← België

ECLI:BE:ARBRL:2007:JUG.20071012.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 12 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ARBRL:2007:JUG.20071012.5 Rolnummer: Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-01-16 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 16:09 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL 10de Kamer - openbare zitting van 2007 VONNIS A.R. 1713/2005 Aud. nr.: 05/6/02/41 Z.I.V. Rep. nr.: 07/ Eindvonnis INZAKE : DE LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1030 BRUSSEL, Haachtsesteenweg, 579/40 eisende partij, vertegenwoordigd door Meester Valerie BECKERS loco Meesters Vincent VAN OBBERGHEN en Olivier VAN OBBERGHEN, advocaten; TEGEN : HET RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE EN INVALIDITEITSVERZEKERING, met zetel te 1150 SINT-PIETERS-WOLUWE, Tervurenlaan, 211, verwerende partij, vertegenwoordigd door Meester Ingrid DURNEZ loco Meester Marc VAN BEVER, advocaten; Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek ; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken ; Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals gecoördineerd bij Koninklijk Besluit van 14 juli 1994 (B.S. 27 augustus 1994), hierna de Ziekteverzekeringswet genoemd; Gelet op de gedinginleidende dagvaarding dd. 20 januari 2005 betekend door de heer Stefan SACRE, gerechtsdeurwaarder te 1081 Koekelberg; Gelet op de regelmatige oproeping van de partijen overeenkomstig artikel 750 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting van 14 september 2007; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 14 september 2007 alsook mijnheer Jan GEYSEN, Arbeidsauditeur, in zijn advies na sluiting der debatten, waarop niet werd gerepliceerd door partijen en waarna de zaak in beraad genomen werd ; I. De vordering In de dagvaarding vorderde de LCM voor recht te horen en zien zeggen dat de beslissing van verwerende partij dd. 21 december 2004 met referte 003404JS00189100 met betrekking tot de vaststelling 003103CE00044200 inzake mevrouw V. alsmede alle andere beslissingen die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit deze beslissing of er deel van uitmaken, onwettig zijn en dienvolgens te vernietigen, verwerende partij tevens te veroordelen tot alle kosten van het geding inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W. II. Bespreking

(1)In conclusies stelt het RIZIV dat : - de sanctie in toepassing van artikel 318,14° a van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 ten onrechte opgelegd werd en dat de administratieve geldboete van 125 EUR ondertussen werd terugbetaald ; - dat het geschil derhalve zonder voorwerp is geworden en bijgevolg dient de RPV, die zou kunnen toegekend worden, met drievierde verminderd te worden overeenkomstig art. 3 tweede lid K.B. 30 november 1970 ; - dat het billijk zou zijn dat elke partij haar eigen kosten zou dragen ; immers, de Landsbond werd er met het aangetekend schrijven van 12 oktober 2004 van op de hoogte gebracht dat het sanctie voorstel werd ingetrokken; Per vergissing werd er dan blijkbaar toch een sanctie opgelegd; De verzekeringsinstelling had deze tegenstrijdigheid reeds vroeger kunnen melden. De LCM stelt in conclusies : " De betreffende passus van artikel 3 van het KB van 30 november 1970 is inderdaad duidelijk : " (de RPV wordt) met drievierde verminderd wanneer de verweerder, na de inschrijving op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten." Uit voormeld artikel blijkt dus dat verweerder zich enkel kan beroepen op dit artikel, indien hij zijn eis inwilligt en zijn verbintenissen nakomt in hoofdsom, interesten EN kosten. Verweerder kan zich enkel op dit artikel beroepen, indien hij alle kosten van concluant vergoedt.
(2)De betwisting heeft dus enkel nog betrekking op de gerechtskosten, die beperkt zijn tot de rechtsplegingsvergoeding. Artikel 1017 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. De vordering is zonder voorwerp geworden omdat het RIZIV, na de dagvaarding, de bestreden beslissing waarbij een administratieve geldboete van 125 euro werd opgelegd, heeft herzien en de boete aan de LCM heeft terugbetaald. De LCM moest binnen de maand dagvaarden (artikel 167 van de ziekteverzekeringswet). Er kan dus niet aan de LCM verweten worden dat hij niet eerst nog het RIZIV had geïnterpelleerd. De oorspronkelijke vordering was dus gegrond zodat de kosten ten laste van het RIZIV moeten worden gelegd. Partijen zijn het er blijkbaar over eens dat, rekening houdende met de vordering, de rechtsplegingsvergoeding 104,86 euro bedraagt, volgens het RIZIV weliswaar te herleiden tot één vierde, hetzij 26,21 euro. Artikel 3, tweede lid, tweede zin van het KB van 30 november 1970 " tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het gerechtelijk wetboek" bepaalt : "die vergoedingen worden met drievierde verminderd wanneer de verweerder, na de inschrijving op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten." Het volgt uit deze wettelijke bepaling dat in deze zaak de rechtsplegingsvergoeding inderdaad tot één vierde moet herleid worden. Het RIZIV heeft de bestreden beslissing immers herzien en heeft de boete terugbetaald. Er waren geen interesten of kosten verschuldigd. De LCM vergist zich waar het stelt dat de voormelde wettelijke bepaling veronderstelt dat ook de rechtsplegingsvergoeding vrijwillig zou betaald worden. Het woord "kosten" in artikel 3 van het K.B. van 30 november 1970 slaat niet op de rechtsplegingsvergoeding. Dit blijkt uit artikel 1 van hetzelfde K.B. waar dit artikel bepaalt dat de vergoedingen niet verschuldigd zijn wanneer de verweerder, voor de inschrijving van de zaak op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten. In dit artikel is het evident dat het woord "kosten" niet slaat op de rechtsplegingsvergoeding gezien deze niet eens verschuldigd is. Het lijkt logisch dat hetzelfde woord dezelfde betekenis heeft in het artikel 3, tweede lid van hetzelfde besluit. Het door de wetgever gemaakte onderscheid blijkt duidelijker uit de Franse teksten : in artikel 1017 en verder van het Gerechtelijk wetboek luidt "kosten" in het Frans "dépens"; in artikel 3 van het K.B. van 30 november 1970 spreekt de Franse tekst van "frais" en dus niet van "dépens" voor de "kosten" in de Nederlandse tekst. In artikel 1018 Gerechtelijk Wetboek wordt in de Franse tekst het woord "frais" enkel gebruikt voor - de uitgaven betreffende alle onderzoeksmaatregelen, onder meer het getuigen- en deskundigengeld - de reis- en verblijfkosten en de kosten van de akten, wanneer deze uitsluitend met het oog op het geding opgemaakt zijn - de kosten van de bemiddelaar OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Gehoord Mijnheer Jan GEYSEN, Arbeidsauditeur, in zijn eensluidend mondeling advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 14 september 2007 ; Stelt vast dat de vordering zonder voorwerp is geworden; Legt de kosten van het geding ten laste van het RIZIV, begroot op 26,21 euro rechtsplegingsvergoeding voor de LCM Aldus gevonnist door de 10de Kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel waar zitting hielden: Carla CORBISIER, Rechter, Joseph VANDEWEGHE,, Rechter in sociale zaken - werkgever, Jean MOONS, Rechter in sociale zaken - arbeider, En uitgesproken ter openbare terechtzitting van waar aanwezig waren Mevrouw Carla CORBISIER, bijgestaan in de uitspraak door Ingrid VAN BRIEN, Griffier. De Griffier, De Rechters in Sociale Zaken, de Rechter, I. VAN BRIEN J.VANDEWEGHE - J.MOONS C. CORBISIER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.