← België

ECLI:BE:ARBRL:2010:JUG.20101015.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 15 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:ARBRL:2010:JUG.20101015.3 Rolnummer: 07/3691/A Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-10-26 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-01 13:52 Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Arbeidsongevallenverzekering Vrije woorden: Handvest Sociaal verzekerde - art. 17 Handvest sociaal verzekerde - terugvordering - verzekeringsuinstelling oefent subrogatierecht t.o;v. arbeidsongevallenverzekeraar niet uit. Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - 17 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL VONNIS 28ste Kamer - openbare zitting van 15 oktober 2010 A.R. nr. 3691/07 Aud. nr. 2007/6/02/61 Z.I.V. Tussenvonnis Rep. nr. 10/ INZAKE : DE LANDSBOND VAN DE ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN (LOZ), met zetel te 1150 BRUSSEL, Sint-Huibrechtsstraat 19, eisende partij op hoofdvordering, verwerende partij op tegenvordering, vertegenwoordigd door Meester Kurt Demeester, advocaat wiens kantoor gevestigd is te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 535 ; TEGEN : A verwerende partij op hoofdvordering, eisende partij op tegenvordering, vertegenwoordigd door Meester Klaar Mellen loco Meester Joris Lombaert, advocaten ; Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek ; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken ; Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals gecoördineerd bij Koninklijk Besluit van 14 juli 1994 (B.S. 27 augustus 1994), hierna de Ziekteverzekeringswet genoemd ; Gelet op het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet van 14 juli 1994 ;

  1. De procedure De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken: - het verzoekschrift van LOZ, aangetekend verzonden naar de griffie van deze rechtbank dd. 8 maart 2007, - conclusies voor LOZ, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 22 oktober 2009, - een beschikking overeenkomstig artikel 747 §2 van het Gerechtelijk Wetboek dd. 24 december 2009, - conclusies voor A, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18 februari 2010, - tweede conclusies voor LOZ, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 26 februari 2010, - syntheseconclusies voor A, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 19 april 2010, - schriftelijk advies van de heer J. Geysen, Substituut Arbeidsauditeur, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 17 juni 2010, - replieken van A, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 13 september 2010 Partijen werden regelmatig opgeroepen voor de openbare zitting van 21 mei
  2. Partijen hebben gepleit op de openbare zitting van 21 mei 2010 waarna de debatten werden gesloten. De heer J. Geysen, Substituut Arbeidsauditeur, heeft schriftelijk advies neergelegd ter griffie op 17 juni 2010, waarna een repliek aan partijen was toegestaan tot 10 september 2010, waarna de zaak in beraad genomen werd. In toepassing van artikel 767 § 3 van het Gerechtelijk Wetboek werd het advies ter kennis gegeven aan de partijen, waarop A repliceerde.
  3. De vorderingen De hoofdvordering De LOZ vordert de terugbetaling van ziekteuitkeringen te belope van 4.880,30 euro, onder aftrek van een bedrag van 1.000 euro dat reeds werd terugbetaald door A en onder aftrek van de inhoudingen van 10 % die de arbeidsongevallenverzekeraar aan de LOZ doorstort. De tegenvordering: Met conclusies heeft A een tegenvordering ingesteld. Hij vordert : "In hoofdorde De vordering van eiseres ongegrond te verklaren. Eisers te veroordelen tot het terugbetalen aan concluant van het bedrag van euro 1 .000,00 evenals tot terugbetaling van alle bedragen die werd bekomen via het beslag gelegd in handen van AXA BELG1UM