← België

ECLI:BE:ARBRL:2010:JUG.20100108.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 08 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:ARBRL:2010:JUG.20100108.13 Rolnummer: 06/11441/A Rechtsgebied: Strafrecht - Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2010-06-01 Raadplegingen: 281 - laatst gezien 2026-07-02 21:11 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE - Discriminatie - racisme - xenofobie: Internationaal recht SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Vakbondsafvaardiging SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Flexibele pensioenleeftijd SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Bijzondere regimes SOCIAAL RECHT - INTERNATIONAAL SOCIAAL RECHT - Multilaterale verdragen SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Andere wijzen van beëindiging Vrije woorden: BURGERLUCHTVAART - PENSIOENLEEFTIJD PILOTEN - prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 07-12-1944 Wet - 19-03-1991 - 2 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL 23ste kamer - openbare zitting van 08 januari 2010 VONNIS A.R.. nr 11441/06 Arbeidsovereenkomst bediende Aud. nr Rép. nr 010/ IN DE ZAAK : De Heer A, wonende te eisende partij, verschijnende in persoon, bijgestaan door Mter Guido Lamal, advocaat te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Leuvensesteenweg, 369; TEGEN : De N.V. BRUSSELS AIRLINES, voorheen DELTA AIR TRANSPORT, afgekort D.A.T., handel drijvend onder de benaming (SN) BRUSSELS AIRLINES, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 Brussel, Jaargetijdenlaan, 100-102, bus 3, KBO nr. 0400.853.488, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mter Jef Degrauwe, advocaat te 2000 Antwerpen, Amerikalei, 92; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken, Gelet op de wet van 10 oktober 1967, houdend het Gerechtelijk Wetboek, De procedure De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken: · de gedinginleidende dagvaarding betekend op 29 juni 2006; · de beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek dd. 21 september 2006; · de conclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 30 november 2006; · de conclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 30 januari 2007; · de aanvullende conclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 2 april 2007; · de conclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 30 april 2007; · de syntheseconclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 4 juni 2007; · de beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek dd. 11 september 2007; · de tweede aanvullende conclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 21 december 2007; · de conclusies na voortzetting der debatten van eisende partij neergelegd ter griffie op 7 februari 2008; · de syntheseconclusies na voortzetting der debatten van verwerende partij neergelegd ter griffie op 7 maart 2008; · de syntheseconclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 15 oktober 2008; · de syntheseconclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 28 november 2008; · de beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek dd. 3 maart 2009; · de syntheseconclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 28 mei 2009; · de syntheseconclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 28 augustus 2009; · en van de dossiers van partijen; De verzoeningspoging ter zitting van 13 november 2009 mislukte. De partijen hebben gepleit ter voornoemde zitting, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. I. DE VORDERINGEN: A. HOOFDVORDERING. De vordering van eisende partij, zoals uitééngezet in syntheseconclusies, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 28 mei 2009, strekt ertoe: In hoofdorde: Verweerster te horen veroordelen tot betaling van:

  1. Een vergoeding op grond van artikel 17 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden overeenstemmende met 3 jaar loon, hetzij 416.097,51 EURO bruto provisioneel, te vermeerderen met de wettelijke intresten op dit brutobedrag vanaf 23 mei
  2. Een vergoeding bedoeld in artikel 16 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden op grond van artikel 17 van dezelfde wet ten bedrage van 288.956,60 EURO bruto provisioneel, te vermeerderen met de wettelijke intresten op dit brutobedrag vanaf 23 mei
  3. Een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht ten bedrage van 69.349,59 EURO provisioneel, te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf 21 juni
  4. De bovenvermelde intresten op de beschermingsvergoeding te kapitaliseren conform artikel 1154 B.W., en te zeggen voor recht dat de door DAT verschuldigde intresten worden gekapitaliseerd op 15 oktober 2008 en dat de aldus gekapitaliseerde intresten bij de hoofdsommen worden gevoegd en opnieuw intrest afwerpen. De bovenvermelde intresten op de schadevergoeding te kapitaliseren conform artikel 1154 B.W., en te zeggen voor recht dat de door DAT verschuldigde intresten worden gekapitaliseerd op 15 oktober 2008 en dat de aldus gekapitaliseerde intresten bij de hoofdsommen worden gevoegd en opnieuw intrest afwerpen. DAT met toepassing van de artikelen 877 en 878 Ger. W. te bevelen stukken over te leggen waaruit de werkgeversbijdrage aan de hospitalisatieverzekering blijkt. DAT te veroordelen tot afgifte van een aangepast formulier C4, onder verbeurte van een dwangsom van 125 EUR per dag vertraging te rekenen vanaf 1 week na de betekening van het tussen te komen vonnis. DAT tevens te veroordelen tot de gerechtelijke intresten en tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding voorzien in artikel 1022 Ger. W, begroot op 20.000,00 Euro. Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling noch aanbod van kantonnement. In ondergeschikte orde: De heer A toe te laten met alle middelen van recht, met inbegrip van getuigen, het bewijs te leveren dat: - DAT zonder veel moeite het werkschema van een piloot kan aanpassen, om hem bepaalde bestemmingen wel of niet toe te kennen, - DAT op verzoek van de heer A hem in de maanden voorafgaand aan mei 2006, zoveel mogelijk bestemmingen toekende naar Italië en Frankrijk. In uiterst ondergeschikte orde: Het Arbitragehof te vatten met volgende prejudiciële vraag: De vraag rijst of het feit dat voor leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart de leeftijd van 65 jaar in artikel 83 §1 eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt vervangen door die van 55 jaar niet tot gevolg heeft dat leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart worden gediscrimineerd ten opzichte van alle andere bedienden beoogd door artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet daar enerzijds de grondslag van deze andere behandeling (nl. de belastende en stresserende aard der tewerkstelling) blijkbaar niet meer wordt weerhouden door het ICAO dat de leeftijd zelf verhoogt tot 65 jaar en anderzijds het pensioenstelsel voor vliegend personeel toelaat om pensioenrechten op te bouwen tot de leeftijd van 65 jaar ? XXX Verweerster besluit tot het volgende: In hoofdorde: De vorderingen van eiser ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en dienvolgens af te wijzen. Eiser te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding op grond van artikel 1022 Ger.W., aan de zijde van verweerster begroot op 20.000 EUR. In ondergeschikte orde: Verweerster toe te laten door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, te bewijzen dat eiser, bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, 73% van de geprogrammeerde vluchten van juni 2006 niet meer zou kunnen uitvoeren. Verweerster toe te laten door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, te bewijzen dat eiser, bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, niet meer als reservepiloot kon worden opgesteld. In dat geval de kosten aan te houden. In meer ondergeschikte orde: Indien de Arbeidsrechtbank, per impossibile, van oordeel zou zijn dat de zogenaamde Rule of 60, die voortvloeit uit het Internationaal Verdrag "Convention on International Civil Aviation" van Chicago van 7 december 1944 en die ten aanzien van piloten strikt geïmplementeerd werd in diverse landen, waaronder