id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 05 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2018:JUG.20181205.8 Rolnummer: 18/317/A Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2020-10-27 Raadplegingen: 309 - laatst gezien 2026-06-28 04:59 Fiches 1 - 3 Een concurrentiebeding heeft uitwerking bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord, tenzij de partijen bij dit akkoord de uitwerking van dit beding uitdrukkelijk uitsluiten. Het loonbegrip dat geldt voor artikel 39, § 1 van de Arbeidsovereenkomstenwet geldt ook bij de bepaling van de vergoeding wegens ongeoorloofde concurrentie. Door bij het cliënteel de indruk te wekken dat hij het enige aanspreekpunt was voor een bepaalde producent in België en dat zijn nieuwe werkgever de enige was die voortaan deze producten aan het cliënteel kon leveren, maakt de werknemer zich schuldig aan oneerlijke concurrentie. Een korting voorstellen van maar liefst 20 % op de gangbare prijzen met de bedoeling om bij de potentiële klant een ‘shockeffect' te creëren in de hoop dat deze potentiële klant de samenwerking met de vorige werkgever opzegt, is een daad van oneerlijke concurrentie en deloyaal. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Begrip - bestaansvereisten - vorm - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELING Algemene verplichtingen van de partijen - arbeidsrecht - handelsvertegenwoordiger - beëindiging in onderling overleg - artikel 104, derde lid en artikel 106 Arbeidsovereenkomstenwet - concurrentiebeding - uitwerking - vergoeding wegens ongeoorloofde concurrentie - artikel 17, 3° Arbeidsovereenkomstwet - oneerlijke concurrentie Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 17, 3° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Handelsvertegenwoordigers Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - HANDELSVERTEGENWOORDIGERS concurrentiebeding - arbeidsrecht - handelsvertegenwoordiger - beëindiging in onderling overleg - artikel 104, derde lid en artikel 106 Arbeidsovereenkomstenwet - uitwerking - vergoeding wegens ongeoorloofde concurrentie - artikel 17, 3° Arbeidsovereenkomstwet - oneerlijke concurrentie Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 104, 3de lid - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - HANDELSVERTEGENWOORDIGERS Vergoeding bij schending van het concurrentiebeding - arbeidsrecht - handelsvertegenwoordiger - beëindiging in onderling overleg - artikel 104, derde lid en artikel 106 Arbeidsovereenkomstenwet - concurrentiebeding - uitwerking - vergoeding wegens ongeoorloofde concurrentie - artikel 17, 3° Arbeidsovereenkomstwet - oneerlijke concurrentie Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 106 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 17, 3° en onder II DN - artikelen 104, 3de lid en 106 Annotaties Publicaties: Limburgs Rechtsleven 2019 - - 3de kwartaal, blz. 249-258 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK ANTWERPEN Afdeling Tongeren Eerste kamer Vonnis van 5 december 2018 18/317/A R NV, KBO 0420.070.871, met zetel gevestigd te Eisende partij, ter zitting vertegenwoordigd door Mr. S. F. , advocaat te Tegen P.V., bediende, wonende te Verwerende partij, ter zitting niet in persoon aanwezig, vertegenwoordigd door Mr. G. L. loco mr. J. T. , advocaat te Gelet op het inleidend verzoekschrift op tegenspraak in toepassing van artikel 704 §1 Gerechtelijk Wetboek, aangetekend verzonden ter griffie van deze rechtbank op 11 april 2018. Gelet op de inschrijving op de algemene rol onder nummer 18/317/A op datum van 12 april 2018. Gelet op de inleidende zitting van 8 mei 2018. Gelet op het gezamenlijk verzoek tot vaststelling van conclusietermijnen en tot vaststelling van een rechtsdag in toepassing van artikel 747 §1 Gerechtelijk Wetboek. Gelet op de beschikking van 4 juni 2018 tot bekrachtiging van het gezamenlijk verzoek tot vaststelling en tot stelling van het dossier op de zitting van 7 november 2018. Gelet op de besluiten van verwerende partij, per fax ontvangen ter griffie op 9e juli 2018. Gelet op de besluiten van eisende partij, per fax ontvangen ter griffie op 10 september 2018 en in origineel ontvangen ter griffie op 11 september 2018. Gelet op de synthesebesluiten van verwerende partij, via E-deposit neergelegd ter griffie op 15 oktober 2018. Gelet op het stukkenbundel namens verwerende partij, ontvangen ter griffie op 29 oktober 2018 en tellende 20 stukken. Gelet op het stukkenbundel namens eisende partij, ontvangen ter griffie op 25 oktober 2018 en tellende 70 stukken. Partijen werden behoorlijk opgeroepen ter zitting en werden gehoord in hun middelen. Partijen konden niet worden verzoend. Men sprak de Nederlandse taal. I. DE FEITEN De feiten kunnen worden samengevat als volgt: 1. Verwerende partij trad op 1 april 2009 in dienst van eisende partij in hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger en dit met een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur (stuk 1 eisende partij). Eisende partij is een familiebedrijf dat in 1980 werd opgericht en groothandelaar is in rubberen wand-en vloerbekleding, elektrische afrasteringen, allerhande materiaal voor de liefhebber van boerderijdieren en een ruim assortiment paardensportartikelen (stuk 60 en 61 eisende partij). Eisende partij heeft een eigen lijn van paardensportartikelen, maar zij verkoopt ook producten van andere producenten, waaronder die van de firma K. 2. In artikel 24 van de tussen partijen afgesloten arbeidsovereenkomst werd eveneens een concurrentiebeding ingelast. Er bestaat tussen partijen geen discussie omtrent de geldigheidsvoorwaarden van dit beding. 3. Eisende partij houdt voor dat zij de intentie had om wegens dringende reden een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst en dit op 30 juni 2017 (stuk 2 eisende partij). Zij was immers te weten gekomen dat verwerende partij bezoek rapporten afleverden die niet strookten met de realiteit en dat verwerende partij activiteiten voor de tijdens zijn arbeidsduur die geen verband hielden met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Om verwerende partij de kwalijke gevolgen van een ontslag om dringende reden te besparen, houdt eisende partij voor dat zij verwerende partij op 30 juni 2017 echter zou hebben voorgesteld om in onderling akkoord een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst, voorstel waarop verwerende partij meteen inging aangezien hij besefte ‘in lastige papieren' te zitten (stuk 3 eisende partij). Aan de arbeidsrelatie kwam derhalve definitief een einde op 30 juni 2017. 