id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 11 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:ARBRL:2010:JUG.20100511.6 Rolnummer: 8636/07 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2011-02-03 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-01 12:53 Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: discriminatie - aanwerving - materiële schadevergoeding - overdracht van ondernemingen Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 3 §1 derde lid Tekst van de beslissing RPV ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL 24ste kamer - openbare zitting van 11/05/2010 VONNIS A.R.. nr 8636/07 Arbeidsovereenkomst bediende Aud. nr Rép. nr 10/ IN DE ZAAK : De heer X. eisende partij, vertegenwoordigd door Mter J. BUELENS, advocaten; TEGEN : NV SOLVAY, met zetel gevestigd te, 1050 ELSENE, Prins Albertstraat 33, eerste verwerende partij, vertegenwoordigd door Mter W. VAN ROEYEN, advocaten; NV MANN + HUMMEL HYDROMATION, met zetel gevestigd te, 3700 TONGEREN, Luikersteenweg 220, tweede verwerende partij, vertegenwoordigd door Mter O. DEBRAY, advocaten; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken, Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdend het Gerechtelijk Wetboek, I. Procedure De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken: § de dagvaarding van 7 juni 2007 § de beschikking art 747 § 2 van 25 september 2008 § de conclusies van eerste verweerster van 17 december 2008 § de conclusies van tweede verweerster van 23 februari 2009 § de conclusies van eiser van 23 april 2009 § de tweede conclusies van eerste verweerster van 22 juni 2009 § de syntheseconclusies van tweede verweerster van 24 augustus 2009 § de aanvullende conclusies houdende syntheseconclusies van eiser van 26 oktober 2009 § de tweede conclusies van eerste verweerster van 26 november 2009 § de tweede syntheseconclusies van tweede verweerster van 4 januari 2010 § en van de dossiers van partijen De verzoeningspoging ter zitting van 4 maart 2010 mislukte. De zaak werd gepleit op 4 februari 2010 waarna de debatten werden gesloten. Het schriftelijk advies van de heer Jan GEYSEN, Substituut van de arbeidsauditeur, werd voorgelezen op de zitting van 4 maart 2010 en aan de partijen ter kennis gebracht bij brief. Partijen konden hun repliekconclusies neerleggen tot 18 maart 2010, datum waarop en de zaak in beraad werd genomen. II. De vorderingen De hoofdvordering Eiser vordert: - in hoofdorde, verweerders in solidum te veroordelen tot de betaling aan eiser van een materiële schadevergoeding gelijk aan het gederfde loon en de gederfde pensioenrechten, provisioneel begroot op 1 euro , en een morele schadevergoeding, provisioneel begroot op 1 euro , beide bedragen te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 28.06.2006 en de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding; - in ondergeschikte orde, verweerders in solidum te veroordelen tot de betaling aan eiser van een materiële schadevergoeding wegens verlies van een kans op tewerkstelling begroot op 50 % van het gederfde loon en de gederfde pensioenrechten, provisioneel begroot op 1 euro , en een morele schadevergoeding, provisioneel begroot op 1 euro , beide bedragen te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 28.06.2006 en de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding; - alvorens recht te doen een getuigenverhoor toe te staan met als voorwerp dat de syndicale overtuiging en/of de syndicale activiteit van eiser aan de basis lag van de niet-aanwerving door eerste verweerster.Te dien einde de heren (...) op te roepen. De tegenvorderingen Met conclusies stelde elk van de verweersters een tegenvordering in tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 2.500 euro wegens tergend en roekeloos geding. III. De