id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 29 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:ARBRL:2009:JUG.20090129.1 Rolnummer: 08/1558 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-02-17 Raadplegingen: 237 - laatst gezien 2026-07-02 19:04 Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELING - Dringende reden Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL 24ste kamer - openbare zitting van 29 januari 2009 VONNIS A.R.. nr 1588/08 Arbeidsovereenkomst-bediende Aud. nr Tegensprekelijk eindvonnis Rep. nr 09/ IN ZAKE : De heer X, eisende partij, vertegenwoordigd door meester Rafaël CLAES , advocaat te 1150 Brussel, Tervurenlaan 270; TEGEN: DE VLAAMSE GEMEENSCHAP , vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, waarvan het kabinet van de Voorzitter van de Vlaamse Regering gevestigd is te Koolstraat 35, 1000 Brussel, en voor wie tevens optreedt de Vlaamse Minister van Economie, Wetenschap, Innovate en Buitenlandse Handel. verweerster, vertegenwoordigd door meester Sabine VAN OVERBEKE advocaat te 9051 Sint Denijs Westrem Driekoningenstraat 3 en meester Patrick DEVERS, advocaat te 9000 Gent, Kouter 71-72 Gelet op de wet van 15 juni 1935, op het gebruik der talen in gerechtzaken; Gelet op de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; Gelet op de wet van 10 oktober 1967, houdende het Gerechtelijk Wetboek I. DE PROCEDURE De rechtbank nam kennis van de volgende procedurestukken : - de inleidende dagvaarding van 24 januari 2008, - de besluiten van verwerende partij dd. 25 april 2008, - de besluiten van eisende partij dd. 16 juni 2008, - tweede conclusie van verwerende partij dd. 01 september 2008, - de aanvullende en syntheseconclusies van eisende partij dd 16 oktober , - de aanvullende en syntheseconclusies van verwerende partij dd 17 november 2008, - de dossiers van partijen . De verzoeningspoging ter openbare zitting van 18 december 2008 mislukte. De partijen werden gehoord op de openbare zitting van 18 december 2008 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. II VOORWERP VAN DE VORDERING De vordering van eiser strekt ertoe : - de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot de betaling van een vervangende opzeggingsvergoeding van 110.423,25 EUR; - de Vlaamse Gemeenschap te horen veroordelen tot de betaling van een vergoeding van 730.020,37 EUR, te verminderen met het bedrag van de hiervoor gevorderde opzeggingsvergoeding; - de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht begroot op l EUR provisioneel; - de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding wegens reputatieschade, begroot op 125.000 EUR; - de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot de betaling van de wettelijke en gerechtelijke interesten te rekenen vanaf 14 september 2007; III. DE FEITEN Eiser was tewerkgesteld als kabinetschef van de Vlaamse minister van Economie, Onderneming, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse handel, F. M. vanaf 22 juli 2004 tot 1 september
- In het Belgisch Staatsblad van 4 april 2006 werd er een oproep gedaan tot aanwerving van een leidend ambtenaar voor het Departement Economie Wetenschap en Innovatie , waarbij een mandaatfunctie voor een periode van 6 jaar werd aangeboden, die éénmaal hernieuwbaar was. De heer X ging in op deze oproep en werd geselecteerd als kandidaat. De heer X werd bij Beslissing van de Vlaamse Regering van 25 juli 2006 van 25 juli 2006 aangesteld in het mandaat van een managementfunctie, als Secretaris-Generaal bij het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie . Hij werd, op grond van artikel 5.9 van het Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse Overheid van 13 januari 2006, tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst. Op 20 december 2006 wendde de heer X zich tot de Vlaamse Ombudsman met een klacht aangaande onregelmatigheden die zouden zijn begaan in het kabinet van minister M.. Die klacht werd ontvankelijk verklaard door de Vlaamse Ombudsman. De minister M. werd op 2 maart 2007 bij brief van de Vlaamse Ombudsman op de hoogte gebracht van het feit dat de heer X een klacht had neergelegd, en dat hij derhalve onder bescherming van de Vlaamse Ombudsman werd geplaatst. Er werd een voorlopig verslag opgesteld door de ombudsman dat werd medegedeeld zowel aan de heer X als aan Minister M.. De ombudsman rondde zijn onderzoek af en legde zijn eindrapport neer op 9 oktober
