← België

ECLI:BE:ARANT:2019:JUG.20190107.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 07 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:ARANT:2019:JUG.20190107.2 Rolnummer: 17/904/A Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2020-10-23 Raadplegingen: 336 - laatst gezien 2026-06-28 06:01 Fiches 1 - 3 Het ontslag wegens een gerechtvaardigde klacht van een werknemer omwille van laattijdige betaling van zijn onkosten is kennelijk onredelijk. Aangezien de werknemer niet aantoont waarom hij aanspraak zou kunnen maken op de maximale schadevergoeding van 17 weken, is een schadevergoeding van vijf weken gepast. Daarnaast brengt de partij die enkel verwijst naar gedateerde elementen onvoldoende inhoudelijk bewijs bij om op voldoende wijze aan te kunnen tonen dat het concrete ontslag niet kennelijk onredelijk was. De verplaatsingstijd moet als arbeidstijd in aanmerking worden genomen als de werknemer tijdens de verplaatsing naar klanten een andere opdracht kan krijgen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Arbeids- en rusttijden Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - ARBEIDSWET Arbeidsrecht - kennelijk onredelijk ontslag - ontslag omwille van een gerechtvaardigde loonklacht - verplaatsingstijd Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1971 - 19 - 02 ELI link Pub nr 1971031602 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Arbeids- en rusttijden - Arbeidsduur Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - ARBEIDSWET Arbeidsrecht - kennelijk onredelijk ontslag - ontslag omwille van een gerechtvaardigde loonklacht - verplaatsingstijd Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1971 - 29 - 02 ELI link Pub nr 1971031602 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - C.A.O.-wet - 5 december 1968 - Collectieve arbeidsovereenkomsten - Algemeen Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN Arbeidsrecht - kennelijk onredelijk ontslag - ontslag omwille van een gerechtvaardigde loonklacht - verplaatsingstijd Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 109 - 12-02-2014 - 8 - 02 Link Justel databank 20140212-02 Nota: Gerangschikt onder III A - artikel 19 en 29 en onder IV B - artikel 8 Annotaties Publicaties: Limburgs Rechtsleven 2019 - - 3de kwartaal, blz. 259-270 Limburgs Rechtsleven 2019 - - 3de kwartaal, blz. 25-270 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK ANTWERPEN Afdeling Tongeren 1ste kamer 17/904/A Vonnis van 7 januari 2019 De heer C.A., bediende, wonende te eisende partij op hoofdvordering, verwerende partij op tegenvordering, vertegenwoordigd door mevrouw L. W., vakbondsafgevaardigde, volmachtdrager te tegen S. SA., met maatschappelijke zetel te , en met ondernemingsnummer; verwerende partij op hoofdvordering, eisende partij op tegenvordering, vertegenwoordigd door Mr. S. D. loco Mr. K. D. B., advocaat te

  1. Procedure De rechtbank heeft onder meer kennisgenomen van navolgende procedurestukken: - het inleidend verzoekschrift, aangetekend verzonden op 22.08.2017 en ontvangen ter griffie op 23.08.2017; - de beschikking in toepassing van artikel 747 Ger.W. d.d. 01.03.2018; - de aanvullende en syntheseconclusie voor eisende partij, ontvangen ter griffie op 12.10.2018; - de aanvullende en syntheseconclusie voor verwerende partij, ontvangen ter griffie op 27.11.2018; - de stukken van de partijen. De rechtbank heeft de partijen in hun argumenten en besluiten gehoord ter zitting van 06.12.2018, nadat bleek dat geen verzoening kon worden bereikt.
  2. Relevante voorgaanden Op 06.10.2014 trad de heer C.A. als "technicus Service Maintenance" in dienst van S. BV gevestigd te Eindhoven (Nederland), met een arbeids-overeenkomst van onbepaalde duur. (zie: arbeidsovereenkomst, stuk 1 bundel eisende partij) S. SA. is een divisie van de G.L.I.. Zij ontwerpt en bedenkt logistieke systemen en diensten op maat, waarmee processen in de ‘supply chain' kunnen worden aangestuurd. De heer A was tewerkgesteld "voornamelijk in de Benelux en occasioneel in de buurlanden, waaronder begrepen maar niet beperkt tot D. en F.." (zie: artikel 2.3 van de arbeidsovereenkomst, stuk 1 bundel de heer A en stuk 1 bundel verwerende partij) Daarnaast bepaalde datzelfde artikel: "De werknemer voert de nodige verplaatsingen uit in het kader van de uitoefening van zijn functies". Volgens de heer A is aan zijn arbeidsovereenkomst een definitief einde gekomen op 07.09.2017 en dit tijdens een bespreking op het hoofdkantoor in L., F.. Volgens S. SA. werd de arbeidsovereenkomst van de heer A met onmiddellijke ingang beëindigd op 09.09.2016, met toekenning van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 11 weken loon. (zie: stuk 2 bundel verwerende partij) Bij emailbericht van 08.09.2016 om 5.27 u. was de ontslagbrief in bijlage aan de heer A overgemaakt door de heer N.D. van S. F.. (zie: stuk 2 voor- en achterzijde, bundel eisende partij) Bij emailbericht van 08.09.2016 verzocht de heer A om correcte betaling van o.m. onkosten, overuren e.d. (zie: stuk 4 bundel eisende partij) De heer A verzocht bij aangetekend schrijven van 14.09.2016 aan de heer N.D. van S. SA. te D. F. om hem de concrete redenen mee te delen die tot zijn ontslag hebben geleid. (zie: stukken 3 bundel eisende partij) Bij aangetekend schrijven d.d. 18.10.2016 deelde de zaakvoerder van S. BV aan de heer A de door haar voorgehouden ontslagredenen mee, als volgt: "Geachte heer A, Ik verwijs naar onze beslissing van 9 september om de arbeidsovereenkomst die tussen ons bestond met onmiddellijke ingang te beëindigen. Daarnaast verwijs ik naar uw schrijven van 14 september waarbij u vraagt de concrete redenen te kennen die aanleiding hebben gegeven tot uw ontslag. Het doel van dit schrijven is om u deze redenen mee te delen conform de bepalingen van cao 109 van 12 februari