feiten De feiten zoals deze blijken uit de stukken en die door de partijen niet betwist worden zijn de volgende. Eiser trad op 16 maart 1986 als arbeider in dienst van de nv SOLVAY (eerste verweerster). Op 1 januari 1998 ging eiser in het kader van een overdracht van onderneming over naar de vennootschap SOLVAY AUTOMOTIVE MANAGEMENT AND RESEARCH & Cie. Deze onderneming werd gesloten in november 2001. De activiteiten en het personeel, waaronder eiser, ging op 31 januari 2002 over naar de nv MANN + HUMMEL HYROMOTION (tweede verweerster). Uiteindelijk werd einde juni 2006 ook deze onderneming gesloten (de site te Brussel werd gesloten en alle activiteiten werden gecentraliseerd in één enkele site te Laval in Frankrijk). Eiser was syndicaal afgevaardigde en werknemersvertegenwoordiger in het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk. Tweede verweerster had voorafgaandelijk aan het ontslag de erkenning van de economische of technische redenen gevraagd aan het paritair comité, zoals bepaald in artikel 3 §1 eerste lid van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden Het paritair comité heeft geen beslissing genomen en tweede verweerster ging over tot het ontslag gezien het om een geval van sluiting van onderneming ging (vgl. artikel 3 §1 derde lid van de wet van 19 maart 1991). Tweede verweerster stelde op 28 juni 2006 een einde aan de arbeidsovereenkomst van eiser, die inmiddels het statuut van bediende had (partijen vermelden niet sinds wanneer); zij betaalde een opzeggingsvergoeding gelijk aan 21 maanden loon. Eiser genoot bovendien van outplacement - begeleiding waardoor hij een nieuwe betrekking in het Groothertogdom-Luxemburg vond. IV. Bespreking A. De hoofdvordering
(1)Eiser steunt zijn vordering op de volgende gronden: - Er is sprake van discriminatie bij de aanwerving omdat concluant anders werd behandeld dan de andere werknemers en deze ongelijke behandeling niet objectief en redelijkerwijs wordt gerechtvaardigd. Enerzijds bestaat er een ongelijke behandeling tussen de situatie van concluant en die van andere ex-werknemers van tweede verweerster. Vanaf de aankondiging van de stopzetting van de activiteiten door tweede verweerster, hadden verweersters immers een tewerkstelling bij eerste verweerster in het vooruitzicht gesteld. Op de Ondernemingsraad van tweede verweerster van 13 januari 2005, waarbij aangekondigd werd dat de site te Brussel, ten laatste tegen 30 juni 2006, zou gesloten worden werd eveneens vermeld dat "een overdracht naar Solvay NV of haar filialen is niet uitgesloten en in de mate dat er functies beschikbaar zijn die overeenstemmen met de capaciteiten van de geïnteresseerden en welke beschikbaar zullen zijn na een onderzoek van de interne reclasseringsmogelijkheden". Op de daaropvolgende Ondernemingsraad van 7 februari 2005 werd dit aanbod verder geconcretiseerd. Onder de hoofding ‘maatregelen genomen op het niveau van de technische bedrijfseenheid Solvay Brussel opdat het personeel onmiddellijk zou verwittigd worden van eventuele reclasseringsmogelijkheden die zich aandienen' lezen we het volgende: ‘Als er beschikbare posten zijn bij de technische bedrijfseenheid, zal de Directie het betrokken personeel van Mann + Hummel hierover verwittigen'. En het bleef niet alleen bij beloftes... Eerste verweerster bevestigt in haar conclusie dat zeven van de zestien ex-werknemers van tweede verweerster door haar werden aangeworven. Dit gebeurde allemaal voor 30 juni 2006, datum van de definitieve sluiting. Deze aanwerving is ook niet verwonderlijk aangezien eerste verweerster de competenties van haar ex-werknemers maar al te goed kende. Voor concluant lag een aanwerving blijkbaar moeilijker...Eerste verweerster ging nooit over tot de aanwerving van concluant. Bij eerste verweerster