← België

ECLI:BE:ARBRL:2006:JUG.20060602.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 02 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARBRL:2006:JUG.20060602.8 Rolnummer: 12805/05 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-01-21 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-01 04:28 Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL 2 de kamer - openbare zitting van 2 juni 2006 VONNIS A.R. nr. 12805/05 arbeidsovereenkomst - bediende eindvonnis Rép. nr 06/10933 IN DE ZAAK : De Heer A, wonende te eisende partij op hoofdeis, eiser op gedwongen tussenkomst, verweerder op tegeneis, verschijnend in persoon; TEGEN:

  1. de Heer B, wonende te
  2. C Eerste en tweede verwerende partijen, eisers op tegeneis, vertegenwoordigd door Meester, advocaat te BRUSSEL;
  3. De D, gevestigd Derde verwerende partij, vertegenwoordigd door Meester, advocaat te ; A.R. nr. 12805/05 2e blad
  4. de E, met zetel te Eerste verweerder in gedwongen tussenkomst, niet aanwezig noch vertegenwoordigd ter zitting, voor wie optreed Meester 5.De N.V. F, met maatschapelijke zetel te Tweede verweerder in gedwongen tussenkomst. vertegenwoordigd door *** Gelet op de gedinginleidende dagvaarding betekend op 10 augustus 2005 door het ambt van Gerechtdeurwaatrdeur met standplaats te. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Overwegende dat de poging tot minnelijke schikking overeenkomstig art.734 G.W.verricht werd, maar tot geen resultaten heeft geleid; Gelet op de conclusie en syntheseconclusie voor eisende partij; Gelet op de conclusie, samenvattende en aanvullende conclusie en tweede samenvattende en aanvullende conclusie voor eerste en tweede verwerende partij; Gelet op de conclusie voor derde verwerende partij; Gelet op de beide dagvaardingen in gedwongen tussenkomst, betekend op 12 april 2006 door het ambt van gerechtsdeurwaarder, met standplaats te; Gelet op de bundels van beide partijen; Gelet op de beschikking overeenkomstig art. 747 § 2 Ger. W. genomen met betrekking tot eisende partij en de 3 verwerende partijen op hoofdeis, waarbij conclusietermijnen werden vastgesteld en waarbij de zaak werd vastgesteld voor pleidooien op de openbare terechtzitting dd. 21 april 2006; Gehoord de eisende partij, de eerste, tweede en derde verwerende partijen. op hoofdvordering en tweede verwerende partij in gedwongen tussenkomst in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 21 april 2006 waarna de debatten voor gesloten werden verklaard; Overwegende dat eerste verwerende partij in gedwongen tussenkomst alhoewel regelmatig gedagvaard, ter openbare terechtzitting van 21 april 2006 niet aanwezig is noch iemand in haar naam; A.R. nr. 12805/05 3 e blad Gehoord Mevrouw, Eerste Substituut Arbeidsauditeur, in haar mondeling advies op de openbare terechtzitting van 21 april 2006; Gelet op de mondelinge repliek van eisende partij op het advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 21 april 2006, waarna de zaak in beraad werd genomen; De procedure op grond van art. 747 § 2 Ger. W. en de gedwongen tussenkomsten : De hoofdeis, ingeleid bij dagvaarding van 10 augustus 2005 was vastgesteld voor pleidooien bij beschikking overeenkomstig art. 747 § 2 van het Gerechtelijk wetboek op de openbare terechtzitting van 21 april
  5. Op 12 april liet eiser twee dagvaardingen in gedwongen tussenkomst betekenen ten aanzien van respectievelijk de E, en de F. Eerste verwerende partij in gedwongen tussenkomst deed een schriftelijke verklaring van verschijning en verzocht de verzending naar de rol. Tweede verwerende partij in gedwongen tussenkomst vroeg ter terechtzitting van 21 april 2006 de verzending naar de rol wat de vorderingen in tussenkomst betreft. Eiser meende dat de zaak dan volledig moest worden uitgesteld om samen te worden behandeld. Eiser meent dat een nieuw feit, met name zijn ontslag bij F,dit uitstel rechtvaardigt. Eerste en tweede verwerende partij op hoofdeis verzetten zich tegen een uitstel. Wat de vorderingen