id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARBRL:2006:JUG.20060110.14 Rolnummer: 71780/04 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-06 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-01 04:02 Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32undecies Wet - 04-08-1996 - 32tredecies Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL 2 de kamer - openbare zitting van 10 januari 2006 VONNIS A.R.. nr 71780/04 Arbeidsovereenkomst-bediende Aud. nr tegensprekelijk vonnis Rep. nr 06/314 IN ZAKE : Mevrouw A eisende partij op hoofdeis, verwerende partij op tegeneis, TEGEN:
- Mevrouw B verwerende partij op hoofdeis;
- Mevrouw C verwerende partij op hoofdeis, eisende partij op tegeneis ; Gelet op de wet van 15 juni 1935, op het gebruik der talen in gerechtzaken; Gelet op de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; Gelet op de wet van 10 oktober 1967, houdende het Gerechtelijk Wetboek; Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk; Gelet op de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (B.S. 22 juni 2002); Gelet op het verzoekschrift van eisende partij, aangetekend verzonden aan de griffie van deze Rechtbank op 11 maart 2004; Gelet op de poging tot minnelijke schikking voorgeschreven door artikel 734 van het Gerechtelijk Wetboek, die geen gunstig resultaat heeft opgeleverd; Gelet op de besluiten van verwerende partijen; Gelet op de gerechtsbrief in toepassing van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek aan eisende partij verzonden op 23 augustus 2005 voor de openbare terechtzitting van 20 december 2005; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 20 december 2005, waarna de debatten werden gesloten; Gelet op het mondeling advies van Mevrouw D. ADAMS, Eerste Substituut-Arbeidsauditeur, gegeven ter openbare terechtzitting van 20 december 2005 waarop eisende partij mondeling repliceert, waarna de zaak in beraad werd genomen; DE FEITEN. Mevrouw A is middels een arbeidsovereenkomst van 6 februari 2004 als gegradueerde verpleegster in dienst getreden van D voor een bepaalde duur van 16 februari 2004 tot 15 februari
- De arbeidsovereenkomst bevatte een proefbedding van 6 maanden. Mevrouw A heeft echter slechts 12 dagen effectief gewerkt in het ziekenhuis vermits zij vanaf 3 maart 2004 arbeidsongeschikt was. Haar arbeidsongeschiktheid zou duren tot 31 maart
- In toepassing van artikel 79 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 heeft D beslist om zonder opzeggingstermijn of opzeggingsvergoeding een einde te maken aan de arbeidsrelatie vanaf 11 maart
- Per brief gedateerd op 10 maart 2004 heeft mevrouw A een klacht ingediend wegens pesterijen en vernederingen op het werk door C en B. Deze brief is op 11 maart 2004 aangetekend verzonden en ter griffie aangekomen op 12 maart
- Eisende partij verwijt aan mevrouw B als volgt: - De continue vervorming van mijn naam ook al bij een steeds herhaalde correctie waarbij ze dan antwoordde dat het toch allemaal hetzelfde is terwijl ze bij de naam van mijn collega E die op dezelfde dag begonnen is als ik geen enkele fout beging. - Mij te zeggen dat ik geen je-vorm mag gebruiken bij patiënten vooral doordat ik van Arabische afkomst ben. - Me te beschuldigen van geen enkele nuttigheid en dat ik de indruk geef geen enkele activiteit te verrichten en niets te doen heb. - Ze zeer hartelijk omging met mijn andere collega E en zelfs alles toonde dat ik zou moeten weten. - De vernederende blik altijd als er mij iets gevraagd wordt. - Dat ik een lelijk geschrift heb in bijzijn van een patiënt. Eisende partij verwijt aan mevrouw C als volgt: - Ze noemde me F die een secretaresse is van Marokkaanse afkomst. - Zei tegen E dat zij telefonische gesprekken moet uitvoeren daar ik geen Frans spreek. - Er werd al uitleg gedaan aan E waarbij zelfs de patiënten werden gezien door hen en ik mij maar moest bezighouden. - Toen de secretaresse F ziek was op 1 maart moest ik al haar taken overnemen en terwijl E en C zich bezighielden met andere dingen die E hielpen zich verder te ontplooien op het werk. Voorts beweert mevrouw A dat zij geïsoleerd werd van haar