- In uitvoering van artikel IV.13 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid ( Raamstatuut), werden de prestaties van eiser geëvalueerd voor de periode september tot december 2006 door Accord Group Belgium, een externe evaluatie-instantie. Uit dit verslag blijkt dat werd aanbevolen om een score "positief" te geven en niet een "onvoldoende, rekening houdende met het feit dat eiser nieuw is in de functie en slechts op 1 september 2006 in dienst is gekomen in een periode waarin grote veranderingen moeten doorgevoerd worden. Minister M. ontvangt het evaluatierapport van Accord Group Belgium op 13 juli 2007 en deelt het mede aan eiser op 14 augustus 2007 en stelt in de begeleidende brief : "Ik wil er u op wijzen dat deze evaluatie expliciet rekening houdt met het feit dat u slechts sinds 1 september 2006 in dienst bent gekomen en bijgevolg nieuw was in de functie. Daardoor zijn een aantal negatieve elementen in uw werking niet ten volle meegenomen bij de bepaling van de eindevaluatie waardoor deze uiteindelijk op "positief " is uitgekomen. Dat neemt uiteraard niet weg dat deze elementen, die zijn opgenomen in het evaluatieverslag, dat u door de externe evaluatie-instantie wordt toegestuurd en waarvan de conclusies door mij zijn overgenomen, te beschouwen zijn als verbeterpunten ten aanzien van uw werking in 2007" Op 31 mei 2007 krijgt Minister M. kennis van een nota uitgaande van verschillende personeelsleden van het Team Financiële Dienstverlening van het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, gericht aan eiser. In die nota worden er bezwaren geuit met betrekking tot het beleid van de heer X. Deze nota werd aan eiser overgemaakt op 16 augustus 2007 met de mededeling dat zij de intentie had een persoonlijke nota op te stellen in de zin van artikel IV punt 6 van het Raamstatuut van 13 januari
- Op 4 juli 2001 ontvangt Minister M. het preventierapport dat is opgesteld door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk IDEWE n.a.v. twee klachten die door werknemers, tewerkgesteld in het Departement Economie Wetenschap en Innovatie, waren neergelegd tegen eiser wegens pesten op het werk. Uit het onderzoek van deze externe organisatie blijkt dat een aantal zeer kritische vragen worden gesteld bij het leidinggeven van eiser. Zo wordt vermeld dat eiser : - weinig aantoonbare aandacht voor het menselijk aspect van leidinggeven, met name empathie om zich in te leven in hoe medewerkers de huidige situatie beleven; - weinig aantoonbare aandacht voor inzicht betreffende "change-management", meer in het bijzonder i.v.m. de betrokkenheid van medewerkers en de implementatie van de veranderingsplannen; - weinig aantoonbare aandacht voor de "vroegere cultuur" en het belang van personeelsregelgeving binnen de diensten van de Vlaamse overheid ; - onvoldoende transparant integriteitbeleid; - verwarring van communicatielijnen. Die externe dienst adviseert aan verweerster: " Het lijkt ons belangrijk de heer X te wijzen op manieren van communiceren die ethisch ontoelaatbaar zijn. We denken hierbij aan opmerkingen maken in het bijzijn van ondergeschikten, mogelijk vermelden van persoonlijke informatie, uitlatingen over functioneren die niet berusten op onderzochte feiten. Het is duidelijk dat een leidinggevende in deze een voorbeeldgedrag heeft welke mede bepalend is voor de cultuur van communiceren in een departement of afdeling. Het is onduidelijk of de heer X zich hiervan bewust is.". Bij aangetekende brief van 16 augustus 2007 wordt dit rapport overgemaakt aan eiser en deze werd uitgenodigd voor een gesprek dat plaats had op 5 september
- Eiser weerlegde die klachten en zowel minister M. als minister B. hebben gewezen op de ernst van de situatie. Begin september 2007 verscheen er van de hand van de heer X een boek onder de titel " Brussel, het kind van de rekening". Voordien had de heer X "Vlaanderen-Wallonië je t'aime, moi non plus" gepubliceerd, over de (voor)oordelen van Vlamingen over Wallonië en omgekeerd. De nakende publicatie van het boek over Brussel wekte de interesse van Le Soir die de heer X naar aanleiding daarvan wenste te interviewen. Het interview werd afgenomen in een Brussels café op een zaterdagmiddag. Dit artikel werd gepubliceerd in Le Soir van 11 september 2007, zowel in gedrukte versie als "on line". Dit artikel werd overgenomen door de Standaard op 11 september
- In dezelfde periode duikt er een webstek op www.-X-premier.be waarop melding gemaakt wordt van een petitie om X premier te maken. Dit webstek was een initiatief van de Optimistenbond . De heer C., Dienst Pers en communicatie van het Departement EWI, verspreidde op maandag 11 september 2007 omtrent de Webstel een bericht met als onderwerp "Verliest EWI straks haar topambtenaar ?" , waarbij het bestaan gemeld wordt van de webstek Minister M. neemt kennis op 11 september van: - de publicatie op 10 september 2007 van een interview dat eiser gaf aan "Le Soir"; - de verspreiding op 10 september 2007 via de hand- en software van verweerster van een bericht i.v..m. een petitie waarin eiser als toekomstig premier wordt voorgesteld en van een bericht uit het Laatste Nieuw van 11 september 2007, waaruit blijkt dat eiser op de hoogte is van het initiatief en het goedkeurt; Minister M. laat het eventuele ontslag om dringende reden van eiser agenderen op de eerstvolgende, wekelijkse vergadering van de Vlaamse Regering van 14 september