4. Eisende partij vernam naar eigen zeggen enige tijd later dat verwerende partij concurrerende activiteiten voerde voor de firma J. bvba, een rechtstreekse concurrent van eisende partij. Eisende partij was daarbij in de overtuiging dat het concurrentiebeding, destijds ingelast in artikel 24 van de arbeidsovereenkomst, nog steeds uitwerking had en sprak verwerende partij hierover aan per aangetekend schrijven van 29 september 2017 ( stuk 33 eisende partij). Per aangetekend schrijven van 6 oktober 2017 reageert de vakorganisatie van verwerende partij op deze ingebrekestelling (stuk 34 eisende partij). In dit schrijven argumenteert de vakorganisatie in eerste instantie dat verwerende partij vrijgesteld is van enige verplichting uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, gelet op de beëindiging in onderling akkoord ervan op 30 juni 2017. Voorts argumenteert men dat het concurrentiebeding nietig zou zijn. Verwerende partij zet hierop zijn activiteiten voor de firma J. gewoon verder. 5. Bij aangetekend schrijven van 31 oktober 2017 vanwege de raadsman van eisende partij wordt verwerende partij nogmaals in gebreke gesteld voor het voeren van concurrerende activiteiten (stuk 36 eisende partij). De firma J. wordt op dezelfde datum eveneens aangeschreven waarbij er wordt gewezen op het tussen partijen bestaande concurrentiebeding (stuk 37 eisende partij). 6. Per aangetekend schrijven van 9 november 2017 reageert de vakorganisatie namens verwerende partij op voormelde ingebrekestelling van 31 oktober 2017 (stuk 38 eisende partij). Er wordt nogmaals verwezen naar de beëindiging in onderling akkoord en naar de beweerde nietigheid van het concurrentiebeding. Voorts stelt de vakorganisatie dat verwerende partij geen enkele daad van oneerlijke concurrentie zou hebben gesteld. De vakorganisatie ontkent echter niet formeel dat verwerende partij concurrerende activiteiten voert. Het valt eveneens op dat er in het dossier van beide partijen geen reactie voorkomt van de firma J. 7. Aangezien er geen minnelijke regeling in dit dossier mogelijk is, gaat eisende partij uiteindelijk op 12 april 2018 over tot inleiding van de procedure. II. DE RECHTSPLEGING a. In het inleidend verzoekschrift op tegenspraak vordert eisende partij betaling van: "• Akte te verlenen aan de neerlegging van huidig verzoekschrift; • De vordering van verzoekster ontvankelijk en gegrond te verklaren; • De heer V na oproeping bij gerechtsbrief door de griffier om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaald, te veroordelen tot: - de betaling aan R van een forfaitaire vergoeding van 3 maanden loon, hetzij 21.854,17 euro bruto, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de werkelijke schade te vorderen, meer de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf 29 september 2017 tot de dag van de algehele betaling; - de betaling aan R van een schadevergoeding wegens oneerlijke concurrentie, voorlopig begroot op 1 euro provisioneel, meer de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf 29 september 2017 tot de dag van de algehele betaling; - de betaling aan R. van een schadevergoeding wegens schade aan de bedrijfsfirma, openstaande facturen en niet-ingeleverde bedrijfsgoederen begroot op 3.801,88 euro , meer de gerechtelijke interesten tot de dag van de algehele betaling. De heer V. bovendien te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het K.B. van 26 oktober 2007 (.B.S. 9 november 2007) begroot op 2.400 euro ." In zijn besluiten van 11 september 2018 past eisende partij zijn vordering finaal aan en breidt hij deze ook uit als volgt: "In hoofdorde • De vordering van verzoekster ontvankelijk en gegrond te verklaren; • De heer V. te veroordelen tot: - de betaling aan R. van een forfaitaire vergoeding van 3 maanden loon, hetzij 21.854,17 euro bruto, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de werkelijke schade te vorderen, meer de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf 29 september 2017 tot de dag van de algehele betaling; - de betaling aan R. van een schadevergoeding wegens oneerlijke concurrentie, begroot als volgt: - 118.684,50 euro ten titel van winstverlies; - 32.628,75 euro ten titel van winstverlies wegens het verlies van KERBL als leverancier vanaf 1 oktober 2018; - meer de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf 29 september 2017 tot de dag van de algehele betaling; - de betaling aan R van een schadevergoeding, voorlopig begroot op 1 euro provisioneel, wegens het winstverlies doordat Kl-producten gelet op de oneerlijke concurrentie in 2018 aan een lagere prijs dienden te worden aangeboden, meer de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf 29 september 2017 tot de dag van de algehele betaling • een verbod op te leggen aan de heer V van de datum van de uitspraak van het vonnis om: - Gebruik te maken van confidentiële informatie omtrent het prijzenbeleid van R om systematisch lagere prijzen aan te bieden; - Misleidende informatie te verspreiden omtrent de prijzen die gehanteerd worden door R; -R slecht te maken bij bestaande en potentiële klanten; - Zichzelf of J bvba voor te stellen als enige vertegenwoordiger van K in België; Onder verbeurte van een dwangsom van 15.000 euro per overtreding van bovenvermeld verbod. • De heer V te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het K.B. van 26 oktober 2007 (B.S. 9 november 2007) begroot op 5.000 euro . In onderschikte orde: • De vordering van de heer V om R te veroordelen tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding ongegrond te verklaren. • Indien uw Rechtbank meent dat de oneerlijke concurrentie door de heer V onvoldoende wordt bewezen door R, dan verzoekt R uw Rechtbank om de volgende personen op te roepen als getuigen: o De heer J H o Mevrouw G W en hen de volgende vragen te stellen: o Hebben de heer V of J bvba zich bij u voorgesteld als enige verdeler van K-producten in België? o Heeft de heer V negatief bericht over R en zo ja, wat werd er wanneer gezegd en op welke wijze gebeurde dit? • Indien uw Rechtbank meent dat de oneerlijke concurrentie door de heer V onvoldoende wordt bewezen door R, verzoekt zij uw Rechtbank om in toepassing van art. 992 Ger.W. de heer V te bevelen in persoon te verschijnen. Rechtsplegingsvergoeding: 5.000 euro " b. In zijn synthesebesluiten van 15 oktober 2018 vraagt verwerende partij: "de vordering zoals ingeleid en uitgebreid af te wijzen en te verwerpen als volkomen ongegrond; in hoofdorde te zeggen voor recht dat gelet op de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door eiseres op 30.06.2017 zonder dringende reden,het concurrentiebeding geen uitwerking heeft; in ondergeschikte orde minstens te zeggen voor recht dat ingevolge de nadien afgesloten