eigenlijke functie als verpleegkundige door "onnodige opmerkingen en daden" en dat ze behandeld werd als uitschot. I. DE HOOFDVORDERING. Voorwerp van de vordering - ontvankelijkheid. De Rechtbank stelt vast dat mevrouw A geen eis formuleert zodat het verzoekschrift onontvankelijk dient verklaard te worden overeenkomstig de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. Eiseres gedraagt zich desbetreffend naar de wijsheid van de Rechtbank. II. DE TEGENVORDERING VAN MEVROUW C. De ontvankelijkheid. Mevrouw A stelt ter zitting dat zij de ontvankelijkheid van deze tegenvordering in vraag stelt, doch haalt geen enkel juridisch argument aan. Mevrouw C handhaaft de ontvankelijkheid van haar tegenvordering. * * * De ontvankelijkheid van de tegenvordering (tussenvordering) is niet afhankelijk van de hoofdvordering (cfr. Cass. 27 juni 1988, Arr. Cass., 1987-1988, 1412). Overeenkomstig artikel 809 van het Gerechtelijk Wetboek worden tussen partijen in het geding de tussenvorderingen ingesteld bij conclusies, die ter griffie worden neergelegd en aan de overige partijen overgelegd zoals bepaald is in de artikelen 742 tot 746 van het Gerechtelijk Wetboek. Dat de tegenvordering bijgevolg ontvankelijk is. Ten gronde. Mevrouw C vordert een schadevergoeding van 500 EUR omwille van het feit dat zij morele en materiële schade heeft geleden ingevolge het misbruik dat werd gemaakt van de klachtenprocedure. Mevrouw A verzet zich tegen de toekenning van deze vergoeding gezien zij niet de bedoeling zou gehad hebben om te schaden. * * * De Rechtbank stelt vast dat eiseres nooit enig bezwaar geuit heeft bij haar collega's, oversten en de directie over de slechte werksfeer waaronder zij zou lijden. Zij heeft er nooit over gesproken met haar werkgever. Zij heeft zich ook onmiddellijk naar de Arbeidsrechtbank gewend zonder voorafgaandelijk gebruik te maken van de door de wet voorziene interne procedures. Evenmin worden aan de Arbeidsrechtbank concrete stukken voorgelegd. De wet van 4 augustus 1996 bepaalt zelf dat de werknemers zich moeten onthouden van elk wederrechtelijk gebruik van de klachtenprocedure inzake geweld, ongewenst seksueel gedrag en pesterijen (artikel 6, 2de alinea, 7°). De wetgever wou duidelijk vermijden dat misbruik gemaakt zou worden van de wet. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever heeft gekozen voor 2 grote luiken: een preventief en informatief luik enerzijds en een repressief luik anderzijds (Parl. St. Kamer 2001-2002, 1583/003, p. 5 e.v.). Wat betreft het luik "preventie" en "informatie" gaat het erom alle partners van de onderneming bijeen te brengen: de werkgevers, de werknemers, de interne en externe diensten voor preventie en bescherming op het werk en de medische arbeidsinspectie. Het tweede luik betreft de repressie van verkeerde gedragingen: wanneer het preventief beleid geen succes heeft gehad, moet de werknemer zijn rechten kunnen doen gelden en in voorkomend geval zijn menselijke waardigheid terugvinden. De vice-eerste minister en minister van werkgelegenheid heeft uitgebreid toegelicht dat een beroep op de rechtbank slechts een laatste redmiddel is wanneer de feiten zeer ernstig zijn en de voorgaande bemiddelings-of verzoeningspogingen geen succes hebben gehad: "Op de werkvloer zal de werknemer die slachtoffer is, zich concreet kunnen wenden tot de vertrouwenspersoon of de preventie-adviseur. Deze zal belast zijn met het zoeken naar een interne oplossing door middel van verzoening of bemiddeling. Wanneer dit mislukt, zal hij het dossier moeten bezorgen aan de Geneeskundige Inspectie van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid die op haar beurt een verzoenings- of bemiddelingspoging zal ondernemen op het niveau van het bedrijf. Wanneer ook dit mislukt, zal de Geneeskundige Inspectie een pro justitia opstellen dat aan de Arbeidsauditeur wordt bezorgd. Deze moet dan het dossier de meest gepaste richting insturen, na nog een laatste bemiddelings- of verzoeningspoging te hebben ondernomen. Drie bemiddelings- of verzoeningspogingen worden in deze procedure dus in uitzicht gesteld, wat een minnelijke schikking