gesteld dat zij werd ontslagen omwille van de uitoefening van haar syndicale mandaten moet aanvaard worden dat vordering die ertoe strekt betaling te bekomen van een vergoeding wegens schending van de Antidiscriminatiewet hierin virtueel begrepen is. De gewijzigde vordering is derhalve niet verjaard. 9.b. Ten gronde 1. Wettelijk kader De Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (B.S.30 mei 2007) , - hierna verder kortweg de Antidiscriminatiewet 2007 genoemd - , heeft de richtlijn nr.2 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot de instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep omgezet in het Belgisch recht. Met de Antidiscriminatiewet 2007 beoogt de wetgever een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, een fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst, en dit door discriminerend gedrag zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk te bestraffen. In een arrest van 2 april 2009 (B.S. 29 april 2009) deed het Grondwettelijk Hof uitspraak over een beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de Antidiscriminatiewet 2007, waarbij werd vastgesteld dat de criteria "lidmaatschap van een vakorganisatie", "syndicale overtuiging" en "syndicale activiteit " niet zijn opgenomen in de lijst van discriminatiegronden en waarbij werd geoordeeld dat dit een niet te verantwoorden verschil in behandeling meebrengt tussen de slachtoffers van een discriminatie op basis van een van deze gronden en de slachtoffers van een discriminatie op basis van een grond die wel in de lijst voorkomt. Een aantal artikels van de Antidiscriminatiewet 2007 werden vernietigd ingevolge dit arrest, in zoverre deze artikels onder de daarin vermelde discriminatiegronden niet de "syndicale overtuiging" beogen. Ingevolge dit arrest moet aldus worden aangenomen dat discriminatie omwille van de syndicale overtuiging onder het toepassingsgebied valt van de Antidiscriminatiewet 2007. Met uitzondering van de aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de gemeenschappen of van de gewesten vallen, is de Antidiscriminatiewet 2007 overeenkomstig artikel 5 § 1 van deze wet zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot o.m. de arbeidsbetrekkingen. Voor de toepassing van de Antidiscriminatiewet 2007 wordt overeenkomstig artikel 4, 1° en artikel 5 § 2, 3° van deze wet onder arbeidsbetrekkingen o.m. verstaan de bepalingen en de praktijken inzake de beëindiging van de arbeidsbetrekking, waaronder onder meer, doch niet uitsluitend worden begrepen: - de ontslagbeslissing; - de bepaling en de toepassing van de voorwaarden en de modaliteiten van het ontslag; - de bepaling en de toepassing van de criteria bij de ontslagselectie; - de toekenning en de bepaling van de vergoedingen naar aanleiding van de beëindiging van de professionele relatie; - de maatregelen die worden getroffen naar aanleiding van de beëindiging van de professionele relatie. Artikel 14 van de Antidiscriminatiewet 2007 bepaalt dat in de aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van deze wet vallen, elke vorm van discriminatie verboden is en maakt verder een onderscheid tussen directe discriminatie en indirecte discriminatie, waaronder wordt verstaan: - Directe discriminatie: Direct onderscheid is de situatie die zich voordoet wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de beschermde criteria. (artikel 4,6°). Directe discriminatie is het direct onderscheid op grond van een beschermd criterium dat niet gerechtvaardigd kan worden op grond van de bepalingen van titel II. (artikel 4,7°) - Indirecte discriminatie: Indirect onderscheid is de situatie die zich voordoet wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze personen gekenmerkt door een bepaald beschermd criterium, in vergelijking met andere personen bijzonder kan benadelen. (artikel 4,8°) Indirecte discriminatie is het indirect onderscheid op grond van een beschermd criterium dat niet gerechtvaardigd kan worden op grond van de bepalingen van titel II. (artikel 4,9°) Ingeval van discriminatie kan het slachtoffer overeenkomstig artikel 18 § 1 een schadevergoeding vorderen die naar keuze van het slachtoffer gelijk is hetzij aan een forfaitair bedrag, hetzij aan de werkelijke door het slachtoffer geleden schade. In laatstgenoemd geval moet het slachtoffer de omvang van de geleden schade bewijzen. Indien het slachtoffer een morele en materiële schadevergoeding vordert wegens discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen is de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade overeenkomstig artikel 18 § 2, 2° gelijk aan de bruto beloning voor 6 maanden, tenzij de werkgever aantoont dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling ook op niet discriminerende gronden getroffen zou zijn, in welk geval de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade beperkt wordt tot 3 maanden bruto beloning. Wanneer een persoon die zich slachtoffer acht van een discriminatie feiten aanvoert die het bestaan van discriminatie op grond van een van de beschermde criteria kunnen doen vermoeden, dient de verweerder overeenkomstig artikel 28 § 1 te bewijzen dat er geen discriminatie is geweest. 2. Toepassing Mevrouw B. maakt aanspraak op de betaling van een forfaitaire schadevergoeding gelijk aan 6 maanden loon begroot op euro 23 221,44. (6 x euro 3 870,24) wegens beweerde schending door de NV van de Antidiscriminatiewet 2007. Ter staving van deze vordering voert zij aan dat zij door de NV werd ontslagen omwille van het feit dat zij als werknemers- en vakbondsafgevaardigde een aantal aanklachten heeft geformuleerd, wat een vorm van discriminatie uitmaakt in de zin van de Antidiscriminatiewet 2007. Zij meent te kunnen aantonen dat de in de ontslagbrief opgegeven redenen voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst drogredenen blijken te zijn, en dat zij in werkelijkheid werd ontslagen omwille van haar syndicale activiteiten en haar syndicaal engagement, die kwaad bloed zouden hebben gezet bij de directie van de NV, inzonderheid bij de afgevaardigde bestuurder, de heer Philippe Van Tilburg. De bewijslast wordt gelet op artikel 28 § 1 van de Antidiscriminatiewet 2007 naar het oordeel van mevrouw B. omgekeerd: vermits zij feiten aanvoert die het bestaan van discriminatie op grond van een van de beschermde criteria, ( waartoe gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof syndicale overtuiging behoort), doen vermoeden, dient de NV het bewijs te leveren dat er geen discriminatie is geweest. De NV betwist van haar kant dat mevrouw B. werd ontslagen omwille van haar syndicaal mandaat. Een ontslag dat wordt gegeven enkel en alleen omwille van de syndicale overtuiging van een werknemer houdt ontegensprekelijk een vorm van discriminatie in, die wordt verboden ingevolge de hoger geciteerde bepalingen van de Antidiscriminatiewet 2007 en het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2 april 2009 (B.S. 29 april 2009) Gelet op de bepaling van artikel 28 § 1 van de Antidiscriminatiewet inzake de verdeling van de bewijslast dient mevrouw B., die meent het slachtoffer te zijn van een discriminatie door de NV in voormelde zin, vooreerst voldoende feiten aan te voeren die het bestaan van discriminatie op grond van syndicale overtuiging kunnen doen vermoeden en indien het bewijs hiervan wordt geleverd, komt het vervolgens toe aan de NV om te bewijzen dat er geen discriminatie is geweest. Alhoewel zij dit niet met zoveel woorden aangeeft blijkt mevrouw B. zich te beroepen op een vorm van directe discriminatie, die erin bestaat dat zij als beschermde werknemer en syndicaal afgevaardigde ongunstiger werd behandeld dan een andere werknemer, vermits zij werd ontslagen op basis van haar syndicale overtuiging en activiteiten, wat naar haar oordeel een niet gerechtvaardigd onderscheid inhoudt. Directe discriminatie in de zin van de Antidiscriminatiewet 2007 is het direct onderscheid dat gemaakt wordt op grond van één van de beschermde criteria, tenzij dit direct onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. (artikel 7) Mevrouw B. maakt haar stelling dat haar syndicaal mandaat de ware achterliggende reden voor het ontslag is geweest naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende aannemelijk. Zij voldoet dan ook niet aan haar bewijslast om feiten aan te brengen waaruit een mogelijke discriminatie blijkt. Volgende overwegingen hebben tot deze besluitvorming geleid: Opdat zou kunnen worden aangenomen dat de syndicale activiteiten van mevrouw B. de enige reden voor het ontslag zouden hebben uitgemaakt moet vooreerst aannemelijk worden gemaakt dat de door de NV opgegeven redenen voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst loutere drogredenen uitmaken. In de ontslagbrief van 30 november 2007 wordt als reden voor het ontslag door de NV verwezen naar de verslechterde samenwerking tussen partijen, de weigering van mevrouw B. om eenvoudige