  3. Gedurende de twee jaar dat u ongeveer bij onze onderneming in dienst geweest bent hebben wij meermaals dienen vast te stellen dat uw gedrag niet strookt met de waarden die S. wenst uit de dragen, zowel naar onze klanten toe als intern onder collega 's. Wat uw gedrag naar onze klanten toe betreft beschikken we helaas over tal van voorbeelden waar wij als onderneming na een technische interventie van uw kant hebben moeten investeren om de relatie met de klant opnieuw te herstellen. Uw gebrek aan klantgerichtheid werd ons meermaals door klanten gesignaleerd, onder andere door de ondernemingen C. en S.V.. Beide getuigden van een onrespectvolle houding tegenover hun medewerkers en het feit dat er meer aandacht werd besteed aan het tijdig kunnen afronden van de werkzaamheden dan het afleveren van kwaliteitsvol werk met een tevreden klant als gevolg. Daarnaast dienden we meermaals vast te stellen dat u de taken die u werden opgedragen naast zich neerlegde en dat u meermaals te laat toekwam bij klanten zonder te verwittigen. Onder andere slechts enkele maanden geleden liet u op twee weken tijd verschillende keren na om uw leidinggevende zoals gevraagd in te lichten over uw aankomst en vertrek bij de klant en hem de nodige feedback te verschaffen over de interventie die u had uitgevoerd. Ik verwijs hierbij naar uw e-mail van 19 februari 2016 waarbij uw leidinggevende die u hierover aanspreekt informeert dat u niet inziet waarom u hem dient in te lichten wanneer u bij de klant aankomt aangezien een eenvoudige herstelling geen rapportering behoeft. Ondanks het feit dat u werd aangesproken op uw gedrag konden wij geen verbetering vaststellen wat ons na rijp beraad heeft genoodzaakt te besluiten dat een verdere samenwerking niet langer mogelijk is. Uw gedrag heeft onze onderneming meermaals schade toegebracht en een respectvolle houding naar klanten en collega's is voor S. een basiswaarde. Ik ga ervan uit dat ik u hiermee afdoend gemotiveerd heb welke concrete redenen de aanleiding hebben gegeven tot uw ontslag. Met oprechte groeten, R.J. Zaakvoerder S. B.V." (zie: stuk 5 bundel eisende partij) Bij aangetekend schrijven d.d. 18.10.2016 beantwoordde de zaakvoerder van S. BV het emailbericht van 08.09.2016 van de heer A i.v.m. onkosten, overuren e.d. (zie: stuk 6 bundel eisende partij) Bij aangetekende brieven van zijn vakorganisatie van 21.03.2017 en 28.03.2017 betwistte de heer A de ingeroepen ontslagredenen en stelde hij de firma S. BV in gebreke voor achterstallige vergoedingen. (zie: stukken 7 bundel eisende partij) Tussen partijen werd nog briefwisseling gevoerd. (zie: stukken 8 t.e.m. 12 bundel eisende partij) Op 23.08.2017 werd het inleidend verzoekschrift van de heer C.A., dat aangetekend verzonden werd op 22.08.2017, ontvangen ter griffie. Ter zitting van 06.12.2018 werd de zaak behandeld. De poging tot verzoening had geen resultaat.
  4. Voorwerp 3.
  5. Voorwerp van de hoofdvordering De huidige vordering van de heer A strekt tot de veroordeling van S. SA. tot betaling van: euro 2.968,96 als forfaitaire burgerlijke boete euro 25.235,12 als schadevergoeding kennelijk onredelijk ontslag euro 9.079,58 bruto als loon voor niet opgenomen inhaalrust overuren bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten op het bruto opeisbaar bedrag vanaf 07.09.2016; euro 7.136,00 bruto als toeslagen voor gepresteerde overuren te vermeerderen met de wettelijke intrest op het brutobedrag van de samenstellende delen vanaf de eisbaarheid van ieder deel; euro 851,79 bruto als vakantiegeld vakantiedienstjaren 2014 en 2015 te vermeerderen met de moratoire intrest vanaf 21.03.2017 op het netto opeisbaar bedrag; euro 552,80 bruto als loon niet opgenomen inhaalrust van de gewerkte feestdagen van 01.11.2014, 25.12.2015 en 21.07.2016 te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 09.09.2016 op het bruto opeisbaar gedeelte van voormeld bedrag; euro 60,00 bruto als coldpremie te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 09.09.2016; euro 2.280,63 bruto als opzeggingsvergoeding te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 07.09.2016; euro 16,38 netto als intrest op ecocheques op 04.05.2018 afgeleverd; euro 2.970,33 bruto als vertrekvakantiegeld vakantiedienstjaren 2015-2016 te vermeerderen met de moratoire intresten op het netto opeisbaar bedrag vanaf 31.03.2017; De heer A vraagt tevens de veroordeling van S. SA. tot afgifte van sociale documenten binnen de twee maanden na de betekening van het tussen te komen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van euro 10,00 per ontbrekend document en per dag vertraging vanaf de eerste dag van de derde maand na de betekening van het vonnis, met name: - de afrekeningen voor de gevorderde bedragen, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet van 12.04.1965 en het K.B. van 27.09.1966; - de vakantieattesten voor de vakantiedienstjaren 2015 en 2016, zoals bedoeld in artikel 46,§2, van het Vakantiebesluit van 30.03.1967; De heer A vraagt ook de veroordeling van verwerende partij tot de gerechtelijke interesten op de aldus toegekende bedragen en in de kosten van het geding, begroot op euro 20,00 retributie voor het verzoekschrift. Het te vellen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal. 3.