- Zij bezorgt aan de leden van de Vlaamse Regering op die vergadering een nota met de uiteenzetting van de feiten, zoals die haar op 11 september 2007 ter kennis werden gebracht. De Vlaamse regering beslist om eiser te ontslaan wegens dringende reden. Dit ontslag werd bij deurwaardersexploot op 14 september 2007 betekend aan eiser. Eiser stelt dat hij in de loop van vrijdagmiddag 14 september 2007 enkele berichten kreeg op zijn GSM van personen die hem meedeelden dat hij ontslagen was . In het ontslagschrijven werden de feiten als volgt uiteengezet : " De feiten die aan de basis liggen van het ontslag zijn de volgende :
- In Le Soir van 10 september 2007, zowel in gedrukte versie ( p.20, forum) als op Le Soir en ligne, verschijnt een interview met X, die erin wordt voorgesteld als de "huidige secretaris generaal van het departement Economie, Wetenschappen en Innovatie in de schoot van de Vlaamse administratie, welke o.m. de volgende passage bevat waarvan de vertaling luidt : Het is een Vlaamse functionaris die het zegt: "Wallonië is aan het opkuisen, dat is zeer goed. In Vlaanderen, om maar een voorbeeld te noemen, heeft men twee maanden geleden een openbare structuur gecreëerd die niemand nodig had, enkel omdat iemand de voorzitter moest warden van die structuur. Wat zal Vlaanderen aan Wallonië verwijten. Zij doen het niet beter (...)" Aan de heer X wordt verweten dat hij], zonder enige vermelding dat hij sprak als privé-persoon, en dus niet als personeelslid van de Vlaamse Gemeenschap -wel integendeel- de Vlaamse Gemeenschap, zijn werkgever, openlijk in het diskrediet heeft gebracht door de Vlaamse Gemeenschap, met name de Vlaamse Regering, impliciet maar zeker te beschuldigen van onbehoorlijk bestuur, zelfs van machtsafwending, hierbij ten titel van voorbeeld (aldus implicerende dat er nog meerdere andere voorbeelden zijn) de oprichting van een publiekrechtelijke structuur vermeldende die, althans volgens hem, onnodig, en uitsluitend werd opgericht omdat iemand er de voorzitter van moest warden.
- Op 10 September 2007 verspreidt de heer J.C. ., van de dienst Pers en communicatie van het departement EWI, met gebruik van hard- en software van de Vlaamse Gemeenschap / het Vlaamse Gewest, vanuit het belrokken departement, een e-mailbericht met als onderwerp: "Verliest EWI straks haar topambtenaar? ", waarbij het bestaan gemeld wordt van een website www.-X-premier.be betrekking hebbende op een online petitie om X premier te maken. Het bericht op de betrokken website vermeldt de hoedanigheid van X (secretaris-generaal van het Vlaamse departement Economic, Wetenschap en Innovatie) en diens boek "Vlaanderen-Wallonie, je t'aime moi non plus" en roept op tot het tekenen van de bedoelde petitie. Een en ander krijgt weerklank in de nationale pers (De Morgen en Het Laatste Nieuws, beide van 11 September 2007). Bij controle op 13 September 2007 blijkt deze website en de petitie nog steeds op het internet beschikbaar te zijn. Aan de heer X wordt verweten dat hij kennis hebbende of noodzakelijk moeten hebbende van het initiatief van de heer J. C., zijn woordvoerder op het departement EWI, als secretaris-generaal van het betrokken departement geen enkele actie heeft ondernomen (en dit top op heden) om dat initiatief waarbij gebruik word gemaakt van de hard- en software van de Vlaamse Gemeenschap / het Vlaamse Gewest, te doen ophouden, minstens dit af te keuren evenmin (en dit tot op heden) enige actie ondernam om zich van de initiatiefnemers van de website www.-X-premier.be zelf te dissociëren, daar waar de inhoud van deze website tevens vermeldingen bevat die van aard zijn zijn commerciële belangen te dienen door de vermelding van het hierboven vermelde boek, waarvan hij de auteur is. Deze twee feiten getuigen van een onaanvaardbaar gebrek aan loyauteit ten opzichte van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Gemeenschap, werkgever van de heer X, wordt door deze initiatieven, uitgaande van een personeelslid met de functie van leidend ambtenaar van een belangrijk departement en dus een van haar hoogste personeelsleden, publiekelijk in diskrediet gebracht. Gelet op de voorbeeldfunctie die de heer X door zijn positie bekleedt, zijn deze initiatieven onaanvaardbaar. Zij druisen in tegen de deontlogische code, zoals vastgelegd door de Omzendbrief PEBE/DVO/2006/6 van 6 juli 2006, die aan alle personeelsleden en dus zeker aan haar hoogste personeelsleden in rang de verplichting oplegt loyaal te zijn t.o.v. de werkgever en, als uildrukking van die loyauteit, zich te scharen achter de beslissingen van de Vlaamse Gemeenschap en haar Regering