dadingovereenkomst dd 30.06.2017 er rechtsgeldig afstand werd gedaan van het concurrentiebeding; in uiterst ondergeschikte orde zo de Rechtbank van oordeel mocht zijn dat er toch sprake is van schending van het concurrentiebeding dit maximaal kan aanleiding geven tot een vergoeding van 19.444,67 euro ; rechtdoende nopens de uitbreiding van de eis : te zeggen voor recht dat er geen sprake is van oneerlijke concurrentie en de daarop gebaseerde vorderingen af te wijzen en te verwerpen als volkomen ongegrond; a fortiore te zeggen voor recht dat er geen sprake kan zijn van het opleggen van een verbod tot het stellen van bepaalde handelingen op straffe van een dwangsom van 15.000C/overtreding; te zeggen voor recht dat het gevorderde getuigenverhoor noch nuttig,noch dienend is; akte te nemen van het feit dat concluant zich naar de wijsheid gedraagt nopens de gevorderde persoonlijke verschijning; tevens eiseres te veroordelen in de kosten van het geding, minstens het grootste gedeelte van de kostenvaan de zijde van concluant begroot op: - rechtsplegingvergoeding: 6.000 euro ." III. ONTVANKELIJKHEID De rechtbank is van mening dat de hoofdvordering tijdig, nl binnen het jaar na beëindiging van de arbeidsrelatie conform artikel 15 van de Wet 03 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, werd ingesteld. Bovendien werd de vordering met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld. Verwerende partij werpt trouwens de onontvankelijkheid van de initieel gestelde hoofdvordering niet op en de rechtbank ziet geen redenen om ambtshalve gronden van onontvankelijkheid op te werpen. IV. BEOORDELING Aan de orde is de vraag of het concurrentiebeding, hetwelk in artikel 24 van de tussen partijen afgesloten arbeidsovereenkomst werd ingelast in casu uitwerking heeft. Uit de conclusies van de partijen en uit de debatten ter zitting kan de rechtbank immers afleiden dat de loonvoorwaarde en de overige geldigheidsvoorwaarden van het concurrentiebeding niet ter discussie staan. Verwerende partij dringt niet langer aan op de nietigheid van het beding. Indien het concurrentiebeding uitwerking heeft, moet worden onderzocht of verwerende partij aan eisende partij inderdaad concurrentie heeft aangedaan binnen de termijn van 12 maanden volgend op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en, zo ja, of deze concurrentie oneerlijk was in de zin van artikel 17, 3° van de wet op de arbeidsovereenkomsten. A. Omtrent de uitwerking van het concurrentiebeding 1. Principes Luidens artikel 104, derde lid van de Wet op de arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978 heeft een concurrentiebeding ten aanzien van handelsvertegenwoordigers geen uitwerking in drie gevallen: - Wanneer een einde wordt gemaakt aan de arbeidsovereenkomst gedurende de eerste zes maanden van de tewerkstelling - Wanneer, na deze periode, door de werkgever een einde wordt gemaakt aan de arbeidsovereenkomst zonder dringende reden - Wanneer, na deze periode, door de werknemer in einde wordt gemaakt aan de arbeidsovereenkomst om een dringende reden "Het concurrentiebeding heeft geen uitwerking wanneer hetzij [1 gedurende de eerste zes maanden vanaf de aanvang van de overeenkomst]1, hetzij [1 na deze periode]1 aan de overeenkomst een einde wordt gemaakt door de werkgever zonder dringende reden of door de handelsvertegenwoordiger om een dringende reden." Het eerste en het derde geval zijn in casu alleszins niet van toepassing. Het Hof van Cassatie heeft echter in een arrest van 11 juni 2007 (zie S.06.0101.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070611.2, J.T.T. 2007, afl. 987, 387) geoordeeld dat het niet de bedoeling was van de wetgever om op dwingende wijze de gevallen te beperken waarin een concurrentiebeding geen uitwerking heeft, maar wel uitdrukkelijk te stellen dat in die gevallen een concurrentiebeding alleszins geen uitwerking kan hebben. Volgens het Hof kunnen partijen derhalve zelf in onderling akkoord bepalen wanneer een concurrentiebeding uitwerking zal hebben, op voorwaarde dat zij niets bedingen dat in strijd is met de bepalingen van artikel 104, derde lid van de Wet op de arbeidsovereenkomsten. Naar het oordeel van de rechtbank veronderstelt dit dan wel een expliciete overeenkomst tussen partijen dewelke voor geen interpretatie vatbaar kan zijn. Het moet met andere woorden ontegensprekelijk duidelijk zijn dat de partijen gewild hebben om het concurrentiebeding al dan niet uitwerking te laten hebben in andere - en bijkomend aan - de gevallen, vermeld in artikel 104, derde lid van de Wet op de arbeidsovereenkomsten. 2. Toepassing in cassu 2.1 Discussie omtrent de wijze waarop er een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst Verwerende partij argumenteert in eerste instantie dat er in casu een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst door een ontslag om dringende reden vanwege eisende partij op 30 juni 2017, dewelke echter niet aan de vormvoorschriften voldeed aangezien er nooit een betekening van de kennisgeving van de dringende reden is geweest (stuk 2 verwerende partij). Volgens verwerende partij staat dit ontslag dan ook gelijk aan een ontslag zonder dringende reden, hetgeen zou impliceren dat het concurrentiebeding alleszins geen uitwerking kan hebben. De rechtbank kan zich echter niet aansluiten bij dit standpunt. Een ontslag om dringende reden bestaat inderdaad uit twee fasen waarbij er in eerste instantie uiteraard een ontslagbeslissing moet zijn - dewelke aan geen enkel vormvoorschrift is onderworpen - en waarbij in een tweede fase de concrete redenen ter staving van het ontslag om dringende reden aan de werknemer moeten worden betekend. Deze laatste fase is inderdaad onderworpen aan stringente vormvoorschriften en kan leiden tot de nietigheid van het ontslag om dringende reden indien deze niet worden nageleefd. In dat geval is de rechtspraak inderdaad van mening dat het ontslag om dringende reden geacht moet worden ab initio nooit te hebben bestaan en moet het in de aard worden beschouwd als een gewoon ontslag. In casu moet de rechtbank vaststellen dat er zelfs geen duidelijkheid is omtrent het feit of de eerste fase, namelijk de beslissing tot ontslag, zich effectief heeft gerealiseerd. Het ontslagschrijven van 30 juni 2017 werd immers in realiteit niet aangetekend verstuurd, noch werd het door verwerende partij ondertekend voor ontvangst. De rechtbank is dan ook van mening dat in realiteit eisende partij verwerende partij geconfronteerd heeft met diverse feiten die een ontslag om dringende reden konden staven met het feit dat zij de intentie had om hem hiervoor ook effectief te ontslaan. Om deze intentie