Frankrijk (vliegverbod) en Italië (verbod om te landen en op te stijgen), en in België geïmplementeerd werd in die zin dat een piloot ouder dan 60 jaar slechts een vliegtuig mag besturen onder de beperkende cumulatieve voorwaarden vermeld in artikel 21 van het KB van 10 januari 2000 tot regeling van de burgerlijke vergunningen van bestuurder van vliegtuigen geen situatie van overmacht deed ontstaan waardoor de arbeidsovereenkomst van eiser een einde nam per 23 mei 2006, de volgende prejudiciële vragen te richten aan het Grondwettelijk Hof: Vraag 1 De vraag wordt opgeworpen of, indien een werknemer die lid is van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart niet het voordeel van de bepalingen van artikel 2 van de Wet van 19 maart 1991 verliest wegens het bereiken van de op deze categorie van werknemers toepasselijke wettelijke pensioenleeftijd van 55 jaar, of wegens het bereiken van de leeftijd waarop de werkgever ten aanzien van deze categorie van werknemers gewoonlijk overgaat tot ontslag (in casu, bij verweerster, 60 jaar), dat niet tot gevolg heeft dat een voorrecht wordt gecreëerd voor de beschermde piloten-werknemers dat discriminerend is ten opzichte van de niet-beschermde piloten-werknemers? Conform artikel 83 WAO, kunnen de niet-beschermde piloten-werknemers immers reeds in het vooruitzicht van het bereiken van de leeftijd van 55 jaar ontslagen worden mits een verkorte opzeggingstermijn van maximaal zes maanden, en deze piloten worden ook de facto uiterlijk in het vooruitzicht van het bereiken van de leeftijd van 60 jaar ontslagen gelet op de operationele moeilijkheden waarmee de werkgever zoniet wordt geconfronteerd in het licht van de Rule of
  5. De beschermde werknemers daarentegen genieten van een ontslagbescherming tot aan de leeftijd van 65 jaar, ex artikel 2,§2 van de Wet van 19 maart
  6. Vraag 2 De vraag wordt opgeworpen of, indien een werknemer die lid is van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart niet het voordeel van de bepalingen van artikel 2 van de Wet van 19 maart 1991 verliest wegens het bereiken van de op deze categorie van werknemers toepasselijke wettelijke pensioenleeftijd van 55 jaar, of wegens het bereiken van de leeftijd waarop de werkgever ten aanzien van deze categorie van werknemers gewoonlijk overgaat tot ontslag (in casu, bij verweerster, 60 jaar), dat niet tot gevolg heeft dat een voorrecht wordt gecreëerd voor de werkgevers in de sector van de burgerlijke luchtvaart die in de feiten geen beschermde werknemers tewerkstellen die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, in vergelijking met die luchtvaartmaatschappijen waar zich onder de beschermde werknemers wel leden van het stuurpersoneel bevinden die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt? In dat geval de kosten aan te houden. In uiterst ondergeschikte orde: De vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond te verklaren. Het bedrag van de beschermingsvergoeding te begroten op 600.079,28 EUR en dit te compenseren met het bedrag van 53.865,76 EUR dat onverschuldigd aan eiser werd betaald. Dienvolgens, verweerster slechts te veroordelen tot het saldo van maximum 546.213,52 EUR bruto, te verminderen met de wettelijke en de contractuele inhoudingen. Alvorens recht te doen met betrekking tot de vordering van eiser wat betreft de intresten op het bruto bedrag van de beschermingsvergoeding en de kapitalisatie ervan, de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te richten: Vraag: Schendt artikel 10, tweede lid van de Loonbeschermingswet al dan niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de werkgever in geval van vertraging in de uitvoering van zijn verbintenis tot het betalen van loon, niet alleen aan de werknemer intrest verschuldigd is op het gehele loon, dus ook op dat deel ervan dat overeenstemt met de in te houden RSZ-bijdragen van de werknemer en bedrijfsvoorheffing, doch bovendien aan de derden die het recht hebben de betaling van die RSZ-bijdragen en die bedrijfsvoorheffing van hem te vorderen, zijnde de RSZ en Belgische Staat, op het deel van het loon dat overeenstemt met de in te houden RSZ-bijdragen en bedrijfsvoorheffing, verwijlintrest verschuldigd is, terwijl elke andere schuldenaar op eenzelfde deel van de schuld maar één maal verwijlintrest verschuldigd is, en wel enkel aan die schuldeiser die m.b.t. dat deel over een opeisbare schuldvordering beschikt? In dat geval de kosten aan te houden. In alle andere hypothesen: De vordering van eiser tot kapitalisatie van de intresten op de schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht ongegrond te verklaren; Eiser te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding op grond van artikel 1022 Ger.W., aan de zijde van verweerster begroot op 20.000 EUR. B. TEGENVORDERING. Voor zover het bedrag van 53.865,76 EUR bruto niet zou worden afgehouden van de het bedrag of de bedragen tot betaling waarvan verweerster zou veroordeeld worden, eiser te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 53.865,76 EUR, vermeerderd met de intresten vanaf de datum van betaling aan eiser. Eiser te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding op grond van artikel 1022 Ger.W., aan de zijde van verweerster begroot op 20.000 EUR. II. DE FEITEN: Verweerster is een internationale luchtvaartmaatschappij. Eiser, geboren op 23 mei 1946, is als piloot in dienst getreden op 9 januari
  7. Eiser was kandidaat bij de sociale verkiezingen van 2004 en werd verkozen tot plaatsvervangend lid van de ondernemingsraad. Eiser werd gedurende zijn tewerkstelling gepromoveerd tot gezagvoerder van lijnvluchten, die worden gevlogen met vliegtuigen van het type Avro RJ
  8. De voorschriften waaraan een piloot moet voldoen, worden vermeld in het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 (hierna, het "Verdrag van Chicago"). Artikel 2.1.10.2 van Bijlage I van het Verdrag van Chicago, zoals van toepassing op 23 mei 2006, datum waarop eiser 60 jaar werd, luidt als volgt: "Een Contracterende Staat, die vliegvergunningen heeft afgeleverd, zal de houders hiervan niet toelaten om de functie van gezagvoerder van een vliegtuig uit te oefenen dat ingezet wordt in geplande internationale vluchten of niet-geplande internationale luchtvervoeroperaties tegen vergoeding of loon indien de houders van de vergunning hun 60ste verjaardag hebben bereikt." ( vrije vertaling uit het Engels). Artikel 2.1.10.2 van Bijlage I van het Verdrag van Chicago, zoals van toepassing op datum van 23 mei 2006, bevat overigens eveneens een aanbeveling aan de verdragsluitende staten om de maximumleeftijd van een co-piloot eveneens vast te stellen op 60 jaar: "Aanbeveling - Een Contracterende Staat, die vliegvergunningen heeft afgeleverd, zou de houders hiervan niet mogen toelaten om te handelen als co-piloot van een vliegtuig dat ingezet wordt in geplande internationale vluchten of niet-geplande internationale luchtvervoeroperaties tegen vergoeding of loon indien de houders van de vergunning hun 60ste verjaardag hebben bereikt." ( vrije vertaling uit het Engels). Het Verdrag van Chicago is niet door alle verdragsluitende staten op dezelfde wijze geïmplementeerd: Zo was de Belgische regelgeving ten tijde van de 60-ste verjaardag van eiser op 23 mei 2006, met betrekking tot de maximumleeftijd niet conform aan het Verdrag van Chicago. Artikel 21 van het K.B. van 10 januari 2000 tot regeling van de burgerlijke vergunningen van bestuurder van vliegtuigen bepaalde namelijk: "De houder van een vergunning van bestuurder die 60 jaar of ouder is, mag in een luchtvaartuig ingezet in het handelsluchtvervoer de functies van bestuurder niet meer uitoefenen, tenzij als lid van een meerkoppige bemanning en op voorwaarde dat hij dan het enige lid van het stuurpersoneel is dat de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt. De houder van een vergunning van bestuurder die 65 jaar of ouder is mag geen enkele functie van bestuurder uitoefenen op een luchtvaartuig dat ingezet is in het handelsluchtvervoer." Krachtens deze bepaling verbood België dus in principe dat een piloot nog een vliegtuig bestuurde boven de leeftijd van 60 jaar, tenzij in de uitzonderlijke