  6. Voorwerp van de tegenvordering De tegenvordering van S. SA. strekt tot veroordeling van de heer A tot betaling van een opzeggingsvergoeding van euro 738,
  7. Ontvankelijkheid Ten onrechte roept S. SA. de onontvankelijkheid in omdat het inleidend verzoekschrift gericht was tegen de Franse vennootschap S. SA.. S. SA. stelt dat de rechtsvordering van de heer A in toepassing van artikel 17 Ger.W. niet kan worden toegelaten, omdat de heer A geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. S. SA. was niet de werkgever van de heer A. De arbeidsovereenkomst werd inderdaad gesloten tussen de heer A en de Nederlandse vennootschap S. B.V. (zie: arbeidsovereenkomst, stuk 1 bundel eisende partij) Ten onrechte houdt S. SA. echter voor dat zij en S. B.V. duidelijk van elkaar te onderscheiden vennootschappen zijn. De rechtbank verwijst o.m. naar volgende sociale documenten, waarop als werkgever vermeld wordt: S. SA. - de loonbriefjes - het formulier C4 - het attest vertrek vakantiegeld - het tewerkstellingsattest (zie: stukken 13 en 15 bundel eisende partij) Bij aangetekend schrijven d.d. 18.10.2016 antwoordde S. BV zonder enig voorbehoud op het aangetekend schrijven van 14.09.2016, waarmee de heer A aan S. SA. verzocht om de concrete ontslagredenen te kennen. (zie: stukken 3 en 5 bundel eisende partij) De heer A had dus in toepassing van artikel 17 Ger.W. wel de hoedanigheid en een belang om de vordering in te stellen tegen S. SA.. De vordering kan dus wel worden toegelaten. De rechtbank stelt ambtshalve geen middelen van niet-ontvankelijkheid vast, zodat de vordering ontvankelijk is.
  8. Beoordeling ten gronde van de hoofdvordering 5.
  9. Forfaitaire burgerlijke boete cao nr. 109 De heer C.A. maakt aanspraak op een forfaitaire burgerlijke boete cao nr. 109 ten bedrage van euro 2.968,
  10. Hij baseert zich op artikel 7 van cao nr. 109 van 12.02.2014 betreffende de motivering van het ontslag. Artikel 7 van deze cao nr. 109 bepaalt: "§
  11. Indien de werkgever de concrete redenen die geleid hebben tot een door hem gegeven ontslag niet meedeelt aan de werknemer die hiertoe een verzoek heeft ingesteld met inachtneming van artikel 4 of deze meedeelt zonder inachtneming van artikel 5, is een forfaitaire burgerlijke boete die overeenstemt met 2 weken loon verschuldigd aan deze werknemer. §
  12. De boete voorzien in § 1 is niet van toepassing indien de werkgever uit eigen beweging de concrete redenen die geleid hebben tot het ontslag van de werknemer heeft meegedeeld overeenkomstig artikel 6." De heer A richtte bij aangetekend schrijven van 14.09.2016 binnen de in artikel 4 vastgestelde termijn, een verzoek aan S. SA. om de concrete redenen te kennen die tot het ontslag hadden geleid te kennen. (zie: stuk 3 bundel eisende partij) Artikel 5 van de cao nr. 109 bepaalt: "De werkgever die een verzoek in overeenstemming met artikel 4 ontvangt, deelt bij aangetekende brief aan deze werknemer de concrete redenen die tot het ontslag hebben geleid mee binnen 2 maanden na de ontvangst van de aangetekende brief met het verzoek van de werknemer. Deze aangetekende brief moet de elementen bevatten die de werknemer toelaten om de concrete redenen die tot zijn ontslag hebben geleid te kennen." S. SA. deelde bij aangetekend schrijven van 18.10.2016 aan de heer aanlegger de door haar voorgehouden ontslagredenen mee, als volgt: "Geachte heer A Ik verwijs naar onze beslissing van 9 september om de arbeidsovereenkomst die tussen ons bestond met onmiddellijke ingang te beëindigen. Daarnaast verwijs ik naar uw schrijven van 14 september waarbij u vraagt de concrete redenen te kennen die aanleiding hebben gegeven tot uw ontslag. Het doel van dit schrijven is om u deze redenen mee te delen conform de bepalingen van cao 109 van 12 februari
  13. Gedurende de twee jaar dat u ongeveer bij onze onderneming in dienst geweest bent hebben wij meermaals dienen vast te stellen dat uw gedrag niet strookt met de waarden die S. wenst uit de dragen, zowel naar onze klanten toe als intern onder collega 's. Wat uw gedrag naar onze klanten toe betreft beschikken we helaas over tal van voorbeelden waar wij als onderneming na een technische interventie van uw kant hebben moeten investeren om de relatie met de klant opnieuw te herstellen. Uw gebrek aan klantgerichtheid werd ons meermaals door klanten gesignaleerd, onder andere door de ondernemingen C. en S.V.. Beide getuigden van een onrespectvolle houding tegenover hun medewerkers en het feit dat er meer aandacht werd besteed aan het tijdig kunnen afronden van de werkzaamheden dan het afleveren van kwaliteitsvol werk met een tevreden klant als gevolg. Daarnaast dienden we meermaals vast te stellen dat u de taken die u werden opgedragen naast zich neerlegde en dat u meermaals te laat toekwam bij klanten zonder te verwittigen. Onder andere slechts enkele maanden geleden liet u op twee weken tijd verschillende keren na om uw leidinggevende zoals gevraagd in te lichten over uw aankomst en vertrek bij de klant en hem de nodige feedback te verschaffen over de interventie die u had uitgevoerd. Ik verwijs hierbij naar uw e-mail van 19 februari 2016 waarbij uw leidinggevende die u hierover aanspreekt informeert dat u niet inziet waarom u hem dient in te lichten wanneer u bij de klant aankomt aangezien een eenvoudige herstelling geen rapportering behoeft. Ondanks het feit dat u werd aangesproken op uw gedrag konden wij geen verbetering vaststellen wat ons na rijp beraad heeft genoodzaakt te besluiten dat een verdere samenwerking niet langer mogelijk is. Uw gedrag heeft onze onderneming meermaals schade toegebracht en een respectvolle houding naar klanten en collega's is voor S. een basiswaarde. Ik ga ervan uit dat ik u hiermee afdoend gemotiveerd heb welke concrete redenen de aanleiding hebben gegeven tot uw ontslag. Met oprechte groeten, R.J. Zaakvoerder S. B.V." (zie: stuk 5 bundel eisende partij) S. BV deelde dus tijdig en op correcte wijze de concrete ontslagredenen mee, zoals voorgeschreven door voormeld artikel 5 van cao nr.