kracht bij te zetten werd aan verwerende partij het kwestieuze ontslagschrijven getoond. Verwerende partij werd vervolgens, om de kwalijke gevolgen van een ontslag om dringende reden te vermijden, de keuze gegeven om de arbeidsovereenkomst te beëindigen in onderling akkoord, hetgeen dan ook gebeurd is. Het kan immers niet worden betwist dat de beëindiging in onderling akkoord plaatsvond op 30 juni 2017 en dus op dezelfde dag als waarop het ontwerp van de ontslagbrief werd opgesteld (stuk 2 en 3 eisende partij). Daarenboven, en zelfs als men tot de conclusie moet komen dat er zich in casu daadwerkelijk vooreerst een ontslag om dringende reden heeft voorgedaan op 30 juni 2017, is men het in de rechtspraak er thans over eens dat een ontslag om dringende reden in onderling akkoord, volgens de principes van artikel 1134 Burgerlijk Wetboek, kan worden herroepen, zodat de overeenkomst alsnog op een andere wijze kan worden beëindigd (zie ook Cass. 28 januari 2002, R.W. 2002-03, 583, concl. Adv.-gen. J.F. Leclercq). Alle elementen in acht genomen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat er in casu een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst met de wederzijdse toestemming van beide partijen en dit op 30 juni 2017 (stuk 3 verwerende partij). De vraag of het concurrentiebeding al dan niet uitwerking had tussen partijen, dient dan ook in die optiek te worden onderzocht. 2.2 Discussie omtrent de vraag of de partijen in de beëindiging in onderling akkoord expliciete afspraken hebben gemaakt om het concurrentiebeding al dan niet uitwerking te laten hebben. *De rechtbank wijst er in eerste instantie op dat in artikel 24 van de arbeidsovereenkomst van 23 maart 2009 wordt teruggegrepen naar de principes van artikel 104, derde lid van de Wet op de arbeidsovereenkomsten. *De beëindiging in onderling akkoord van 30 juni 2017 daarentegen vermeldt niets omtrent de eventuele uitwerking van het concurrentiebeding. Volgens de hierboven aangehaalde cassatierechtspraak hadden partijen inderdaad de mogelijkheid om conventionele afspraken te maken en eventueel te bedingen dat het concurrentiebeding geen uitwerking zou hebben in geval van beëindiging in onderling akkoord. In de rechtspraak, voorafgaand aan het cassatiearrest van 11 juni 2007, was men het er trouwens unaniem over eens dat een concurrentiebeding evenzeer uitwerking heeft bij een beëindiging een onderling akkoord (zie ook Arbh. Gent, 22 juni 1998, J.T.T., 1998, 428). De principes die in de thans geldende rechtspraak worden gehuldigd zijn volgens de rechtbank dan ook duidelijk. Een concurrentiebeding heeft wel degelijk uitwerking bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord, tenzij de partijen bij dit akkoord de uitwerking van dit beding uitdrukkelijk uitsluiten. De rechtbank leest dit echter niet in de beëindiging met wederzijdse toestemming van 30 juni 2017. De vermelding dat er tussen partijen ‘geen enkele verplichting meer zal bestaan' heeft naar het oordeel van de rechtbank eerder betrekking op de verplichtingen die eigen zijn aan een arbeidsovereenkomst, namelijk arbeid presteren in ruil voor loon. Hieruit kan niet worden afgeleid dat er tussen partijen een akkoord bestond dat het concurrentiebeding geen uitwerking zou hebben. Conclusie: het concurrentiebeding in artikel 24 van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst had wel degelijk uitwerking. B. Deed verwerende partij eisende partij concurrentie aan binnen de termijn van 12 maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst? In de rechtspraak is er al veel inkt gevloeid over de vraag wanneer een werknemer zijn vroegere werkgever concurrentie aandoet. Zo is het bijvoorbeeld niet voldoende dat de concurrerende onderneming soortgelijke activiteiten heeft, ook de handelsvertegenwoordiger moet zijn activiteit in deze onderneming uitoefenen in dezelfde afdeling. De soort gelijkheid van de activiteiten moet dus zowel vanuit het oogpunt van de werknemer als vanuit het oogpunt van de werkgever worden beschouwd. Daarbij is het niet vereist dat de activiteiten volledig gelijklopend zijn. Zelfs als deze gedeeltelijk gelijkaardig zijn, kan er sprake zijn van concurrentie. In casu kan het naar het oordeel van de rechtbank moeilijk worden betwist dat verwerende partij eisende partij binnen de wettelijke termijn van 12 maanden na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst concurrentie heeft aangedaan. *Verwerende partij geeft in zijn synthesebesluiten trouwens toe dat hij op 7 september 2017 in dienst is getreden van de bvba J als ‘Sales Manager'. Omtrent de wettelijke termijn van 12 maanden kan er dan ook geen discussie meer zijn. *Uit de stukken blijkt daarenboven dat hij inderdaad werkzaam was bij de firma J bvba in hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger en daar concurrerende activiteiten heeft ontplooid. Op 12 oktober 2017 verzendt verwerende partij immers een e-mail vanuit de account "p@j bvba" naar een klant van eisende partij waarin hij verwijst naar een bezoek aan deze klant en waarin hij expliciet meedeelt "het aanspreekpunt voor België" te zijn voor het bedrijf K (stuk 4 eisende partij). Dit strookt alleszins niet met de realiteit aangezien de firma K geen exclusiviteit toekent (zie stuk 5 eisende partij). *Op 27 oktober 2017 wordt op de website www.be een promotie gepubliceerd uitgaande van de firma J en/of op initiatief van verwerende partij waarin wordt aangekondigd dat de firma K naar België komt en wederom exclusief zal worden vertegenwoordigd door verwerende partij, die in dit artikel voorgesteld wordt als de ‘Sales Manager' voor de Belgische markt dewelke instaat voor de verdeling van de K-producten via J (stuk 7 eisende partij). *Uit een uitprint van de website Linked In van 25 oktober 2017 blijkt dat verwerende partij zich inderdaad in die hoedanigheid manifesteert aan de buitenwereld (stuk 8 eisende partij). Bovendien valt het de rechtbank op dat verwerende partij noch in de preprocessuele fase, noch tijdens het geding zelf heeft betwist om concurrerende activiteiten te hebben uitgeoefend. Hij stelt enkel geen daden van oneerlijke concurrentie te hebben gesteld, waarop hieronder verder wordt ingegaan. C. De vergoeding wegens ongeoorloofde concurrentie Gelet op het feit dat
- a)het concurrentiebeding in casu uitwerking heeft en