mogelijk moet maken binnen het bedrijf, zonder een beroep te moeten doen op rechtbanken. Het risico op heel wat meer gerechtszaken, zoals in de Verenigde Staten, wordt aldus beperkt. De minister is ervan overtuigd dat alleen de meest ernstige toestanden gerechtelijk moeten worden aangepakt." (Parl. St. Kamer 2001-2002, nr. 1583/005, p. 7). De vice-eerste minister en de minister van werkgelegenheid heeft als antwoord op de vragen van enkele parlementsleden ook het volgende gesteld: "Nadat alle mogelijkheden inzake intern beroep zijn aangewend, heeft de werknemer in ieder geval nog het recht de zaak aanhangig te maken bij de Rechtbank. Het onderscheid tussen gebruik en misbruik van een recht zal dan door het geadieerde rechtscollege worden gemaakt. De rechter zal zijn overtuiging stoelen op het streven van de betrokken werknemer: heeft die de wetgeving gebruikt met het oogmerk te bedriegen of heeft hij te goeder trouw geloofd dat hij het slachtoffer was van pesterijen?" (Parl. St. Kamer 2001-2002, nr. 1583/005, p. 36). In toepassing van artikel 32 ter van de wet van 11 juni 2002 wordt onder pesterijen op het werk verstaan: "Elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren, en eenzijdige geschriften en dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd." De rechtspraak oordeelde reeds: "De belanghebbende dient om te kunnen genieten van de omkering van de bewijslast waarin artikel 32 undecies van de Welzijnswet voorziet feiten aan te voeren die het bestaan van pesterijen kunnen doen vermoeden. Zulks impliceert dat de loutere bewering van pestgedrag of het louter aanvoeren in de zin van poneren van feiten niet als voldoende kan worden beschouwd. De belanghebbende dient duidelijk omschreven en concrete gedragingen van personen aan te voeren waaruit men bovendien moet kunnen afleiden dat hij het slachtoffer is van onrechtmatig pestgedrag in de zin van de wet. Zulks impliceert dat de aangevoerde feitelijkheden voldoende in tijd en ruimte moeten omschreven zijn, en toe te rekenen zijn aan identificeerbare personen." (Arbh. Antwerpen 22 juni 2004, rolnummer 2030391, www.juridat.be). Gelet op het feit dat eiseres voorafgaandelijk geen communicatie heeft gehad met haar werkgever, geen enkele door de wet voorziene procedure heeft aangewend, dat zij daarenboven geen enkel concreet element aanbrengt waaruit men zou kunnen afleiden dat zij het slachtoffer was van onrechtmatig pestgedrag en mede gelet op de zeer korte periode van effectieve tewerkstelling (12 dagen), is de Rechtbank van oordeel dat de tegenvordering gegrond voorkomt. Uit het voorgaande kan inderdaad worden afgeleid dat eiseres onderhavige procedure op een onbedachtzame en lichtzinnige wijze heeft ingesteld. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Gehoord mevrouw D. ADAMS, Eerste Substituut-Arbeidsauditeur, in haar eensluidend mondeling advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 20 december 2005; Rechtsprekende na tegensprekelijk debat en in eerste aanleg; Rechtdoende op de hoofdvordering. Verklaart deze onontvankelijk; Rechtdoende op de tegenvordering. Verklaart deze ontvankelijk en gegrond; Veroordeelt mevrouw A tot betaling aan mevrouw C van de som van 500,00 EUR ten titel van schadevergoeding wegens misbruik van de procedure ingesteld bij de wetten van 4 augustus 1996 en 11 juni 2002 inzake bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten; Veroordeelt mevrouw A tot de kosten van het geding, begroot voor mevrouw B op 34,95 EUR rechtsplegingsvergoeding en voor mevrouw C op 69,91 EUR rechtsplegingsvergoeding en niet begroot voor mevrouw A. Aldus gevonnist en uitgesproken door de 2 de kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, in openbare zitting van , door : Maria TOLLENAERE, Rechter, Jan LENAERTS, Rechter in sociale zaken - werkgever, Jean DE KEYZER, Rechter in sociale zaken - bediende, Bijgestaan door Nathalie DE SCHRIJVER, Afgevaardigde adj. griffier, de Afgevaardigde adj. griffier, de Rechters in sociale zaken, De Rechter, Nathalie DE SCHRIJVER Jean DE KEYZER Jan LENAERTS Maria TOLLENAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div