id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 14 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARBRL:2005:JUG.20050714.4 Rolnummer: 65354/03 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-09-23 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-04 15:04 Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-2006 - 32tredecies Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL 12e kamer - openbare en buitengewone terechtzitting van 14 juli
- VONNIS Rep.nr. 05/ A.R. n° 65.354/03 Arbeidsovereenkomst bediende Eindvonnis IN DE ZAAK: Mevrouw A Eisende partij, TEGEN: B Verwerende partij , Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek; Overwegende dat de poging tot minnelijke schikking, voorgeschreven bij artikel 734 van het Gerechtelijk Wetboek zonder resultaat gebleven is; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting de dato 16 februari 2005, waarna de Arbeidsauditeur zijn advies ter griffier heeft neergelegd op 24 februari
- Na de repliektermijn werd de zaak in beraad genomen op 7 maart
- I. De retroacten van de procedure Gelet op de dagvaarding betekend op 15 oktober 2003; Gelet op de besluiten van verwerende partij de dato 8 maart 2004; Gelet op de besluiten van eisende partij op de dato 11 augustus 2004; Gelet op de beschikking op basis van artikel 750 G.W. de dato14 oktober 2004; Gelet op de synthesebesluiten van verwerende partij de dato 15 november 2004; Gelet op de synthesebesluiten van eisende partij de dato 10 december 2004; Gelet op de synthesebesluiten van verwerende partij de dato 14 januari 2005; Gelet op het advies van de Arbeidsauditeur dat werd neergelegd ter griffie op 24 februari 2005; Gelet op de repliekbesluiten van eisende partij de dato 4 maart 2005; II. De feiten Mevrouw A trad in dienst van B middels een arbeidsovereenkomst van 19 december
- Per schrijven van 11 oktober 2002 bevestigde B een onderhoud dat zou plaats hebben gevonden tussen Mevrouw A en Mevrouw C op 7 oktober 2002 en waarin wordt gewezen op een aanzienlijke verandering in de kwaliteit van het vastgestelde werk. Zo worden er een aantal nalatigheden vastgesteld en wordt de eiseres erop gewezen dat het vermelde schrijven een waarschuwing inhoudt en aan haar persoonlijk dossier zal toegevoegd worden. Met een aangetekend schrijven van 24 oktober 2002 reageert Mevrouw A uitvoerig op de ten laste gelegde tekortkomingen en verzoekt de waarschuwing uit het persoonlijk dossier weg te nemen. Bovendien leidt Mevrouw A uit het schrijven van 11 oktober af dat zij het slachtoffer is van psychisch geweld en pesterijen op het werk en verzoekt de bevoegde preventieadviseur van de firma aan te duiden met wie zij deze ernstige feiten kan bespreken. Het schrijven moet volgens haar als een formele klacht in rechte worden beschouwd. Per e-mailbericht van 8 november 2002 melde Mevrouw D, verantwoordelijke voor Human Ressources, aan Mevrouw A dat zij contact mocht opnemen met Mevrouw E, zijnde een psychologe en preventieadviseur bij F. Bovendien werden deze contactgegevens doorgegeven alsmede het aansluitingsnummer bij deze onderneming. Ondanks herhaalde tussenkomsten van de preventieadviseur met het verzoek om de klacht te behandelen en het dossier op te starten stelt de rechtbank vast dat geen enkele concrete actie op iniatief van Mevrouw A wordt genomen. Integendeel, uit het schrijven van 23 april 2003 van de preventieadviseur blijkt duidelijk dat het iniatief geheel van zijn kant moet komen hetgeen uiteindelijk leidt tot de vraag van deze laatste of Mevrouw A haar klacht verder zette of terug zou intrekken. Per schrijven van 7 mei vroeg eiseres weer om uitstel in verband met de eventuele behandeling van haar klacht en dit gelet op haar gezondheidstoestand. Op 2 juni 2003 werd de arbeidsovereenkomst van Mevrouw A beëindigd met een opzeggingsvergoeding van negen maanden loon. Per schrijven van 