- b)het naar het oordeel van de rechtbank bewezen is dat verwerende partij concurrerende activiteiten heeft ontplooid, kan eisende partij aanspraak maken op de forfaitaire vergoeding ten belope van drie maanden loon, zoals bedoeld in artikel 106 van de Wet op de arbeidsovereenkomsten. Eisende partij begroot deze op euro 21.854,17 bruto, maar de begroting wordt echter betwist door verwerende partij, dewelke van oordeel is dat de volgende elementen niet thuishoren in het basisloon, dan wel in beperkte makte: *Het dubbel vakantiegeld mag volgens verwerende partij niet worden opgenomen in de berekeningsbasis van de forfaitaire vergoeding. Hij verwijst hiervoor naar rechtspraak van het arbeidshof te Gent maar brengt deze rechtspraak niet bij en verwijst ook niet naar de vindplaats ervan. Het is anderzijds wel zo dat er in de rechtspraak betwisting bestaat omtrent de vraag of de forfaitaire vergoeding ook moeten worden berekend op de voordelen verworven krachtens de overeenkomst - en dus ook op het dubbel vakantiegeld -, dan wel enkel op het normale brutoloon. In verband met de jaarlijkse loongrens waaronder het concurrentiebeding als onbestaande wordt beschouwd in de zin van artikel 104 van de arbeidsovereenkomstenwet heeft het Hof van Cassatie echter uitdrukkelijk bepaald dat hier hetzelfde loonbegrip geldt als dit van artikel 39 § 1 van de arbeidsovereenkomstenwet (zie ook Cassatie, 16 juni 1998, J.T.T. 1999, 80 met noot D.Aguilar). Waar in artikel 106 voor de bepaling van de forfaitaire vergoeding verwezen wordt naar 3 maanden loon, dient ook voor deze bepaling hetzelfde loonbegrip in acht te worden genomen (zie in dezelfde zin Arbeidshof Antwerpen, 3 februari 1997, R.W. 1996-1997, 1444 en Arbeidshof Antwerpen, 2 maart 1989, J.T.T. 1989, 141). De voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst zijn overigens in beginsel toegekend als tegenprestatie voor de in het kader van de arbeidsovereenkomst gepresteerde arbeid en zijn dus in beginsel bestanddelen van het loon in de arbeidsrechtelijke zin (Cassatie, 6 februari 2006, J.T.T. 2006, 250; R.W. 2006 -07, 1084., Soc. Kron 2007, 136). Hieruit volgt dat juist zoals bij artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet ook hier met het dubbel vakantiegeld moet worden rekening gehouden. *in verband met de overige voordelen geeft verwerende partij toe dat ze wel moeten worden opgenomen in het basisloon maar heeft hij kritiek op de hoegrootheid ervan: -een bedrijfswagen van het type BMW 418 d coupé (stuk 52 - 55 eisende partij), aangevuld met een tankkaart, kan naar het oordeel ex aequo et bono wel degelijk worden gewaardeerd op euro 550,00 per maand. Een bedrag van euro 239,55 per maand, zoals verwerende partij voorhoudt, is niet realistisch voor een dergelijke wagen van een premium merk. Het is zelfs lager dan door eisende partij op de loonfiche werd aangegeven als voordeel van alle aard (stuk 40 eisende partij). In de rechtspraak is er eenduidigheid over het feit dat niet het fiscaal aangegeven forfait geldt als voordeel, maar wel de werkelijke waarde die het voordeel in de privésfeer vertegenwoordigt. *hetzelfde geldt voor de vergoeding GSM, laptop en internet ten belope van tezamen euro 80,00 per maand. Trouwens, het verweer van verwerende partij dienaangaande is eigenaardig te noemen. Er ligt volgens hem geen bewijs voor van vergoeding wegens internet en laptop. Verwerende partij weet toch of hem al dan niet een internetaansluiting en een laptop werd ter beschikking gesteld uit hoofde van zijn tewerkstelling? De rechtbank acht deze voordelen niet buitensporig begroot. De forfaitaire vergoeding van artikel 106 Wet op de arbeidsovereenkomsten wordt derhalve door de rechtbank begroot op euro 21.854,17 bruto. D. Was deze concurrentie oneerlijk in de zin van artikel 17,3° van de Wet op de arbeidsovereenkomsten Hierboven sub B werd als bewezen beschouwd dat verwerende partij eisende partij concurrentie heeft aangedaan in weerwil van het bestaande concurrentiebeding. Dit betekent echter nog niet per definitie dat deze concurrentie oneerlijk was. Bovendien moet eisende partij ook de daardoor geleden schade aantonen. 1. Principes Artikel 17, 3°,
- a)van de Wet op de arbeidsovereenkomsten bepaalt dat de werknemer verplicht is om zowel tijdens als na het beëindigen van de overeenkomst zich ervan te onthouden fabrieksgeheimen, zakengeheimen of geheimen in verband met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden, waarvan hij in de uitoefening van zijn beroep kennis kan hebben, bekend te maken. Bovendien verbiedt artikel 17, 3°,
- b)de werknemer om tijdens en na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst daden van oneerlijke concurrentie te verrichten of daaraan mee te werken. Over het algemeen wordt aangenomen dat er sprake is van oneerlijke concurrentie als de werknemer, bij het beconcurreren van zijn voormalige werkgever, kwaadwillig gebruik maakt van de kennis die hij aangaande diens onderneming heeft verworven derwijze dat hij zich een concurrentievoordeel verschaft dat geen enkele andere mededinger ter zijner beschikking heeft of kan hebben. Uit deze omschrijving van het concept oneerlijke concurrentie blijkt dat het onderscheid tussen de verplichtingen van artikel 17, 3°,
- a)en
- b)relatief is en dat ze in de praktijk vaak tegelijkertijd geschonden zullen worden. Het verbod op oneerlijke concurrentie is gebaseerd op de goede trouw, hetwelk voortvloeit uit artikel 1134 Burgerlijk Wetboek. In de rechtspraak en rechtsleer wordt de loyaliteitsplicht, afgeleid van de goede trouw, vaak als criterium in aanmerking genomen om het al dan niet oneerlijk karakter van de concurrerende activiteiten te beoordelen. De loyaliteitsplicht houdt namelijk in dat een werknemer samenwerkt en zich solidair opstelt ten aanzien van de werkgever. De grens tussen eerlijke en oneerlijke concurrentie is bijzonder vaag en kan dan ook moeilijk eenduidig afgebakend kan worden. De doorslaggevende factor is wat men in het economisch leven ‘behoorlijk acht'. De appreciatieruimte van de rechter is daarbij groot. De meest voorkomende gevallen van oneerlijke concurrentie zijn: -het cliënteel van de ex-werkgever systematisch en kordaat benaderen en trachten hen te overtuigen producten van de andere werkgever af te nemen, hierbij eventueel verwijzend naar zijn ex-werkgever. -klanten- en/of prijslijsten gebruiken, eigendom van de voormalige werkgever -personeel trachten af te werven -de ex-werkgever in een negatief daglicht trachten te stellen of verkeerde informatie geven over de producten van de ex-werkgever 2. Toepassing in casu Het is uiteraard aan eisende partij om in casu aan te tonen dat verwerende partij zich schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke concurrentie en bovendien het bewijs te leveren van de schade die zij daardoor meent te hebben geleden. 