opdrachten uit te voeren en haar houding ten aanzien van de contractpartijen. In haar toelichting bij de aldus opgegeven motivering voor het ontslag wijst de NV in conclusies op de conflictueuze houding, die mevrouw B. in de periode voorafgaand aan het ontslag aannam naar aanleiding van een opdracht die haar werd toegewezen in april 2007 en die zij in het kader van haar takenpakket diende te vervullen, namelijk het verlenen van IT-ondersteuning bij de firma UASC, eveneens een vennootschap van de groep DKT, en dit voor de implementatie van een nieuw softwareprogramma. Ter staving brengt de NV onder stuk 7 van haar dossier het e-mail verkeer en de briefwisseling tussen partijen voor aangaande de toewijzing van deze opdracht in de periode april tot en met november 2007 Hieruit blijkt dat mevrouw B. met een e-mail bericht van 11 april 2007 inderdaad werd aangesteld als IT-verantwoordelijke voor de implementatie van een geïntegreerd computersysteem onder de naam TRUST bij de firma UASC, dat zij deze opdracht met een uitvoerig e-mail bericht van 17 april 2007 aanvankelijk weigerde, doch uiteindelijk per brief van 11 november te kennen gaf de opdracht te aanvaarden op voorwaarde dat aan een aantal eisen zou worden voldaan. Voormelde stukken bevestigen de stelling van de NV dat mevrouw B. zich niet bepaald soepel opstelde bij de toewijzing van deze opdracht. De brief die mevrouw B. op 10 november 2007 aan de NV richtte, en waarin zij uiteindelijk te kennen gaf "bereid te zijn als uitverkorene voor de opdracht te fungeren" illustreert duidelijk dat zij de opdracht met tegenzin aanvaardde, wat o.m. blijkt uit het excessieve eisenpakket dat zij in deze brief formuleerde met betrekking tot o.m. twee verplicht te volgen opleidingen voor de functie van trainer in Dubai en Londen. Dat de inhoud van deze brief niet bepaald bevorderlijk was voor de verdere samenwerking tussen partijen hoeft geen betoog. De reactie van de NV per brief van 15 november 2007, die afsluit met de zinsnede "Wij zijn tot onze spijt genoodzaakt alle voorbehoud te maken in verband met uw houding", toont ook aan dat de toon van de brief van mevrouw B. en het eisenpakket niet bepaald gunstig werd onthaald, wat op zich geen verwondering hoeft te wekken. Dat de NV niet wenste in te gaan op de door mevrouw B. gestelde eisen en twee weken later het ontslag volgde wijst erop dat er wel degelijk een verband bestaat tussen het ontslag en het conflict omtrent de het TRUST-project. De stelling van mevrouw B. dat het toebedelen van de opdracht bij UASC er uitsluitend op gericht was haar uit de onderneming weg te werken omdat het de bedoeling was dat op termijn het personeel van de informaticadienst dat in feite voor UASC werkte zou worden overgenomen door deze laatste vindt daarentegen geen afdoende steun in het dossier. Het e-mail bericht dat de afgevaardigde bestuurder van de NV, de heer Philippe Van Tilburg, op 12 april 2007 verstuurde aan de heer Cornelis Beaudoux, directielid van UASC, toont wel aan dat de NV absoluut wilde dat mevrouw B. het TRUST-project op zich zou nemen, doch niet dat ze op die manier van haar zouden "verlost" zijn.( zie stuk 26 dossier mevrouw B.) De vraag om mevrouw B. aan te stellen als trainer voor het nieuwe TRUST-programma ging overigens uit van de firma UASC zelf, aangezien mevrouw B. in het verleden reeds tot algemene tevredenheid aan deze firma IT-support had geleverd en zij goede relaties had met het personeel van UASC . (zie email van 2 april 2007 van de heer Corneel Beaudoux van UACS en email van 18 juli 2007 van de heer Martin Hanon van UASC - stuk 7 dossier NV) Verder blijkt nergens uit dat de aan mevrouw B. toegewezen opdracht niet kaderde binnen de normale werking van de onderneming. Behoudens het conflict tussen partijen aangaande de instructie die aan mevrouw B. werd gegeven om het TRUST-project bij UASC te ondersteunen hebben er zich overigens in de periode voorafgaand aan het ontslag geen andere feiten voorgedaan die verband houden met de syndicale activiteiten van mevrouw B. en die aanleiding zouden hebben kunnen geven tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van laatstgenoemde. Dat de verhouding tussen de syndicale afvaardiging in haar geheel en de directie van de NV niet over rozen liep en zelfs aanleiding gaf tot conflicten, dit o.m. naar aanleiding van het ontslag van een werknemer dat werd doorgevoerd zonder overleg en in tegenspraak met de gemaakte afspraken binnen de