7 juni 2003, vroeg Mevrouw A formeel haar reïntegratie aan, vraag waarop B niet wenste op in te gaan daar de oorzaak van het ontslag vreemd zou zijn aan de klacht wegens pesterijen op het werk. III. Voorwerp van de vordering Mevrouw A vordert - een opzeggingsvergoeding gelijk aan 42.965,77 euro - het saldo vertrekvakantiegeld ten belope van 313,66 euro - het saldo eindejaarspremie ten belope 307,79 euro - een loonachterstal ten belope3.659,64 euro - achterstallige bijdrage groepsverzekering van 98,20 euro netto - achterstallige maaltijdcheques ten belope 82,96 netto - een schadevergoeding op grond van artikel 32tresdecies van de wet van 4 augustus 1996 ten belope 17.514,72 euro - een provisionele schadevergoeding van wegens blijvende medische klachten ten belope van 1.000 euro - een schadevergoeding wegens niet afgifte van correct ingevuld formulier C4 ten belope van 12,5 euro ; - afgifte van de correcte sociale documenten op straffe van een dwangsom van 125 euro per dag vertraging IV In rechte
- De aanvullende opzeggingsvergoeding Het basisjaarloon van Mevrouw A overschrijdt de drempel zoals bepaald in artikel 82 van de arbeidsovereenkomstenwet en in dat geval dient de opzeggingstermijn ofwel in gemeen akkoord bepaald te worden ofwel door de rechtbank. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt de opzeggingstermijn bepaald rekening houdend met de mogelijkheid voor de bediende om op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging snel een aangepaste betrekking te vinden en dit gelet op zijn anciënniteit, het belang van de functies die hij uitoefende, het bedrag van het loon en de elementen eigen aan de zaak (Cass. 3.2.1986, J.T.T. 1987, pag. 58). Eveneens volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie dient voor de bepaling van de opzeggingstermijn rekening te worden gehouden met beiderzijdse belangen van de betrokken partijen.(Cass.9.05.1994, J.T.T. 1995, pg. 8) De rechtbank stelt vast dat op het ogenblik van het ontslag Mevrouw A, 37 jaar oud was en 14 jaar en 5 maanden in dienst van B werkte. Wat de begroting van het basisjaarloon betreft bestaat er discussie tussen de partijen. De maandelijkse vaste bezoldiging van 2.259,04 euro wordt niet betwist door de partijen. Daarentegen stelt de rechtbank vast dat in de loop van 2003 een bonus ten belope van 2.603 euro werd betaald. Deze bonus had betrekking op prestaties geleverd in de loop van 2002 en kan wel degelijk als een variabele bezoldiging worden aangemerkt waarmee rekening dient te worden gehouden voor de berekening van het basisjaarloon. Verder wordt niet betwist dat de maandelijkse bijdrage in de groepsverzekering Evolulife (Fortis AG) maandelijks 98,20 euro bedraagt. De maandelijkse bijdrage in de hospitalisatieverzekering bedraagt anderzijds 16,61 euro zoals blijkt uit stuk 15 van de verwerende partij. Ook de maaltijdcheques dienen opgenomen te worden ten belope van de patronale bijdrage welke in casu 4,88 euro per werkdag bedraagt, het geen effectief neerkomt op 221 dagen op jaarbasis rekening houdend met weekends, feestdagen en vakanties. Daarnaast beweert Mevr. A dat het gebruik van de tankkaart alsmede toekenning van een parkeergelegenheid binnen de onderneming een voordeel uitmaakt van 187,50 euro per maand. Daar uit de stukken niet blijkt dat de toekenning van de tankkaart enkel beperkt is tot professioneel gebruik dient het privé voordeel dat hieruit voortvloeit inderdaad als loon te worden aangemerkt. De rechtbank beoordeelt dit loonsvoordeel ex aequo et bono op 50 euro per maand. De toekenning van een parkingplaats daarentegen betreft een loutere professionele aangelegenheid en het voordeel kan derhalve niet opgenomen worden in de berekening van het basisjaarloon. Het basisjaarloon kan dus als volgt samengevat worden: Employer: B Employee: A Date of entry: 19/12/1988 Seniority: 14,46 Date of birth: ----- Age: 