id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 14 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:ARBRL:2010:JUG.20101014.9 Rolnummer: 6181/08 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2011-02-03 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-01 13:51 Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Concurrentiebeding SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Bedienden SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: arbeidsovereenkomst - bediende Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82 §3 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL 24 ste kamer -openbare zitting van 14 oktober 2010 VONNIS A.R. nr. 6181/08 Arbeidsovereenkomst-bediende Aud. nr Rep. nr 10/ IN ZAKE : De heer A. eisende partij, vertegenwoordigd door meester Olivier LANGLET, advocaten, te 1060 Brussel, Defacqstraat 78 ; TEGEN: DE N.V. POS SYSTEMS (waarvan de maatschappelijke benaming voorheen de N.V. INTELLECT INTERNATIONAL was), in vereffening, met maatschappelijke zetel te 1930 Zaventem, Leuvensesteenweg 540 bus 5, voor wie optreedt als vereffenaar meester Albert-Louis CLERENS, verwerende partij, vertegenwoordigd door meester Barbara BERLENGÉ, te 1180 Brussel, Ptoléméelaan 12; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken; Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek; I. Procedure. De rechtbank nam kennis van de volgende procedurestukken: - de inleidende dagvaarding d.d. 21 april 2008 ; - de beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 30 juni 2009; - de conclusies voor verwerende partij d.d. 1 oktober 2009; - de conclusies voor eisende partij d.d. 1 december 2010; - de aanvullende conclusies voor verwerende partij d.d. 1 februari 2010; - de aanvullende conclusies voor eisende partij d.d. 1 april 2010; - de syntheseconclusies voor verwerende partij d.d. 31 mei 2010; - de bundels van partijen; De verzoeningspoging op de zitting van 16 september 2010 mislukte. Partijen hebben gepleit waarna de debatten werden gesloten en de rechtbank de zaak in beraad heeft genomen. II. De vordering. Eiser vordert: - 17.574,95 EUR bruto provisioneel (20 % van 87.874,73 EUR) als achterstallige "bonus" voor de periode van 1 januari 2007 tot 27 november 2007; - één EUR bruto provisioneel als achterstallige "bonus" voor de periode tijdens de opzegperiode die had moeten worden nageleefd; - 5.991,46 EUR bruto provisioneel (87.874,73 EUR/12 maanden/22 maanden x 18 dagen) als achterstallige vergoedingen voor de 18 jaarlijkse verlofdagen die de heer A. tijdens de uitvoering van zijn opzeg in de loop van het jaar 2007 zou hebben opgenomen; - één EUR bruto provisioneel als loon voor de twee wekelijkse halve dagen om werk te zoeken die de heer A. tijdens de uitvoering van opzeg wilde nemen; - één EUR bruto provisioneel als achterstallige eindejaarspremie die verschuldigd is sinds het begin van de contractuele betrekkingen tot de datum van beëindiging van de overeenkomst; - één EUR bruto provisioneel als achterstallige vakantiegeld dat verschuldigd is sinds het begin van de contractuele betrekkingen tot de datum van beëindiging van de overeenkomst; - 2.000,00 EUR voorlopig voor burgerlijke boetes voor verkeersovertredingen (PV voor parkeren,...) die werden begaan tijdens de uitvoering van de overeenkomst en die aan eiser worden aangerekend terwijl ze ten laste zijn van de