waren er nochtans openstaande posten als ‘designer', de functie die concluant bekleedde. Concluant verwijst in dit verband bv. naar de vacature van februari 2005 bij de afdeling INERGY van eerste verweerster. Het is tekenend dat deze vacature niet aan concluant werd bekendgemaakt. - Deze houding van eerste verweerster is volgens concluant ingegeven door het feit dat zij wilde vermijden dat concluant, met zijn gekende syndicale overtuiging en activiteit, opnieuw bij haar tewerkgesteld zou worden. Het is dan ook duidelijk dat het syndicaal engagement van concluant aan de basis ligt van de niet-aanwerving door eerste verweerster. Concluant werd gediscrimineerd omwille van zijn syndicale overtuiging. Voor zover uw Rechtbank meent dat dit feit onvoldoende is bewezen, zijn verschillende ex-collega's van concluant bereid te getuigen over het feit dat de syndicale overtuiging van concluant aan de basis lag van de niet-aanwerving door eerste verweerster. Deze collega's zijn met name de heren (...). - Zelfs als er geen sprak zou zijn van discriminatie, staat het buiten kijf dat beide verweersters niet te goeder trouw hebben gehandeld. De goede trouw vereiste dat verweersters als normaal zorgvuldige en bedachtzame personen vacatures bij eerste verweerster aan concluant overmaakten zodat hij in de mogelijkheid was hiervoor te solliciteren. De goede trouw vereiste eveneens dat verweersters concluant zouden contacteren om te zien of er een openstaande betrekking was die overeenkwam met zijn capaciteiten. - Zelfs als er geen sprake zou zijn van discriminatie of een inbreuk op de goede trouw, staat het buiten kijk dat beide verweersters onzorgvuldig hebben gehandeld. Eerste verweerster heeft onzorgvuldig gehandeld door geen vactures aan concluant over te maken zodat hij niet in de mogelijkheid was hiervoor te solliciteren. Eerste verweerster heeft concluant evenmin gecontacteerd om te zien of er een openstaande betrekking was die overeenkwam met zijn capaciteiten. Tweede verweerster stelde in het vooruitzicht om concluant te helpen zoeken naar een nieuwe job, waarbij die bij eerste verweerster uiteraard als eerste zouden moeten worden onderzocht. Tweede verweerster heeft deze boot echter steeds afgehouden.
(2)In de eerste plaats blijkt uit de stukken die eerste verweerster neerlegt dat niet 7 maar slechts 5 van de 16 werknemers van tweede verweerster in dienst van eerste verweerster of van haar joint venture "Inergy"zijn getreden. Dit werd in detail uiteengezet in het verslag van de ondernemingsraad van juli 2006. Verweerster betwisten en eiser bewijst niet dat meer dan 5 werknemers op de manier werden gereclasseerd. Uit de eerste brief van 18 september 2006 van de vakorganisatie van eiser na het ontslag blijkt dat deze er toen zelfs van uitging dat "de meerderheid van de werknemers" hun tewerkstelling aan dezelfde voorwaarden hadden behouden. De vakorganisatie stelde daarom dat er geen sprake was van ontslag wegens economische redenen en maakte namens eiser aanspraak op de wettelijke beschermingsvergoeding gelijk aan 48 maanden loon. Thans betwist eiser niet langer dat het ontslag werd gegeven in het kader van een sluiting van de onderneming en dus omwille van economische redenen. Eiser betwist ook niet dat het ontslag wel in overeenstemming was met de wet van 19 maart 1991 en maakt geen aanspraak meer op een vergoeding op basis van deze wet.
