id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 30 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARBRL:2006:JUG.20060630.18 Rolnummer: 48916/03 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-01-21 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 04:40 Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32undecies Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL 12 de kamer - openbare zitting van ;30-06-2006 VONNIS A.R. nr. 48916/03 Contracten Aud. nr. 05/7/16/006 heropening der debatten Rep n° 06/13568 IN DE ZAAK : De Heer A,wonende TEGEN : De N.V. B (Belgium), voorheengenaamd . (Belgium), met zetel gevestigd; verwerende partij, vertegenwoordigd door Meester loco Meester, advocaat, met kantoor; Gelet op de gedinginleidende dagvaarding de dato 22 januari 2003, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder, plaatsvervangende . gerechtsdeurwaarder van, gevestigd; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Gelet op de wet van 10 oktober 1967 betreffende het Gerechtelijk Wetboek; Overwegende dat de verzoeningspoging tot geen resultaat leidde; Gelet op de conclusies voor verwerende partij neergelegd ter griffie de dato 10 september 2003; AR Nr. 48916/03 2e blad Gelet op de conclusies voor eiser neergelegd ter griffie de dato 2 april 2004; Gelet op de beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek de dato 14 februari 2005; Gelet op de syntheseconclusies voor verwerende partij neergelegd ter griffie de dato 24 maart 2005; Gelet op de syntheseconclusies voor eiser neergelegd ter griffie de dato 26 april 2005; Gelet op de aanvullende syntheseconc1usies voor verwerende partij neergelegd ter griffie de dato 1 juni 2005; Gehoord de paartijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 28 april 2006 waarna de debatten gesloten werden; Gelet op het mondeling advies van mevrouw , 1ste Substituut-Arbeidauditeur, gegeven ter openbare terechtzitting van 28 april 2006; Gehoorde de mondeling repliek van eisende partij, waarna de zaak in beraad werd genomen; Gelet op de door partijen neergelegde bundels; DE VORDERING. Met dagvaarding van 22 januari 2003 vordert veroordelen tot betaling van:
- een vervangende opzeggingsvergoeding gelijk aan veertien maanden brutoloon;
- een vergoeding wegens uitwinning gelijk aan vijf maanden brutoloon;
- een vergoeding wegens willekeurige afdanking gelijk aan zes maanden brutoloon;
- een vergoeding wegens overtreding van artikel 32 tredecies § 4 van de Wet van 11 juni 2002, gelijk aan zes maanden brutoloon;
- een achterstallig commissieloon van een bedrag van 72.872,08 EUR. . A vordert eveneens dat de Arbeidsrechtbank in rechte zal verklaren dat B niet de mogelijkheid heeft om de vervangende opzeggingsvergoedingen maandelijks te betalen overeenkomstig artike139 bis van de Wet van 3 juli
- A vordert ook nog dat de Arbeidsrechtbank in rechte zou verklaren dat hij recht heeft tot betaling van zijn commissieloon op het ogenblik van de eventuele verwezenlijking van de lopende zaken gedurende zijn ontslag: ABN AMRO, notaris Herinclcx en Tayrnans, Lagrange, Centre d' Action Laïque, MSR-Famédi, Aventis Pharrna, Bivex, ambassade van Angola, ENI, CDI, MR-Parlement van de Franse Gemeenschap en hem hiervan akte te geven. A.R. nr. 48916/03 3 e blad Tenslotte vordert A te vellen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement. DE FEITEN. Eiser trad in dienst van B op 17 augustus 1992 in de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger. In de loop van 2001, heeft eiser eerst via zijn rechtsbijstandverzekeraar en nadien via zijn raadsman vragen gesteld over de door hem te bewerken klanten waarop de raadsman van B heeft geantwoord meteen schrijven van 24 oktober
- Op 23 januari 2001, ontvangt eiser een brief van zijn verkoopsdirecteur waarbij hem verweten wordt dat zijn bestelbonnen niet nauwkeurig waren opgesteld, nadat er vergissingen waren geweest in de leveringen van producten. Op 30 januari 2002 vind een vergadering plaats. Met een schrijven van 19 maart 2002 wordt een schriftelijke bevestiging gedaan van het onderhoud van 30 maart