37,52 Date out: 3/06/2003 Pro rata: 5 euro Maandloon 2.259,04 12 27.108,48 Vakantiegeld 0,92 2.078,32 Eindejaarspremie 2.259,04 Maaltijdcheques 4,96 221 1.096,16 Tankkaart 50,00 12 600,00 Hospitalisatieverzekering 16,61 12,00 199,32 Groepsverzekering 98,20 12,00 1.178,40 Variabel loon 2.603,00 per annum 37.123 per month 3.093,56 Legal notice Seniority 14,46 5YP 3 Indemnity Soc security Total cost Notice 9 27.842,04 9.744,71 37.586,75 Case law formula Age 0,06 Seniority 0,88 Salary 0,033 37,52 14,46 37,123 2,25 12,73 1,23 Indemnity Soc security Total cost Notice 15,2 47.032,64 16.461,43 63.494,07 15 46.403,40 16.241,19 62.644,58 12.650 33.753,40 Holiday entitlement (indicative*) Salary previous year Allowance Soc security Total cost 31.971 15,34% 4.904,28 1.716,50 6.620,77 Salary this year Allowance Soc security Total cost 13.321 15,34% 2.043,45 715,21 2.758,66 End of year bonus Bonus Soc security Total cost 2.259 941,27 329,44 1.270,71 * to be calculated on the salary earned in reality and to be reduced by the holidays already taken Een en ander resulteert in een basisjaarloon van 37.123 euro . Gelet op bovenvermelde criteria is de rechtbank van oordeel dat een opzeggingstermijn van 15 maanden in casu passend is. Dit stemt overeen met een opzeggingsvergoeding gelijk aan 46.403,40 euro te verminderen met het reeds betaalde bedrag van 12.650 euro hetgeen resulteert is een saldo van 33.753,40 euro .
- Het saldo vakantiegeld uit dienst Mevr. A vordert voor het vakantiejaar 2003 een bedrag van 5.114,60 e berekend op een jaarloon van 33.341,56 euro en verwijst hiervoor naar de individuele rekening opgesteld voor het jaar 2002 door PARTENA; De verwerende partij merkt terecht op dat deze individuele rekening niet wordt gevoegd in het dossier. Dat de rechtbank bij gebreke aan dit stuk dit onderdeel van de vordering niet kan beoordelen. De rechtbank stelt eveneens vast dat het vakantiebewijs voor het vakantiejaar 2003 niet wordt gevoegd aan het dossier. De rechtbank wijst derhalve dit onderdeel van de vordering af bij gebreke aan bewijs. 3.Saldo pro rata dertiende maand. Mevr. A vordert een bedrag van 307,79 euro ten titel van saldo eindejaarspremie berekend op het variabele deel van de bezoldiging. Dat enkel in het paritaire comité 218, waartoe de onderneming B behoort, in het geval zowel een vast als variabele bezoldiging rekening wordt gehouden met een gedeelte van die variabele bezoldiging voor de berekening van de eindejaarspremie doch enkel in het geval van een tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiger. Dat Mevr. A niet het statuut van handelsvertegenwoordiger bezit en dat daarom de eindejaarspremie moet berekend worden enkel en alleen op de vaste verloning. Dat dit onderdeel van de vordering eveneens dient te worden afgewezen.
- Achterstallig loon Mevr. A vordert een bedrag van 3.659,69 euro ten titel van achterstallig loon voor de periode vanaf 10 maart 2003 sedert dewelke zij deeltijds werd toegestaan te arbeiden tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank stelt vast dat het vast loon werd verminderd in functie van de verminderde arbeidsduur tot 40 % en dat Mevr. A dit argument eveneens opgeworpen door B niet betwist. Anderzijds meent Mevr. A recht te hebben op de variabele bezoldiging voor de periode van januari 2003 tot en met mei 2003 ofwel een bedrag van 737,53 euro waarvan reeds 255,55 euro zou betaald zijn. Dat Mevr. A evenwel niet aantoont gedurende deze maanden recht te hebben gehad op deze variabele bezoldiging voor een hoger bedrag dan reeds werd betaald. Het spreekt voor zichzelf dat voor de niet gepresteerde dagen evenmin maaltijdcheques dienen te worden uitgekeerd en uit de stukken blijkt ten slotte dat het voordeel van een groepsverzekering wel degelijk werd betaald voor de betrokken periode. Dat ook dit onderdeel van de vordering dient afgewezen te worden.