2.a. Bewijs van de oneerlijke concurrentie Na analyse van de conclusies en de bewijsstukken van eisende partij komt de rechtbank tot de conclusie dat eisende partij twee voorbeelden van oneerlijke concurrentie tracht aan te tonen. Enerzijds is er de vaststelling dat verwerende partij vrijwel meteen na zijn indiensttreding bij de firma J bvba begonnen is om het cliënteel van eisende partij te overtuigen om producten van de firma K (paardensport) bij hem af te nemen. Indicaties dat verwerende partij zich met betrekking tot de andere door eisende partij verkochte producten (rubberen matten, afrasteringen e.d.) schuldig zou hebben gemaakt aan oneerlijke concurrentie, maakt eisende partij daarentegen niet aannemelijk. In tegenstelling tot het geen verwerende partij argumenteert, hekelt eisende partij niet zozeer het systematisch benaderen van haar cliënteel als voorbeeld van de oneerlijke concurrentie, ondanks het feit dat verwerende partij wel degelijk gebonden was door een concurrentiebeding. Het stoort eisende partij daarentegen wél dat verwerende partij bij het cliënteel de indruk heeft trachten te wekken dat hij, in zijn hoedanigheid van Sales Manager bij Joels bvba, het enige aanspreekpunt van de firma K in België was. De rechtbank verwijst hiervoor naar de stukken 4, 7 en 8 van eisende partij. Hierdoor ontstond bij het cliënteel van eisende partij de indruk dat zij niet langer de producten van K aan de man bracht en dat er exclusiviteit bestond ten gunste van de firma J bvba. Blijkbaar voelde verwerende partij trouwens zelf aan dat hij op het randje van het toegelatene (of erover) opereerde aangezien hij enige tijd later, en na hiervoor in gebreke te zijn gesteld door eisende partij, zijn LinkedIn-pagina aanpaste en op zijn profiel elke verwijzing naar de firma K. verwijderde (stuk 9 eisende partij). De firma K liet trouwens in een e-mail van 19 oktober 2017 (stuk5 eisende partij) weten dat zij niet werken met een exclusieve verdeler. De rechtbank is inderdaad van mening dat de houding van verwerende partij in deze oneerlijke concurrentie heeft uitgemaakt. Verwerende partij heeft de marktsituatie van de firma K in België bewust verkeerd voorgesteld door bij het cliënteel de indruk te wekken dat hij het enige aanspreekpunt voor deze firma was in België en dat zijn nieuwe werkgever de enige was die voortaan deze producten aan het cliënteel kon leveren. Sterker nog, uit stuk 7 van eisende partij kan worden afgeleid dat hij eind oktober 2017 zelfs de drijvende kracht was achter het feit dat de firma K voortaan haar assortiment ook in België zou verdelen en dit via zijn nieuwe werkgever. In dit promobericht wordt de indruk gewekt dat verwerende partij (en J bvba) de firma K naar België hebben gebracht. Als gewezen werknemer van eisende partij, die jarenlang de producten van K aan de man had gebracht, wist hij goed genoeg dat de firma K niet met exclusieve verdelers werkte en al veel langer actief was op de Belgische markt. Door de zaken bewust verkeerd voor te stellen heeft hij naar het oordeel van de rechtbank inderdaad op een deloyale wijze getracht om zijn vroegere werkgever uit de markt te weren. Zijn argument dat eisende partij in realiteit de producten van K onder haar eigen logo aan de man bracht, onder verwijzing naar zijn stuk 20, kan trouwens niet worden bijgetreden. Waarom zou de firma K bij schrijven van 5 juni 2018 dan hebben besloten om de samenwerking met eisende partij voor de verdeling van haar producten stop te zetten? (stuk 56 eisende partij). Trouwens, eisende partij verkoopt inderdaad ook producten voor de paardensport onder haar eigen label ‘S2G'. Het is nogal logisch dat eisende partij in een brochure waarin zij haar eigen producten voorstelt, niet de producten van K gaat opnemen. De firma K zou dit trouwens ook niet hebben geapprecieerd. De handelswereld is zeer competitief en het maakt de klant uiteindelijk niet veel uit bij wie hij zijn producten kan aankopen en zeker niet wanneer, zoals in casu, dezelfde producten plots tot wel 20 procent goedkoper aan de man worden gebracht. Dat deze voorstelling van zaken een negatief effect hebben gehad op de marktpositie van eisende partij en de wapengelijkheid tussen de concurrenten, kan dus niet worden betwist. De rechtbank gaat hier verder op in bij het onderzoek naar de concrete schade die verwerende partij zou hebben geleden. In tweede instantie verwijst eisende partij naar het voorbeeld van slechtmaking en gebruik van confidentiële informatie. * Eisende partij stelt dat verwerende partij gebruik maakte van zijn kennis van de door haar gehanteerde prijzen om systematisch 20 procent of meer korting te verlenen. Zij verwijst hiervoor naar de stukken 4 en 6 van haar bundel. Uit deze stukken blijkt inderdaad ontegensprekelijk dat verwerende partij, waarschijnlijk in een poging om het cliënteel van eisende partij meteen voor zich te winnen, op de producten een korting toekende van 20 procent op de gangbare prijzen. Vooral de e-mail van de heer G van de keten H van 28 februari 2018 (stuk 6 eisende partij) is daarbij frappant. De heer G stelt immers dat het gewogen verschil tussen de artikelen van eisende partij en dat van de concurrent meer dan 20 procent bedraagt, wat voor hen uiteraard een sterke reden uitmaakt om op het aanbod van deze concurrent in te gaan. Met andere woorden, de stelling van verwerende partij dat hij de producten aan een veel lagere prijs kon aanbieden omdat eisende partij er eigenlijk jarenlang teveel voor had gevraagd, strookt niet met de realiteit. In dat geval zou eisende partij zichzelf trouwens op relatief korte tijd uit de markt hebben geprijsd, net omdat zij niet de exclusieve verdeler was van K. De slimme klant zou dit immers meteen hebben opgemerkt en bij de concurrentie zijn gaan aankopen. Uit de e-mail van eisende partij aan klant W van 12 oktober 2017 (stuk 4 eisende partij) blijkt trouwens dat de firma J in sé dezelfde of gelijkaardige prijzen hanteert, maar dat verwerende partij hierop 20 procent korting beloofde aan klant W... "Na mijn bezoek, in bijlage prijslijst K-J. Op deze aankoopprijzen geef ik jullie een korting van 20%."