- Daarin wordt vooropgésteld dat zijn zakenvolume verhoogd dient te worden en dat een nieuwe evaluatie eind mei zal plaatsvinden. Per e-mail van 28 maart 2002 wordt de syndicale afvaardiging verwittigd dat o.a. eiser een schriftelijke verwittiging gekregen heeft, dit in het kader van de CAO werkzekerheid. Eiser protesteerde bij schrijven van 25 maart 2002 op de brief van 19 maart 2002 en herhaalde dat de arbeidsovereenkomst en diens addendum uitdrukkelijk melding maken van een commissieloon op basis van een globaal zakencijfer dat de verkopen, de verhuringen en de onderhoudscontracten omvat. Hij stelt dat hij ten opzichte van andere verkopers het slachtoffer is van discriminerende maatregelen. Met schrijven van 15 april 2002 verduidelijkte B dat hij eiser zoals alle andere handelsvertegenwoordigers beoordeelde op basis van het netto-verkoopscijfer, zoals vermeld in de bijlage van de arbeidsovereenkomst. Op 25 juli 2002 vond een tweede vergadering plaats in aanwezigheid van eiser, de human ressources manager en een vakbondsafgevaardigde. Tijdens deze vergadering werden de prestaties van eiser geëvalueerd na zijn eerste verwittiging. Eiser werd erop gewezen dat zijn verkoopscijfer te laag was en dat een nieuwe evaluatie werd aangekondigd gedurende de week
- Dit gesprek werd schriftelijk bevestigd met een schrijven van 25 juli
- A.R. nr. 48916/03 4 e blad Op 24 september 2002 liet eiser weten dat hij een gemotiveerde klacht had neergelegd in het kader van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming van de werknemer tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. Inderdaad, eiser ondervond dat hij regelmatig werd gepest omwille van zijn huidskleur maar ook het slachtoffer was van agressief gedrag vanwege de heer Coulougnon. Mits een aangetekend schrijven van 27 september 2002, maakte verweerster een einde aan de arbeidsovereenkomst met ingang van 30 september 2002 omwille van de onvoldoende resultaten van eiser en met een opzeggingsvergoeding van 12 maanden die overeenkomstig artikel 39 bis van de arbeidsovereenkomstenwet in maandtermijnen werd betaald. Er werd een uitwinningsvergoeding betaald van 23.855,17 EUR. Per aangetekend schrijven van 15 oktober 2002 vroeg de raadsman van eiser de reïntegratie van zijn cliënt in toepassing van artikel 32 tredecies §3 van de Wet van 11 juni
- B antwoordde per aangetekend schrijven van 12 november 2002 dat zij weigerde in te gaan op het verzoek. In de loop van de maand april 2003 heeft B opzeggingsvergoeding uitbetaald. IN RECHTE.
- Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering. Verweerster roept de nietigheid in van de vordering op grond van het principe van de exceptio obscuri libelli. . De Rechtbank oordeelt dat de dagvaarding op voldoende wijze de feitelijke gegevens die aan de vordering ten grondslag liggen, weergeven. Dat de begroting door eisende partij volgens zijn eis misschien wel op het eerste gezicht niet volledig is en hij slechts een opzeggingsvergoeding vordert gelijk aan veertien maanden loon, lijkt toch dat hierdoor de belangen van verwerende partij niet geschaad zijn in de mate verwerende partij zelf al een gedeelte van de opzeggingsvergoeding heeft betaald. De berekening van de commissielonen wordt sowieso systematisch betwist. A.R. n°. 48916/03 5deblad
- Nopens de vordering tot een vervangende opzeggingsvergoeding gelijk aan veertien maanden loon. Deze post wordt door eiser niet meer betwist en is derhalve zonder voorwerp.
- Wat de uitwinningvergoeding betreft. Overwegende dat eiser thans een bedrag vordert van 807,27 EUR uit hoofde van intresten op uitwinningvergoeding. Overwegende dat de Rechtbank dient vast te stellen dat door eiser in zijn dagvaarding geen intresten worden gevorderd op de uitwinningvergoeding, terwijl hij in zijn eerste besluiten geen enkele vordering gesteld heeft uit hoofde van enige verschuldigde uitwinningvergoeding. Overwegende dat de berekening van de uitwinningvergoeding ten bedrage van 39.604,24 EUR bruto correct voorkomt. In synthesebesluiten vordert hij nog een bedrag aan uitwinningvergoeding , vermeerderd met de intresten, waaronder ook de intresten gedurende 4 dagen op het bruto-bedrag van de reeds betaalde uitwinningvergoeding. De Rechtbank oordeelt dat deze vordering verjaard is, nu ingeleid meer dan één jaar na de beëindiging van de overeenkomst. Het gaat hier om een nieuwe vordering.