en ze loyaal uit te voeren, al stroken de beslissingen niet met het standpunt van het personeelslid. Is eveneens strijdig met de deontologische code het, in de hoedanigheid van personeelslid van de Vlaamse Gemeenschap, en dus niet in eigen naam en ten strikt persoonlijke titel, innemen van standpunten waarbij de rol en de werking van de Vlaamse Gemeenschap en haar regering wordt bekritiseerd. Dat deze initiatieven werden genomen op het ogenblik waarop de Vlaamse Minister President wordt geïnterpelleerd in het Vlaamse Parlement maakt tekortkomingen nog ernstiger. Deze twee feiten, welke zich voorgedaan hebben in de week van 10 september 2007, kunnen niet los gezien worden van de feiten die zich in de voorbije weken hebben voorgedaan en waarbij moet vastgesteld worden dat de heer X zich in het geheel niet houdt aan de verplichtingen die voor hem als personeelslid van de Vlaamse Regering gelden. Zo kreeg Vice-minister president F.M. op 31 mei 2007 kennis van een nota uitgaande van personeelsleden van het Team Financiële Dienstverlening MOD EWI/WSE waarin behoudens kritiek op het interne (personeels)beleid van X tevens wordt gezegd : "U (d.i. X) kan ons niet langer paaien met zoethoudertjes als dure recepties, GSM's als persoonlijk geschenk, een teamdag met alles erop en eraan inclusief lunch in "Tthe Oostend Queen", TGIF-drinks (voor de outsiders : Thank God It's Friday) en welke fratsen nog meer op kosten van ..." Deze aantijging vormt een rechtstreekse inbreuk op punt 5 van de deontologische code voor de personeelsleden van de Vlaamse administratie die de personeelsleden verplicht zuinig om te springen met de overheidsmiddelen (omzendbrief PEBE/D VO/2006/6 van 6 juli 2006: geen vooraf duidelijke en afdoende motivering aan de functioneel bevoegde minister). Op 4 juli 2007 kreeg Vice-minister-president F. M. kennis van een 'preventierapport i.v.m psychosociaal welzijn op het departement EWI n.u.v. formele klacht(en). Het betreft een rapport aangaande een onderzoek naar klachten geformuleerd door de heren A. D. en J. D. K., beiden afdelingshoofden (A2A), toegewezen aan het departement EWI en die er zich o.m. over beklagen in de organisatie van het departement geen functie te krijgen in overeenstemming met hun rang en graad, waarop ze gerechtigd zijn. De heer X werd verzocht hierover de nodige uilleg te verschaffen. In zijn repliek van 4 september 2007 ontkent secretaris-generaal X niet dat hij het artikel V
- van het zgn. raamstatuut van 13 januari 2006 en de leer van de vaste rechtspraak van de Raad van State aangaande de "passende belrekking" binnen zijn departement niet wenst toe te passen. Rekening houdend met al deze feiten is de Vlaamse Gemeenschap van oordeel dat een voortzetting van de professionele relatie onmiddellijk en definitief onmogelijk is geworden, zodat de arbeidsovereenkomst tussen de partijen om dringende reden wordt beëindigd. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidt van rechtswege tot het einde van de mandaatfunctie die werd uitgeoefend krachtens die arbeidsovereenkomst. " Verweerster stelt dat pas na het ontslag om dringende reden met name op 24 september 2007 minister M. een lijvig verslag ontving van de Interne Audit van de Vlaamse Administratie dat was opgesteld naar aanleiding van het onderzoek van die dienst naar het beleid van eiser in zijn departement. Zij had op 21 april 2007 aan de Interne Audit van de Vlaamse Administratie verzocht over te gaan tot een administratief onderzoek m.b.t. mogelijke onregelmatigheden. Het onderzoek leidde tot een lijvig verslag waaruit blijkt dat : - dat de eiser zich schuldig maakte aan niet naleving van de Vlaamse regelgeving m.b.t. het verlenen van (sub)delegaties en de rapportering over die delegaties; - dat de eiser zonder enig bewijs aan een secretaresse toeliet om op weekbasis 15u15 overuren te presteren, waarvoor zij ook vergoed werd hetgeen volgens een aantal personeelsleden van zijn departement was ingegeven door de wil van de eiser aan zijn secretaresse een hogere verloning te geven dan volgens de salarisschalen die overeenkomstig het Vlaams Personeelsstatuut van toepassing zijn; - dat de eiser de opdracht gaf om bij de berekening van zijn wedde rekening te houden met 22 jaar voorgaande prestaties, zonder de nodige bewijsstukken voor te leggen en zonder een beslissing van de Vlaamse Gemeenschap in die zin; - dat het brandstofgebruik van de door de eiser als dienstwagen gebruikte voertuigen merkelijk hoger is dan het door de fabrikanten aangegeven gemiddelde brandstofverbruik voor deze wagens; - dat de eiser zonder voorafgaande machtiging van de minister 150 gsm-toestellen schonk aan personeelsleden van zijn departement en aan een personeelslid van het beleidsdomein Landbouw en Visserij en dat hij voor de aankoop van deze gsm-toestellen de