werkgever; - één EUR bruto provisioneel als voordelen die verschuldigd zijn in uitvoering van de arbeidsovereenkomst (groepsverzekering, bedrijfswagen,...); - in hoofdorde: 101.729,72 EUR bruto provisioneel (10.172,97 EUR x 10) als compenserende opzegvergoeding, gelijk aan 10 maanden loon, na aftrek van de som van 14.867,28 EUR opzegvergoeding die reeds werd betaald, of subsidiair de som van 61.037,82 EUR bruto provisioneel (10.172,97 EUR x 6) ten titel van compenserende opzegvergoeding gelijk aan 6 maanden verloning, onder aftrek van het reeds betaalde bedrag van 14.867,28 EUR; - 43.937,37 EUR bruto provisioneel (50 % van 87.874,73 EUR) als forfaitaire vergoeding van niet-concurrentie; - 2.500,00 EUR als schadevergoeding voor de schade die hij heeft geleden door de niet-overhandiging van de sociale documenten; - 12.500,00 EUR voorlopig als schadevergoeding om de schade te vergoeden die hij heeft geleden door het foutieve gedrag bij de beëindiging van de overeenkomst; - de verwijls-en gerechtelijke interesten vanaf de opeisbaarheid van elk van de verschuldigde sommen; - de afgifte van de sociale documenten dat hij op het einde van zijn prestaties had moeten ontvangen, op straffe van een dwangsom van 100,00 EUR per kalenderdag vertraging en per document vanaf de achtste dag volgend op de betekening bij deurwaardersexploot van het te vellen vonnis; - verwerende partij bovendien te horen veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding; - het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement. III. De feiten. Eiser was sinds 16 november 2001 in dienst van verweerster als technisch operationeel directeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Met een brief van 1 augustus 2007 stelde eiser een einde aan zijn arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van 6 maanden die aanving op 1 september 2007. Op 14 augustus 2007 ondertekenden de partijen een overeenkomst waarin zij afzagen van de opzegging en overeenkwamen om de arbeidsovereenkomst verder te zetten. Op 14 september 2007 sloten de partijen een schriftelijke overeenkomst over een bonus voor de periode 1 juli 2007 tot 30 juni 2008. Met een brief van 28 september 2007 stelde eiser opnieuw een einde aan de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van 6 maanden die aanving op 1 oktober 2007. Twee maanden later, namelijk op 27 november 2007 schreef verweerster het volgende aan eiser: "(...) Hierbij kan ik U meedelen dat wij een opzeggingstermijn van zes maanden niet aanvaarden. Gezien de omstandigheden op de arbeidsmarkt en de aard van de functie achten wij een opzeggingstermijn van vier maanden meer dan redelijk. Verder hebben we besloten dat U Uw opzegtermijn vanaf heden niet meer dient te presteren. Aangezien U reeds twee maanden opzegtermijn presteerde, zullen wij U, naast het loon voor de lopende maand, het loon voor de overblijvende twee maanden kortelings overmaken.(...)" Zoals blijkt uit de loonstaat, betaalde verweerster het loon voor de volledige maand november 2007 en een "opzegvergoeding" gelijk aan twee maand loon. Zij verklaart in conclusies ook dat zij op de netto-bedragen het bedrag van 6.000 euro inhield dat als netto-voorschot op de bonus was betaald. Met een aangetekende brief van 11 december 2007 schreef verweerster dat zij verzaakte aan het concurrentiebeding. IV. Bespreking. 1. De opzeggingsvergoeding.