gevallen waarin de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn: - de piloot is jonger dan 65 jaar en - de piloot maakt deel uit van een meerkoppige bemanning en - de overige leden van het stuurpersoneel zijn jonger dan 60 jaar Slechts indien de voormelde cumulatieve voorwaarden waren vervuld, was het de piloot die ouder is dan 60 jaar toegestaan om vanuit België op te stijgen, in België te landen en/of over het Belgische grondgebied te vliegen. Zoniet, dan was dit verboden, ook in het geval van noodsituaties. Deze regeling is ook vandaag nog steeds van kracht en staat opgenomen in artikel 21 van het K.B. van 4 maart 2008 tot regeling van de burgerlijke vergunningen van de bestuurder van vliegtuigen. Andere landen, waaronder Frankrijk en Italië, pasten de leeftijdsvoorschriften van het Verdrag van Chicago wel volledig toe. In deze landen gold bovendien de regel dat de vliegvergunningen van andere landen die de leeftijdsvoorwaarden van het Verdrag van Chicago niet volledig en/of correct hebben geïmplementeerd niet worden erkend, zoals artikel 33 van het Verdrag toelaat. Als gevolg hiervan gold ten tijde van de 60-ste verjaardag van eiser dat wanneer een piloot (zowel gezagsvoerder als copiloot) ouder was dan 60 jaar: - voor Frankrijk: dat deze piloot niet over het grondgebied van Frankrijk mocht vliegen en het verboden was om op een luchthaven in Frankrijk te landen of op te stijgen. Indien dit verbod overtreden werd, konden op basis van art. L-150 van het Franse Wetboek betreffende de Burgerluchtvaart op de betrokken luchtvaartmaatschappij de volgende sancties worden toegepast: een geldboete van 75.000 EUR en 1 jaar gevangenisstraf, ook in geval van noodsituaties. - voor Italië: op de luchthavens in Italië mochten piloten, die niet aan de minimumvoorschriften voldoen, niet landen of opstijgen. Gelet op het feit dat eiser op 23 mei 2006 de leeftijd van zestig jaar zou bereiken, zou hij met ingang van die datum niet langer voldoen aan de leeftijdsvereisten voorgeschreven door het Verdrag van Chicago. Verweerster zond aan eiser op 16 februari 2006 een aangetekend schrijven met de mededeling dat hij niet langer de functie van gezagvoerder zou kunnen uitoefenen nadat hij de leeftijd van 60 jaar zou hebben bereikt. Verweerster deelde aan eiser mee dat de verdere uitvoering van de arbeidsovereenkomst onmogelijk zou worden bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar en stelde hem voor ontslag te nemen. Op 28 februari 2006 antwoordde eiser echter dat hij in dienst wenste te blijven en zelf geen ontslag zou nemen. Hij wees erop dat hij het minimum aantal dienstjaren om van zijn pensioen te kunnen genieten anders niet zou bereiken. Lijnpiloten genieten van een bijzonder pensioenregime (dubbel pensioen berekend op 30ste i.p.v. 45ste) dat echter in een minimale anciënniteit voorziet van 21 jaar. Bijgevolg diende de heer A in dienst te blijven tot 2011, zoniet zou dit gevolgen hebben voor zijn pensioen, Verweerster heeft op 2 maart 2006 een verzoek gericht aan het Paritair Comité 315 voor de Handelsluchtvaart met de vraag om de ontslagbescherming van eiser op te heffen. Op 13 april 2006 werd verweerster ervan ingelicht dat de economische/ technische reden door het Paritair Comité niet werden erkend. Verweerster heeft voor de arbeidsrechtbank geen beroep aangetekend tegen deze beslissing. Ondertussen was op 10 maart 2006, bij de zitting van de 177ste sessie van de ICAO (Organisatie van de Internationale Burgerlijke Luchtvaart), waarbij België is aangesloten, een nieuw amendement aanvaard bij het Verdrag van Chicago waarbij de leeftijd voor gezagvoerders op lijnvluchten van 60 naar 65 jaar werd verhoogd. Het nieuwe artikel 2.1.10.1 van Bijlage 1 aan het Verdrag van Chicago dat werd goedgekeurd op 10 maart 2006 en uitwerking kreeg op 23 november 2006 luidt als volgt (stuk 28): "A Contracting State, having issued pilot licences, shall not permit the holders thereof to act as pilot-in command of an aircraft engaged in international commercial air transport operations if the licence holders have attained their 60 th birthday or, in case of operations with more than one pilot where the other pilot is younger than 60 years of age, their 65 birthday." Vrije vertaling: "Een lidstaat, die vliegvergunningen heeft afgeleverd, zal de houders ervan niet toelaten te handelen als gezagvoerder van een vliegtuig dat ingezet wordt in internationaal commercieel luchtvervoer indien de houders van de vergunningen de leeftijd van 60 jaar bereikt hebben of, in geval van operaties met meer dan 1 piloot wanneer de andere jonger is dan 60 jaar, de leeftijd van 65 jaar. In de schoot van het ICAO waren alle leden met uitzondering van Frankrijk, Venezuela en de V.S. het eens om de leeftijd voor een gezagvoerder te verhogen van 60 naar 65 jaar. Het Franse Ministerie van Transport heeft aan het ICAO gemeld dat Frankrijk de leeftijd voor gezagvoerders handhaaft op 60 jaar, doch tevens gemeld dat zij op grond van artikel 33 van het Verdrag van Chicago wel vliegtuigen uit andere lidstaten in haar luchtruim toelaat waarvan de gezagvoerders de leeftijd tot 65 jaar hebben. Bijgevolg werd de Franse circulaire van het Bestuur der Luchtvaart (AIC A21/00 AUG 17), die voorziet dat gezagvoerders met een leeftijd hoger dan 60 jaar het Franse luchtruim niet mogen overvliegen, afgeschaft (zoals blijkt uit de e-mail van de heer B, Frans Bestuur der Luchtvaart). Krachtens artikel 33 van het Verdrag van Chicago moet elke lidstaat inderdaad de vliegvergunningen afgeleverd door een andere lidstaat als geldig erkennen op voorwaarde dat bij het afleveren de voorwaarden van het Verdrag van Chicago en haar bijlagen werden in acht genomen. Italië, dat zich in maart 2006 in de schoot van het ICAO niet heeft verzet tegen een verhoging van de leeftijd voor gezagvoerders van 60 tot 65 jaar, heeft deze nieuwe grens van 65 jaar aanvaard. Bijgevolg zou een gezagvoerder die de leeftijd van 60 jaar overschrijdt vanaf 23 november 2006 over het Franse en Italiaanse luchtruim kunnen vliegen en er kunnen landen. Op 11 mei 2006 deelt de raadsman van de heer A aan DAT mee dat haar cliënt met vakantie is van 11 tot en met 22 mei 2006, doch zij zich erover verbaast dat haar cliënt, die normaal zijn vluchtschema's krijgt de 20ste van de maand voorafgaand, zijn vluchtschema's nog niet heeft ontvangen. DAT wordt formeel in gebreke gesteld deze vluchtschema's af te leveren, zodat eiser zijn arbeidsovereenkomst met ingang op 23 mei 2006 verder zou kunnen uitvoeren. Verweerster heeft bij schrijven van 10 mei 2006, verzonden op 11 mei 2006 (beide brieven hebben zich blijkbaar gekruist), eiser ingelicht over het feit dat een overmachtsituatie met ingang van 23 mei 2006 een definitief einde zou stellen aan de arbeidsovereenkomst. Verweerster deelde daarbij mee dat zij aan de heer A een vergoeding zou betalen gelijk aan 6 maanden loon, naar analogie met de regeling inzake het ontslag van niet-beschermde werknemers in toepassing van artikel 83 WAO Aan eiser werd het volgende meegedeeld: "Geachte heer A, Op 23 mei 2006 bereikt u de leeftijd van 60 jaar. Dit betekent dat de verdere uitvoering van uw arbeidsovereenkomst wegens omstandigheden buiten onze wil materieel onmogelijk wordt per 23 mei