wetgeving inzake de overheidsopdrachten miskende; - dat de eiser aan een aantal personeelsleden financiële tegemoetkomingen toestond, waarvoor geen reglementaire basis voorhanden was; - dat de eiser voor zichzelf een aantal zendingen naar het buitenland goedkeurde die niet werden goedgekeurd en zelfs niet gecommuniceerd aan de bevoegde minister; - dat de eiser nagelaten heeft om aan een aantal personeelsleden uit zijn departement een gepaste dienstaanwijzing te geven, hoewel meerdere afdelingen werden opgericht in het departement en het mogelijk was om aan de personeelsleden een functie toe te kennen in overeenstemming met de graad die zij bekleden; - dat de eiser voor bepaalde personeelsleden van zijn departement de plannings- en evaluatiecycli niet respecteerde. Het besluit van de Interne Audit van de Vlaamse Administratie luidt "Globaal genomen kan worden gesteld dat de heer X binnen de hem verleende vrijheidsgraden erg creatief met de reglementering (en de deontologische code) is omgesprongen en deze in een aantal gevallen zelfs heeft overtreden. IAVA heeft vastgesteld dat op het vlak van verantwoording en transparantie van de besluitvorming zeker nog een hele weg is af te leggen." Bij schrijven van 10 en 11 oktober 2007 betwist de raadsman van eiser het hem betekende ontslag om dringende reden en maakt hij aanspraak op een reeks vergoedingen waarop verweerster niet wenste in te gaan zodat er overgegaan werd tot dagvaarding. IV. IN RECHTE
- De opzeggingsvergoeding. Eiser betwist het ontslag om dringende reden omdat : - het ontslag om dringende reden laattijdig zou gegeven zijn, - de ingeroepen feiten geen ernstige tekortkomingen zouden uitmaken die het ontslag om dringende reden rechtvaardigen - hij niet werd gehoord voorafgaandelijk aan zijn ontslag. a. De tijdigheid van de dringende reden Ontslag om dringende reden mag niet meer zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen betekend is aan de partij die zich hierop beroept.(artikel 35, lid 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978) De termijn van drie werkdagen van artikel 35 WAO begint slechts te lopen vanaf het ogenblik waarop de partij die het ontslag betekent " voldoende kennis heeft van de feiten " ( Cass. 11.1.01993 JTT 93, 58). Het feit dat aanleiding geeft tot het ontslag om dringende reden is aan de ontslaggevende partij dan ook slechts effectief bekend wanneer deze omtrent het bestaan van het feit en de omstandigheden die daarvan een dringende reden kunnen maken, voldoende zekerheid heeft om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen, met name voor eigen overtuiging en tevens ten aanzien van de andere partij als ten aanzien van de rechtbank ( Cass. 14 mie 1979, R.W. 79-80, 1791). Het is de partij die de dringende reden inroept, die moet bewijzen dat zij de termijn voor ontslag wegens dringende reden geëerbiedigd heeft. De termijn van drie werkdagen neemt een aanvang de dag na de die a que, d.w.z de dag na de dag waarop de feiten bekend zijn . Alle dagen van de week, zon- en feestdagen uitgezonderd gelden als werkdagen, ongeacht de arbeidsregeling van de onderneming of van de werknemer. Het is de persoon of het orgaan bevoegd om ontslag te geven die voldoende kennis moet hebben van de feiten die een grond vormen tot een ontslag wegens dringende reden , omdat de termijn van drie werkdagen zou beginnen lopen. Het Hof van Cassatie besliste dat de beslissing die de bij artikel 35, 3de lid, Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde termijn doet ingaan vanaf het ogenblik waarop het door de werkgever als dringende reden aangevoerde feit bewezen kan worden beschouwd en eist dat de werkgever derwijze georganiseerd is dat de persoon die gemachtigd is om de overeenkomst te beëindigen tijdig op de hoogte is gebracht van dat feit, zodat hij binnen de aldus gepreciseerde termijn het ontslag ter kennis kan brengen, onwettig is ( Cass. 7 december 1998 www. Casss. be). Aangezien enkel de Vlaamse Regering bevoegd is om over te gaan tot het ontslag van de houders van een managementfunctie van niveau N zoals de functie van Secretaris-Generaal, die eiser bekleedde . Het is dus niet voldoende dat bepaalde ministers op de hoogte zouden zijn geweest van het artikel in de pers om te zeggen dat de termijn van drie werkdagen van dan af zou zijn ingegaan. Minister M. heeft een omstandige verklaring opgesteld en onmiddellijk de Vlaamse Regering op de hoogte gebracht dat het ontslag van eiser zou worden besproken op de eerste volgende vergadering van de Vlaamse Regering. De beslissing diende genomen te worden door de voltallige regering en dat nergens door de wet voorzien wordt dat er een bijzondere vergadering diende te worden samengeroepen om het ontslag aan de voltallige Regering voor te leggen. De bewering van eiser dat alle ministers of