(1)Artikel 82 §3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt: "§
- Wanneer het jaarlijks loon 28.093 EUR overschrijdt, worden de door de werkgever en de bediende in acht te nemen opzeggingstermijnen vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter. Indien de opzegging wordt gegeven door de werkgever, mag de opzeggingstermijn niet korter zijn dan de in § 2, eerste en tweede lid, vastgestelde termijnen. Indien de opzegging wordt gegeven door de bediende, mag de opzeggingstermijn niet langer zijn dan vier en een halve maand indien het jaarlijks loon hoger is dan 28.093 EUR zonder 56.187 EUR te overschrijden, noch langer dan zes maanden indien het jaarlijks loon 56.187 EUR overschrijdt" (bedragen van toepassing vanaf 1 januari 2007). Het loon van eiser bedroeg meer dan 56.187 EUR per jaar. Het Hof van Cassatie bevestigde het volgende in zijn arrest van 7 april 2008, (www.cass.be): "Krachtens artikel 82, § 3, eerste lid, wordt de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn, wanneer het jaarlijks loon van de bediende het in die bepaling voorgeschreven bedrag overschrijdt, vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter. Het tweede en derde lid van dezelfde paragraaf bepalen de minimumtermijn van de opzegging die de werkgever in acht moet nemen wanneer hij de werknemer ontslaat en de maximumtermijn van de opzegging waartoe de werknemer zich kan verbinden wanneer hij de arbeidsovereenkomst opzegt. Die bepalingen, die alleen de werknemer beschermen, zijn bijgevolg alleen dwingend in zijn voordeel." Eiser betekende op 28 september 2007 de in zijn geval toepasselijke maximum opzeggingstermijn van zes maanden. Verweerster stelt dat zij de opzeggingstermijn van zes maanden te lang vond en daarom, na twee maanden, niet wenste dat eiser de overige vier maanden van de opzeggingstermijn zou presteren. Zij meent dat zij daardoor zelf geen einde aan de arbeidsovereenkomst stelde en dat het, bij gebreke aan akkoord tussen partijen, aan de rechtbank toekomt om te beslissen welke opzeggingstermijn eiser diende in aanmerking te nemen. Zij steunt zich daarbij op hogervermeld artikel 82§3 van de wet van 3 juli
- Eiser van zijn kant stelt dat verweerster op 27 november 2010 wel degelijk de arbeidsoveeenkomst heeft verbroken en vordert een opzeggingsvergoeding gelijk aan 10 maanden loon.
(2)Waar de wetgever bepaald heeft dat de rechter de opzeggingstermijn vaststelt indien de partijen het niet eens zijn, viseerde de wetgever logisch gezien enkel het geval waar de ene partij de opzeggingstermijn die de andere partij in aanmerking neemt onvoldoende acht en niet het geval waar deze de opzeggingstermijn te lang zou vinden. Immers, indien de werknemer de opzeggingstermijn die de werkgever in acht neemt, te lang zou vinden (en dat is logisch gezien enkel omdat hij eerder ander werk heeft gevonden), volstaat het voor hem om een tegenopzeg te geven. In dat geval heeft de wetgever speciaal geregeld dat de werknemer een verkorte opzegging kan geven (artikel 84 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Anderzijds kan de werkgever normaal gezien geen nadeel ondervinden door het feit dat de werknemer een "te lange" opzegging zou geven terwijl die niet de wettelijke maximumtermijn overschrijdt. De werkgever hoeft slechts een vervanger te zoeken tegen het einde van de opzeggingstermijn, die uiteindelijk redelijk beperkt is (hoogstens 6 maanden). Niets belet de werkgever om zelf een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst waarbij de door hem verschuldigde opzeggingsvergoeding hoe dan ook beperkt is tot het resterende deel van de opzeggingstermijn die de werknemer had gegeven. Dit is dus alleszins minder dan de opzeggingstermijn die de werkgever normaal gezien in acht zou moeten nemen. Zoals het Hof van Cassatie bevestigde, geldt immers: "Overwegende dat, wanneer een partij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft opgezegd, deze arbeidsovereenkomst bestaat tot het verstrijken van de in de opzegging bepaalde termijn; Dat de tegenpartij de arbeidsovereenkomst niet langer kan