← België

ECLI:BE:ARBRL:2010:JUG.20100531.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 31 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:ARBRL:2010:JUG.20100531.9 Rolnummer: 09/17548/A Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2012-04-20 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-01 13:04 Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Werknemer - Bijslagen - Kinderbijslag Vrije woorden: TOEWIJZING KINDERBIJSLAG BIJ ECHTSCHEIDING Wettelijke bepalingen: Wet - 19-12-1939 - 69 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL VONNIS 30e Kamer - openbare zitting van 31/05/2010 A.R. nr. 17.548/09 Aud. nr. 09/4/04/24 kinderbijslag Rep. nr. 10/ eindvonnis INZAKE : Mevr. X eisende partij, vertegenwoordigd door Meester G.D.T., advocaat; TEGEN : HET FONDS VOOR KINDERBIJSLAG "XERIUS" VZW, met zetel gevestigd te 2000 ANTWERPEN, Brouwersvliet 4 bus 3, verwerende partij, vertegenwoordigd door Meester R.K., advocaat; Gelet op : · de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; · de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek ; · het gedinginleidend verzoekschrift, aangetekend verzonden naar de griffie van deze rechtbank op 25 november 2009; · de regelmatige oproepingen van partijen conform artikel 704 § 2 Ger. Wb dd. 3 februari 2010; · de pleidooien van partijen ter openbare terechtzitting dd. 8 maart 2010, waarna de debatten werden gesloten; · het schriftelijk advies van Mevrouw Nathalie VAN DEN BRANDE, Substituut van de Arbeidsauditeur, neergelegd ter griffie op 22 maart 2010, waarop partijen niet repliceerden en waarna de zaak in beraad genomen werd; · de neergelegde conclusies en stukken van partijen; I. VOORWERP VAN DE VORDERING. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 25 november 2009, vordert eisende partij te horen zeggen voor recht dat het kindergeld voor beide kinderen: - J. , geboren in 1993 - F., geboren in 1996 aan haar met onmiddellijke ingang dient te worden uitbetaald, en dit met terugwerkende kracht vanaf november

  1. Tevens vordert eisende partij te veroordeling van verwerende partij tot betaling van de kosten van het geding, begroot op 109,32 euro , rechtsplegingsvergoeding. II. DE FEITEN. Eiseres en de Heer Y. zijn gehuwd (...) onder het stelsel van de scheiding van goederen ingevolge het huwelijkscontract verleden door wijlen heer Notaris (...). Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren met name : - J., geboren in 1993 - F., geboren in 1996 Op 10 september 2008 is eisende partij overgegaan tot dagvaarding in echtscheiding en dringende en voorlopige maatregelen. Bij tussenbeschikking dd. 18 mei 2009, gewezen door de Voorzitter in kortgeding, werd: - acte gegeven van het akkoord van partijen dat zij afzonderlijk zouden verblijven - acte gegeven aan partijen van hun akkoord nopens de gelijkmatig verdeelde verblijfsregeling ten opzichte van de beide kinderen, J. en F. - aan partijen acte gegeven van hun akkoord met betrekking tot de vakantieregeling. Bij eindbeschikking van 5 oktober 2009 wordt de gelijkmatig verdeelde verblijfsregeling ten opzichte van de kinderen J. en F. bevestigd. In de beschikking van 5 oktober 2009 wordt het hoofdverblijf van de kinderen bij de heer Y. gevestigd, met de motivering dat : " vermits het hoofdverblijf thans bij vader is gevestigd en eiseres geen afdoende argumenten aanbrengt die een wijziging hierin verantwoorden, dient de huidige toestand te worden bestendigd." Wat betreft de bijdrage van de partijen ten aanzien van de minderjarige kinderen met betrekking tot hun huisvesting, levensonderhoud, opvoeding en toezicht wordt de vader, Y., veroordeeld om aan eisende partij te betalen uit hoofde van bijdrage in de kosten van huisvesting, levensonderhoud, toezicht, opvoeding en opleiding van de minderjarige kinderen, van een maandelijks bedrag van 75 euro per maand en per kind, bedrag gekoppeld aan de index der consumptieprijzen, waarbij hij eveneens wordt veroordeeld om drie vierden van de buitengewone medische en schoolkosten te betalen, en dit gelet op de motivering dat beide partijen dienen bij te dragen naar evenredigheid van hun middelen. Tussen Y. en X. werd bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te D. van 8 januari 2009 de echtscheiding uitgesproken. Ten aanzien van de twee kinderen, J. en F. werd de gelijkmatig verdeelde verblijfsregeling bevestigd. Op 15 oktober 2009 verzocht Y. via zijn raadsman om zelf de kinderbijslag te mogen ontvangen. Bij schrijven van 9 november 2009 werd door het kinderbijslagfonds aan eiseres de beslissing medegedeeld dat ingevolge het verzoek van Y. de kinderbijslag vanaf 1 november 2009 aan voormelde persoon werd uitbetaald. III. IN RECHTE Artikel 69 van de gecoördineerde kinderbijslagwet van 19 december 1939 luidt als volgt: " §