(eigen onderstreping door de rechtbank) Dit is toch duidelijk. Klant H zegt eigenlijk hetzelfde in haar e-mail van 28 februari 2018... Door verwerende partij werden prijzen voorgesteld die 20 procent (of meer) lager waren in vergelijking met de prijzen die eisende partij hanteerde. Hieruit kan impliciet worden afgeleid dat Joels bvba in principe dezelfde prijzen hanteerde dan eisende partij, hetgeen inderdaad het vermoeden doet rijzen dat verwerende partij gewoon de prijslijsten van eisende partij als referentie heeft gebruikt toen hij bij zijn nieuwe werkgever in dienst trad. Een korting voorstellen van maar liefst 20 procent op de gangbare prijzen (en dus ook op de prijzen die in principe door zijn nieuwe werkgever werden gehanteerd), met de bedoeling om bij de potentiële klant een ‘shock effect' te creëren in de hoop dat deze potentiële klant de samenwerking met de vorige werkgever opzegt, is naar het oordeel van de rechtbank inderdaad een daad van oneerlijke concurrentie en deloyaal. Immers wordt hierbij niet alleen de vroegere werkgever uit de markt geweerd, maar bovendien wordt de klant een rad voor de ogen gehouden aangezien een dergelijke prijszetting op middellange termijn onhoudbaar is. Dat was ook niet de bedoeling. De bedoeling was om de klant in een eerste fase voor zich te winnen en eisende partij aan de kant te zetten. * Voorts is eisende partij van oordeel dat verwerende partij zich schuldig heeft gemaakt aan slechtmaking. Verwerende partij zou aan de potentiële klant stelselmatig hebben gezegd dat eisende partij te duur was en 15 verschillende prijslijsten hanteerde. Eisende partij verwijst hiervoor naar de stukken 57, 65, 67 en 68 van haar dossier. De rechtbank is echter van mening dat eisende partij met deze bewijsstukken de voorgehouden slechtmaking in hoofde van verwerende partij te weinig concreet maakt. Het kan niet worden betwist dat de getuigenverklaringen van de heer H en de heer L vaag zijn en dat er geen concrete elementen worden bijgebracht waaruit die slechtmaking zou hebben bestaan. Ook uit de e-mail van H van 22 juni 2018 kan dit niet worden afgeleid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit aspect van de voorgehouden oneerlijke concurrentie onvoldoende aangetoond is. 2.b. Schadevergoeding wegens oneerlijke concurrentie * Eerst en vooral wenst de rechtbank te benadrukken dat het in de rechtspraak aanvaard is om de forfaitaire schadevergoeding van artikel 106 van de Wet op de arbeidsovereenkomsten te cumuleren met een schadevergoeding wegens oneerlijke concurrentie. Het voorwerp van de beide schadevergoedingen is immers verschillend. In het eerste geval wordt het feit van de concurrentie zelf gesanctioneerd, daar waar in het andere geval het oneerlijke aspect ervan wordt vergoed. De rechtbank moet er echter over waken dat de beide schadevergoedingen geen ‘dubbel gebruik' uitmaken en dat de scheiding tussen de beide vergoedingen wordt behouden. * Eisende partij vordert in casu eigenlijk drie schadevergoedingen wegens oneerlijke concurrentie: -Een schadevergoeding van euro 118.684,50 wegens omzetverlies in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 augustus 2018 in vergelijking met de zelfde periode in 2017. De rechtbank wenst meteen te benadrukken dat het hier om de gehele omzet van eisende partij gaat en dus ook met betrekking tot de producten uit haar assortiment die losstaan van de paardensportartikelen, daar waar eisende partij in haar dossier heeft betoogd dat de oneerlijke concurrentie in hoofde van verwerende partij voornamelijk bestond in de relatie met de producent K. Deze nuancering is belangrijk aangezien er wel degelijk het risico bestaat dat er ‘dubbel gebruik' wordt gemaakt met de forfaitaire schadevergoeding van artikel 106 van de Wet op de arbeidsovereenkomsten. Het is immers deze schadevergoeding die op forfaitaire wijze - tenzij de werkgever zijn werkelijke schade bewijst - het feit zelf van de ongeoorloofde concurrentie sanctioneert. Het is immers de logica zelve dat er bij concurrentie van een ex-werknemer een gevolg zal zijn op de omzet en/of winst van de vorige werkgever. Dit zal zelfs het geval zijn bij eerlijke concurrentie. De ratio legis achter de forfaitaire schadevergoeding is dan ook dat aan de vorige werkgever een redelijke termijn moet worden geboden om als het ware te herstellen van het feit dat de ex-werknemer zich niet houdt aan het concurrentiebeding en dus zijn ex werkgever in snelheid heeft gepakt. De ex-werkgever mocht er immers op vertrouwen dat deze werknemer gedurende een bepaalde termijn geen concurrentie zou aandoen, waardoor hij eventueel de tijd kon nemen om een andere werknemer aan te werven met de bedoeling het evenwicht en zijn markpositie te herstellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisende partij reeds door de forfaitaire schadevergoeding vergoed is geweest voor het feit dat verwerende partij haar concurrentie heeft aangedaan - met een algemeen omzetverlies tot gevolg - in weerwil van het tussen partijen bestaande concurrentiebeding. Eisende partij toont ook niet aan dat verwerende partij zich schuldig zou hebben gemaakt aan oneerlijke concurrentie met betrekking tot de andere producten die zij verkoopt dan de producten van K. Uit het dossier blijkt immers dat eigenlijk alleen daar het probleem zat. -Dit brengt de rechtbank meteen tot de tweede component van de schadevergoeding, namelijk een schadevergoeding van één euro provisioneel ten gevolge van het winstverlies doordat Kl-producten aan een lagere prijs diende te worden aangeboden dan de voorheen toegepaste prijzen Eigenlijk legt eisende partij met dit vorderingsonderdeel zelf de vinger op de wonde en de rechtbank verwijst in die optiek dan ook naar wat hierboven aangaande het omzetverlies werd uiteengezet. Eisende partij moet immers bewijzen waar het winst verlies te situeren is (in vergelijking met het algemene winstverlies van euro 118.684,50) met betrekking tot de oneerlijke concurrentie die verwerende partij wordt verweten, namelijk aangaande de verdeling van de producten van de firma K. Met andere woorden, eisende partij moet uit het winstverlies van euro 118.684,50 het winstverlies distilleren dat rechtstreeks te maken heeft met de oneerlijke concurrentie die verwerende partij haar heeft aangedaan met betrekking tot de verdeling van K-producten. De rechtbank moet vaststellen dat eisende partij deze schadevergoeding echter niet concreet kan begroten maar ze beperkt tot een euro provisioneel. Zij vraagt eigenlijk een principiële veroordeling van verwerende partij. -Met betrekking tot de derde component van de schadevergoeding, vraagt eisende partij een schadevergoeding voor ‘toekomstig winstverlies' op de K-producten, namelijk het winst verlies op K-producten vanaf 1 oktober 2018, gelet op het feit dat K per schrijven van 5 juni 2018 de samenwerking met eisende partij opzegde per 1 oktober 2018 (stuk 69 eisende partij). Eisende partij beweert hiermee dat de firma K, omwille van de oneerlijke concurrentie van verwerende partij, beslist heeft om de samenwerking met haar stop te zetten. Hoewel het opzegschrijven in het Duits werd opgesteld, kan de rechtbank uit de bewoordingen ervan toch niet afleiden dat dit de reden was waarom K de samenwerking heeft stopgezet. In haar besluiten