(3)Anders dan eiser beweert, hebben verweersters de reclassering bij eerste verweerster niet "in het vooruitzicht "gesteld. Integendeel bleek uit de verslagen van de ondernemingsraad duidelijk dat het om een beperkt aantal plaatsen ging: - verslag van 13 januari 2005: "De personen die niet overgeplaatst willen worden naar Laval zullen ontslagen worden met respect voor de wettelijke voorwaarden (in bijzonder wat de vergoedingen betreft), maar zullen genieten van ondersteuning bij het vinden van een nieuwe betrekking (‘outplacement'); voor het gebaremiseerde personeel zullen de precieze voorwaarden bepaald worden in samenspraak met de vakbondsafvaardiging. Overplaatsingen naar Solvay of één van haar filialen (daaronder begrepen Inergy), zijn niet uitgesloten, in de mate dat, na een onderzoek van de mogelijkheden tot interne herklassering, functies voorhanden zijn die overeenkomen met de vaardigheden van de geïnteresseerde werknemers"; - verslag van 7 februari 2005: "Maatregelen genomen op het niveau van de TBE van Solvay Brussel om te verzekeren dat het betrokken personeel onmiddellijk op de hoogte wordt gesteld van eventuele herklasseringsopportuniteiten die zich zouden voordoen. Indien er plaatsen beschikbaar zijn binnen de TBE (of daarbuiten), zal de directie het betrokken personeel van M+H daarover inlichten. Nochtans is de herklassering van de personeelsleden van Solvay die hun functie bedreigd zien prioritair. Anderzijds is een procedure in werking gesteld waardoor de verantwoordelijke van de ploeg van M+H automatisch op de hoogte wordt gesteld van de vacatures die verspreid worden via het Intranet, via DRH-B. Niettemin zijn de te bezetten plaatsen schaars, aangezien ze gebonden zijn aan de ontslagnames door de werknemers of om te beantwoorden aan zeer specifieke behoeftes (bv. INERGY)" (door partijen in conclusies vertaald uit het Frans). Verder stelt de rechtbank vast dat de beweringen van eiser wat betreft discriminerend, deloyaal en onzorgvuldig gedrag van verweersters, geen steun vinden in de feiten en zelfs door de feiten worden tegengesproken. Uit de e-mails die eiser zelf neerlegt blijkt dat eiser wel degelijk werd geïnformeerd over de sollicitatiemogelijkheden bij eerste verweerster: - zo stuurde eiser op 23 september 2005 een e-mail naar N., HR-verantwoordelijke van de NV Solvay, met de vraag naar een onderhoud over de openstaande betrekkingen bij de eerste verweerster. N. antwoordde nog diezelfde dag dat zij de eiser op 29 september kon ontvangen en voegde eraan toe: ‘Ik stel voor dat je al een curriculum vitae opstelt en een overzicht van je vaardigheden, die we dan samen zullen onderzoeken'; - eiser erkent dat het onderhoud effectief plaatsvond ; op dat ogenblik was er blijkbaar geen vacature beschikbaar die beantwoordde aan het profiel van eiser; - op 17 november 2005 vroeg eiser aan N. of er een vacante betrekking voor tekenaar was. Opnieuw kreeg eiser dezelfde dag antwoord van N., die hem meedeelde: ‘de enige vacature die binnenkort open wordt gesteld betreft een functie binnen Inergy, in de afdeling van de simulatie, maar waarvoor men een universitair niveau vereist - de vacature zal binnenkort op de valven verschijnen. Als er nog andere functies zijn die overeenkomen met je profiel, zal ik niet nalaten je daarvan op de hoogte te brengen.'; - toen eiser op 5 december 2005 opnieuw een e-mail aan N. zond, antwoordde zij dezelfde dag: ‘Op dit moment is er nog steeds geen openstaande betrekking binnen de technische bedrijfseenheid die overeenstemt met jouw profiel. Ik zal niet nalaten om je te informeren als dat het geval zou zijn. Ik zet tevens B. in cc, aangezien hij terug is sinds vorige week en ook hij zal uitkijken of er zich voor jou niets aandient.' Eiser heeft in die periode op geen enkele wijze te kennen gegeven dat hij onvoldoende informatie zou hebben gekregen of minder informatie dan de andere werknemers. Tenslotte vermeldt eiser niet eens een welbepaalde functie die bij eerste verweerster vacant zou zijn geweest en waarvoor hij in aanmerking zou zijn gekomen en die aan een andere werknemer zou zijn toegewezen. Het dient daarbij benadrukt te worden dat eiser zich zelfs niet kandidaat heeft