op 13.04.2007 conform art. 1410 § 4 van het Ger.W.. Eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding ( euro 72,86) In ondergeschikte orde Voor recht te zeggen dat concluant slechts gehouden is tot terugbetaling aan eiseres van een bedrag van euro 2.990,14, waarvan nog dienen te worden afgetrokken de bedragen betaald via afhouding op de rente die door AXA BELGIUM aan concluant wordt betaald en dus door het beslag gelegd in handen van AXA BELGIUM op 13.04.2007 conform art. 1410 § 4 van het Ger.W. In meest ondergeschikte orde Voor recht te zeggen dat concluant slechts gehouden is tot terugbetaling aan eiseres van een bedrag van euro 3.880,30, waarvan nog dienen te worden afgetrokken de bedragen betaald via afhouding op de rente die door AXA BELGIUM aan concluant wordt betaald en,.dus door htheslag gelegd in handen van AXA BELGIUM op 13.04.2007 conform art. 1410 § 4 van het Ger.W. "
  4. De feiten. A was het slachtoffer van een arbeidsongeval op 31 januari
  5. Na consolidatie van de letsels werd de blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolgen van het arbeidsongeval vastgesteld op 7 %. De LOZ betaalde sinds 1 februari 2001 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan A. Nadien verergerde de toestand en vroeg A de herziening van het percentage arbeidsongeschiktheid. Na deskundig onderzoek, verklaarde de 6 de kamer van deze arbeidsrechtbank in een vonnis van 11 mei 2004 de vordering tot herziening gegrond en bepaalde de blijvende arbeidsongeschiktheid op 20 % met ingang van 2 mei
  6. Er bestaat geen betwisting over dat de arbeidsongevallenverzekeraar, de nv AXA, met een brief van 19 augustus 2004 het ziekenfonds van A (aangesloten bij de LOZ) een copie bezorgde van het vonnis en schreef : "Ten einde ons in staat te stellen dit vonnis uit te voeren verzoeken wij u ons in kennis te stellen van uw uitgaven in deze aangelegenheid." De LOZ geeft geen informatie over het gevolg dat hij heeft gegeven aan deze brief van AXA. Volgens een brief van AXA van 14 september 2007 zou de LOZ op 11 november 2004 (en dus nadat de LOZ kennis kreeg van het vonnis over de herziening) enkel een uitgavenstaat voor de periode 1 mei 1996 tot 3 december 1996 hebben bezorgd aan AXA, welke afrekening AXA heeft geweigerd omdat de LOZ reeds sinds 14 april 1999 op de hoogte was van de consolidatie (op 7% blijvende arbeidsongeschiktheid). Op 10 maart 2005 zond de LOZ dan plots volgende aangetekende brief aan A: "(...) Ingevolge een herziening van uw dossier, stellen wij vast dat U een rente van 20% hebt ontvangen voor de periode van 01/03/2003 tot 31/12/
  7. Hierdoor zien we ons genoodzaakt Uw dossier uitkeringen als volgt te regulariseren. Wij betaalden U volgende uitkeringen: - Van 01/03/2003 tot 31/05/2003 : 79 dagen X 23,64 EUR = 1867,56 EUR - Van 01/06/2003 tot 31/12/2003: 183 dagen X 24,17 EUR = 4423,11 EUR - Van 01/01/2004 tot 3 0/09/2004 : 234 dagen X 24,17 EUR = 5679,95 EUR - Van 01/10/2004 tot 31/12/2004: 79 dagen X 24,72 EUR = 1952,88 EUR Hetzij een totaal bedrag van 13923,50 EUR U diende volgende uitkering(en) te ontvangen: - Van 01/03/2003 tot 31/05/2003 : 79 dagen X 15,16 EUR = 1197,64 EUR - Van 01/06/2003 tot 31/12/2003: 183 dagen X 15,70 EUR 2873,10 EUR - Van 01/01/2004 tot 30/09/2004 : 235 dagen X 15,70 EUR = 3689,50 EUR - Van 0 1/10/2004 tot 31/12/2004: 79 dagen X 16,24 EUR = 1282,96 EUR Hetzij een totaal bedrag van 9043,20 EUR Onder voorbehoud van iedere inlichting die U ons naderhand zou bezorgen, bedraagt het ons terug te betalen bedrag 4880,30 EUR. Deze onrechtmatige betaling is het gevolg van de toepassing van artikel 103 van Wet van14/07/l994." A reageerde en schreef op 5 juli 2005 en 19 juni 2006 dat hij in afwachting dat de LOZ , zoals beloofd, zijn dossier zou onderzoeken, een bedrag van 1000 euro betaalde om een procedure voor