  9. In die omstandigheden moeten wij u tot onze spijt meedelen dat de verbintenissen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst tussen SNBA en uzelf op 23 mei 2006 met onmiddellijke ingang een einde nemen, op grond van overmacht. Hoewel de beëindiging van de verbintenissen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst op grond van overmacht in hoofde van een werkgever geen verplichting doet ontstaan tot de betaling van enige vergoeding, zal SNBA u een bijzondere premie betalen, waarvan het bedrag overeenstemt met 6 maanden bruto loon, te verminderen met de wettelijke en contractuele inhoudingen. De omvang van deze premie is bepaald naar analogie met hetgeen wettelijk voorzien is in artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet, bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vanaf de leeftijd van 55 jaar, voor wat betreft de leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart. De situatie van overmacht vloeit voort uit de volgende gegevens: 1/ Het is u ongetwijfeld bekend dat verschillende landen niet toelaten dat piloten die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, als gezagvoerder van een vliegtuig boven het luchtruim van hun staat vliegen. Dit is in Europa onder meer het geval voor Frankrijk. Het is materieel onmogelijk dat u gezag zou voeren over een vliegtuig met routes van en naar Zaventem wanneer het u niet is toegestaan om over het luchtruim van de voormelde landen te vliegen, laat staan er te landen. Vooral het verbod om over het luchtruim van Frankrijk te vliegen is onverzoenbaar met de uitvoering van uw taken als gezagvoerder van een burgervliegtuig dat systematisch landt op en opstijgt vanuit de luchthaven van Zaventem, op weg naar of terugkomend van een van onze talrijke bestemmingen ten Zuiden van België of in Zuid-Europa. 67 % van de pairings voor de maand juni 2006 vereisen vluchten door het luchtruim van Frankrijk of bestemmingen in Italië, hetgeen voor u vanaf 23 mei 2006 absoluut onmogelijk wordt. 2/ Bovendien moet opgemerkt worden dat SNBA ten aanzien van haar passagiers en van derden verplicht is om alle mogelijke inspanningen te leveren om de veiligheid van haar operaties te garanderen. Dit veronderstelt dat iedere gezagvoerder de reële mogelijkheid moet hebben om, zonder enige belemmering, en dus zeker ook zonder miskenning van een vliegverbod opgelegd door een bepaald land, op ieder ogenblik, af te wijken van de normale vliegroutes en voorziene bestemmingen, en desnoods uit te wijken naar een andere luchthaven om er te landen, wanneer bijzondere weers- of andere omstandigheden dit vereisen. SNBA bevindt zich wegens de enorme verantwoordelijkheden en aansprakelijkheidsrisico's eigen aan de luchtvaartsector, in een positie waar zij niet de minste reële of potentiële situatie van miskenning van de internationale regels inzake de burgerluchtvaart kan aanvaarden. 3/ De wetgever heeft in artikel 83 WAO de mogelijkheid voorzien om een werknemer op te zeggen mits een opzeggingstermijn van 6 maanden met het oog op de beëindiging van de arbeidsrelatie vanaf de eerste dag volgend op de maand waarin de betrokken werknemer de leeftijd van 65 jaar bereikt. De wetgever heeft, in acht genomen de bijzondere regels van toepassing in de burgerluchtvaart, deze leeftijdsgrens verlaagd tot 55 jaar wanneer de betrokken werknemer lid is van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel in de burgerluchtvaart. SNBA voert een personeelsbeleid dat erin bestaat iedere piloot die de leeftijd van 60 jaar zal bereiken, te ontslaan met inachtneming van voormeld artikel 83 WAO. De Wet van 19 maart 1991 voorziet niet uitdrukkelijk de mogelijkheid om een (kandidaat-) personeelsafgevaardigde te ontslaan met een verkorte opzeggingstermijn tegen het bereiken van een bepaalde leeftijd. Deze verschillende behandeling tussen (kandidaat-) personeelsafgevaardigden en andere werknemers (artikel 83 AOW) is mogelijk strijdig met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Evenwel bent u er van op de hoogte dat SNBA voorafgaandelijk heeft getracht om de reglementaire onmogelijkheid om nog langer vluchten uit te voeren als gezagvoerder van een burgervliegtuig vanaf de leeftijd van 60 jaar door het bevoegde Paritair Comité te laten erkennen als een "economische of technische reden" in de zin van artikel 2, §1 van de Wet van 19 maart
  10. Indien het Paritair Comité deze reden zou hebben erkend, had SNBA u ontslagen met toepassing van artikel 83 WAO. Op datum van 13 april 2006 werd de vennootschap ingelicht dat er geen unanieme beslissing was bereikt op het niveau van het Paritair Comité. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat er in ieder geval sprake is van overmacht ingevolge het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, in uw geval dus vanaf 23 mei
  11. Zoals gesteld, zal de vennootschap u niettemin, om billijkheidsredenen, een premie uitbetalen waarvan het bedrag overeenstemt met 6 maanden loon. * * * De beëindiging van de arbeidsovereenkomst verplicht ons om u te verzoeken om de volgende zaken, die toebehoren aan de vennootschap binnen te leveren; zoals badges, boeken, sleutels van kastje, sleutels van de mailbox in de crewroom etc. Wij verzoeken u om hiertoe te willen overgaan vóór 31 mei
  12. Tevens zullen wij u, tezamen met de loonafrekening voor de maand mei 2006 en de hoger vermelde premie, de vergoedingen bij uitdiensttreding betalen. De sociale documenten zullen u binnen de wettelijke termijnen worden afgeleverd. Aarzelt u niet om ons te contacteren mocht u hieromtrent verdere vragen of opmerkingen hebben. Op maandag 29 mei 2006 richtte eiser een schrijven, gepost op woensdag 24 mei 2006 (donderdag 25 mei 2006 was een feestdag) aan verweerster, dat als volgt luidt: "Geachte heer, Ik neem kennis van uw ontslagbrief d.d. 10 mei 2006 krachtens dewelke U een einde hebt gesteld aan mijn arbeidsovereenkomst met ingang op 23 mei 2006 zonder rekening te houden met de procedure voorzien in artikel 2 van de Wet van 19 maart 1991 houdende de bijzondere ontslagregeling voor personeelsafgevaardigden. Bijgevolg verzoek ik u formeel om mij conform artikel 14 van dezelfde wetgeving in mijn functie te re-integreren. Tevens verzoek ik U mij het gederfde loon uit te betalen tussen het moment van de verbreking van mijn arbeidsovereenkomst en het moment van mijn re-integratie. Ik zou u dank weten mij uw standpunt binnen de wettelijke termijn mee te delen." Verweerster heeft per aangetekend schrijven van 31 mei 2006 aan eiser geantwoord: "Wij hebben kennis genomen van uw aangetekende brief van 24 mei
  13. Er is duidelijk sprake van een misverstand in uwen hoofde, aangezien de vennootschap niet is overgegaan tot uw ontslag. Wel werd in onze aangetekende brief van 10 mei 2006 meegedeeld dat de verbintenissen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst tussen SNBA en uzelf op 23 mei 2006 een einde zouden nemen op grond van overmacht. De arbeidsovereenkomst heeft inmiddels effectief op die grond een einde genomen. Artikel 14 van de Wet van 19 maart 1991 is niet aan de orde, zodat er geen reden is om op uw verzoek in te gaan." Bij aangetekend schrijven d.d. 6 juni 2006 heeft de heer A aan DAT laten weten dat bij gebreke aan enige overmacht er volgens hem wel degelijk sprake is van toepassing van artikel 14 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden en dat uit het schrijven van DAT d.d. 31 mei 2006 het afwijzen van het op 24 mei 2006 overgemaakte verzoek tot re-integratie blijkt. Op 29 juni 2006 ging de heer A over tot dagvaarding van verweerster. III. IN RECHTE A. HOOFDVORDERING Standpunt verweerster De arbeidsovereenkomst tussen partijen nam volgens verweerster een einde op 22 mei 2006 wegens definitieve overmacht, aangezien eiser definitief in de absolute onmogelijkheid verkeerde om de arbeidsovereenkomst verder uit te voeren, nu hij de leeftijd van 60 jaar had bereikt op 23 mei
  14. Deze vaststelling werd aan eiser meegedeeld per aangetekend schrijven van 10 mei
  15. Bijgevolg is er aan eiser geen enkele ontslagvergoeding verschuldigd, nu artikel 2, §6 van de wet van 19 maart 1991 uitdrukkelijk overmacht vernoemt als een wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Indien geen overmacht wordt weerhouden, meent verwerende partij dat eisende partij de arbeidsovereenkomst beëindigde door zich niet meer op het werk aan te bieden. Standpunt eiser Eiser is van oordeel dat er geen overmacht voorhanden was en dat verweerster daarom de arbeidsovereenkomst beëindigd heeft door middel van ontslag. Aangezien verweerster de procedure voorzien door de wet van 19 maart 1991 niet zou hebben gerespecteerd, is zij een beschermingsvergoeding verschuldigd op grond van artikel 16 en 17 van deze wet. Eiser begroot deze vergoedingen op respectievelijk 3 jaar loon, hetzij 416.097,51 euro bruto provisioneel en op het loon voor de nog resterende periode tot het einde van zijn mandaat, hetzij 288.956,60 euro bruto provisioneel. Daarenboven heeft verweerster zich volgens eiser schuldig gemaakt aan misbruik van ontslagrecht, waardoor hij schade zou hebben geleden voor 69.349,59 euro .