doen voortduren door zelf opzegging te geven; dat, wanneer zij de arbeidsovereenkomst op haar beurt opzegt, de door haar in acht te nemen opzeggingstermijn niet langer kan duren dan het nog te lopen gedeelte van de door de andere partij gegeven opzeggingstermijn; Dat, wanneer de tegenpartij de arbeidsovereenkomst onrechtmatig beëindigt, de voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking te nemen opzeggingstermijn ten laatste verstrijkt op de datum waarop de arbeidsovereenkomst had moeten eindigen als gevolg van de door de andere partij gegeven opzegging." (Cass.7 september 1981, RW, 2742). Verweerster heeft dus wel degelijk op 27 november 2010 de arbeidsovereenkomst verbroken doordat zij eiser verhinderde om de opzeggingstermijn te presteren. Zij kon als werkgever geen opzeggingstermijn in aanmerking nemen van minder dan 4 maanden. Verweerster was bijgevolg een opzeggingsvergoeding gelijk aan vier maanden loon verschuldigd, onder aftrek van het brutobedrag van 14.867,73 euro dat zij reeds betaalde. Eiser maakt in conclusies volgende berekening van het gemiddelde loon: Per maand Aantal Totaal
- Vast maandloon 6312,84 12 75754,08
- 13e maand - eindejaarspremie: 100 % 6312,84 1 6312,84
- Terugbetaling diverse kosten 200 12 2400
- Bonus, premie? 17574,95 1 17574,95
- Privégebruik GSM 50 12 600
- Privégebruik van een voertuig en opties 500 12 6000
- Privégebruik van een PC 50 12 600
- Maaltijdcheques en maaltijdvergoeding 180 12 2160
- Groepsverzekering: diverse premies 2170 1 2170
- Dubbel vakantiegeld op 1-9-13-17-18-19 75754,08 0,07667 5807,78957
- Dubbel-enkel vakantiegeld op 4 17574,95 15,34 % 2695,99733 Jaarlijks referteloon: 122075,657 Maandloon: 10172,9714 Verweerster nam een veel lager basisloon in aanmerking. De bonus en het vakantiegeld daarop maakten geen deel uit van het loon. Het ging om een eenmalige bonus en eiser had er uiteindelijk geen recht op (zie hierna). De bedrijfswagen mocht eiser verder gebruiken tot de afloop van de opzeggingstermijn zodat de waarde daarvan geen tweede maal moet vergoed worden. Voor het overige wordt de berekening niet betwist en lijkt ze correct. Het basisloon bedroeg dus 122.075,657 - 17.574,95 - 6.000 - 2.695,99733 = 95.804,71 euro. De opzeggingsvergoeding gelijk aan vier maanden loon bedroeg dus: 95.804,71 euro : 12 x 4 = 31.934,90 euro. Verweerster betaalde reeds 14.867,28 euro bruto en blijft dus nog 17.067,62 euro bruto verschuldigd.
- Concurrentievergoeding. De arbeidsovereenkomst eindigde op 27 november 2007 en verweerster heeft veertien dagen later, namelijk bij aangetekende brief van 11 december 2007, verzaakt aan het concurrentiebeding. In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst was een concurrentiebeding opgenomen. Daarin was bepaald: "Gedurende twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst is het de bediende verboden gelijkaardige of concurrerende werkzaamheden uit te oefenen, hetzij door de uibating van een eigen zaak, hetzij als werknemer van een vennootschap die een activiteit uitoefent van dezelfde aard als de activiteit van de maatschappij. Dit verbod is van toepassing voor het grondgebied van België. Binnen de 14 dagen na beëindiging van het contract kan de maatschappij afzien van de effektieve toepassing van het concurrentiebeding. Indien zij hiervan niet afziet, zal zij de bediende een éénmalige forfaitaire schadeloosstelling uitkeren die gelijk is aan 50 % van het bruto jaarsalaris. Basis voor de berekening van deze schadeloosstelling is de bruto maandwedde op het ogenblik van de beëindiging van het contract. Afstand van het concurrentiebeding door de maatschappij zal schriftelijk gebeuren. In geval van inbreuk door de bediende op het concurrentiebeding zal deze laatste verplicht zijn aan de maatschappij het dubbele van de hem uitgekeerde schadeloosstelling terug te betalen. Dit beding sorteert geen effekt wanneer het contract wordt beëindigd door de maatschappij zonder ernstige reden, of door de bediende wegens dringende reden. De voormelde beperkingen beletten de bediende niet om, na het beëindigen van het contract te allen tijde elke andere activiteit te voeren die hem belieft. Hij mag evenwel geen vertrouwelijke inlichtingen, waarvan hij in het kader van de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst bij de maatschappij kennis heeft gekregen, gebruiken voor de uitvoering van zijn nieuwe activiteit, noch hierop steunen. In geval van betwisting draagt de werknemer de bewijslast." Artikel 65§2 vierde lid 4° van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt : "De geldigheid van elk concurrentiebeding is bovendien ondergeschikt aan de navolgende voorwaarden : (...) 