gesteld voor één van de functies waarvoor de vijf andere werknemers van tweede verweerster werden aangeworven. Zo zet eerste verweerster in conclusies in detail uiteen dat uit de vacatures en functiebeschrijvingen van drie van de betrokken werknemers, (...), zeer duidelijk blijkt dat de eiser voor de invulling van die functies niet in aanmerking kwam. In geen van die functies kon de eiser als ‘designer' aan de slag. Bovendien was het hoogste opleidingsniveau van de eiser ‘technisch secundair onderwijs A3-Electriciteit', terwijl in die vacatures steevast een specifieke opleiding gevraagd werd. Eén (vierde) werknemer kon terecht bij Solvin, een van de conludente onderscheiden rechtspersoon gevestigd te Neder-over-Heenbeek. De heer Z. werd tewerkgesteld als bediende ‘research and development'. Ook voor deze functie was minstens een hogere opleiding vereist. De vacature voor deze betrekking werd overigens overgemaakt aan alle werknemers van de tweede verweerster. De eiser stelde zich nooit kandidaat. Eén(vijfde) werknemer, de heer D., werd ten slotte tewerkgesteld bij de concludente zelf. De heer D. was burgerlijk ingenieur - chemie en doctor in de toegepaste wetenschappen. Hij werd bij de concludente aangeworven als ‘International Purchasing Manager'. Het lijkt inderdaad dat eiser, die geïnteresseerd was in een functie als tekenaar, niet in aanmerking kwam voor één van deze vijf functies. Eiser betwist ook niet dat hij niet in aanmerking kwam voor de universitaire functie die N. vermeldde in haar e-mail van 17 november 2005 en waarvoor eiser alleszins niet heeft gesolliciteerd. Eiser stelt in conclusies dat bij eerste verweerster er nochtans openstaande posten waren als ‘designer", de functie die concluant bekleedde. Concluant verwijst in dit verband bv. naar de vacature van februari 2005 bij de afdeling INERGY van eerste verweerster. Het is tekenend dat deze vacature niet aan concluant werd bekendgemaakt. Eiser legt de aankondiging van de vacature neer en had er dus blijkbaar wel degelijk kennis van; het blijkt overigens om een interne aankondiging te gaan via het intern computersysteem zoals blijkt uit de vermelding van het (korte) intern telefoonnummer van de contactpersoon en de vermelding dat ook externe kandidaturen in aanmerking zouden genomen worden. Eiser betwist bovendien niet de verklaringen van eerste verweerster in conclusies dat die vacature de functie van een ‘CAD Designer' (een specialist in ‘computer - aided design') betrof bij de joint venture, Inergy, dat zich concentreert op de innovatie van de markt van brandstofsystemen in kunststof voor gemotoriseerde voertuigen; Voor de invulling vna de voornoemde functie was ook een gespecialiseerde opleiding vereist; Bovendien zocht Inergy een designer met kennis op het vlak van de producten, terwijl de eiser gespecialiseerd was in het design van machines. De bewuste vacature werd reeds in maart 2005 ingetrokken door Inergy, omwille van een tijdelijke stopzetting van de aanwervingen (‘hiring freeze'). Om de personeelskosten te drukken, werd de functie van ‘CAD designer' in het kader van die stopzetting tijdelijk uitbesteed. Verweersters tonen dus voldoende aan dat zij op geen enkele wijze op discriminerende wijze hebben gehandeld bij de wedertewerkstelling van andere personeelsleden dan eiser. Het blijkt verder niet dat zij op schuldige wijze eiser geen nieuwe betrekking hebben gegeven, waardoor deze recht zou hebben op schadevergoeding gelijk aan gederfd loon en pensioenrechten of wegens verlies van een kans op tewerkstelling. Eiser zet in conclusies nog uitgebreid uiteen waarom hij meent dat hij ook reeds in het verleden nadelen had ondervonden omdat hij syndicaal afgevaardigde en werknemersvertegenwoordiger was (in 2001 omdat hij niet kon overgaan naar eerste