- De beschermings vergoeding op grond van artikel 32tredecies van de welzijnswet. Mevr. A vordert een beschermingsvergoeding ten belope van 17.233,80 euro omdat zij beweert te zijn ontslagen nadat ze een klacht heeft ingediend wegens pesterijen op het werk. Dat de wet van 4 augustus 1996 betreffen de het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk in het artikel 32nonies voorziet dat een weknemer die meent het slachtoffer te zijn van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, zich kan richten tot de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon binnen de onderneming. Artikel 32decies paragraaf 1 van deze zelfde wet bepaald dat een werkgever die een werknemer tewerkstelt die een met redenen omkleedde klacht heeft in gediend de arbeidsverhouding niet mag beëindigen noch de arbeidsvoorwaarden van deze laatste eenzijdig mag wijzigen behalve dan om redenen die vreemd zijn aan die klacht. Het bewijs van deze redenen berust bij de werkgever wanneer de werknemer toch wordt ontslagen of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig worden gewijzigd binnen een periode van 12 maanden volgens op het indienen van de klacht. Mevr. A heeft in haar schrijven 24 oktober 2002 inderdaad gesteld dat zij het slachtoffer is van psychisch geweld en pesterijen op het werk en heeft de werkgever verzocht een preventieadviseur aan te wijzen waarmee zij haar probleem zou kunnen bespreken. Mevr. A heeft dit schrijven zelf aangemerkt als een formele klacht. Uit de stukken van het dossier blijkt dat op 8 november 2002 Mevr. A in kennis werd gesteld van de contactgegevens van de betrokken preventieadviseur in casu Mevr. E. De rechtbank stelt samen met het openbaar ministerie vast dat de klacht van Mevr. A wel degelijk met redenen omkleed of minstens als voldoende ernstig dient te worden beschouwd daar zij zelf haar previentadviseur heeft ingeschakeld. Daar B op 2 juni 2003 de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd dient zij aan te tonen dat de redenen van het ontslag vreemd zijn aan het indienen van de klacht op grond van de wet van 4 augustus
- In deze optiek kan niet worden betwis dat Mevr. A reeds per schrijven 11 oktober 2002 op een aantal tekortkomingen werd gewezen. Het kan ook niet ontkend worden dat Mevr. A een aantal tekortkomingen in verband met de uitvoering van haar werk kunnen worden verweten dit ook na het indienen van haar klacht. In die optiek is het aannemelijk dat het ontslag is ingegeven omwille van deze tekortkomingen en dat het los staat van de klacht die werd in gediend door Mevr. A. De rechtbank kan zich evenmin van de indruk ontdoen dat Mevr. A de procedure van de wet van 4 augustus 1996 enkel in haar voordeel heeft willen gebruiken. Een en ander blijkt uit het feit dat zij haar klacht pas heeft ingediend nadat zij formeel op de vingers werd getikt door de B. Anderzijds blijkt tevens dat Mevr. A niet het minste iniatief heeft genomen nadat de preventieadviseur werd aangesteld om het probleem met deze laatste te bespreken. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook dit onderdeel van de vordering ongegrond is.
- Schadevergoeding Daar zij beweert dat B in gebreke zou zijn gebleven aangifte te doen van een arbeidsongeval waarvan zij meent slachtoffer te zijn geworden. Zo stelt Mevr. A dat zij sedert oktober 2002 zich herhaaldelijk medisch heeft laten onderzoeken voor overmatige stress, abnormale vermoeidheid en psychische overlast met arteriële en cardiologische gevolgen. Mevr. A meent dit te mogen wijten aan stress, overlast en oververmoeidheid en dat dit als een arbeidsongeval dient gekwalificeerd te worden. Ten dien einde heeft zij op 17 juni 2003 ECS in gebreke gesteld om dit arbeidsongeval aan te geven. In de conclusies wordt de oorspronkelijke vordering van 12.500 euro zoals bepaald in de dagvaarding herleid tot 1.000 euro . Artikel 7 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 definieert het arbeidsongeval als elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt. Artikel 9 van deze wet stelt dat er van een arbeidsongeval slechts sprake kan zijn indien het bestaan van een plotselinge gebeurtenis wordt aangetoond. De rechtbank stelt vast dat Mevr. A deze plotselinge gebeurtenis niet aantoont en haar medische toestand voor het eerst met haar werkgever aankaart op 17 juni 2003 twee weken na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dat ook dit deel van de vordering dient afgewezen te worden.