- Nopens de vordering tot een vergoeding wegens willekeurige afdanking. Eiser vordert een vergoeding voor misbruik van ontslagrecht - willekeurige afdanking. Hij verwijst naar een feit dat zou plaats gehad hebben op 4 april
- De Rechtbank oordeelt dat dit feit niets te maken heeft met het ontslag. Dat eiser ofwel zijn eis vordert op grond van de welzijnswet van 4 augustus 1996 ofwel op grond van misbruik van ontslagrecht. Er is sprake van misbruik van ontslagrecht wanneer een recht wordt uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bezorgd persoon (Cass. 10 september 1971, R. W 197172,321). ' AR. nr. 48916/03 6e blad Beide partijen bij een arbeidsovereenkomst hebben het recht de overeenkomst te beëindigen door een eenzijdige wilsuiting, met name door opzegging wanneer de arbeidsovereenkomst gesloten is voor onbepaalde duur of door ontslag wegens dringende reden. Het gaat hierbij om een contractueel recht dat te goeder trouw dient te worden uitgeoefend. Er zijn dan ook diverse criteria voor rechtsmisbruik bij ontslag van bedienden.
- wanneer het ontslagrecht van zijn doeleinden wordt afgewend, nl: - wanneer de werkgever de grenzen van de goede trouw overschrijdt; - wanneer de werkgever kwaadwillig ontslag geeft met de bedoeling schade te berokkenen of zonder enig rechtmatig belang of op lichtzinnige wijze het ontslag doorvoert; - wanneer de werkgever uitsluitend in zijn eigen belang het ontslagrecht aanwendt zodat hij daaruit een voordeel trekt dat niet overeenstemt met de overeenstemmende last voor de bediende.
- wanneer door de omstandigheden waarmee het ontslag omringd wordt, bijzondere schade werd berokkend aan de bediende. Om na te gaan of er rechtsmisbruik is, kan derhalve enkel rekening worden gehouden met de gronden waarop het ontslag gesteund is en de omstandigheden waarmee het gepaard gaat. Opdat er sprake zou zijn van rechtsmisbruik bij ontslag is vooreerst een fout vereist die onderscheiden is van het niet in acht nemen van de regelen betreffende het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Naast een fout onderscheiden van de miskenning van de ontslagregelen, vereist het bestaan van rechtsmisbruik bij ontslag van bedienden, een bijzondere materiële of morele schade, die onderscheiden is van die welke veroorzaakt wordt door het ontslag zelf. De bediende die beweert dat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan rechtsmisbruik is gehouden tot bewijs hiervan (Arbrb. Brussel 27 november 1987, J T T 1988, 287). AR. nr. 48916/03 7e blad Hij moet tevens het bestaan en de omvang van een schade voorleggen, alsmede het oorzakelijk verband tussen de fout en schade bewijzen (Arbrb. Brussel 20 juni 1983, T.S.R. 1984, p. 214). De opzegging is forfaitair, een aanvullende schadevergoeding mag niet toegekend worden tenzij in herstel van een nadeel, dat in al zijn bestanddelen verschilt van de schade die door de opzeggingsvergoeding wordt hersteld (Cass. 19 februari 1975, Arr. Cass. 1975,685). De Rechtbank oordeelt dat er hier absoluut geen sprake kan zijn van enig misbruik van ontslagrecht. Het ontslag is gebeurd overeenkomstig de procedure voorzien in de CAO werkzekerheid en ontslagprocedure de dato 30 april