in gedwongen tussenkomst betreft, dient te worden vastgesteld dat beide verwerende partijen overeenkomstig de art. 736 en volgende en 741 en volgende Ger. W. het recht hebben om inzage te krijgen in de stukken van eiser en om conclusies te nemen, teneinde het tegensprekelijk debat te garanderen. De vorderingen in gedwongen tussenkomst waren op de zitting van 21 april 2006 niet op een tegensprekelijke wijze in staat gebracht, zodat zij op deze zitting niet konden worden behandeld. Zij worden naar de rol gezonden. Overeenkomstig art. 747§ 2 Ger. W., laatste lid, kan op de rechtsdag die bij de beschikking wordt bepaald, door de meest gerede partij een op tegenspraak gewezen vonnis worden gevorderd. Vermits eisende partij niet overeenkomstig art. 748 § 2 Ger. W. ten laatste dertig dagen vóór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn heeft verzocht naar aanleiding van een nieuw en terzake dienend stuk of feit dat hij heeft ontdekt gedurende de termijn die de rechtsdag voorafgaat en die nieuwe conclusies rechtvaardigt, kan geen uitstel worden toegestaan wat de hoofdeis betreft. Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat art. 814 Ger. W. niet toestaat dat tussenkomsten de berechting van de hoofdvordering zouden vertragen. A.R. nr. 12805/05 4e blad de vordering: 1) De hoofdeis, ingeleid bij dagvaarding van 10 augustus 2005 strekt ertoe:
  6. de Heer B, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger /volmachtdrager / mandataris / bestuurder / vennoot /manager van C en, in al zijn andere hoedanigheden, kantoorhoudende te
  7. de Heer B, in persoonelijke naam, alias" C " kantoorhoudende,
  8. C, voordien met kantoren gevestigd,
  9. de D te horen veroordelen hoofdelijk en solidair om aan eiser te betalen: -de som van 13.882 euro als opzeggingsvergoeding, vermeerderd met de moratoire rente tegen wettelijke intrestvoet van 8% te rekenen van 24 augustus 1998 en de gerechtelijke rente te rekenen van 10 augustus 2005 tot de dag der volledige betaling; -de som van 500.000 euro te betalen wegens misbruik van ontslag, onrechtmatige beëindiging van de contractuele verbintenissen, mobbing en pesterijen op het werk en morele schade; -de som van één miljoen euro als schadevergoeding voor de enorme kosten waarop eiser de laatste acht jaar gejaagd werd om een bescheic;len opzeggingsvergoeding te bekomen; de rijksdienst voor sociale zekerheid te horen veroordelen tot terugbetaling aan eiser van de sociale zekerheidsbijdragen die hij in de periode 1996-1998 ten onrechte betaalde in het statuut van de zelfstandigen, verhoogd met intresten sedert 1996; verwerende partijen te horen veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de dagvaardingskosten, rolrechten, en alle kosten van bijstand en vertegenwoordiging in rechte; het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren, niettegenstaande het instellen van enig rechtsmiddel en zonder mogelijkheid tot kantonnement, noch borgstelling. 2) De tegeneis van eerste en tweede verwerende partijen strekt ertoe eiser op hoofdeis te horen veroordelen tot betaling aan eerste en tweede verwerende partijen tot de betaling van de advocatenkosten van eerste en tweede verwerende partijen ten bedrage van 2.500 euro provisioneel. A.R. nr. 12805/05 5e blad 3) De eis in gedwongen tussenkomst, betekend op 12 april 2006 aan de E, strekt ertoe de gedaagde in gedwongen tussenkomst: -te horen veroordelen in tussenkomst en gemeen verklaring in het geding hangende voor de arbeidsrechtbank te Brussel gekend onder het rol nr.tussen G en B, -te horen veroordelen tot terugbetaling van de ledenbijdragen betaald door eiser voor de jaren 1998-2005; -te horen veroordelen wegens mobbing en pesterijen tot een schadevergoeding van 1,5 miljoen euro; -te horen veroordelen wegens medeplichtigheid aan de mobbing en pesterijen van B tot een schadevergoeding van 100.000,00 euro ; - te horen verhoordelen wegens belaging, laster en samenzwering, provisioneel geraamd op 1,00 euro ; - te horen