  2. De kinderbijslag en het kraamgeld worden uitgekeerd aan de moeder. In geval van volle adoptie van het kind door twee personen van hetzelfde geslacht, wordt de kinderbijslag betaald aan de oudste van de adoptanten. Als de moeder het kind niet daadwerkelijk opvoedt, wordt de kinderbijslag betaald aan de natuurlijke of rechtspersoon die deze rol vervult. Wanneer de twee ouders die niet samenwonen het ouderlijke gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en het kind niet uitsluitend of hoofdzakelijk door een andere bijslagtrekkende wordt opgevoed, wordt de kinderbijslag volledig aan de moeder betaald. De kinderbijslag wordt echter volledig aan de vader betaald vanaf diens aanvraag, als het kind en hijzelf op die datum dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Als een van de ouders de opportuniteit betwist van de betaling van de kinderbijslag op grond van de bepalingen van het derde lid, kan hij de arbeidsrechtbank vragen hemzelf als bijslagtrekkende aan te wijzen, in het belang van het kind. Die aanwijzing heeft uitwerking de eerste dag van de maand na de maand waarin de beslissing van de rechtbank betekend is aan de bevoegde kinderbijslaginstelling. In de situaties bedoeld in het derde lid kan de kinderbijslag op vraag van beide ouders gestort worden op een rekening waartoe ze beiden toegang hebben." In de artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp werd de bepaling waarin de vader als bijslagtrekkende werd aangeduid ingeval het kind door hem werd opgevoed als volgt toegelicht "Op dit ogenblik is het zo dat, wanneer de ouders gescheiden zijn en gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, de kinderbijslag integraal aan de moeder wordt uitbetaald. Als de vader met die toekenning niet akkoord gaat, kan hij de arbeidsrechtbank vragen om, in het belang van het kind, als bijslagtrekkende te worden aangeduid, onverminderd het recht op beroep van de moeder. Dit ontwerpartikel houdt meer rekening met de werkelijkheid door de vader de mogelijkheid te geven de kinderbijslag te ontvangen, zonder dat die zijn toevlucht hoeft te nemen tot een gerechtelijke procedure, wanneer het kind uitsluitend of hoofdzakelijk door hem wordt opgevoed. (...) (Memorie van toelichting, kamer, 1997-1998, 1722/1,
  3. Nadien werd het artikel geamendeerd en werd meer bepaald de vader als bijslagtrekkende vooropgesteld ingeval het kind dezelfde hoofdverblijfplaats als de vader heeft. Amendement nr. 90, 1722/9.) De innovatie dat de vader werd aangewezen als bijslagtrekkende ingevoerd bij wet van 25 januari 1999 werd aangevuld met de notie ‘belang van het kind'. (ingevoegd door artikel 2 van de wet van 8 mei 2001 tot wijziging van artikel 69 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.) "Op dit ogenblik is het zo dat, wanneer de ouders gescheiden zijn en gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, de kinderbijslag integraal aan de moeder wordt uitbetaald. Als de vader met de toekenning niet akkoord gaat, kan hij de arbeidsrechtbank vragen om, in het belang van het kind, als bijslagtrekkende te worden aangeduid, onverminderd het recht op beroep van de moeder. Dit ontwerpartikel houdt meer rekening met de werkelijkheid door de vader de mogelijkheid te geven de kinderbijslag te ontvangen, zonder dat die zijn toevlucht hoeft te nemen tot een gerechtelijke procedure, wanneer het kind uitsluitend of hoofdzakelijk door hem wordt opgevoed. (...) (Memorie van toelichting, kamer, 1997-1998, 1722/1, 45.) Het Hof van cassatie oordeelde dat wanneer beide ouders niet overeenkomen met betrekking tot de uitbetaling van de kinderbijslag elk van hen zich kan wenden tot de arbeidsrechtbank om de bijslagtrekkende te doen aanduiden in het belang van het kind. De arbeidsrechtbank beschikt hierbij over de bevoegdheid om een andere ouder aan te duiden dan diegene die uit de loutere toepassing van artikel 69 § 1 zou volgen. (Cass., 04.05.09, www.juridat.be. Het betrof de vorige versie van artikel 69, § 1 van de kinderbijslagwet). Dat elkeen van de ouders zich kan wenden tot de arbeidsrechtbank werd inmiddels verduidelijkt in de wet. (Wijziging ingevoerd bij wet van 22.12.2008, inwerkingtreding 01.01.2009). Zoals reeds hierboven uiteengezet werd bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te D. van 8 januari 2009 