  14. S. BV voldeed dus aan voormeld artikel 5 van cao nr.
  15. De kennisgeving moet, in toepassing van voormeld artikel 5, 2de lid "de elementen bevatten die de werknemer toelaten om de concrete redenen die tot zijn ontslag hebben geleid te kennen". Ten onrechte houdt de heer A voor dat de mededelingen door S. BV uiterst vaag en algemeen zijn en slechts subjectieve beweringen vormen. De rechtbank is het daar niet mee eens. De rechtbank is van oordeel dat de redenen in het aangetekend schrijven van 18.10.2016 van S. BV aan de heer A voldoende nauwkeurig werden meegedeeld. (zie: stuk 5 bundel eisende partij) De rechtbank merkt op dat de vereisten toch wat minder streng mogen beoordeeld worden bij de vereiste motivering ingevolge cao nr. 109 dan bij een ontslag om dringende reden. (zie: W. VAN EECKHOUTTE, "Een kennelijk redelijker ontslagrecht. De rechten van de werknemer i.v.m. de motivering van zijn ontslag", T.S.R./R.D.S., 2015/4, nr. 73, p. 705) Verwerende partij is geen forfaitaire burgerlijke boete overeenkomstig artikel 7 van cao nr. 109 verschuldigd. Deze vordering wordt afgewezen. 5.
  16. Vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag De heer A vordert een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag overeenkomstig cao nr.
  17. Artikel 8 van voormelde cao nr. 109 omschrijft kennelijk onredelijk ontslag als volgt: "Een kennelijk onredelijk ontslag is een ontslag van een werknemer die is aangeworven voor onbepaalde tijd, dat gebaseerd is op redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onder-neming, de instelling of de dienst en waartoe nooit beslist zou zijn door een normale en redelijke werkgever." Uit de commentaar bij cao nr. 109 blijkt dat de toetsing van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag geen betrekking heeft op de omstandigheden van het ontslag. De rechtbank moet toetsen of de redenen al dan niet verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst én of de beslissing nooit zou genomen zijn door een normale en redelijke werkgever. Het gaat dus om een marginale toetsing. Alleen de kennelijke onredelijkheid van het ontslag mag getoetst worden en niet de opportuniteit van het beleid van de werkgever. De werkgever is tot op grote hoogte vrij om te beslissen over wat redelijk is: er dient respect te zijn voor de verschillende beleidsalternatieven die een normale en redelijke werkgever zou overwegen. Artikel 10 van cao nr. 109 bepaalt inzake de bewijslast: "Bij betwisting wordt de bewijslast tussen de werkgever en de werknemer als volgt geregeld: - Indien de werkgever de redenen van het ontslag heeft meegedeeld met inachtneming van artikel 5 of 6, draagt de partij die iets aanvoert daarvan de bewijslast. - Het behoort aan de werkgever om het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen redenen die hij niet aan de werknemer heeft meegedeeld met inachtneming van artikel 5 of 6 en die aantonen dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is. - Het behoort aan de werknemer om het bewijs te leveren van elementen die wijzen op de kennelijke onredelijkheid van het ontslag wanneer hij geen verzoek heeft ingediend om de redenen van zijn ontslag te kennen met inachtneming van artikel 4." In casu gaf verwerende partij de redenen voor het ontslag op met inachtneming van de bepalingen van artikel 5 van cao nr.
  18. (zie: hoger) In toepassing van voormeld artikel 10 van cao nr. 109 uit hoofdstuk IV - "kennelijk onredelijk ontslag", draagt elke partij dus de bewijslast van hetgeen zij aanvoert. De rechtbank stelt vast dat verwerende partij de redenen, die volgens haar tot het ontslag van de heer A hebben geleid, onvoldoende aantoont. Met name verwijst S. SA. naar volgende elementen:
  19. klacht van C.: Blijkbaar heeft de klacht van C. betrekking op een interventie op 22.01.2015 en 28.01.
  20. (zie: stuk 4 bundel verwerende partij) De arbeidsovereenkomst van de heer A werd met onmiddellijke ingang beëindigd op 09.09.2016, zodat de rechtbank van oordeel is dat de klacht van C. hier moeilijk verband mee kan houden. Ondertussen zijn 20 maanden verstreken.
  21. email van S.: In deze emails van S. NL van januari 2016 kan de rechtbank enkel afleiden dat deze firma aandrong op een vermindering van de kosten. Enkel de naam ‘M.' wordt overigens genoemd. De email van 11.01.2016 van S. is inderdaad gericht aan M.L. en aan C.A.. (zie: stukken 5 bundel verwerende partij) Ook deze mail dateert overigens van 9 maanden vóór het ontslag.