  16. Nam de arbeidsovereenkomst een einde wegens overmacht? Principes: Verweerster beroept zich op overmacht bij toepassing van artikel 2, §1 en §6 van de wet van 19 maart 1991 dat bepaalt : §
  17. De personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden kunnen slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend. ... §
  18. Geen enkele andere wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan die bepaald in § 1, mag ingeroepen worden, met uitzondering van : - de afloop van de termijn; - de voltooiing van het werk waarvoor de overeenkomst werd gesloten; - de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door de werknemer; - het overlijden van de werknemer; - overmacht; - het akkoord tussen de werkgever en de werknemer De wettelijke grondslag voor de notie van overmacht is te vinden in de art. 1147-1148 Burgerlijk Wetboek. Deze artikelen bepalen dat een schuldenaar die door vreemde oorzaak, overmacht of toeval verhinderd is zijn verbintenis na te komen geen schadevergoeding verschuldigd is. Het Hof van Cassatie heeft het begrip overmacht verder uitgewerkt. Het Hof vereist voor overmacht een onvoorzienbare en onvermijdbare gebeurtenis die onafhankelijk is van de wil van de schuldenaar en die een onoverkomelijk beletsel uitmaakt voor de nakoming van zijn verbintenis. Het Hof van Cassatie besliste dat de overeenkomst geschorst wordt indien de overmacht tijdelijk is en van rechtswege ontbonden wordt indien de overmacht blijvend is (Cass., 13 januari 1956, R.W. 1956-57, 569). Artikel 26, lid 1 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de door overmacht ontstane gebeurtenissen niet de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg hebben wanneer zij slechts tijdelijk de uitoefening van de overeenkomst schorsen. Overmacht kan de arbeidsovereenkomst dus schorsen. Overmacht kan echter ook een definitieve belemmering vormen voor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. In artikel 32, aanhef en 5° van de arbeidsovereenkomstenwet wordt immers duidelijk gesteld dat naast de algemene wijzen waarop verbintenissen teniet gaan, de verbintenissen die voortspruiten uit een arbeidsovereenkomst een einde nemen door overmacht. Overmacht veronderstelt een niet te voorziene gebeurtenis, die niet aan een fout van de schuldenaar kan worden toegeschreven, en een onoverkomelijke hinderpaal vormt voor de verdere uitvoering van de arbeidsovereenkomst. (Claeys & Engels, Praktijkboek Ontslag, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, 2006, 9) Overmacht kan slechts voortvloeien uit een gebeurtenis die partijen noch kunnen voorzien, noch vermijden. (Claeys & Engels, Praktijkboek Ontslag, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, 2009, 10) Opdat er sprake zou zijn van overmacht in de zin van artikel 2, §1 en §6 van de wet van 19 maart 1991, dienen dus volgende voorwaarden vervuld te zijn:
  19. de uitvoering van de arbeidsovereenkomst moet volstrekt onmogelijk zijn
  20. deze onmogelijkheid tot uitvoering moet definitief zijn
  21. de overmacht moet onvoorzienbaar zijn. Indien één van deze voorwaarden niet vervuld is, kan er geen sprake zijn van overmacht. Toepassing in concreto: Er dient te worden vastgesteld dat aan minstens één van de drie voorwaarden, welke cumulatief dienen vervuld te zijn om overmacht vast te stellen, niet is voldaan. Inderdaad, zoals hierboven uiteengezet, kan er geen sprake zijn van overmacht indien de feiten die worden ingeroepen voorzienbaar zijn, wat in casu het geval was. Verweerster stelt dat de eis van onvoorzienbaarheid geen apart kernmerk van overmacht is, maar dient gerangschikt te worden onder de karakteristieke afwezigheid van schuld en verwijst daarvoor naar de auteur W. RAUWS "Civielrechtelijke beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst: nietigheid, ontbindend beding en overmacht", Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1987,
  22. Verweerster verwijst naar een vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel dat oordeelde dat de arbeidsovereenkomst wegens overmacht ten einde kwam met een werknemer uit Mauritius wiens arbeidsvergunning niet werd verlengd, zodat de werkgever deze werknemer niet langer in dienst kon houden (Arbrb. Brussel 15 december 1980, J.T.T. 1981, 155). Auteur W.Rauws, waarnaar verweerster zelf verwijst, geeft echter volgend commentaar op voormeld vonnis: "Zoals gezegd vergt het vereiste van de ontstentenis van fout dat de feiten die de schuldenaar als overmacht wenst in te roepen, niet voorzienbaar waren bij het sluiten van de overeenkomst. Gelet op de vele, deels wisselvallige, voorwaarden die voor de hernieuwing van een arbeidskaart van een bepaalde duur moeten zijn vervuld is het duidelijk dat het niet hernieuwen van die kaart voor de werkgever, die een vreemde werknemer aanwerft, reeds van bij de aanwerving voorzienbaar is. De werkgever kan bijgevolg de weigering tot hernieuwen van de arbeidskaart niet als overmacht inroepen. De werkgever die zonder enig voorbehoud verbintenissen aangaat die de duur van de arbeidskaart van zijn werknemer overschrijden en niet tijdig opzegt, hoewel de niet-hernieuwing van de arbeidskaart reeds bij het afsluiten van de arbeidsovereenkomst voorzienbaar is, begaat een fout. In casu was het ongetwijfeld voorzienbaar voor verweerster dat vanaf 23 mei 2006, de datum waarop eiser 60 jaar werd, eiser niet langer zou voldoen aan de leeftijdsvereisten voorgeschreven door het Verdrag van Chicago en eiser dus niet meer over het grondgebied van Frankrijk zou mogen vliegen en het verboden was om op een luchthaven in Frankrijk en Italië te landen of op te stijgen. Dit was voorzienbaar op de datum van het afsluiten van de arbeidsovereenkomst van eiser in
  23. Dit was zeker voorzienbaar op het ogenblik dat eiser de leeftijd van 55 jaar bereikte en waarop de arbeidsovereenkomst, in overeenstemming met artikel 83 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 met een verkorte opzeggingstermijn van 6 maanden door de werkgever kon worden opgezegd. Verweerster heeft eiser na de leeftijd van 55 jaar verder in dienst gehouden, wetende dat eiser vanaf 23 mei 2006 niet meer in het luchtruim en/of op hun luchthavens van Frankrijk of Italië zou worden toegelaten vanaf zijn zestigste verjaardag en wetende dat er een kans bestond dat eiser zou deelnemen aan sociale verkiezingen, waardoor hij bescherming geniet tot de leeftijd van 65 jaar bij toepassing van artikel 2, §2, in fine van de Wet van 19 maart 1991 dat bepaalt dat het voordeel van de bescherming tegen ontslag niet meer wordt toegekend aan de personeelsafgevaardigden die de leeftijd van 65 jaar bereiken. Aangezien aan minstens één van de voorwaarden, welke cumulatief dienen vervuld te zijn om overmacht te aanvaarden, m.n. de onvoorzienbaarheid, niet is voldaan, is het in casu niet dienstig de andere voorwaarden te onderzoeken. Verweerster heeft zich bijgevolg ten onrechte beroepen op overmacht als wijze van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van eiser.