minstens de meeste ministers reeds kennis zouden gehad hebben van de publicatie van het artikel in Le Soir wordt vooreerst niet bewezen doch is ook irrelevant aangezien het de Vlaamse Regering als collegiaal orgaan de bevoegdheid had om tot ontslag over te gaan. Alvorens tot ontslag over te gaan werd aan de voltallige regering de feiten uitgelegd in verband met de publicaties van het artikel in Le Soir. De rechtbank meent dan ook dat het ontslag om dringende reden tijdig werd betekend . b) Wat de dringende reden betreft Artikel 35 § 2 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 omschrijft de dringende reden als " de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt". Opdat er sprake zou zijn van een dringende reden dienen volgende voorwaarden cumulatief vervuld te zijn : - er dient een ernstige tekortkoming te zijn vanwege de werkgever of de werknemer ; - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt ; - en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief. (Engels C. Ontslag wegens dringende reden , Reeks " Recht en Praktijk", Mechelen , Kluwer, 2006, 1-2). Voor een ontslag wegens dringende reden volstaat het dus dat de door de werknemer gestelde handeling van die aard is dat het vertrouwen en geloof in het verder zetten van de contractuele verhouding onmogelijk wordt. De ernst van de tekortkoming moet steeds in concreto beoordeeld te worden in verhouding tot de verwachtingen die men in de persoon van de werknemer redelijk mag stellen ( Arbeidshof Antwerpen 24 mei 1993, J.T.T. 94, 76). Immers , het feit dat een ontslag wegens dringende reden rechtvaardigt is het feit zelf, samen met alle omstandigheden die de aard van een dringende reden kunnen geven ( Cass. 6 september 2004, R.W. 2004-2005, 742). Een handeling die als dringende reden wordt aangevoerd, dient niet op zichzelf te worden beschouwd maar ook geïnterpreteerd te worden in functie van de implicaties die de handeling heeft op het vlak van vertrouwen dat de werkgever in de werknemer moet hebben. In concreto, dient vastgesteld te worden dat eiser in het interview , gegeven aan Le Soir , de Vlaamse Gemeenschap , zijn werkgever, beschuldigt van "het oprichten van een publieke structuur waar niemand de bevoegdheid heeft, enkel omdat iemand voorzitter van die structuur moest worden" . Dit komt erop neer te zeggen dat de Vlaamse Gemeenschap aan machtsafwending doet. Verweerster stelt terecht dat door de formulering " om maar een voorbeeld te geven " eiser suggereert dat dergelijke praktijken bij de Vlaamse Gemeenschap meermaals gebeurd zijn. Het feit dat hij dergelijke uitspraken doet in eigen naam of in zijn hoedanigheid van Secretaris Generaal is voor de Rechtbank van weinig belang. Inderdaad in zijn hoedanigheid van Secretaris Generaal , die een vertrouwensfunctie is en als publieke persoon, heeft hij de plicht van gereserveerdheid en discretie bij het geven van een interview. Het vertellen dat verweerster een publieke structuur opgericht heeft, enkel en alleen omdat iemand voorzitter van die structuur moest worden, en de insinuatie dat dit regelmatig voorkomt schaadt het vertrouwen die verweerster moet hebben in elk van zijn bedienden of ambtenaren en elke situatie waarbij het vertrouwen van een werkgever fundamenteel geschokt is, zoals in casu, maakt een ontslag om dringende reden rechtsgeldig. Zijn beweringen tasten niet alleen het vertrouwen van verweerster aan maar ook dat van de lezers van dit interview en werpt een twijfel over de correctheid van de ministers . De vrijheid van mening en de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd door de Grondwet beletten niet dat het een persoon verboden is afbreuk te doen aan het gezag en de goede naam van zijn werkgever, te meer het hier gaat om publieke personen. Het publiekelijk uiten van kritiek op de werkgever is onaanvaardbaar en vormt een dringende reden. De plicht tot gereserveerdheid vormt een maatregel die nodig is in een democratische samenleving en die niet in strijd is met de Grondwet noch met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens ( Raad van State, Nr
- 781 12 maart 2007). Door de uitlatingen en insinuaties in de krant Le Soir van 10 september 2006, werd het vertrouwen van verweerster ontegensprekelijk verbroken. Dat iedere persoon en eiser als auteur het recht heeft zijn persoonlijke visie op het publieke forum te ventileren. Eiser ,als topambtenaar, beter dan wie ook wist dat het interview dat hij gegeven had als deloyaal was ten opzichte van zijn werkgever. Dat dergelijke handelswijze van die aard is dat elk vertrouwen en geloof in het verderzetten van de contractuele verhouding onmogelijk wordt. Eiser werd derhalve terecht wegens dringende reden ontslagen . Aangezien de dringende reden erkend werd is het overbodig de andere dringende redenen te bespreken.