de arbeidsrechtbank te vermijden. A schreef : "(...) Vermits bij de rechtzetting tussen 7% en de 20% door AXA, die ook aan jullie diensten de vraag hebben gesteld of er iets moest ingehouden worden, en dit dus niet gebeurd is, vermoedt ik dat jullie diensten negatief hebben geantwoord. Ook heb ik het Handvest van de sociaal verzekerde kunnen lezen. Daarin staat bij Art. 17 dat een terugvordering voor het verleden niet mogelijk is wanneer de vergissing aan de instelling van de sociale zekerheid te wijten is, en dit is hier zeker het geval. Dit wil dus zeggen dat ik U verleden jaar 1000 euro heb terugbetaald die ik niet hoefde! (...)" In een brief van 20 juli 2006 schreef de LOZ : "In antwoord op Uw brief van 16 juni 2006 delen wij U mede dat Uw dossier in behandeling is, teneinde uit te zoeken of er toepassing is of niet van art. 17" Op 22 februari 2007 volgde dan weer een aanmaning tot betaling van 4880,30 euro, "saldo van een oorspronkelijk bedrag van 3880,30 euro" (sic). A verwees opnieuw naar artikel 17 (van het Handvest van de sociaal verzekerde) en zijn betaling van 1000 euro. De LOZ antwoordde bij brief van 16 maart 2007 dat de 1.000 euro inderdaad in mindering moest komen en dat , wat betreft het artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde, zij de zaak had aanhangig gemaakt bij de arbeidsrechtbank die het geschil zou beslechten. Op 13 april 2007 schreef de LOZ dan aan AXA dat A 4880,30 euro verschuldigd was (sic) en vroeg de LOZ dat AXA, bij toepassing van artikel 1410§4 Gerechtelijk wetboek, 10 % zou inhouden op de uitkeringen van A en aan de LOZ overmaken.
  8. Bespreking

(1)Artikel 136 §2 van de Ziekteverzekeringswet verplichtte AXA om de LOZ te verwittigen toen zij in uitvoering van het vonnis van 11 mei 2004 zou overgaan tot betaling van aanvullende uitkeringen ingevolge de verhoging van het arbeidsongeschiktheidpercentage tot 20 % met ingang van 2 mei 2002. Artikel 136 § 2 bepaalt immers "(...) De bij deze gecoördineerde wet bepaalde prestaties worden geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Belopen de bedragen welke krachtens die wetgeving of het gemeen recht worden verleend evenwel minder dan de prestaties van de verzekering, dan heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering. Voor de toepassing van deze paragraaf is het bedrag van de door de andere wetgeving verleende prestaties gelijk aan het brutobedrag verminderd met het bedrag van de sociale zekerheidsbijdragen welke op die prestaties worden ingehouden. De prestaties worden, onder door de Koning bepaalde voorwaarden, toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht. De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende; deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden. De overeenkomst die tot stand gekomen is tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling verschuldigd is, kan niet tegen de verzekeringsinstelling worden aangevoerd zonder haar instemming. Degene die schadeloosstelling verschuldigd is, verwittigt de verzekeringsinstelling van zijn voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen; hij maakt aan de verzekeringsinstelling, indien deze geen partij is, een kopij over van de tot stand gekomen akkoorden of gerechtelijke beslissingen. De verzekeringsmaatschappijen burgerlijke aansprakelijkheid worden gelijkgesteld met degene die schadeloosstelling is verschuldigd. Indien degene die schadeloosstelling verschuldigd is, nalaat de verzekeringsinstelling in te lichten overeenkomstig het vorige lid, kan hij tegen laatstgenoemde de betalingen die hij verrichtte ten gunste van de rechthebbende niet aanvoeren; ingeval van dubbele betaling blijven deze definitief verworven in hoofde van de rechthebbende.(...)" AXA heeft deze verplichting nagekomen. Zij verwittigde de LOZ immers op 19 augustus 2004.