geeft eisende partij op pagina 13 een vrije vertaling van dit document. Hieruit blijkt dat de firma K "om ondernemings-strategische redenen" besloten heeft de zakenrelatie "op kernklanten" te concentreren met de bedoeling deze betrouwbaar en snel te kunnen bedienen. Uit dit schrijven blijkt nergens dat de beslissing van K ook maar iets te maken had met de démarches van verwerende partij. Het is zelfs nog maar de vraag of de firma K hiervan op de hoogte was. Dit onderdeel van de vordering is alleszins ongegrond. * CONCLUSIE De rechtbank is van oordeel dat de oneerlijke concurrentie in hoofde van verwerende partij voor wat betreft de verdeling van K-producten is aangetoond. Een schadevergoeding voor een algemeen winst verlies van euro 118.684,50 kan echter niet worden toegekend omdat eisende partij niet aantoont dat verwerende partij zich schuldig zou hebben gemaakt aan oneerlijke concurrentie voor wat betreft de andere producten die door eisende partij in de markt werden gezet. Eisende partij wordt trouwens reeds vergoed voor het feit dat verwerende partij haar, in weerwil van het concurrentiebeding, concurrentie heeft aangedaan. Evenmin kan aan eisende partij een schadevergoeding van euro 32.628,75 worden toegekend wegens toekomstige winst verlies op de K-producten aangezien niet is aangetoond dat de firma K de samenwerking met eisende partij heeft stopgezet als rechtstreeks gevolg van de oneerlijke concurrentie van verwerende partij. De rechtbank is daarentegen wel van oordeel dat eisende partij aanspraak kan maken op een schadevergoeding ten gevolge van het winstverlies dat zij heeft geleden op de verkoop van de K-producten in de periode van 7 september 2017 (datum waarop verwerende partij in dienst trad van de firma J.) tot 1 oktober 2018 (datum waarop de samenwerking tussen K en eisende partij definitief ten einde kwam). De rechtbank stelt echter vast dat eisende partij deze schadevergoeding begroot op een euro provisioneel en eerder de principiële veroordeling van verwerende partij vraagt. Gelet op het feit dat de rechtbank geen veroordeling ‘ulta petita' mag uitspreken, wordt dit onderdeel van de vordering dan ook gegrond verklaard ten belope van een bedrag van één euro provisioneel. E. Omtrent het gevraagde verbod en de dwangsom De rechtbank is dienaangaande van mening dat eisende partij geen belang meer aantoont om dit onderdeel van de vordering na te streven. Immers, uit haar eigen stukken blijkt dat de firma K met ingang van 1 oktober 2018 de samenwerking met eisende partij feitelijk heeft stopgezet. Verwerende partij kan dan ook moeilijk worden verboden om zich voor te stellen als vertegenwoordiger van K (via de firma J) en dit in een concurrentiële relatie met eisende partij. Hierboven werd reeds geoordeeld dat het niet bewezen is dat verwerende partij zich schuldig heeft gemaakt aan slechtmaking zodat ook dienaangaande moeilijk enig verbod kan worden opgelegd. Wat betreft de prijzen kan eveneens worden verwezen naar de stopzetting van de samenwerking met de firma K. Immers, in het dossier van eisende partij werd aangetoond dat verwerende partij een misleidende prijzenpolitiek hanteerde betrekking tot die producten, niet met betrekking tot de andere door eisende partij verkochte producten. Aangezien eisende partij vanaf 1 oktober 2018 geen K-producten meer verkoopt, is er ook geen reden meer om dienaangaande aan verwerende partij enig verbod op te leggen. Dit onderdeel van de vordering is dan ook ongegrond. F. Met betrekking tot de kosten van het geding en de rechtsplegingsvergoeding Het argument van eisende partij volgens hetwelk verwerende partij, in het geval zij geheel of deels in het gelijk zou worden gesteld, geen recht zou hebben op een rechtsplegingsvergoeding kan niet worden gevolgd. Het feit dat verwerende partij in de voorafgaande fase werd vertegenwoordigd door zijn vakorganisatie en dat zijn raadsman pas in een latere fase in het geding tussenkwam, betekent niet dat hij geen aanspraak zou kunnen maken op een rechtsplegingsvergoeding. Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding moet bovendien worden begroot aan de hand van de totale vordering zoals door eisende partij in zijn conclusies wordt begroot, in casu een bedrag van 173.168,42 provisioneel. Dit betekent een basisbedrag aan rechtsplegingsvergoeding van euro 6000. De rechtbank moet vaststellen dat eisende partij de rechtsplegingsvergoeding begroot op euro 5000. Anders dan verwerende partij voorhoudt, betekent het deels gegrond zijn van de vordering nog niet per definitie dat de rechtspleging vergoeding (of de kosten van het geding in zijn geheel) door de rechter moeten worden omgeslagen tussen de partijen. In casu is de rechtbank van oordeel dat de vordering van eisende partij principieel over de hele lijn gegrond wordt verklaard. Verwerende partij heeft zich schuldig gemaakt aan ongeoorloofde concurrentie en heeft zich bovendien ook schuldig gemaakt aan oneerlijke concurrentie. Dat de gevorderde schadevergoedingen door de rechtbank niet volledig worden toegekend doet daar geen afbreuk aan. Verwerende partij wordt dan ook beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017 Gerechtelijk Wetboek. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK Gelet op de artikelen 2 en 36 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Rechtdoende op tegenspraak en na beraad. Verklaart de vordering ontvankelijk en deels gegrond. Veroordeelt verwerende partij derhalve in betaling van: -een bedrag van euro 21.854, 17, ten titel van forfaitaire schadevergoeding in toepassing van artikel 106 van de wet op de arbeidsovereenkomsten, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet en dit vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele betaling. -een bedrag van euro 1,00 provisioneel ten titel van schadevergoeding wegens oneerlijke concurrentie, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet en dit vanaf 29 september 2017 tot aan de dag der algehele betaling. Wijst eisende partij van het meer gevorderde af. Verwijst verwerende partij, in zijn hoedanigheid van in het ongelijk gestelde partij, tot de kosten van het geding, in hoofde van eisende partij begroot op euro 5000,00 rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van verwerende partij begroot op euro 6000 rechtsplegingsvergoeding, en aldus door de rechtbank vereffend. ... en uitgesproken door voormelde voorzitter van de kamer in openbare zitting in het Gerechtsgebouw te Tongeren op 5 december2018 PDF document ECLI:BE:ARANT:2018:JUG.20181205.8 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070611.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div