ondernemingsraad, betekent nog niet dat hieruit kan worden afgeleid dat mevrouw B. binnen de syndicale afvaardiging door de directie werd geviseerd. Zulks blijkt niet uit de notulen van de vergadering van de ondernemingsraad van 13 juni 2006, noch uit een nota van 18 mei 2006 die door de syndicale afvaardiging aan de voorzitter van de ondernemingsraad, de heer Van Tilburg voornoemd, werd verstuurd. (Zie stukken 20 en 22 dossier mevrouw B.) Voormelde conflicten situeren zich overigens niet in de periode onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag. Het pamflet dat door de andere leden van de syndicale afvaardiging na het ontslag van mevrouw B. werd verdeeld en waarin te lezen staat dat de ware reden voor haar ontslag moet gezocht worden in haar syndicaal mandaat volstaat evenmin om te besluiten dat de door de NV opgegeven redenen voor het ontslag als drogredenen moeten worden afgedaan. Tenslotte vormt het gegeven dat de NV mevrouw B. de volledige beschermingsvergoeding heeft uitbetaald op zich geenszins een vermoeden dat er sprake is van discriminatie op basis van de syndicale overtuiging waardoor de bewijslast dient te worden omgekeerd. Vermits mevrouw B. geen feiten aanvoert die het bestaan van discriminatie op basis van syndicale overtuiging doen vermoeden, kan zij geen aanspraak maken op de door haar gevorderde forfaitaire vergoeding gelijk aan 6 maanden loon wegens vermeende schending van de Antidiscriminatiewet van 2007. Dit onderdeel van de vordering dient bijgevolg als ongegrond te worden afgewezen. 10.Intresten op bruto of op netto Mevrouw B. vordert betaling van de intresten op de toegekende brutobedragen, waarvoor zij zich steunt op artikel 82 van de Wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, dat in werking trad op 1 juli 2005. Bedoeld artikel 82 verving het bestaande artikel 10 van de Loonbeschermingswet door de volgende bepaling: " Artikel 10. Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Die rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht." Vóór de datum van inwerkingtreding van voornoemd artikel 82 waren volgens gevestigde rechtspraak van het Hof van Cassatie op grond van artikel 10 van de Loonbeschermingswet enkel intresten verschuldigd op het nettoloon, op grond van de overweging dat de werknemer de als bedrijfsvoorheffing en als sociale bijdrage verschuldigde bedragen niet kan opeisen van zijn werkgever. Deze rechtspraak is inmiddels achterhaald. De datum van inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 werd vastgesteld bij artikel 1 van het KB van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen (B. S. 12 juli 2005) Artikel 2 van voormeld KB stelt dat deze bepaling van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005. Dit KB werd inmiddels bekrachtigd ingevolge artikel 69 van de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen. (B.S. 16 juni 2008) Uit voormelde bepalingen volgt dat voor het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005, zoals in casu, wettelijke intresten verschuldigd zijn op het loon, vooraleer de in artikel 23 van de Loonbeschermingswet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. De wettelijke intresten dienen dus berekend te worden op de brutobedragen. De NV wijst in conclusies op een arrest van het Arbeidshof te Gent van 12 juni 2009, waarin een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Grondwettelijk Hof , met name of artikel 10, tweede lid van de Loonbeschermingswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet schendt omdat artikel 10, tweede lid van de Loonbeschermingswet zou toelaten dat er tweemaal intresten verschuldigd zijn op hetzelfde bedrag. In een arrest van 11 maart 2009 deed het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak aangaande een gelijkaardige prejudiciële vraag, waarbij werd beslist dat artikel 10, tweede lid van de Loonbeschermingswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen reden om de uitspraak betreffende de toekenning van de intresten op te schorten en naar de rol te verzenden in afwachting van het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de prejudiciële vraag, gesteld door het Arbeidshof te Gent bij arrest van 12 juni 2009. Met het verweer van de NV kan aldus geen rekening meer gehouden worden, waardoor de intresten op de brutobedragen dienen toegekend te worden. 