  22. mail van 07.09.2016: S. SA. stelt dat de verlating van de werkpost op 07.09.2016 de druppel was die de emmer deed overlopen en haar deed beslissen de arbeidsovereenkomst van de heer A te beëindigen. Zij verwijst naar haar emailbericht van 07.09.2016 van 15.35u. (zie: stuk 10 bundel verwerende partij) De rechtbank kan dit niet aanvaarden als een geldige ontslagreden. S. SA. erkent immers dat de heer A op 07.09.2016 op en af naar het hoofdkantoor D. in F. is gereden voor een meeting in de namiddag, toch 534 KM. of een reistijd van 5.29u. heen. De heer A was dus meer dan 10u. onderweg die dag. Het is de rechtbank niet duidelijk welke opdracht hij die dag nog had kunnen uitvoeren.
  23. overige emailberichten: Tenslotte verwijst S. SA. nog naar 4 emailberichten waarin de heer A werd gewezen op het belang van zijn rapportageverplichting. (zie: stukken 6-7-8-9 bundel verwerende partij) Deze emails volstaan naar het oordeel van de rechtbank inhoudelijk niet om de concrete ontslagreden te bewijzen. Bovendien dateren deze emails van 15 juli 2015 (stuk 6), 09.03.2016 (stuk 7), 19.02.2016 (stuk 8) en 29.02.2016 (stuk 9). Het komt de rechtbank voor dat S. deze mails nadien gezocht heeft om het ontslag van de heer A te verantwoorden. Andere stukken brengt S. niet bij, zodat de rechtbank enkel kan besluiten dat verwerende partij onvoldoende het bewijs levert van elementen die aantonen dat het ontslag van de heer A niet kennelijk onredelijk was. De heer A maakt het anderzijds meer dan aannemelijk dat hij ontslagen werd omwille van zijn klachten omwille van laattijdige betaling van zijn onkosten. Dit blijkt o.m. uit het schrijven van de juridisch adviseur van S. d.d. 19.05.2017: "Tussen S. en de heer A zijn er klaarblijkelijk reeds na januari 2014 onenigheden geweest over de heer A zijn arbeidstijd." (zie: stuk 10 bundel eisende partij) Ook kan verwezen worden naar het emailbericht van de heer A van 08.09.2016, waarin hij een regeling vraagt over achterstallige onkosten-vergoedingen, overuren, coldpremies enz. (zie: stuk 4 bundel eisende partij) De heer A maakt dus terecht aanspraak op een schadevergoeding overeenkomstig artikel 9, § 2, van cao nr.
  24. De rechtbank merkt op dat de heer A in dienst was van verwerende partij van 06.10.2014 tot 09.09.2016 of slechts 23 maanden én dat hij ontslaan werd o.w.v. een gerechtvaardigde loonklacht. De heer A begroot zijn vordering op het bedrag van euro 25.235,12, berekend als volgt: euro 1.484,48 x 17 weken = euro 25.235,12 De rechtbank is dan ook van oordeel dat een schadevergoeding van 5 weken gepast is. Volgens de commentaar bij artikel 9 van cao nr. 109 hangt de hoogte van de schadevergoeding af van "de gradatie van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag". De heer A motiveert niet waarom hij aanspraak zou kunnen maken op de maximale schadevergoeding van 17 weken en S. SA vraagt de herleiding tot 3 weken. De vordering wordt herleid tot het bedrag van euro 7.422,40, berekend als volgt: euro 1.484,48 x 5 weken = euro 7.422,40 De vordering wordt in die zin toegekend. 5.
  25. Toeslagen overuren en inhaalrust 5.3.
  26. verplaatsingstijd is arbeidstijd: De heer A maakt aanspraak op toeslagen overuren en inhaalrust wegens overschrijding van de wekelijkse arbeidsduur van 38 uur. Hij neemt hierbij de verplaatsingstijd in aanmerking als arbeidstijd. Artikel 19 van de Arbeidswet van 16.03.1971 omschrijft arbeidstijd als volgt: "Onder arbeidsduur wordt verstaan: de tijd gedurende welke het personeel ter beschikking is van de werkgever." De rechtbank verwijst naar artikel 2.
  27. van de arbeidsovereenkomst, dat bepaalt: "De werknemer oefent zijn functies voornamelijk uit in de B. en occasioneel in buurlanden, waaronder begrepen maar niet beperkt tot D. en F.. De werknemer voert de nodige verplaatsingen uit in het kader van de uitoefening van zijn functies." (zie: artikel 2.3 van de arbeidsovereenkomst, stuk 1 bundel de heer A en stuk 1 bundel verwerende partij) De rechtbank stelt ook vast dat er met de heer A geen afspraken werden gemaakt omtrent de mogelijk andere vergoeding van uren in wachtdienst. De arbeidsovereenkomst bevat geen enkele bepaling in die zin en de werkgever brengt ook geen andere stukken bij. Ten onrechte verwijst S. SA. naar de regeling inzake verplaatsingstijd tussen ‘woonplaats en werf' in de bouwsector of naar de werknemer die op verschillende plaatsen werkt, waarover een parlementaire vraag werd gesteld. In voormelde situaties is de werknemer niet ter beschikking van zijn werkgever. De situatie van de heer A was zeer specifiek. Hij ging herstellingen en onderhoud uitvoeren bij klanten van S. SA. in het buitenland. Tijdens de verplaatsing naar een klant, kon de heer A een andere opdracht krijgen. De heer A was gedurende de reistijd dus ter beschikking van S. SA.. De tijd waarin de werknemer effectief wordt opgeroepen, moet als arbeidstijd in rekening worden gebracht. (vgl: Arbh. Brussel, 12.02.2008, J.T.T., 2008, 406; Arbh. Brussel, 27.10.2009, J.T.T., 2010, 154) Onder arbeidsduur wordt niet noodzakelijk "het verrichten van arbeid" verstaan. (vgl: Gent, 28.06.1979, J.T.T., 1981, 110) Tenslotte verwijst de rechtbank naar het arrest van het Europese Hof van Justitie van 10.09.2015, waarin het Hof op een prejudiciële vraag van de ‘Audiencia Nacional' te Spanje, als volgt antwoordde: "dat artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden als die aan de orde in het hoofdgeding, de tijd die werknemers zonder vaste of gebruikelijke werkplek dagelijks besteden aan de reis tussen hun woonplaats en de locatie van de door hun werkgever aangeduide eerste en laatste klant, „arbeidstijd" in de zin van deze bepaling is." Het Hof van Justitie motiveerde dit antwoord als volgt: "... zijn de reizen die werknemers met een baan als die in het hoofdgeding maken om de door hun werkgever aangeduide klanten te bezoeken, het noodzakelijke instrument om technische werkzaamheden bij die klanten te kunnen uitvoeren. Zou met die reizen geen rekening worden gehouden, dan zou dat ertoe leiden dat een werkgever als Tyco kan claimen dat enkel de tijd die zijn werknemers besteden aan de installatie en het onderhoud van de beveiligingssystemen onder het begrip „arbeidstijd" in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 valt. Dat zou tot gevolg hebben dat dit begrip verkeerd wordt voorgesteld en het doel de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen wordt ondermijnd. Tijdens die reizen zijn de werknemers onderworpen aan die instructies van hun werkgever, die de volgorde van de klanten kan wijzigen of een afspraak kan schrappen of toevoegen. Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de werknemers in kwestie gedurende de tijd die nodig is om de reis te maken - die meestal niet kan worden verkort - niet vrij over hun tijd kunnen beschikken en zich niet met hun eigen zaken kunnen bezighouden, zodat zij ter beschikking van hun werkgevers staan. ... een werknemer die niet langer een vaste werkplek heeft, zijn functie uitoefent tijdens de rit naar of van een klant - zoals blijkt uit punt 34 van het onderhavige arrest -, er ook van moet worden uitgegaan dat die werknemer tijdens die reis op het werk aanwezig is. Zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie heeft uiteengezet, kan de werkplek van werknemers zonder vaste of gebruikelijke werkplek niet worden beperkt tot de plaatsen, op de locaties van de klanten van hun werkgever, waar zij hun werkzaamheden concreet uitvoeren, aangezien het reizen wezenlijk verbonden is met de hoedanigheid van die werknemers." (HvJ EU, 10 september 2015, C-266/14, Tyco Integrated Security, prejudiciële vraag gesteld door de Audencia Nacional) De betrokken werknemers bij T. moeten een reis maken om zich naar de door T. aangeduide klanten te begeven voor het uitvoeren van technische werk-zaamheden voor de installatie en het onderhoud van beveiligingssystemen bij die klanten. De situatie van voormelde werknemers is dus gelijkaardig aan die van de heer A. Terecht neemt de heer A deze verplaatsingstijd aan als arbeidstijd. 5.3.
  28. recht op overloon: Artikel 29 van de Arbeidswet van 16.03.1971 bepaalt inzake het overloon: "§
  29. Overwerk wordt betaald tegen een bedrag dat ten minste 50 pct. hoger is dan het gewone loon. Deze vermeerdering bedraagt 100 pct. voor overwerk op zondag of op de rustdagen toegekend krachtens de wetgeving op de betaalde feestdagen. §
  30. Voor de toepassing van dit artikel wordt als overwerk aangemerkt, arbeid verricht boven 9 uren per dag of 40 uren per week of boven de lagere grenzen vastgesteld overeenkomstig artikel
  31. ... In het kader van dergelijke overeenkomst geeft elk uur overwerk, dat met een toeslag van 50 % moet worden betaald, recht op ten minste een half uur inhaalrust, terwijl elk uur overwerk, dat met een toeslag van 100 % wordt betaald, recht geeft op ten minste één uur inhaalrust." S. SA. erkent in besluiten dat de arbeidsduur in het toepasselijke P.C. nr. 200 38 uur bedraagt. De uren gepresteerd boven 38 uur zijn dus overuren, die in toepassing van voormeld artikel 29 van de Arbeidswet recht geven op overloon. Volledig ten onrechte stelt S. SA. dan ook dat enkel de uren boven 40 uur recht zouden geven op overloon. Eveneens ten onrechte stelt S. SA. dat hij sommige weken minder dan 38 uur werkte, waardoor hij zijn overuren compenseerde. S. SA. verwijst hiervoor naar haar stuk
  32. Dit is echter een eigenhandig door S. SA. opgestelde lijst, die niet gestaafd wordt door andere stukken, zodat de rechtbank hier geen rekening mee kan houden. (zie: stuk 11 bundel verwerende partij) Daarentegen brengt de heer A een zeer gedetailleerde berekening bij. (zie: bijlage bij stuk 12 bundel eisende partij) Deze berekening werd door zijn vakorganisatie gemaakt op basis van de activiteits-verslagen/servicerapporten. (zie: stukken 14 bundel eisende partij) Deze berekening werd gemaakt per week en omvat de gepresteerde uren per dag, de schorsingen, het overschrijden van de daggrenzen en de weekgrenzen, de te recupereren uren en de uren die aan 50% of 100% toeslag dienen te worden betaald. (zie: bijlage bij stuk 12 bundel eisende partij) Vervolgens werd dit vergeleken met de betaalde lonen en loontoeslagen. Hieruit blijkt dat de heer A nog recht heeft op betaling van euro 7.136,00 als toeslag voor gepresteerde overuren en van euro 9.079,58 als loon voor niet-opgenomen inhaalrust. (zie: stukken 12 bundel eisende partij) S. SA. beschikt als werkgever over alle nuttige gegevens in staat om deze gedetailleerde berekening op haar juistheid te controleren. De rechtbank stelt vast dat S. SA. deze gedetailleerde berekening, noch de berekeningsbasis betwist. De vorderingen worden dan ook toegekend met inbegrip van de gevorderde intresten. 5.