- Eiser heeft een eerste verwittiging gekregen en op 25 juli 2002 een tweede verwittiging.Als zijn de verkoopsresultaten niet verbeterd waren, werd eiser afgedankt. Eiser heeft weliswaar een klacht neergelegd op 24 september 2002 doch de Rechtbank oordeelt dat hij die klacht neergelegd heeft omdat hij wist dat zijn ontslag ging volgen. Alleszins blijkt dat verwerende partij het ontslag niet gegeven heeft omwille van de klacht die bij de psycho-sociale dienst voor preventie en bescherming op het werk werd neergelegd. Eiser verwijst naar de negatieve houding van de heer doch de beweringen van eiser werden onmiddellijk weerlegd door verwerende partij. Er wordt niet betwist dat er een incident is geweest doch dit incident werd bijgelegd. Eisende partij legt anderzijds een krantenartikel neer ter staving van zijn eis met betrekking tot de pesterijen. Dit artikel betreft een zekere heer en niet de heer. De feiten dateren van na zijn ontslag en het ging hier om ongewenst seksueel gedrag ten aanzien van bepaalde vrouwen. Dit heeft niets te maken met het dossier van eiser. De Rechtbank dient vast te stellen dat ondanks de tewerkstelling gedurende meer dan tien jaar bij B, eiser nooit voorgehouden heeft dat hij omwille van zijn huidskleur gepest werd door zijn hiërarchische overste. A.R. n°. 48916/03 8e blad Eiser beweert het slachtoffer te zijn van pesterijen doch kan slechts één gedraging aanhalen van zijn overste. Dit eenmalig incident kan niet als pesterij worden aanzien aangezien pesterijen op het werk als volgt gedefinieerd wordt in artikel 32 ter van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk: "elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren en eenzijdige geschriften en dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een ander persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is, bij de uitoefening van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreeërd." Eisende partij kan geen concrete voorbeelden aantonen waaruit zou blijken dat hij gepest werd. Eiser stelt wel in zijn synthesebesluiten dat hij zich al maanden beklaagde over het gedrag doch deze komen niet bewezen voor. Eiser heeft weliswaar evaluaties en aanmaningen gekregen vanwege B doch deze kunnen niet niet beschouwd worden als pesterijen op het werk. Eisende partij kan niet aantonen dat hij op een andere manier behandeld werd dan zijn medewerkers. Hij biedt niet eens een getuigenaanbod aan. Uit de e-mail van 28 maart 2002 blijkt dat de heer, het syndicaat of de syndicale afvaardiging verwittigde van het feit dat niet alleen A doch ook Bodson, Guinea en Rondia een schriftelijke verwittiging kregen in het kader van "de CAO werkzekerheid en ontslagbescherming" die werd afgesloten op het niveau van de onderneming. Hieruit blijkt reeds voldoende dat verwerende partij het niet "gemund had" op eiser. Het ontslag is volgens de Rechtbank niet het gevolg van het neerleggen van de klacht wegens pesterijen, doch omgekeerd eiser voelde aan dat hij ging ontslagen worden en heeft een klacht neergelegd om zich te beschermen tegen dit ontslag. . Dit onderdeel van de vordering is derhalve volledig ongegrond. A.R. nr. 48916/03 9e blad
- Nopens de vordering tot een vergoeding wegens overtreding van artikel 32 tredecies § 4 van de wet van 11 juni
- Overwegende dat de houding van eiser dienaangaande eigenaardig is aangezien hij in zijn eerste besluiten afstand heeft gedaan over dit gedeelte van de vordering. Zoals reeds hoger gesteld bewijst eiser niet dat hij het slachtoffer werd van pesterijen en nog minder dat hij afgedankt werd omwille van de klacht die hij heeft neergelegd op 24 september
- Verwerende partij heeft de ontslagprocedure gevolgd zoals voorgeschreven in de CAO van 30 april
- Dit gedeelte van de vordering is derhalve ongegrond.