- De hoorplicht. De rechtbank is de menig toegedaan dat verwerende partij als Vlaamse Regering, de verplichting heeft zowel de wet van 29 juli 1991 op de formele motiveringsplicht van bestuurshandelingen als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toe te passen ook wanneer het om contractuelen gaat. Inderdaad het beginsel van behoorlijk bestuur houdt in dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen; Dat dit beginsel niet enkel t.o.v. ambtenaren geldt , maar een algemene draagwijdte heeft. (R.v St. 19/01/98 nr 70876) Er bestaat geen wettelijke verplichting , binnen het arbeidsovereenkomstenrecht om bij een ontslag om dringende reden, de bediende te horen. Dit wordt ook bevestigd door het Hof van Cassatie ( Cass. 9/9/0004, J.T.T. 2005, ) De algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb) beogen ervoor te zorgen dat de discretionaire en éénzijdige bevoegdheden waarover bepaalde personen beschikken om welbepaalde doelstellingen van algemeen belang te behartigen, niet worden misbruikt. De abbb beogen meer in het algemeen de burgers een aantal fundamentele garanties te bieden telkens zij in aanraking komen met een overheidsoptreden, ongeacht of dit de vorm aanneemt van een eenzijdig bindend optreden. ( F. Vandendriessche " het toepassingsgebied van de beginselen van behoorlijk bestuur, ed. I. Opdebeek & M. Van Damme, die Keure, administratieve rechtsbibliotheek, 2006 n° 57 e.v.). Ten onrechte stelt verweerster dat indien deze principes moeten worden toegepast de Raad van State bevoegd zou zijn om kennis ten nemen van deze zaak. Het Hof van Cassatie oordeelde in zijn arrest van 17 november 1994, ( Arr. Cass. 1995,967) dat de Raad van State niet bevoegd is om zich uit te spreken in het raam van een arbeidsovereenkomst. In tegenstelling tot hetgeen A. De Becker stelt , meent de Rechtbank dat een hoorplicht wel dient opgelegd te worden aangezien de ontslagbeslissing een éénzijdige rechtshandeling is met een individuele strekking die rechtsgevolgen teweegbrengt en een wijziging in de rechtstoestand van de ontslagen werknemer. Artikel 1 van de formele motiveringswet stipuleert dat onder bestuurshandeling wordt verstaan " de éénzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurders (in casu werknemer) of voor een ander bestuur. De schending van dit algemeen beginsel heeft tot gevolg dat verweerster een fout heeft begaan. Het is aan eiser aan te tonen dat hij hierdoor een nadeel heeft geleden, hetgeen hij niet aantoont.( Arbeidshof Brussel 26.11.2002 SRK 2003, 458 ) ( Arbeidshof Luik J.T.T. 2008 p.73).
- De schadevergoeding wegens de beweerde onregelmatige beëindiging van de mandaatfunctie. Het Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de diensten van de Vlaamse overheid van 13 januari 2006 bepaalt, in zijn artikel 5.14 dat de mandaatfunctie slechts kan eindigen in vijf gevallen, als volgt : Artikel 5.14 De mandaatfunctie eindigt in volgende gevallen :
- bij een evaluatie met vermelding "onvoldoende"
- in beginsel na 12 jaar in dezelfde functie, onverminderd artikel V 15
- in onderling overleg met de opdrachtgever, 4 op vraag van betrokkene zelf,
- na de duurtijd van het project, indien dit korter is da 6 jaar. Eiser oefende een mandaatfunctie uit in de zin van artikel V.2 van het Raamstatuut. Die functie wordt overeenkomstig artikel V.9 uitgeoefend : - hetzij door een persoon die voor de aanstelling in de mandaatfunctie, al ambtenaar was bij de Diensten van de Vlaamse Overheid, in welk geval de aanstelling in de functie gebeurt op basis van een eenzijdige administratieve rechtshandeling van de aanstellende overheid; - hetzij door een persoon die voor de aanstelling in de mandaatfunctie, geen ambtenaar was bij de Diensten van de Vlaamse Overheid, in welk geval de aanstelling in de functie gebeurt op basis van een arbeidsovereenkomst die, volgens het Raamstatuut, van onbepaalde duur is, hoewel de uitoefening van de functie in principe slechts voor een bepaalde duur geldt. Eiser stelt dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet voorkomt als een van de 5 beëindigingsgronden zodat hij een aanzienlijke financiële schade heeft geleden. Normalerwijze had hij een mandaat voor een periode van 6 jaar , dat kon verlengd worden met nogmaals 6 jaar. Artikel V.16 van het Raamstatuut vermeldt : " dat aan de bij arbeidsovereenkomst aangeworven titularis van de mandaatfunctie zoals bedoeld in artikel V 9, § 1 waarvan het mandaat wordt beëindigd en die niet wordt aangeworven