  33. Vakantiegeld vakantiedienstjaren 2014 en 2015 Deze vordering tot betaling van vakantiegeld voor de vakantiedienstjaren 2014 en 2015 is gebaseerd op de vorige vordering m.b.t. de toeslagen overuren en inhaalrust. S. SA. betwist dit in hoofdorde omdat de heer A volgens haar geen recht heeft op loon tijdens zijn verplaatsingstijd. Zoals hoger gezegd, is dit niet correct. Ondergeschikt moet de vordering volgens S. SA. worden herleid tot de uren boven de 40 uur per week. Hoger stelde de rechtbank reeds vast dat de uren gepresteerd boven 38 uur overuren zijn, nu de arbeidsduur in het toepasselijke P.C. nr. 200 38 uur bedraagt. De vordering ten bedrage van euro 851,79 bruto wordt dan ook toegekend, met inbegrip van de moratoire intrest vanaf 21.03.
  34. S. SA. werd bij aangetekend schrijven van 21.03.2017 inderdaad in gebreke gesteld voor de betaling van o.m. dit vakantiegeld. (zie: stuk 7 bundel eisende partij) 5.
  35. Inhaalrust feestdagen De heer A vordert een bedrag van euro 552,80 bruto als loon niet opgenomen inhaalrust van de gewerkte feestdagen 01.11.2014 (7,6 uren), 25.12.2015 (5 uren) en 21.07.2016 (9,5 uren). S. SA. betwist de vordering voor 01.11.2014 omdat de heer A dan niet gewerkt heeft. De heer A erkent dit, maar stelt correct dat de feestdag van 01.11.2014 op een zaterdag viel en dus moest worden gecompenseerd. Bij gebreke aan een andersluidende afspraak voor een vervangingsdag, wordt de feestdag immers op de eerstvolgende arbeidsdag gecompenseerd, in casu maandag 3 november, en die dag heeft de heer A wel gewerkt. Voor 25.12.2015 stelt S. SA. dat de verplaatsingstijd van Hannover naar huis geen arbeidstijd is, hetgeen, zoals hierboven gesteld, niet klopt. Enkel voor de feestdag van 21.07.2016 merkt S. SA correct op dat deze werd gecompenseerd in juli 2016, zodat deze dag niet meer verschuldigd is. (zie: loonbriefje, stuk 13 bundel verwerende partij en zie: activiteitsverslag, stuk 14 bundel eisende partij) De vordering wordt dan ook herleid tot het bedrag van euro 316,69, berekend als volgt: euro 25,134 x (7,6 u + 5u) = euro 316,69 Deze vordering, in die zin herleid, wordt toegekend met inbegrip van de gevorderde intresten. 5.
  36. Coldpremie De heer A vordert een bedrag van euro 60,00 als coldpremie of euro 30,00 per dag voor werk in een frigo of bij koude temperaturen. In haar besluiten op p. 25 erkent S. SA. dat een coldpremie betaald werd van euro 30,00 in oktober 2015, euro 90,00 in november 2015 en euro 120,00 in februari
  37. Zij neemt dit op in het verhoogd maandloon voor de berekening van de opzeggings-vergoeding. Het is dus op zijn minst vreemd dat S. SA. voorhoudt dat de heer A geen rechtsgrond aangeeft voor deze vordering. In haar emailbericht van 19.05.2017 erkende de juridische raadgever van S. SA. dat er nog een coldpremie van euro 60,00 verschuldigd is. (zie: stuk 10 bundel eisende partij) Deze vordering wordt toegekend met inbegrip van de intresten aan de wettelijke intresten vanaf 09.09.
  38. 5.
  39. Opzegvergoeding De heer A vordert een bedrag van euro 2.280,63 als aanvullende opzeggings-vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 07.09.2016 en dit zonder dringende reden of zonder in acht name van de opzeggingstermijn, zoals voorzien in de artikelen 37/2 en 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet. De rechtbank stelt vast dat de arbeidsovereenkomst beëindigd werd op 09.09.
  40. (zie: schrijven S. SA. d.d. 09.09.
  41. (zie: stuk 2 bundel verwerende partij) Alle sociale documenten vermelden als einddatum tewerkstelling "09.09.2016". - de loonbriefjes - het formulier C4 - het attest vertrek vakantiegeld - het tewerkstellingsattest (zie: stukken 13 en 15 bundel eisende partij) In zijn emailbericht van 08.09.2016, waarin de heer A om correcte betaling verzocht van o.m. onkosten, overuren e.d., wordt geen melding gemaakt van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De heer A stelt immers: "... Gelieve ervoor te zorgen dat mijn uren allemaal correct betaald worden en dat ik de mogelijkheid krijg om de inhaalrusturen (minstens gedeeltelijk) op te nemen." (zie: stuk 4 bundel eisende partij) In zijn activiteitsverslagen vermeldt de heer A voor de dagen 08.09.2016 en 09.09.2016 dat hij "on call" was. (zie: stukken 14 bundel eisende partij) De heer A stelt dat er over de duur van de opzegtermijn 11 weken geen discussie bestaat. Enkel over het gemiddeld variabel loon bestaat er discussie. De rechtbank stelt vast dat de heer A geen verder standpunt inneemt over het gemiddeld variabel loon, ook niet onder punt 3.10 van zijn synthesebesluiten. De rechtbank kan dus ook niet beoordelen of de heer A terecht aanspraak maakt op een aanvullende opzeggingsvergoeding. De vordering wordt als ongegrond afgewezen. 5.
  42. Interesten op de te laat afgeleverde ecocheques Dit vorderingsonderdeel ten bedrage van euro 16,38 netto wordt niet betwist en wordt dus toegekend. 5.