  24. Op welke wijze nam de arbeidsovereenkomst van eiser een einde? Standpunt van partijen : Verweerster stelt in ondergeschikte orde dat indien de arbeidsovereenkomst van eiser op 23 mei 2006 geen einde heeft genomen wegens overmacht, daaruit geenszins volgt dat verweerster een ontslaghandeling zou hebben gesteld. Immers, de wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ontbrak. Indien verweerster ten onrechte overmacht inriep, dan werd de arbeidsovereenkomst niet beëindigd door haar schrijven dd. 10 mei 2006, maar wel door het feit dat eiser zich niet meer op het werk aanbood en vrijwillig wegbleef zonder enig voorbehoud te maken. Eiser stelt dat verweerster integendeel duidelijk heeft laten verstaan dat de arbeidsovereenkomst een einde nam op 23 mei 2006 en ervoor gezorgd heeft dat hij zich niet meer kon aanbieden op het werk na 23 mei
  25. Beoordeling: Het is niet de werkgever of de werknemer die de arbeidsovereenkomst wegens overmacht beëindigt, het is de overmacht die de arbeidsovereenkomst beëindigt, als zodanig vastgesteld door de werkgever of door de werknemer. Volgens het Hof van Cassatie heeft de werkgever die ten onrechte feiten inroept als overmacht, niet zijn wil uitgedrukt de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Hij kan zich dus niet beroepen op een door hemzelf gegeven ontslag. Omgekeerd kan de werknemer het onterecht beroep dat een werkgever doet op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door overmacht, wel beschouwen als een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. Het volstaat dat hij die beëindiging vaststelt. Doet hij dat niet, dan blijft de Arbeidsovereenkomst bestaan (Cass. 19 mei 2008, S.07.0068.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080519.5). In casu werd de overmacht vastgesteld door de werkgever. Middels een schrijven vanwege DAT d.d. 10 mei 2006 werd de heer A onder andere het volgende medegedeeld : " (...) Op 23 mei bereikt u de leeftijd van 60 jaar. Dit betekent dat de verdere uitvoering van uw arbeidsovereenkomst wegens omstandigheden buiten onze wil materieel onmogelijk wordt per 31 mei
  26. Bijgevolg moeten wij u tot onze spijt meedelen dat de verbintenissen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst tussen SNBA en uzelf op 23 mei 2006 met onmiddellijke ingang een einde zullen nemen, op grond van overmacht. (...) De beëindiging van de arbeidsovereenkomst verplicht ons om u te verzoeken om de volgende zaken, die toebehoren aan de vennootschap binnen te leveren; zoals badges, boeken, sleutels van kastje, sleutels van de mailbox in de crewroom etc. Wij verzoeken u om hiertoe te willen overgaan vóór 31 mei
  27. Tevens zullen wij u, tezamen met de loonafrekening voor de maand mei 2006 en de hoger vermelde premie, het vertrekvakantiegeld betalen. De sociale documenten zullen u binnen de wettelijke termijnen worden afgeleverd. (...)" Verweerster heeft zich, zoals hierboven uiteengezet, in deze brief echter ten onrechte op overmacht beroepen. Op 11 mei 2006 (deze brief kruist blijkbaar de brief van de werkgever van 10 mei 2006 waarin de overmacht wordt ingeroepen) deelt de raadsman van eiser aan DAT mee dat haar cliënt met vakantie is van 11 tot en met 22 mei 2006, doch zij zich erover verbaast dat haar cliënt, die normaal zijn vluchtschema's krijgt de 20ste van de maand voorafgaand, zijn vluchtschema's nog niet heeft ontvangen. DAT wordt formeel in gebreke gesteld deze vluchtschema's af te leveren, zodat hij zijn arbeidsovereenkomst met ingang op 23 mei 2006 verder zou kunnen uitvoeren. Op maandag 29 mei 2006 richtte eiser een schrijven, gepost op woensdag 24 mei 2006 (donderdag 25 mei 2006 was een feestdag) aan verweerster, dat als volgt luidt: "Geachte heer, Ik neem kennis van uw ontslagbrief d.d. 10 mei 2006 krachtens dewelke U een einde hebt gesteld aan mijn arbeidsovereenkomst met ingang op 23 mei 2006 zonder rekening te houden met de procedure voorzien in artikel 2 van de Wet van 19 maart 1991 houdende de bijzondere ontslagregeling voor personeelsafgevaardigden. Bijgevolg verzoek ik u formeel om mij conform artikel 14 van dezelfde wetgeving in mijn functie te re-integreren. Tevens verzoek ik U mij het gederfde loon uit te betalen tussen het moment van de verbreking van mijn arbeidsovereenkomst en het moment van mijn re-integratie. Ik zou u dank weten mij uw standpunt binnen de wettelijke termijn mee te delen." Uit dit schrijven blijkt duidelijk dat eiser het onterecht beroep dat zijn werkgever deed op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door overmacht, wel degelijk beschouwde als een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever en dat eiser dus die beëindiging weldegelijk heeft vastgesteld. Verweerster, en niet eiser, heeft bijgevolg de arbeidsovereenkomst op 10 mei 2006 op onregelmatige wijze beëindigd.
  28. De ongrondwettelijkheid van artikel 2, §2, in fine van de wet van 19 maart 1991 en van artikel 83 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli
  29. Standpunt van de partijen Verweerster meent dat het past om een prejudiciële vraag te richten aan het Grondwettelijk Hof over de overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel van artikel 2, §2 in fine van de wet van 19 maart 1991, samen gelezen met artikel 83 WAO. Krachtens de combinatie van deze beide artikelen, kan men immers alle werknemers met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd opzeggen met een opzeggingstermijn van 6 maanden om een einde te maken aan die overeenkomst vanaf het ogenblik waarop zij de leeftijd van 65 jaar bereiken. Deze leeftijd wordt door artikel 83 WAO op 55 jaar gebracht voor wat betreft het stuurpersoneel van de burgerluchtvaart, terwijl artikel 2, §2 in fine van de wet van 19 maart 1991 bepaalt dat de werknemers het voordeel van deze bescherming niet langer genieten vanaf de leeftijd van 65 jaar, zonder een uitzondering te voorzien voor het stuurpersoneel van de burgerlijke luchtvaart. Eiser meent dat er geen reden is om deze prejudiciële vraag van verweerster te stellen, aangezien de motivatie om de pensioenleeftijd voor piloten op 55 jaar vast te leggen niet meer actueel zou zijn, zeker niet nu het ICAO de mogelijkheid biedt om onder bepaalde voorwaarden tot 65 jaar als gezagvoerder te fungeren. Eiser wenst dan ook eerder zelf een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid met het gelijkheidsbeginsel van de handhaving van de uitzondering die artikel 83 WAO voorziet voor het stuurpersoneel van de burgerlijke luchtvaart. De vraag rijst volgens eiser of het feit dat voor leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart de leeftijd van 65 jaar in artikel 83 §1 eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt vervangen door die van 55 jaar niet tot gevolg heeft dat leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart worden gediscrimineerd ten opzichte van alle andere bedienden beoogd door artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet daar enerzijds de grondslag van deze andere behandeling (nl. de belastende en stresserende aard der tewerkstelling) blijkbaar niet meer wordt weerhouden door het ICAO dat de leeftijd zelf verhoogt tot 65 jaar en anderzijds het pensioenstelsel voor vliegend personeel toelaat om pensioenrechten op te bouwen tot de leeftijd van 65 jaar ? Toepassing
  30. Vraag van verweerster. Het past de tekst van artikel 83 WAO te vergelijken met de tekst van artikel 2, §2 in fine van de Wet van 19 maart
  31. Het oorspronkelijke artikel 83 WAO hield het volgende in: "Indien de opzegging wordt gegeven om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken op het tijdstip waarop de bediende de normale leeftijd bereikt voor het volledig wettelijk pensioen, of daarna, wordt de termijn van opzegging in afwijking van het bepaalde in artikel 82 vastgesteld op zes maanden wanneer de opzegging van de werkgever uitgaat. Deze termijnen worden evenwel tot de helft teruggebracht indien de bediende minder dan vijf jaar dienst telt in de onderneming. Tijdens de in het eerste lid bepaalde opzeggingstermijnen geniet de bediende het voordeel van het bepaalde in artikel 85." Artikel 2, §2, in fine van de Wet van 19 maart 1991, vermeldt het volgende: "Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt niet meer toegekend aan de personeelsafgevaardigden die de leeftijd van 65 jaar bereiken, behoudens wanneer de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers, waartoe zij behoren, in dienst te houden." Hieromtrent is naar aanleiding van de Parlementaire voorbereiding de volgende vraag gesteld: "De heer Vangansbeke vraagt of de maximumgrens van vijfenzestig jaar in het laatste lid van §2 wel in overeenstemming is met de nieuwe regeling inzake flexibele pensioenleeftijd. De Minister antwoordt dat een verlaging van de maximumgrens tot zestig jaar afbreuk zou doen aan de flexibiliteit qua pensioenleeftijd tussen zestig en vijfenzestig jaar die nu zowel voor mannen en vrouwen van toepassing is. Het arbeidsrecht moet zich blijven richten op het geven van waarborgen aan werknemers, ook die tussen zestig en vijfenzestig jaar." Uit deze passage blijkt, zoals verweerster terecht stelt, dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een parallel te leggen tussen enerzijds de wettelijke pensioenleeftijd en anderzijds de mogelijkheid voor de werkgever om de beschermde werknemer te ontslaan. Op dat ogenblik heeft de wetgever geen rekening gehouden met het feit