verhoordelen tot een morele en materiale schadevergoeding (wegens broodroving, stress en gezondheidsschade ten gevolge van intimidatie, schade aan commerciële belangen, krenking eer, belangenschade), provisioneel geraamd op 100.000,00 euro ; - te horen verhoordelen tot alle kosten van het geding, momenteel begroot overeenkomstig art. 1021 van het gerechtelijk wetboek aan de zijde van eiser op 1.000,00 euro (dagvaarding in tussenkomst, kosten van aangetekende brieven, zegels, rappels, kosten papier, brieven, drukken fotokopie kosten, tijd en kosten verbonden aan de procedures: opstelling dagvaarding, brieven, verplaatsingen naar de rechtbank, verplaatsingskosten naar de griffie, tijdverlies en ongemakken verbonden aan de diverse gerechtelijke procedures) deze eis strekt er tevens toe het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren, niettegenstaande het gebruik van eender welk rechtsmiddel en zonder mogelijkheid van kantonnement, noch borgstelling. 4) De eis in gedwongen tussenkomst, betekend op 12 april 2006 aan F, strekt ertoe de gedaagde in gedwongen tussenkomst: -de horen veroordelen in tussenkomst en gemeen verklaring in het geding hangende voor de arbeidsrechtbank te Brussel gekend onder het rol, tussen G en B, -te horen veroordelen wegens onrechtmatig, willekeurig en abusief ontslag tot een opzeggingsvergoeding van 100.000,00 euro ; -de horen veroordelen tot betaling van achterstallige hoofdredacteurs- en auteursrechten, provisioneel geraamd op 1,00 euro ; -de horen veroordelen wegens medeplichtigheid aan de mobbing en pesterijen van B tot een schadevergoeding van 100.000,00 euro ; - te horen veroordelen wegens discriminatie en schending van de wet van 25 februari 2003; - te horen veroordelen wegens belaging, laster en samenzwering, provisioneel geraamd op 1,00 euro ; A.R. nr. 12805/05 6e blad - te horen veroordelen tot een morele en materiële schadevergoeding (schade imago, commerciële belangen, cliënten, publiek, krenking eer, belangenschade), provisioneel geraamd op 100.000,00 euro ; De eis strekt er tevens toe voor recht te horen zeggen dat eiser de exclusieve auteurs-en intellectuele eigendomsrechten over het Praktijkboek heeft, gedaagde te horen veroordelen tot blijvende vermelding van de naam en de literatuur van eiser in het Praktijkboek, op gelijke voet met de andere auteurs, met de bijkomende vermelding dat eiser hoofdredacteur was tijdens de periode van 1998-2006 en als uitvinder van het concept; De eis strekt er tevens toe gedaagde te horen veroordelen tot alle kosten van het geding, momenteel begroot overeenkomstig art.1021 van het gerechtelijk wetboek aan de zijde van eiser op 1.000,00 euro (dagvaarding in tussenkomst, kosten van aangetekende brieven, zegels, rappels, kosten papier, brieven, druk-en fotokopie kosten, tijd en kosten verbonden aan de procedures: opstelling dagvaarding, brieven, verplaatsingen naar de rechtbank, verplaatsingskosten naar de griffie, tijdverlies stress en ongemakken verbonden aan de diverse gerechtelijke procedures) deze eis strekt er tevens toe het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren, niettegenstaande het gebruik van eender welk rechtsmiddel en zonder mogelijkheid van kantonnement, noch borgstelling. De beweerde nietigheid van de dagvaarding De heer B, eerste verweerder, meent dat de dagvaarding nietig is, in de mate waarin ze gericht werd tegen hem persoonlijk, daar de dagvaarding niet aan zijn persoon werd betekend. De dagvaarding van 10 augustus 2005 werd betekend ten kantore van de Heer B en werd in ontvangst genomen door H, secretaresse. Overeenkomstig art. 33 Oer.W. kan een betekening aan de persoon op iedere plaats gebeuren waar de gerechtsdeurwaarder hem aantreft. Indien de betekening niet aan de persoon kan worden gedaan, geschiedt zij aan de woonplaats van de geadresseerde. Een afschrift van de akte wordt ter hand gesteld aan een bloedverwant, aanverwant; dienstbode of aangestelde van de geadresseerde. De Heer B heeft in België een