  43. Vertrekvakantiegeld vakantiedienstjaren 2015 en 2016 Ook deze vordering is gebaseerd op de eerdere vordering m.b.t. de toeslagen overuren en inhaalrust. S. SA. betwist dit in hoofdorde omdat de heer A volgens haar geen recht heeft op loon tijdens zijn verplaatsingstijd. Zoals hoger gezegd, is dit niet correct. Ook de ondergeschikte opmerkingen van S. SA. werden hoger reeds weerlegd. Zo stelde de rechtbank reeds vast dat de uren gepresteerd boven 38 uur overuren zijn, nu de arbeidsduur in het toepasselijke P.C. nr. 200 38 uur bedraagt, zodat er geen reden is om de vordering te herleiden tot de uren boven de 40 uur per week. De vordering ten bedrage van euro 2.970,33 bruto wordt toegekend, met inbegrip van de moratoire intrest vanaf 31.03.
  44. S. werd bij aangetekend schrijven van 21.03.2017 in gebreke gesteld voor de betaling van o.m. dit vakantiegeld (zie: stuk 7 bundel eisende partij), maar de rechtbank kan niet meer toekennen dan wat gevraagd wordt. 5.
  45. Sociale documenten De heer A vraagt tenslotte de veroordeling van S. SA. tot afgifte van sociale documenten, m.n.: - de afrekeningen voor de gevorderde bedragen, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet van 12.04.1965 en het K.B. van 27.09.1966; - de vakantieattesten voor de vakantiedienstjaren 2015 en 2016, zoals bedoeld in artikel 46,§2, van het Vakantiebesluit van 30.03.1967; Gelet op het voorgaande, moet S. SA. inderdaad voormelde sociale documenten afleveren. Ook de gevraagde dwangsom wordt toegekend. S. SA. heeft twee maanden na de betekening van huidig vonnis tijd om de sociale documenten afleveren, zodat zij de dwangsom eenvoudig kan vermijden. De rechtbank gaat ook in op het verzoek van S. SA. om het totaalbedrag van deze dwangsom te beperken tot maximum euro 500,
  46. De heer A heeft hiertegen immers geen bezwaar.
  47. Beoordeling van de tegeneis S. SA. vordert bij tegenvordering de betaling door de heer A van euro 738,18 als opzeggingsvergoeding. Deze vordering is duidelijk ontstaan uit de arbeidsovereenkomst, zodat ze naar het oordeel van de rechtbank onderworpen is aan artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt: "De rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden." S. SA. stelde deze vordering in bij conclusie van 13.04.2018, terwijl de arbeidsovereenkomst van de heer A een einde nam op 09.09.
  48. Dit betekent dat de tegenvordering van S. SA. verjaard is. Ten onrechte houdt S. SA. immers voor dat het om een onverschuldigde betaling gaat. Het eventueel recht op een opzeggingsvergoeding is uiteraard enkel ontstaan uit de arbeidsovereenkomst. De rechtbank gaat niet in op het verzoek van S. SA. om stuk 19 van het stukkenbundel van de heer C.A. te weren uit de debatten. S. SA. motiveert dit verzoek niet. Indien S. SA. dit stuk van valsheid beticht, dient zij de geëigende procedurele te volgen. OM DEZE REDENEN Na naleving van de voorschriften van de wet van 15.06.1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken; Beslist de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank, na beraad, OP TEGENSPRAAK: Verklaart de vordering ontvankelijk en als volgt GEGROND: Veroordeelt S. SA. tot betaling aan de heer C.A. van: euro 7.422,40 als schadevergoeding kennelijk onredelijk ontslag te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke interestvoet op het bruto opeisbaar bedrag vanaf 09.09.2016; euro 7.136,00 bruto als toeslagen voor gepresteerde overuren te vermeerderen met de interest aan de wettelijke interestvoet op het brutobedrag van de samenstellende delen vanaf de eisbaarheid van ieder deel; euro 9.079,58 bruto als loon voor niet opgenomen inhaalrust overuren te vermeerderen met de wettelijke interest op het bruto opeisbaar bedrag bedrag vanaf 09.09.2016; euro 851,79 brutoals vakantiegeld vakantiedienstjaren 2014 en 2015 te vermeerderen met de interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 21.03.2017 op het netto opeisbaar bedrag; euro 316,69 bruto als loon niet opgenomen inhaalrust van de gewerkte feestdagen van 01.11.2014 en 25.12.2015 te vermeerderen met de interesten aan de wettelijke interestvoet op het bruto opeisbaar gedeelte van voormeld bedrag vanaf 07.09.2016; euro 60,00 bruto als coldpremie te vermeerderen met de interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 09.09.2016; euro 16,38 netto als interest op de laattijdig afgeleverde ecocheques euro 2.970,33 bruto als vertrekvakantiegeld vakantiedienstjaren 2015-2016 te vermeerderen met de interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 31.03.2017 op het netto opeisbaar bedrag; Veroordeelt S. SA. tot afgifte aan de heer A van de sociale documenten binnen de twee maanden na de betekening van het tussen te komen vonnis onder verbeurte van een dwangsom van euro 10,00 per ontbrekend document en per dag vertraging vanaf de eerste dag van de derde maand na de betekening van het vonnis, met een maximum van euro 500,00, met name: - de afrekeningen voor de gevorderde bedragen, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet van 12.04.1965 en het K.B. van 27.09.1966; - de vakantieattesten voor de vakantiedienstjaren 2015 en 2016, zoals bedoeld in artikel 46,§2, van het Vakantiebesluit van 30.03.1967; Wijst de tegenvordering van S. SA. af wegens verjaring; Wijst het verzoek tot weren van het stuk 19 van eisende partij uit de debatten af. Veroordeelt S. SA. tot betaling van de kosten van het geding, in hoofde van de heer A begroot op euro 20,00 retributie verzoekschrift en door S. SA. begroot op euro 3.000,00 rechtsplegingsvergoeding en dienovereenkomstig te vereffenen. ... en uitgesproken op ZEVEN JANUARI TWEEDUIZEND NEGENTIEN in openbare terechtzitting van de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren PDF document ECLI:BE:ARANT:2019:JUG.20190107.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.