4° het moet voorzien in de betaling van een enige en forfaitaire compensatoire vergoeding door de werkgever, tenzij hij binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf het ogenblik van de stopzetting van de overeenkomst afziet van de werkelijke toepassing van het concurrentiebeding.(...)." Het ging dus niet om de periode van veertien dagen na de datum waarop eiser zijn opzeggingbrief had gestuurd zoals eiser beweert maar pas "vanaf het ogenblik van de stopzetting van de overeenkomst". Deze uitlegging van de overeenkomst is ook in tegenspraak met de overige bepalingen van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst ("Gedurende twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst is het de bediende verboden gelijkaardige of concurrerende werkzaamheden uit te oefenen, hetzij door de uibating van een eigen zaak, hetzij als werknemer van een vennootschap die een activiteit uitoefent van dezelfde aard als de activiteit van de maatschappij" en "de voormelde beperkingen beletten de bediende niet om, na het beëindigen van het contract te allen tijde elke andere activiteit te voeren die hem belieft"). Ook in deze bepalingen gaat het telkens om de datum waarop de overeenkomst een einde neemt. Het blijkt dus niet zoals eiser beweert dat de partijen een andere regeling dan de wettelijke regeling waren overeengekomen. Verweerster is dus geen vergoeding verschuldigd.
- Boetes. Eiser brengt niet eens het bewijs voor van verkeersboetes die hij zou betaald hebben. De vordering tot terugbetaling van boetes is dus hoe dan ook ongegrond.
- Bonus. Eiser vordert een bonus voor de periode van 1 januari 2007 tot 27 november 2007 (datum waarop hij uit dienst trad). In de overeenkomst van 14 september 2007 was enkel sprake van een bonus voor de periode van 1 juli 2007 tot 30 juni
- Eiser toont niet aan dat hij recht had op een bonus voor de periode vóór 1 juli
- Verder bepaalde de overeenkomst: "(...) EBITDA 800 K euro ... A. heeft een voorschot van 6.000 euro netto op zijn bonus ontvangen. Als A. EBITDA target behaalt: de bonus zal 20 % van zijn jaarlijks brutoloon bedragen, verminderd met de reeds ontvangen 6.000 euro netto dat hij reeds als voorschot ontvangen heeft. Als A. het EBITDA target niet behaalt: hij dient het voorschot dat hij reeds verkregen heeft ad. 6.000 euro niet te betalen, tenzij hij ontslag neemt voor juli 2008." Verweerster zet in conclusies uiteen dat eiser alleszins niet het streefcijfer heeft behaald (800.000 euro) en dat er in 2007 zware verliezen waren. Eiser betwist dit niet. Hij toont bijgevolg niet aan dat hij recht had op de gevorderde bonus. Anderzijds blijkt uit de overeenkomst dat het voorschot van 6.000 euro netto verworven was ook al werd het streefcijfer niet behaald. De partijen konden niet op geldige wijze bepalen dat eiser dit loon moest terugbetalen indien hij ontslag nam vóór de afloop van de periode waarop de bonus betrekking had. Dergelijke bepaling is immers nietig overeenkomstig artikel 6 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten dat bepaalt: "Alle met de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten strijdige bedingen zijn nietig voor zover zij ertoe strekken de rechten van de werknemer in te korten of zijn verplichtingen te verzwaren." Het beding had immers tot gevolg dat de verplichtingen van de werknemer wanneer hij de arbeidsovereenkomst beëindigde, verzwaarden. Hij moest immers een deel van zijn loon terugbetalen. Verweerster moet dus 6.000 euro netto betalen.
- Schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht. Eiser steunt deze vordering op de volgende motieven: - De heer A. werd in juni 2007 in het kader van zijn functies uitgenodigd om een herstructureringsplan van de onderneming INTELLECT te formuleren, met de belofte van een loonsverhoging bij aanvaarding van het plan; - De toezichtsraad heeft van de onderneming INTELLECT het herstructureringsplan aanvaard; - De heer A. heeft zijn arbeidsovereenkomst beëindigd, toen hij in juli 2007 vernam dat zijn loonsverhoging was geweigerd; - INTELLECT heeft op 13 september 2007 eindelijk de belofte aan de heer A. bevestigd om hem een jaarbonus van 20 % toe te kennen, te berekenen op het jaarlijkse brutoloon van 13.92, bovenop zijn vast loon. - De directie van de onderneming INTELLECT heeft in diezelfde periode aan de heer A. voorgesteld om samen te blijven werken met een contract van zelfstandige consultant; - De heer A. heeft zijn arbeidsovereenkomst van 11 oktober 2001 in deze context op 28 september 2007 beëindigd, mits de prestatie van een opzegperiode van 6 maanden die op 1 oktober 2007 van start ging; - De onderneming INTELLECT heeft op 12 oktober 2007 een overeenkomst aan de heer A. voorgesteld om de opzegtermijn in te korten tot drie maanden, dus tot eind december, alsook een consultingcontract vanaf 1 januari 2008; - De heer A. maakte in de loop van de maand oktober 2007 enkele opmerkingen over de inhoud van het voorstel. Hij heeft niet meer gehoord van de onderneming; - Het staat ten deze ontegensprekelijk vast dat de ontslagen werden "op touw gezet" door de onderneming INTELLECT met de belofte om vanaf 1 januari 2008 een contract van zelfstandig consultant met de heer A. af te sluiten; - De onderneming INTELLECT heeft de beslissing om de arbeidsovereenkomst te beëindigen plots en eenzijdig genomen op 27 november 2007 ten gevolge van de weigering van de heer A. om het voorstel van contract van zelfstandig consultant te ondertekenen; - De heer A. vindt dat de uitvoering en de beëindiging van zijn overeenkomst gepaard ging met onaanvaardbare gedragingen en houdingen vanwege zijn werkgever; - De heer A. heeft in september 2007 zijn ontslag gegeven omwille van de onaanvaardbare bijzondere omstandigheden die hij in het kader van de uitvoering van zijn overeenkomst heeft ervaren en omwille van de diverse beloften betreffende zijn toekomst in de onderneming die werden gedaan; Aangezien de N.V. INTELLECT een wilsgebrek heeft veroorzaakt in de vrije wilsuiting van de heer A. bij het geven van zijn ontslag, is het vanzelfsprekend dat deze vennootschap een fout heeft begaan die een misbruik van ontslagrecht inhoudt; - Zijn reputatie en zijn eer werden brutaal getroffen, terwijl hij gedurende meer dan zes jaar in de onderneming INTELLECT had gewerkt zonder enig verwijt wat betreft de kwaliteit van zijn prestaties. Hij eist dus een schadevergoeding voor de morele en fysieke schade die hem werd berokkend door het foutieve en abusieve gedrag van zijn vroegere werkgever. Het is opmerkelijk dat uit geen enkel stuk blijkt dat eiser ook maar zou hebben aangedrongen op het verderzetten van de onderhandelingen over de overeenkomst voor zelfstandige samenwerking. Verder is het ook opmerkelijk dat hij in zijn reactie op zijn gedwongen vertrek (email en brief van 4 december 2007) niets vermeldt over deze samenwerking op zelfstandige basis. Het feit dat verweerster een ontwerp van overeenkomst had voorgelegd lijkt integendeel de stelling van verweerster te bevestigen dat zij wel bereid was om dergelijke overeenkomst aan te gaan. Eiser nam tijdens de opzeggingstermijn ook sollicitatieverlof op wat erop wijst dat hij elders werk zocht. Eiser heeft zelf ervoor gekozen tot twee maal toe de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Hij wist dat er nog geen defintieve overeenkomst voor zelfstandige samenwerking was gesloten. Het blijkt niet dat verweerster hem gedwongen of misleid zou hebben. De rechtbank kon slechts vaststellen dat het niet bewezen wordt dat verweerster een fout heeft begaan of misbruik van recht zou hebben gepleegd.