woonplaats, met name te De betekening werd gedaan op zijn kantooradres, een afschrift van de akte werd afgegeven aan zijn secretaresse. A.R. nr. 12805/05 7e blad De betekening op een plaats waar de geadresseerde niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters, is strijdig met de art. 35, 36 en 40 Oer. W., en deze foutieve vermelding van de woonplaats op het exploot van dagvaarding is niet in overeenstemming met het voorschrift van art. 43, 3° Oer.W., dat op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Om deze onregelmatigheid de sanctioneren moet echter een belangenschade worden aangetoond (zie ook: Cass. 1/6/1982, Arr. Cass. 1981-82, 1344, R. W 1982-83,2737; Cass., 14/6/1985, Arr. Cass. 1984-85, 1425). De dagvaarding werd betekend op de plaats waar de heer B advocaat werkzaam is, en werd ontvangen door zijn secretaresse. De dagvaarding heeft hem bijgevolg tijdig bereikt, en hij heeft zijn verdediging op een volstrekt normale wijze kunnen voeren . Er wordt bijgevolg geen belangenschade aangetoond. De dagvaarding is niet nietig. De feiten: Eiser was advocaat-stagiair. Hij sloot op 25 oktober 1996 een schriftelijke overeenkomst, die als medecontractant werd ondertekend door de Heer B,m.b.t. het leveren van prestaties voor het advocatenkantoor " C". De overeenkomst werd beëindigd door B in hoedanigheid van beherend vennoot van het advocatenkantoor bij schrijven van 24 augustus 1998, met een opzeggingstermijn van 3 maanden. Er bestond een onenigheid tussen partijen over de aard van de samenwerking: eiser meende dat het ging om een tewerkstelling in dienstverband, en dagvaardde de Heer B op 17 augustus 1999 om te verschijnen voor de arbeidsrechtbank te Brussel. In een vonnis van 8 december 2000 (inzake A.R. nr.) besliste de twaalfde kamer van de Arbeidsrechtbank dat eiser inderdaad in dienstverband werkte voor heer B en werd de heer B veroordeeld tot betaling van een opzeggingsvergoeding, achterstallig loon en een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht. De Heer B tekende beroep aan tegen dit vonnis. Het Arbeidshof te Brussel oordeelde op 16 maart 2004 dat de heer B niet de werkgever was van eiser: hij kon dan ook niet uitsluitend in eigen naam worden gedagvaard, doch diende minstens in hoedanigheid van vertegenwoordiger van de associatie te worden gedagvaard. Het eerste vonnis werd bijgevolg hervormd en de eis werd afgewezen. Eiser stelde een voorziening in cassatie in. Het Hof van Cassatie oordeelde op 7 maart 2005 dat de ingestelde cassatieberoep niet ontvankelijk was. Het arrest van het Arbeidshof te Brussel is bijgevolg definitief geworden. A.R.nr. 12805/05 8e blad Thans herneemt eiser zijn oorspronkelijke vordering volledig, en voegt nieuwe vorderingen toe. Hij dagvaardt echter De heer B in eigen naam, én als vertegenwoordiger van C alsmede de vennootschap C en D ten gronde : I. DE HOOFDEIS :
  10. De exceptie van gewijsde: Eerste en tweede verwerende partijen stellen dat de vordering van eiser niet toelaatbaar is, vermits deze identiek is aan de vordering die op 17 augustus 1999 werd ingeleid voor de arbeidsrechtbank te Brussel. Overeenkomstig art.23 Ger. W. sterkt het gezag van het rechtelijk gewijsde zich niet verder uit dan hoedanigheid gedaan is. De rechtbank stelt vast dat een gedeelte var! de vordering inderdaad identiek is, en gericht wordt tegen de heer B in persoonlijke naam. Het gaat dan om de vordering tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding, de schadevergoeding wegens onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst en een schadevergoeding wegens misbruik van ontslag. Dit onderdeel van de vordering van eiser is gelet op art. 23 van het Gerechtelijk wetboek niet toelaatbaar omdat dit reeds het voorwerp uitmaakt van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich echter niet uit over de overige delen van de vordering en de vorderingen zoals deze in een andere hoedanigheid tegen de Heer B worden gericht, of zoals geformuleerd lastens C en de D.