- Nopens de vordering wegens achterstallige commissielonen. Overwegende dat de Rechtbank aan partijen de mogelijkheid heeft gelaten om de overeenskomst te vereffen met betrekking tot achterstallige commissielonen. Eisende partij vordert achterstallige commissielonen voor de klanten Auxipress en Fnac Belgium Brussel. Wat Auxipress betreft, dient de Rechtbank vast te stellen dat eiser geen enkel bewijs levert van zijn beweringen zodat deze post niet kan toegekend worden. Wat de commissie op de tweedehandsverkoop aan Fnac Belgium Brussel betreft, stelt eiser dat die verkoop hem recht heeft op 10 % van het zakencijfer. Dat verwerende partij voorhoudt dat eiser niet aantoont dat hij recht had op een commissie van l0 %. Dat de Rechtbank dient vast te stellen dat eiser niet zegt op grond van welke overeenkomst hij recht heeft op 10 % van het zakencijfer. Het betaamd dienaangaande een heropening der debatten te bevelen om aan eiser toe te laten nadere uitleg te verschaffen. Verder stelt eiser dat hij recht heeft op commissielonen op de onderhoudscontracten. Uit de neergelegde stukken blijkt nergens dat eiser recht had op commissielonen op onderhoudscontracten. Dat het betaamt dat eiser hier ook het bewijs levert dat hij recht heeft op een commissieloon op onderhoudscontracten. A.R. nr. 48916/03 10e blad Wat de achterstallige commissielonen nog te lopen contracten op het ogenblik van het ontslag betreft. De Rechtbank stelt hier weeral vast dat eiser op onderhoudscontracten van Copy Clic, Copy Rent, Copy Service en Majors Account een commissieloon vordert. Dat het betaamt dat eiser aantoont op grond van welke overeenkomst hij recht had op een commissieloon van 3 % op onderhoudscontracten. Het bestaan van die onderhoudscontracten als dusdanig wordt niet betwist. Wat decommissielonen betreft voor de zaken die lopend waren op het ogenblik van zijn ontslag. In casu legt eiser verschillende stukken neer waaruit blijkt dat er verschillende prijsoffertes werden gedaan voor volgende klanten: - MSR-Famédi; - Centre d'Action Laïque; - ABN Amro ; - Notaris Henrinckx en Taymans ; - Lagrange ; - CDI ; Verwerende partij stelt dat er geen gevolg gegeven werd aan deze offertes doch blijft volledig in gebreke dit te bewijzen. Het betaamt derhalve dat verwerende partij die bewijzen zou neerleggen. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK Gelet op het eensluidend mondeling advies van mevrouw, lste Substituut -Arbeidsauditeur; Rechtdoende op tegenspraak en in eerste aanleg. Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond, behalve wat de achterstallige commissies betreft. Alvorens recht te spreken beveelt de heropening der debatten wat dit gedeelte van de vordering betreft op teneinde aan partijen toe te laten de nodige bewijzen voor te leggen die de Rechtbank dienaangaande gevraagd heeft. Houdt de kosten aan. A.R. nr. 48916/03 11e blad Wat de achterstallige commissielonen nog te lopen contracten op het ogenblik van het ontslag betreft, stelt de Rechtbank hier weeral vast dat eiser op onderhoudscontracten van Copy Clic, Copy Rent, Copy Service en Majors Account een commissieloon vordert. Dat het betaamt dat eiser aantoont op grond van welke overeenkomst hij recht had op een commissieloon van 3 % op onderhoudscontracten. Het bestaan van die onderhoudscontracten als dusdanig wordt niet betwist, wat de commissielonen betreft voor de zaken die lopend waren op het ogenblik van zijn ontslag. In casu legt eiser verschillende stukken neer waaruit blijkt dat er verschillendeprijsoffertes werden gedaan voor vogende klanten: - MSR-Famédi; - Centre d'Action Laïque; - ABN Amro ; - Notaris Henrinckx en Taymans ; - Lagrange ; - CDI ; Verwerende partij stelt dat er geen gevolg gegeven werd aan deze offertes doch blijft volledig in gebreke dit te bewijzen. Het betaamt derhalve dat verwerende partij die bewijzen zou neerleggen. Het lijkt inderdaad eigenaardig dat op al die offertes geen enkel gevolg werd gegeven. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK Gelet op het eensluidend mondeling advies van Mevrouw, 1ste Substituut - Arbeidsauditeur; Rechtdoende op tegenspraak en in eerste aanleg. Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond, behalve wat de achterstallige commissies betreft. Alvorens recht te spreken beveelt de heropening der debatten wat dit gedeelte van de vordering betreft op vrijdag 24 november 2006 om 09.30 uur (zaal 02) teneinde aan partijen toe te laten de nodige bewijzen voor te leggen die de Rechtbank dienaangaande gevraagd heeft. Houdt de kosten aan. A.R. nr. 48916/03 12e blad Aldus geoordeeld en uitgesproken door de l2de kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, in openbare terechtzitting van 30 -06- 2006 door: M.-E. MAUROY, Ondervoorzitter, G. VAN OVERBEKE- WOUTERS, Rechter in sociale zaken - werkgever, Ch. VAN DROOGENBROECK, Rechter in sociale zaken - werknemer, Bijgestaan door T. DUBELLOY, Griffier, de Griffier, de Rechters in sociale zaken, De Ondervoorzitter, T. DUBELLOY Ch. VAN DROOGENBROECK G. VAN OVERBEKEWOlITERS M-E MAUROY Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div