in een volgend of in een ander mandaat, ontslag wordt verleend met toepassing van de regels van het arbeidsrecht." De toelichting bij artikel V.16 van het Raamstatuut stelt letterlijk : "Voor volledigheid , het arbeidsrecht zelf kent ook nog (andere) oorzaken en beëindigingswijzen van het contract dan de oorzaken die bij artikel V14 van dit besluit worden voorzien zoals, bijvoorbeeld, het ontslag om dringende redenen. Deze wijzen van beëindiging eigen aan het arbeidsrecht komen bovenop de in dit besluit vermelde redenen voor beëindiging van de mandaatfunctie." Hieruit volgt dat bij ontslag wegens dringende redenen ook de mandaatfunctie wordt beëindigd. De beëindiging van de functie is het gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. De rechtbank meent dat de mandaatfunctie uitgeoefend werd op basis van de onderliggende arbeidsrelatie en daarvan afhankelijk is. Dit gedeelte van de vordering is derhalve ongegrond. 4 Misbruik van ontslagrecht als klokkenluider Eiser stelt dat de beslissing van de Vlaamse Regering tot ontslag om dringende reden, verband houdt met zijn klacht bij de Vlaamse Ombudsdienst eind 2006 als zogenaamde klokkenluider, en het voorlopig rapport dat de Vlaamse Ombudsdienst voor het ontslag had overgemaakt aan Minister M. en de heer X zelf. Minister M. werd op 2 maart 2007 door de Vlaamse Ombudsman op de hoogte gebracht van de klacht waardoor eiser onder de bescherming van de Vlaamse Ombudsdienst werd geplaatst, conform het decreet houdende instelling van de Vlaamse Ombudsdienst van 7 juli 1998 en het protocol tot regeling van de bescherming van de klokkenluiders. Artikel 5 van het Protocol bepaalt : " Tijdens de beschermingsperiode kan de bevoegde overheid ten aanzien van het personeel slechts tuchtstraffen of andere openlijke en verdoken maatregelen nemen, voor zover deze tuchtstraffen of maatregelen geen verband houden met de melding van de onregelmatigheid, tenzij deze maatregelen worden getroffen op verzoek van het personeelslid." Aangezien de rechtbank de mening is toegedaan dat de dringende reden terecht werd ingeroepen lastens eiser meent zij ook dat het ontslag geen verband houdt met de klacht die werd neergelegd lastens Minister M. Hierbij dient gesteld te worden dat in de nota die Minister M. voorbereidde ter gelegenheid van de vergadering van de voltallige Vlaamse Regering zij vermeldde dat eiser beschermd was ingevolge het hogervermelde protocol Het is de voltallige Vlaamse Regering die de beslissing nam eiser te ontslaan wegens dringende reden, niettegenstaande het feit dat zij op de hoogte was van de ingediende klacht. Dit gedeelte van de vordering is evenmin gegrond.
- Schadevergoeding wegens reputatieschade en schadeverwekkende omstandigheden van en volgend op het ontslag Aangezien de dringende reden werd erkend meent de Rechtbank dat dit gedeelte van de vordering ongegrond is. Eiser verwijst naar de interpellaties die in de plenaire vergadering van 26 september 2007 in het Vlaams Parlement plaats hadden in verband met zijn ontslag. Eiser stelt dat hij niet op de hoogte was van het auditverslag doch toont dit niet aan. Verder dient gesteld te worden dat eiser zoals reeds vermeld Secretaris Generaal van de Administratie Economie was en dus ook een publieke persoon . Het is dan ook normaal dat het ontslag van een topambtenaar publiekelijk wordt besproken. Aangezien de rechtbank de mening is toegedaan dat de Vlaamse Gemeenschap niet op lichtzinnige wijze heeft gehandeld meent zij ook dat er hier geen reputatieschade kan worden toegekend. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK Rechtdoende op tegenspraak en in eerste aanleg; Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Wijst eiser ervan af en veroordeelt hem tot de kosten van het geding begroot op rechtsplegingsvergoeding 7.500 euro en dagvaardingskosten 150,54 euro . Aldus gevonnist door de 24ste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, waar zitting hielden: Mevrouw M.E. MAUROY, Ondervoorzitter, Mevrouw J. HUINEN, Rechter in sociale zaken werkgever, De heer J. VERSTRAETEN, Rechter in sociale zaken, bediende, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2009 waar aanwezig waren : mevrouw M.E. MAUROY, Voorzitter, bijgestaan door mevrouw C. DE VLEESCHAUWER, griffier. De Griffier, De Rechters in sociale zaken, De Ondervoorzitter, C. VLEESCHAUWER J. VERSTRAETEN J. HUINEN M.E. MAUROY PDF document ECLI:BE:ARBRL:2009:JUG.20090129.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div