  11. De verjaring : Eerste en tweede verweerder roepen de verjaring in van de vordering die door eiser werd ingeleid bij dagvaarding van 10 augustus
  12. Eiser steunt zijn vordering op de arbeidsovereenkomst, die hij beweert te hebben afgesloten met deze verwerende partijen. A.R. nr. 12805/05 9e blad Het staat vast dat de contractuele relaties tussen partijen werden beëindigd ten laatste op 30 november 1998, zoals blijkt uit het vonnis van de arbeidsrechtbank inzake A.R. nr. Overeenkomstig art. 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten verjaren de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het beëindigen van de overeenkomst of 5 jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden. De vordering van eiser diende bijgevolg ten laatste op 30 november 1999 te worden ingesteld. De dagvaarding werd bijgevolg bijna 6 jaar te laat betekend. De vorderingen zoals ingesteld tegen de heer B en tegen C zijn bijgevolg niet ontvankelijk wegens verjaring. Eiser roept ten onrechte in dat de vordering werd gestuit door de oorspronkelijke dagvaarding van 17 augustus
  13. Dit is niet correct: de vorderingen die worden gestuit door de dagvaarding van 17 augustus 1999 maken reeds het voorwerp uit van een definitief eindvonnis, en deze vorderingen zijn thans niet toelaatbaar (zie hoger). De overige vorderingen zijn nooit gestuit en zijn bijgevolg wel degelijk verjaard.
  14. De vordering lastens de D: De vorderingen die ertoe strekken partijen te horen veroordelen tot betaling van : "-de som van 13.882 euro als opzeggingsvergoeding, vermeerderd met de moratoire rente tegen een wettelijke intrestvoet van 8% te rekenen van 24 augustus 1998 en de gerechtelijke rente te rekenen van 10 augustus 2005 tot de dag der volledige betaling; -de som van 500.000 euro te betalen wegens misbruik van ontslagrecht, onrechtmatige beëindiging van de contractuele verbintenissen, mobbing en pesterijen op het werk en morele schade; -de som van één miljoen euro als schadevergoeding voor de enorme kosten waarop eiser de laatste acht jaar gejaagd werd om een bescheiden opzeggingsvergoeding te bekomen;" hebben ten aanzien van de D een enkele feitelijke of juridische grondslag: de D is immers nooit werkgever van eiser geweest. Deze vorderingen zijn dan ook ongegrond. De vordering die ertoe strekt de rijksdienst voor sociale zekerheid te horen veroordelen tot terugbetaling aan eiser van de sociale zekerheidsbijdragen die hij in de periode 1996-1998 ten onrechte betaalde in het statuut van de zelfstandigen, verhoogd met intresten sedert 1996 is eveneens ongegrond: Eiser betaalde in de periode van 1996 tot 1998 sociale bijdragen in het kader van het statuut der zelfstandigen. Hij betaalde dit aan een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen. A.R. nr. 12805/05 lOeblad Eiser heeft bijgevolg nooit bijdragen betaald aan de D. Eiser kan bijgevolg ook geen onverschuldigde bijdragen hebben betaald aan deze D. Indien hij meent onverschuldigd te hebben betaald, dient hij de bijdragen (binnen de gestelde verjaringstermijn) terug te vorderen van de sociale verzekeringskas aan dewelke hij de onverschuldigde bijdragen heeft betaald. Hij kan nooit terugvorderen van een partij die geen betalingen heeft ontvangen. II. DE TEGENEIS: Eerste en tweede verwerende partij menen dat eiser een tergend en roekeloze vordering instelt, en zij vorderen de veroordeling van eiser tot het betalen van de advocatenkosten die zij moeten aangaan en die louter het gevolg zijn van de tergend en roekeloos ingestelde vordering van eiser. Zij begroten provisioneel deze kosten op 2.500 euro. Eerste en tweede verwerende partijen roepen in dat de vordering 'van eiser totaal buitensporig is, en dat eiser zelfs geen schijn van recht kan doen gelden, zodat eerste en tweede verwerende partijen tot juridische kosten worden gebracht, die zij zonder de tergende en roekeloos vordering van eiser nooit zouden hebben moeten maken. De rechtbank stelt vast dat eiser, die zelf jurist en advocaat is, en die een gedegen opleiding