tussen Y. en X. de echtscheiding uitgesproken, waarbij ten aanzien van de twee kinderen, J. en F. een gelijkmatig verdeelde verblijfsregeling werd ingevoerd. Bij beschikking van 5 oktober 2009 werd door de kortgedingrechter beslist dat Y. als bijdrage in de kosten voor de huisvesting, levensonderhoud, toezicht en opvoeding een maandelijks bedrag van 75 euro per kind diende te betalen, evenals drie vierden van de buitengewone medische en schoolkosten. De voorzitter kwam tot voormeld besluit rekening houdend met de inkomsten en de mogelijkheden van partijen. Hij stelde vast dat er een aanzienlijk verschil bestaat tussen de inkomsten van beide ouders. De voorzitter stelde vast : ‘Eiseres is tewerkgesteld bij (...) en heeft een maandinkomen van minstens 1.500 euro. Verweerder stelt als zelfstandige een bruto bezoldiging groot 2000 euro per maand te ontvangen, meer 500 euro verplaatsingskosten. Namens eiseres wordt aangebracht dat het inkomen van verweerder officieus veel hoger ligt gelet op zijn levensstandaard (dure auto's, regelmatig restaurantbezoek enz.) en overige inkomsten uit patrimoniumvennootschap. Eiseres brengt evenwel desbetreffend geen bewijzen voor. Niettemin kan worden aangenomen dat verweerder een bloeiend bedrijf uitbaat, nu hij ter terechtzitting zelf verklaarde 14 werknemers in dienst te hebben, zodat mag worden aangenomen dat er een aanzienlijk verschil bestaat tussen de inkomsten van beide partijen. Elk kind heeft recht op de levensstandaard van het gezin. Het kan niet zijn dat het ingevolge de scheiding van zijn ouders verplicht wordt afwisselend periodes door te brengen in grote luxe bij de ene en in relatieve armoede bij de andere ouder." Daarbij dient te worden opgemerkt dat op het ogenblik van deze uitspraak de kinderbijslag volledig aan eiseres werd uitbetaald en dat kan worden verondersteld dat dit in rekening werd gebracht door de kortgedingrechter bij de bepaling van de onderhoudsbijdrage voor de kinderen. Zelfs ingeval abstractie wordt gemaakt van de kinderbijslag en de onderhoudsbijdrage waartoe Y. is gehouden, stelt de rechtbank vast dat er een grote discrepantie blijft bestaan tussen de financiële mogelijkheden van beide ouders. In functie van een evenwichtige financiële draagkracht van de opvoedings- en huisvestingskosten en ter stimulering van een harmonieuze tweeverblijfsregeling komt het gepast voor dat de kinderbijslag aan eiseres wordt uitbetaald. Zodoende dient X als bijslagtrekkende te worden aangeduid. Artikel 69 van de gecoördineerde kinderbijslagwet van 19 december 1939 bepaalt echter dat als een van de ouders de opportuniteit betwist van de betaling van de kinderbijslag op grond van de bepalingen van het derde lid, hij de arbeidsrechtbank kan vragen hemzelf als bijslagtrekkende aan te wijzen in het belang van het kind. Die aanwijzing heeft echter slechts uitwerking de eerste dag van de maand na de maand waarin de beslissing van de rechtbank betekend is aan de bevoegde kinderbijslagdiensten. Zodoende kan deze aanwijzing niet met terugwerkende kracht worden toegepast. De vordering is bijgevolg gedeeltelijk gegrond. Alle andere middelen zijn terzake niet dienend. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK Gelet op het éénsluidend schriftelijk advies van Mevrouw Nathalie VAN DEN BRANDE, Substituut van de Arbeidsauditeur, neergelegd ter griffie op 22 maart
  4. Rechtsprekend op tegenspraak en in eerste aanleg. Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Dienvolgens, wijst eisende partij als bijslagtrekkende aan voor de kinderbijslag van de kinderen J., geboren in 1993, en F. in
  5. Zegt voor recht dat deze aanwijzing uitwerking heeft de eerste dag van de maand na de maand waarin huidig vonnis betekend is aan de bevoegde kinderbijslaginstelling. Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding, tot op heden begroot in hoofde van eisende partij op 109,32 euro (rechtsplegingsvergoeding). Aldus gevonnist door de dertigste kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel waar zitting hielden : Mevrouw Alexandra SCHOENMAEKERS, rechter, Mijnheer Daniel APPELTANT, rechter in sociale zaken, werkgever Mijnheer Jean-MarieVOGELAERE, rechter in sociale zaken, arbeider En uitgesproken ter openbare zitting van 31/05/2010 waar aanwezig waren Mevrouw Alexandra SCHOENMAEKERS , rechter bijgestaan in de uitspraak door Mevrouw Ingrid VAN BRIEN, Griffier. De Griffier, De Rechters in Sociale Zaken, de Rechter, I. VAN BRIEN D. APPELTANT - J.M. VOGELAERE A. SCHOENMAEKERS Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.