11. Rechtsplegingsvergoeding In het inleidend verzoekschrift verzocht mevrouw B. om haar een rechtsplegingsvergoeding gelijk aan het basisbedrag toe te kennen. Rekeninghoudend met het inmiddels tussengekomen arrest nr. 185.315 van de Raad van State van 10 juli 2008, waarbij het beroep tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het uitvoeringsbesluit van 26 oktober 2007 werd verworpen, en het arrest nr. 182/2008 van het Grondwettelijk Hof van 18 december 2008 waarbij de door een aantal vakorganisaties ingestelde annulatieberoepen werden verworpen dringt mevrouw B. niet langer aan op de betaling van een rechtsplegingvergoeding, en wijzigde zij in eerste conclusies dit onderdeel van haar vorderisng in een vordering tot veroordeling van de NV tot de lasten van het geding. Ook op deze gewijzigde vordering dringt mevrouw B. in syntheseconclusies niet langer aan. Enkel verzoekt zij thans in ondergeschikte orde, en dit voor zover zij zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding, aan de NV slechts een rechtsplegingsvergoeding aan sociaal tarief toe te kennen, minstens het minimumtarief. Op deze in ondergeschikte orde gestelde vordering dient evenwel niet te worden ingegaan, nu de rechtbank van oordeel is dat de kosten van het geding ten laste moeten gelegd worden van de NV. 12. Uitvoerbaarheid bij voorraad Aan de vraag van mevrouw B. om het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, zonder enige reserve, kan geen gevolg worden gegeven. De uitvoerbaarheid van een vonnis kan slechts met de nodige omzichtigheid worden toegestaan, namelijk enkel voor bedragen die als verschuldigd erkend zijn of als zodanig moeten worden aanzien, en voor veroordelingen waarvan de rechter uit het onderzoek van de zaak de redelijke zekerheid heeft opgedaan dat zijn beslissing niet vatbaar is voor ernstige kritiek. ( zie DIRIX E. en BROECKX A., Beslag, A.P.R.,Kluwer- Story Scientia 2001, p. 226-227, nr. 363) Het doel van de uitvoerbaarheid bij voorraad is het vermijden van dilatoire ingrepen van de schuldenaar om aan de uitvoering van het vonnis te ontsnappen door systematisch beroep in te stellen. Hic et nunc zijn er geen aanwijzingen om aan te nemen dat de NV zou overgaan tot dilatoire ingrepen in voormelde zin, zodat er geen aanleiding bestaat om het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Rechtsprekende op tegenspraak, Na erover beraadslaagd te hebben, Alle andersluidende conclusies verwerpende, Verklaart de vordering ONTVANKELIJK, en in de hiernabepaalde mate GEGROND: Veroordeelt de NV tot betaling aan mevrouw B. van volgende bedragen: - VIERHONDERD ZEVENENNEGENTIG EURO DERTIG CENT ( euro 497,30) bruto ten titel van loonachterstal 2006 - NEGENENVEERTIG EURO DRIEENZEVENTIG CENT ( euro 49,73) bruto ten titel van aanpassing eindejaarspremie 2006 - VIJFENVEERTIG EURO VIJFENZEVENTIG CENT ( euro 45,75) bruto ten titel van aanpassing vakantiegeld 2006 - DUIZEND EN ZES EURO NEGENTIG CENT ( euro 1 006,90) bruto ten titel van loonachterstal 2007 - TWEEENNEGENTIG EURO DRIEENZEVENTIG CENT ( euro 92,73) bruto ten titel van aanpassing pro rata eindejaarspremie 2007 - TWEEENNEGENTIG EURO VIJFTIEN CENT ( euro 92,15) bruto ten titel van aanpassing vakantiegeld 2007 - TIEN EURO VIERENDERTIG CENT ( euro 10,34) bruto ten titel van aanpassing feestdagenloon 25 december 2007 - ACHTHONDERD VIJFENVEERTIG EURO VIERENDERTIG CENT ( euro 845,34) bruto ten titel van aanpassing vakantiegeld einde dienst vakantiedienstjaar 2006-vakantiejaar 2007 - VIJFHONDERD EN ACHT EURO ZEVENENTACHTIG CENT ( euro 508,87) bruto ten titel van aanpassing vakantiegeld einde dienst vakantiedienstjaar 2007-vakantiejaar 2008 - NEGENHONDERD ZESENVIJFTIG EURO ZESENVIJFTIG CENT ( euro 956,56) bruto ten titel van loon voor niet gecompenseerde arbeidsuren - NEGENDUIZEND ACHTHONDERD EN NEGEN EURO ZEVENENZESTIG CENT ( euro 9 809,67) bruto ten titel van aanvullende beschermingsvergoeding te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen, in zoverre verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de respectieve data van opeisbaarheid en met de gerechtelijke intresten vanaf 13 november 2008, intresten te berekenen op de brutobedragen. Wijst het meergevorderde af. Zegt voor recht dat er geen reden bestaat om de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te bevelen. Legt de kosten ten laste van de NV. Bepaalt de kosten aan de zijde van mevrouw B. op nihil en aan de zijde van de NV M.L. op euro 2 500,00 rechtsplegingsvergoeding. PDF document ECLI:BE:ARANT:2010:JUG.20100209.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div