heeft genoten inzake het gerechtelijk recht, diende te weten dat een gedeelte van zijn vordering niet toelaatbaar is wegens het gezag van rechterlijk gewijsde van het definitief geworden arrest van het arbeidshof te Brussel van 16 maart 2004, en dat het overige gedeelte van zijn vordering ten aanzien van eerste en tweede verweerder reeds geruime tijd verjaard was op het ogenblik van het instellen ervan. De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn procesvoering de perken van de normale uitoefening van het recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon om in rechte op te treden, kennelijk te buiten is gegaan. . Overeenkomstig het arrest nr. 57/2006 van 19 april 2006 van het arbitragehof (A.R ms. 3689, 3692, 3726) is het in bepaalde omstandigheden mogelijk voor een verwerende partij, indien de eisende partij in het ongelijk wordt gesteld, om de betaling van advocatenkosten te vorderen. A.R. nr. 12805/05 11 eblad Dergelijke vergoeding is echter niet cumuleerbaar met de rechtsplegingvergoeding, die nochtans ook door de twee verwerende partijen wordt gevorderd. Het bedrag van de schade wordt door deze partijen ook niet in concreto aangetoond. De kosten van juridische of technische bijstand zijn uit hun aard echter vatbaar voor concrete begroting. Een begroting ex aequo et bono is slechts gerechtvaardigd wanneer de rechter de redenen aangeeft waarom de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze niet kan worden aangenomen, en tevens vaststelt dat het niet mogelijk is de schade op een andere wijze dan ex aequo et bono te ramen. De rechter mag de schade niet ex aequo et bono begroten wanneer de benadeelde de gegevens niet bijbrengt waarover hij beschikt en waardoor hetzij het bedrag van de schade juist kan worden vastgesteld, hetzij het ex aequo et bono te ramen bedrag zo nauwkeurig mogelijk kan worden bepaald (cfr. ook Cass. 23 oktober 1991, Arr. Cass. 1991-92,180; Cass. 30 maart 1994, Arr. Cass. 1994, 340; Cass. A.R. P.00.595.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011127.9, 27 november 2001, www.cass.be ; Cass. 8 februari 1979, Arr. Cass. 1978-79,675; en R.W. 1979-80,969). De gevorderde vergoeding dient in deze omstandigheden beperkte worden tot 1 euro. De toe te kennen rechtsplegingvergoeding wordt vermindert met dezelfde euro. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK: Rechtdoende in eerste aanleg en op tegenspraak ten aanzien van eisende partij op hoofdvordering, eerste, tweede en derde verwerende partijen op hoofdvordering en tweede verwerende partij in gedwongen tussenkomst en bij verstek ten aanzien van eerste verwerende partij in gedwongen tussenkomst; Gelet op het mondeling advies van Mevrouw, eerste substituut arbeidsauditeur, Verklaart de hoofdvordering zoals gericht tegen de heer B en C deels niet toelaatbaar, en voor het overige deel niet ontvankelijk wegens verjaring; Verklaart de hoofdvordering zoals gericht tegen de D ongegrond; Verklaart de tegenvordering van de B en C als volgt gegrond: veroordeelt de G tot betaling aan de Heer B en C van een schadevergoeding gelijk aan 1 euro. Verzendt de vorderingen in gedwongen tussenkomst naar de rol voor in staat stelling; Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding die verband houden met de hoofdeis en de tegeneis en die tot op heden begroot worden voor de Heer B en C op 213,18 euro, en voor de D op 214,18 euro; Houdt de kosten die verband houden met de gedwongen tussenkomsten aan; A.R. nr. 12805/05 12eblad Aldus geoordeeld en uitgesproken door de 2de kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, in openbare terechtzitting van door: G. VAN DEN BOSSCHE, Rechter, G. VAN BRUYSTEGEM, Rechter in sociale zaken - werkgever, M. VERSCHOOTEN, Rechter in sociale zaken - werknemer, door T. DUBELLOY, Griffier, de Griffier, de Rechters in sociale zaken, de Rechter, T. DUBELLOY M. VERSCHOTEN G.VAN BRUYSTEGEM G. VAN DEN BOSSCHE Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011127.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.