- De overige bedragen. Verweerster zet in conclusies uiteen: - Uit de loonfiche d.d. 28.11.2007 blijkt dat eiser 5.704,05 euro enkel vakantiegeld heeft gekregen, voor de vakantiedagen die reeds werden opgebouwd voor het volgende jaar, 4.774,07 euro als enkel vakantiegeld voor de vakantiedagen die nog openstonden, 647,00 euro voor aanvullend vakantiegeld en 5.057,05 euro als dubbel vakantiegeld; - Sinds het begin van de contractuele betrekkingen tot de datum van beëindiging van de overeenkomst werd het vakantieloon steeds aan hem uitbetaald. Dit blijkt onder meer uit de loonfiches van 2006; - Uit de loonfiche d.d. 28.11.2007 blijkt dat eiser een bedrag ad. 5.786,77 euro als eindejaarspremie heeft ontvangen; - De overige eindejaarspremies vanaf het begin van zijn werkzaamheden bij verweerster tot het einde van de arbeidsovereenkomst werden eveneens steeds betaald. Dit blijkt onder meer uit de loonfiches van
- - Uit de loonfiches van oktober en november 2007 blijkt dat het sollicitatieverlof mee in rekening werd gebracht en eiser aldus reeds vergoed is geweest voor deze 34,88 u. sollicitatieverlof. Eiser heeft geen recht op vergoeding van loon voor de dagen waarop hij recht had op sollicitatieverlof, doch dewelke hij niet heeft opgenomen. Eiser betwist deze verklaringen niet en vermeldt niets over deze vorderingen in conclusies. Waar eiser een deel van het sollicitatieverlof niet heeft opgenomen, heeft hij alleszins geen recht op loon gezien hij voor die dagen, waarop hij werkte, reeds loon heeft ontvangen. Eiser toont niet aan dat hem nog iets verschuldigd is.
- Sociale documenten. Verweerster zet uiteen dat zij met een aangetekende brief van 10 april 2008 de sociale documenten heeft opgestuurd en legt de originele gesloten zending neer, waarop de post heeft vermeld dat eiser deze niet heeft afgehaald. Het is aangewezen dat verweerster de sociale documenten alsnog bezorgt aan de raadsman van eiser. Eiser toont alleszins niet aan dat hij door de fout van verweerster schade zou hebben geleden. Er is ook geen reden om een dwangsom op te leggen.
- De rechtsplegingsvergoeding. De rechtbank maakt toepassing van artikel 1017 vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek dat: "Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. (...) De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.(...)" Waar slechts een deel van de vorderingen van eiser gegrond zijn, dient verweerster slechts de rechtsplegingsvergoeding ten belope van het overeenstemmende bedrag ten laste te nemen (vgl. Cass. 18 december 2009). OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Rechtsprekende op tegenspraak en in eerste aanleg, Verklaart de vordering in de volgende mate gegrond; Veroordeelt verweerster tot betaling aan eiseres van: - een vergoeding gelijk aan 17.067,62 euro bruto, onder aftrek van de wettelijke inhoudingen die aan de bevoegde instanties moeten gestort worden, - 6.000 euro netto loon; - de wettelijke intresten vanaf 27 november 2007 en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding. Veroordeelt verweerster tot afgifte van de loonfiche, individuele rekening, vakantieattesten, tewerkstellingsattest en C4 formulier; Veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van eiseres op 144,52 euro dagvaardingskosten en op 2.000 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist door de 24ste kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, waar zitting hielden: C. CORBISIER, Rechter, J. SAP, Rechter in sociale zaken - werkgever, W. VAN ESCH, Rechter in sociale zaken - werknemer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van alwaar aanwezig waren:Mevrouw C. CORBISIER, Rechter, bijgestaan door T. DUBELLOY, Griffier, de griffier, de Rechters in sociale zaken, De Rechter, T. DUBELLOY W. VAN ESCH J. SAP C. CORBISIER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div