verweerster alhoewel hij dat verkoos boven de overgang naar tweede verweerster) en waarom volgens hem verweersters hem ongenegen waren omdat hij ter gelegenheid van de herstructurering opkwam voor het recht op informatie als syndicaal afgevaardigde. De rechtbank kan slechts vaststellen dat eiser geen concrete bewijzen van deze beweringen levert. De beweerde discriminatie in 2001 is weinig relevant voor de feiten in 2005 waarop de vordering van eiser is gesteund en wordt overigens op overtuigende wijze weerlegd in de conclusies van verweersters. Wat de situatie in 2005 betreft is de ene korte vermelding in een lange e-mail van de werkgeversvertegenwoordiger Y. van 3 maart 2005 "Ik meen begrepen te hebben dat de heer P. een plaats in de nieuwe syndicale afvaardiging van de TBE voor ogen heeft" onvoldoende om daaruit enige discriminerende houding uit af te leiden. Bovendien doet dit alles geen afbreuk aan het feit dat hoe dan ook voldoende vaststaat dat eiser niet werd gediscrimineerd bij de herklassering van een aantal werknemers. Om dezelfde redenen is het ook niet nuttig om in te gaan op het aangeboden bewijs door getuigen, te meer daar de feiten waarvan eiser het bewijs aanbiedt weinig precies zijn. B. De tegenvordering. Partijen zijn het erover eens dat de basis rechtsplegingsvergoeding 1.200 euro is , namelijk het bedrag dat geldt ingeval de vordering niet in geld waardeerbaar is (artikel 3 K.B. 26 oktober 2007). Volgens verweersters is de vordering van eiser echter lichtzinnig en maakt eiser procesrechtsmisbruik doordat hij een provisionele vordering(1 euro) instelt zodat de rechtsplegingsvergoeding beperkt kan worden tot 1200 euro, wat volgens verweerster erop wijst dat eiser twijfelt aan zijn vordering. Het kan niet uitgesloten worden dat eiser er te goede trouw van overtuigd was dat hij niet opnieuw werd aangeworven omdat hij personeelsafgevaardigde in het comité was en dat het al dan niet toekennen van zijn vordering door de rechtbank enkel zou afhangen van de beoordeling door de rechtbank van de bewijselementen. Het blijkt onvoldoende zeker dat er sprake is van lichtzinnig en tergend handelen. Een rechtsplegingsvergeoding van 1200 euro is reeds substantieel.Waar eiser het risico wenste te vermijden om een nog hogere rechtsplegingsvergoeding te moeten betalen, is er ook geen sprake van misbruik. Artikel 1022 voorlaatste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt:" Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld." Wanneer de vordering niet in geld waardeerbaar is, bedraagt de maximale rechtsplegingsvergoeding 10.000 euro zodat de rechtslegingsvergoeding van 1.200 euro aan elk van de twee verwerende partijen volledig verschuldigd is. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Rechtdoende op tegenspraak en in eerste aanleg; Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jan Geysen, Substituut Arbeidsauditeur, ter zitting van 4 maart 2010; Verklaart de hoofdvordering en de tegenvorderingen ongegrond; Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding begroot op 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding voor eerste verwerende partij en 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding voor tweede verwerende partij. Aldus gevonnist door de 24ste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, waar zitting hielden: Mevrouw C. CORBISIER Rechter, De heer J. SAP Rechter in sociale zaken - werkgever, De heer W. VAN ESCH Rechter in sociale zaken - bediende, En uitgesproken ter openbare zitting van waar aanwezig was: Mevrouw C. CORBISIER Rechter, Bijgestaan door mevrouw S. VAN DER POORTEN Afg. Griffier, De afg. griffier, De Rechters in sociale zaken, De Rechter, S. VAN DER POORTEN W. VAN ESCH J. SAP C. CORBISIER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div