dat de pensioenleeftijd in de burgerluchtvaart vastgesteld was op 55 jaar. Dit was ook normaal, vermits op het ogenblik van de stemming van de wet van 19 maart 1991, in het artikel 83 WAO nog geen verwijzing opgenomen was naar de pensioenleeftijd in de sector van de burgerluchtvaart. Het is pas door artikel 7 van de Wet van 20 juli 1991 houdende begrotingsbepalingen (B.S., 1 augustus 1991), dat de volgende tekst werd ingevoegd onder het eerste lid van artikel 83 WAO: "Voor de leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart worden de leeftijden van 65 en van 60 jaar vervangen door de leeftijd van 55 jaar." Deze aanvulling bij de wet werd in de Memorie van Toelichting als volgt gemotiveerd: "De leden van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart hebben recht op een volledig pensioen op de leeftijd van 55 jaar. Hun werkgever moet dus de bepalingen van artikel 83 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten kunnen toepassen." Tijdens de bespreking van dit wetsontwerp in de Kamer, werd het volgende opgemerkt: "De Minister herinnert eraan dat ingevolge de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd van werknemers er sedert 1 januari 1991 geen normale pensioenleeftijd meer bestaat. Om die reden dient in de wet van 3 juli 1978 te worden gepreciseerd dat voor de leden van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart de verkorte opzeggingstermijnen gelden vanaf de leeftijd van 55 jaar. Een lid vraagt of deze maatregel verband houdt met de specifieke aard van het betrokken beroep of integendeel het gevolg is van de saneringsoperatie bij Sabena. De Minister antwoordt dat onderhavig artikel enkel en alleen verband houdt met de belastende en stresserende werkzaamheden van deze arbeidskrachten. Het is een kwalitatieve maatregel die geen uitstaans heeft met de sanering van Sabena." Verweerster merkt op dat er geen enkele objectieve, noch verantwoordbare reden is waarom deze kwalitatieve maatregel vervolgens niet eveneens werd ingevoegd in artikel 2,§2 van de Wet van 19 maart 1991, zodat deze ook van toepassing zou zijn op beschermde werknemers die piloot zijn in de burgerluchtvaart. Bovenvermelde gegevens geven volgens verweerster aanleiding tot de hiernavolgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. « Vraag 1.De vraag wordt opgeworpen of, indien een werknemer die lid is van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart niet het voordeel van de bepalingen van artikel 2 van de Wet van 19 maart 1991 verliest wegens het bereiken van de op deze categorie van werknemers toepasselijke wettelijke pensioenleeftijd van 55 jaar, of wegens het bereiken van de leeftijd waarop de werkgever ten aanzien van deze categorie van werknemers gewoonlijk overgaat tot ontslag (in casu, bij concluante, 60 jaar), dat niet tot gevolg heeft dat een voorrecht wordt gecreëerd voor de beschermde piloten-werknemers dat discriminerend is ten opzichte van de niet-beschermde piloten-werknemers. Conform artikel 83 WAO, kunnen de niet-beschermde piloten-werknemers immers reeds in het vooruitzicht van het bereiken van de leeftijd van 55 jaar ontslagen worden mits een verkorte opzeggingstermijn van maximaal zes maanden, en deze piloten worden ook de facto uiterlijk in het vooruitzicht van het bereiken van de leeftijd van 60 jaar ontslagen gelet op de operationele moeilijkheden waarmee de werkgever zoniet wordt geconfronteerd in het licht van de Rule of
  32. De beschermde werknemers daarentegen genieten van een ontslagbescherming tot aan de leeftijd van 65 jaar, ex artikel 2,§2 van de Wet van 19 maart 1991 ». "Vraag 2.De vraag wordt opgeworpen of, indien een werknemer die lid is van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart niet het voordeel van de bepalingen van artikel 2 van de Wet van 19 maart 1991 verliest wegens het bereiken van de op deze categorie van werknemers toepasselijke wettelijke pensioenleeftijd van 55 jaar, of wegens het bereiken van de leeftijd waarop de werkgever ten aanzien van deze categorie van werknemers gewoonlijk overgaat tot ontslag (in casu, bij concluante, 60 jaar), dat niet tot gevolg heeft dat een voorrecht wordt gecreëerd voor de werkgevers in de sector van de burgerlijke luchtvaart die in de feiten geen beschermde werknemers tewerkstellen die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, in vergelijking met die luchtvaartmaatschappijen waar zich onder de beschermde werknemers wel leden van het stuurpersoneel bevinden die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt. Deze eerste luchtvaartmaatschappijen kunnen namelijk een piloot die de leeftijd van 60 jaar nadert met toepassing van artikel 83 WAO ontslaan middels een verkorte opzeggingstermijn van maximaal zes maanden. De laatstgenoemde luchtvaartmaatschappijen daarentegen worden, wegens de samenloop van enerzijds de onmogelijkheid om deze piloten te ontslaan (tenzij mits miskenning van de Wet van 19 maart 1991) en anderzijds de onmogelijkheid om deze piloten verder in normale omstandigheden te werk te stellen (wegens de zogenaamde Rule of 60, de leeftijdsgrens van 60 jaar die voortvloeit uit internationale verdragen) geplaatst voor verregaande operationele moeilijkheden die bovendien een niet te verwaarlozen financiële impact hebben ». Aangezien voor deze rechtbank een vraagstuk rijst van overeenstemming van een wet met artikel 10 en 11 van de Grondwet, oordeelt deze rechtbank dat het past, bij toepassing van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, hierover volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: « Schendt artikel 2,§2 van de Wet van 19 maart 1991, in samenlezing met artikel 83 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat een beschermde werknemer die lid is van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart geniet van een ontslagbescherming tot aan de leeftijd van 65 jaar en hij niet het voordeel van de bepalingen van artikel 2 van de Wet van 19 maart 1991 verliest wegens het bereiken van de op deze categorie van werknemers toepasselijke wettelijke pensioenleeftijd van 55 jaar, of wegens het bereiken van de leeftijd waarop de werkgever ten aanzien van deze categorie van werknemers gewoonlijk overgaat tot ontslag, terwijl een niet-beschermde werknemer, lid van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart, conform artikel 83 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, in het vooruitzicht van het bereiken van de leeftijd van 55 jaar ontslagen kan worden mits een verkorte opzeggingstermijn van maximaal zes maanden".
  33. Vraag van eiser. Bij de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn is, met ingang van 1 januari 1991, een einde gemaakt aan het algemeen stelsel van de vaste pensioenleeftijd van vijfenzestig jaar voor mannen en zestig jaar voor vrouwen. Artikel 15 van dezelfde wet wijzigt in het licht van de flexibele pensioenleeftijd, artikel 83 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, waarbij voorzien wordt in verkorte opzeggingstermijnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd. Artikel 7 van de wet van 20 juli 1991 houdende begrotingsbepalingen vult de nieuwe bepaling van genoemd artikel 83 van de wet van 3 juli 1978 aan voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart. Artikel 7 van de wet van 20 juli 1991 behelst een aanpassing van de bepalingen betreffende de verkorte opzeggingstermijnen aan de pensioenleeftijd van het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart. Eiser stelt zich de vraag of het feit dat voor leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart de leeftijd van 65 jaar in artikel 83 §1 eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt vervangen door die van 55 jaar niet tot gevolg heeft dat leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart worden gediscrimineerd ten opzichte van alle andere bedienden beoogd door artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, daar enerzijds de grondslag van deze andere behandeling (nl. de belastende en stresserende aard der tewerkstelling) blijkbaar niet meer wordt weerhouden door het ICAO, dat de leeftijd zelf verhoogt tot 65 jaar en anderzijds het pensioenstelsel voor vliegend personeel toelaat om pensioenrechten op te bouwen tot de leeftijd van 65 jaar. Aangezien voor deze rechtbank het vraagstuk rijst van overeenstemming van een wet met artikel 10 en 11 van de Grondwet, oordeelt deze rechtbank dat het past hierover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Deze vraag luidt als volgt : "Schendt artikel 83 § 1 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat voor leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart de leeftijd van 65 jaar in artikel 83 §1 eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt vervangen door die van 55 jaar, hoewel de grondslag van deze andere behandeling (nl. de belastende en stresserende aard der tewerkstelling) blijkbaar niet meer wordt weerhouden door het ICAO dat de leeftijd zelf verhoogt tot 65 jaar en anderzijds het pensioenstelsel voor vliegend personeel toelaat om pensioenrechten op te bouwen tot de leeftijd van 65 jaar, terwijl op de andere bedienden deze verkorte opzeggingstermijnen slechts van toepassing zijn vanaf de leeftijd van 65 jaar, zodat de leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart worden gediscrimineerd ten opzichte van alle andere bedienden, beoogd door artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet?"