- Schadevergoeding wegens niet afgifte van correcte C4 Mevr. A vordert een schadevergoeding van 12,50 euro per dag van 1 juli 2003 tot op de datum van afgifte van een correct ingevulde C4 wegens het afleveren van een C4 formulier waarop de oorzaak van werkloosheid volgens Mevr. A onjuist werd weergegeven. Mevr. A ging ervan uit dat B een neutrale vermelding zou opnemen op het C4 formulier. Doch in werkelijkheid werd de juiste oorzaak van werkloosheid "professionele onbekwaamheid" opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat op het C4 formulier vooral de juiste reden van ontslag dienen opgenomen te worden en gelet op hetgeen hiervoor reeds werd beslist kan men wel degelijk aannemen dat het ontslag van Mevr. A werd ingegeven omwille van een aantal professionele tekortkomingen. In deze optiek ziet de rechtbank geen redenen om een schadevergoeding toe te kennen wegens onjuiste vermelding op het C4 formulier.
- Forfaitaire schadevergoeding wegens tergend en roekeloos verweer Mevr. A vordert een schadevergoeding van 2.500 euro wegens tergend en roekeloos verweer. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de verwerende partij de procedure wederrechterlijk of onrechtmatig zou hebben aangewend in het nadeel van Mevr. A. De redenen die Mevr. A aanhaalt, bedreiging van het misbruik van de welzijnswet om Mevr. A te destabiliseren, de belofte om eerst negen maanden te betalen om uiteindelijk maar vier maanden loon te betalen, het feit dat B erkent dat Mevr. A nog gerechtigd is op een aanvullende opzeggingsvergoeding, de niet afgifte van de juiste sociale documenten en tenslotte de aangehaalde argumentatie aangaande de tekortkomingen van Mevr. A, maken geen misbruik van de procedure uit. Dat ook dit onderdeel van de vordering dient afgewezen te worden. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Rechtsprekend in eerste aanleg na tegensprekelijk debat; Gelet op het advies zoals dit werd neergelegd door Mevr. Sarah SABLON, Substituut Arbeidsauditeur; Verklaart de vordering onontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Veroordeelt B tot de betaling van aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan 33.753,40 euro te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf 2 juni 2003 op de overeenstemmende nettobedragen; Wijst de overige vorderingen af als ongegrond; Veroordeelt B tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen begroot in hoofde van de eiseres op 328,92 euro en in hoofde van de verweerster op 200,79 euro Dat er geen wettelijke redenen bestaan tot het uitvoerbaar verklaren bij voorraad van het huidige vonnis. Aldus geoordeeld en uitgesproken ter openbare en buitengewone terechtzitting dd. 14 juli 2005 van de 12e Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, waar aanwezig waren en zitting hielden: De heer Stefan CORBANIE, plaatsvervangend Rechter; De heer Luc PROESMANS, Rechter in sociale werkgever, aangewezen bij bevelschrift van Mevr. M.Ch. VANTOMME, Ondervoorzitter, Voorzitter van de Vakantiekamer van de Arbeidsrechtbank van deze zetel, in datum van juli 2005, ter vervanging van Mevrouw E. DE CONINCK rechter in sociale zaken, die al de zittingen over deze zaak heeft bijgewoond en mede heeft beraadslaagd over deze vonnissen, wettig verhinderd de uitspraak bij de wonen en in de onmogelijkheid verkerend om onderhavig vonnis te ondertekenen (artikelen 779 en 785 van het Gerechtelijk Wetboek). De heer Rudi DE BROYER, Rechter in sociale zaken - bediende De heer Henri GLAZEMAKERS Griffier, De Griffier, De Rechters in sociale zaken, De plv.Rechter, H. GLAZEMAKERS L. PROESMANS & R. DE BROYER ST. CORBANIE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div