  34. Misbruik van ontslagrecht Standpunt van de partijen Eiser is van oordeel dat hij door verweerster gediscrimineerd werd op grond van zijn statuut als beschermd werknemer, doordat hij op 60-jarige leeftijd zou zijn ontslagen, terwijl de andere, niet-beschermde gezagvoerders mochten blijven doorvliegen tot hun vijfenzestigste. Hij vordert dan ook een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht, die hij ex aequo et bono begroot op 6 maanden loon, hetgeen volgens hem overeenstemt met 69.349,59 EUR. Verweerster is van oordeel dat er geen schadevergoeding verschuldigd is, bij gebreke van discriminatie en dus van misbruik van ontslagrecht. Verweerster stelt dat zij eiser niet anders behandeld heeft dan andere werknemers in dezelfde omstandigheden. Eiser bewijst bovendien geenszins de omvang van de schade die hij zou geleden hebben. Hij diende geen met redenen omklede klacht in, noch deed hij een verzoek tot re-integratie in het kader van artikel 21 van de wet van 21 februari 2003, zodat de forfaitaire begroting van 6 maanden loon niet van toepassing is. Overigens zou deze vergoeding niet cumuleerbaar zijn met de vergoedingen op grond van de wet van 19 maart
  35. Beoordeling. De bediende die stelt dat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan rechtsmisbruik is gehouden tot het bewijs hiervan. (Arbeidshof Brussel, 26.11.1987, J.T.T. 1988, 287). Het Hof van Cassatie oordeelde reeds herhaalde malen dat elk der partijen een einde kan stellen aan de contractuele relaties (Cass. 31 oktober 1975, Arr. Cass. 1975, 287). Opdat er sprake zou zijn van misbruik van ontslag, is vooreerst een fout vereist die onderscheiden is van het niet in acht nemen van de regelen betreffende het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Zoals bij het willekeurig ontslag van werklieden, kan de voor het rechtsmisbruik in aanmerking komende fout bestaan in het motief zelf van de beëindiging of in de omstandigheden waarmede het ontslag gepaard gaat. Naast een fout onderscheiden van de miskenning van de ontslagregelen vereist het bestaan van rechtsmisbruik bij het ontslag van een bediende een bijzondere materiële of morele schade, die onderscheiden is van die welke wordt veroorzaakt door het ontslag zelf (Arbeidshof Brussel 18 januari 1991, R.S. R. 1991, 187). De forfaitaire opzeggingsvergoeding die in geval van onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd is, vergoedt immers op zich alle schade die, zowel materieel als moreel, uit de beëindiging van die arbeidsovereenkomst voortvloeit (Cass. 7 mei 2001 J.T.T. 2001,410 Noot C. Wantiez). XXX Het staat vast dat vanaf 23 mei 2006, de datum waarop eiser 60 jaar werd, Frankrijk en Italië eiser niet meer in hun luchtruim en/of op hun luchthavens zouden toelaten. Niettegenstaande dit gegeven geen overmacht uitmaakt, brengt dit wel onmiskenbaar praktische problemen met zich mee, nu eiser vanaf die datum niet als reserve zou kunnen worden opgesteld indien er een piloot onbeschikbaar zou zijn wegens ziekte of onvoorziene omstandigheden en eiser ook niet meer overal vrij inzetbaar zou zijn. Eiser toont niet aan dat er een vaststaand gebruik bij verweerster bestond om piloten tot hun 65-ste in dienst te houden. Bij Sabena gingen de piloten als vaste regel op 55 jaar met pensioen. Bij het vroegere DAT gingen piloten in principe op 60 jaar met pensioen, maar waren er uitzonderlijk piloten die tot de leeftijd van 65 jaar vlogen, hetgeen kon verklaard worden door de meer beperkte operaties, de eenvoudige structuur van de maatschappij, het beperkt aantal bestemmingen en het ontbreken van complexe systemen van combinaties van vluchten en pairings, die daarna wel de vaste regel zijn geworden. Sedert de doorstart van DAT in maart 2002, bestond de politiek van verweerster erin om de piloten op 60 jaar met pensioen te sturen. Eiser wijst op 2 gevallen die zouden aantonen dat de piloten bij verweerster ook na de doorstart van maart 2002 pas op 65 jaar met pensioen werden gesteld. Het dienstverband van C en D namen inderdaad een einde na de doorstart van maart
  36. Dat zij tot na hun 60-ste in dienst bleven, wordt echter verklaard als volgt: de heer C, geboren op ...., is (...) overleden, op de leeftijd van 61 jaar en 4 maanden. De heer D leed al geruime tijd aan een slepende ziekte, ten gevolge waarvan hij sinds geruime tijd geen enkele vlucht meer heeft uitgevoerd, dus ook niet na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar. Hij bleef echter op de pay roll staan uit humanitaire overwegingen; de heer D, geboren op ..., is op 61-jarige leeftijd met pensioen gegaan, met name op 21 januari
  37. De heer D was de laatste uitzondering op de regel. Zoals voldoende uit het feitenrelaas blijkt, vindt het impliciet door de werkgever gegeven ontslag van eiser haar grondslag in objectieve redenen, zodat verweerster bij het ontslaan van eiser geen misbruik van haar recht maakte. De vordering is op dit punt ongegrond. B. TEGENVORDERING De behandeling van de tegenvordering wordt naar de bijzondere rol verzonden in afwachting van een uitspraak van het Grondwettelijk Hof. Alle andere middelen zijn terzake niet dienend. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Rechtsprekende na tegensprekelijk debat en in eerste aanleg; A. DE HOOFDVORDERING Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk. Zegt voor recht dat verweerster zich ten onrechte beroepen heeft op overmacht als wijze van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van eiser. Zegt voor recht dat verweerster de arbeidsovereenkomst tussen partijen op onregelmatige wijze heeft beëindigd op 10 mei
  38. Verklaart de vordering m.b.t. de schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht ongegrond. Wijst eisende partij ervan af. Schort de uitspraak voor het overige op tot dat het Grondwettelijk Hof uitspraak heeft gedaan over de 2 hierna vermelde prejudiciële vragen: « Schendt artikel 2,§2 van de Wet van 19 maart 1991, in samenlezing met artikel 83 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat een beschermde werknemer die lid is van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart geniet van een ontslagbescherming tot aan de leeftijd van 65 jaar en hij niet het voordeel van de bepalingen van artikel 2 van de Wet van 19 maart 1991 verliest wegens het bereiken van de op deze categorie van werknemers toepasselijke wettelijke pensioenleeftijd van 55 jaar, of wegens het bereiken van de leeftijd waarop de werkgever ten aanzien van deze categorie van werknemers gewoonlijk overgaat tot ontslag, terwijl een niet-beschermde werknemer, lid van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart, conform artikel 83 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, in het vooruitzicht van het bereiken van de leeftijd van 55 jaar ontslagen kan worden mits een verkorte opzeggingstermijn van maximaal zes maanden". "Schendt artikel 83 § 1 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat voor leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart de leeftijd van 65 jaar in artikel 83 §1 eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt vervangen door die van 55 jaar, hoewel de grondslag van deze andere behandeling (nl. de belastende en stresserende aard der tewerkstelling) blijkbaar niet meer wordt weerhouden door het ICAO dat de leeftijd zelf verhoogt tot 65 jaar en anderzijds het pensioenstelsel voor vliegend personeel toelaat om pensioenrechten op te bouwen tot de leeftijd van 65 jaar, terwijl op de andere bedienden deze verkorte opzeggingstermijnen slechts van toepassing zijn vanaf de leeftijd van 65 jaar, zodat de leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart worden gediscrimineerd ten opzichte van alle andere bedienden, beoogd door artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet"? Beveelt, bij toepassing van artikel 27 § 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, de overzending van de expeditie van huidig vonnis tot verwijzing aan de griffie van het Grondwettelijk Hof. B. TEGENVORDERING Houdt de zaak met betrekking tot de tegenvordering aan. Verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zonder mogelijkheid tot borgstelling of kantonnement. Houdt de kosten aan. Aldus gevonnist door de 23ste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, door : Mevrouw A. Schoenmaekers: Rechter; Mevrouw M. Claus: Rechter sociale zaken - werkgever; De Heer F. Buggenhoudt: Rechter sociale zaken - bediende; en uitgesproken op 08 januari 2010 door Mevrouw A. Schoenmaekers, Rechter, bijgestaan door P. Gasthuys: griffier; De griffier, De Rechters in Sociale Zaken, De Rechter P. GASTHUYS F. BUGGENHOUDT M. CLAUS A. SCHOENMAEKERS OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, ........... (vrij veld voor beschikkend gedeelte) Aldus geoordeeld en uitgesproken door de 23ste kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, in openbare terechtzitting van 8 januari
  39. door : de zetel hier invoegen («invoegen » « bestand ») op vraag van de rechter, de documentatiemap hier invoegen («invoegen » « bestand ») Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080519.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.