(2)A verwijst terecht naar de bepalingen van artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde (wet van 11 april 1995). Dit artikel bepaalt : "Art. 17 Wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, neemt de instelling van sociale zekerheid op eigen initiatief een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring. Onverminderd de toepassing van artikel 18, heeft de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de instelling van sociale zekerheid te wijten is, uitwerking op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestatie kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht. Het vorige lid is niet van toepassing indien de sociaal verzekerde weet of moest weten, in de zin van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, dat hij geen recht heeft of meer heeft op het gehele bedrag van een prestatie." Het Arbitragehof (thans Grondwetelijk Hof) besliste in een arrest van 21 december 2005 ( 196/2005) hetvolgende : "Artikel 17, tweede lid, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het «handvest» van de sociaal verzekerde schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het van toepassing is op een beslissing tot terugvordering indien een juridische of materiële vergissing door de instelling is begaan, genomen door een privaatrechtelijke instelling." Artikel 17 is dus van toepassing op de beslissing van de LOZ tot terugvordering van een deel van de uitkeringen die hij aan A betaalde. Deze wettelijke bepaling heeft precies tot doel te vermijden dat de verzekerde die ter goeder trouw is, plots uitkeringen die hij in het verleden heeft ontvangen en waarvan achteraf blijkt dat ze te hoog waren of verkeerd berekend werden, moet terugbetalen. De LOZ heeft door zijn nalatigheid AXA niet ingelicht terwijl de LOZ daar uitdrukkelijk de gelegenheid toe kreeg. Door de nalatigheid van de LOZ heeft AXA aan A de volledige schadevergoeding op grond van de arbeidsongevallenwetgeving betaald, zonder daarop een deel in te houden en aan de LOZ door te storten. Het blijkt niet en de LOZ beweert ook niet dat A wist of behoorde te weten dat een deel van de uitkeringen van AXA die hij in 2004 ontving verrekend hadden moeten worden met de uitkeringen die hij in de jaren voordien van de LOZ had ontvangen, inzoverre zij dezelfde schade dekten. De berekening van deze uitkeringen en de toepassing van de non-cumulatieregels van artikel 136 van de Ziekteverzekeringswet zijn zeer complex voor wie geen gespecialiseerde kennis van de reglementering heeft. Toen A in de periode van 2003-2004 van de LOZ uitkeringen ontving , waren deze wettelijk verschuldigd (artikel 136§2 derde lid van de ziekteverzekeringswet bepaalt immers dat het ziekenfonds arbeidsongschiktheidsuitkeringen moet toekennen in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere wetgeving). Toen was er dus evenmin sprake van uitkeringen waarvan A behoorde te weten dat ze niet verschuldigd waren. Verder en zoals de LOZ zelf toegeeft in conclusies, betaalde deze nog verder de te hoge uitkeringen aan A in de maanden september tot en met december 2004 terwijl de LOZ reeds sinds 19 augustus 2004 kennis had van het vonnis tot herziening van de gevolgen van het arbeidsongeval. Hier ging het dus opnieuw om een te hoge betaling door de fout van de LOZ. Om dezelfde redenen als uiteengezet hierboven, behoorde A niet te weten dat deze betalingen te hoog waren.
(3)Tenslotte blijkt niet dat A tekort zou zijn gekomen aan zijn verplichting om aan de LOZ de nodige inlichtingen te geven opdat deze zijn subrogatierecht tegen AXA kon uitoefenen, zoals bepaald in artikel 295 van het KB van 3 juli 1996 tot uitvoering van de Ziekteverzekeringswet. Bovendien had de LOZ volkomen de gelegenheid om zijn subrogatierecht uit te oefenen toen hij daartoe werd uitgenodigd door AXA in haar brief van 19 augustus 2004.
(4)Het volgt dus uit de bepalingen van artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde dat de beslissing van de LOZ van 10 maart 2005 tot terugvordering van prestaties die werden uitgekeerd in 2003 en 2004 geen uitwerking kon hebben. De hoofdvordering is bijgevolg ongegrond. A heeft recht op de terugbetaling van het bedrag van 1.000 euro en op het bedrag van de inhoudingen op zijn uitkeringen die AXA aan de LOZ heeft overgemaakt. De partijen dienen wel nog een precieze afrekening te maken van deze inhoudingen. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Gelet op het schriftelijk advies van de heer J. Geysen, Substituut-Arbeidsauditeur neergelegd ter griffie op 17 juni 2010; Rechtsprekend op tegenspraak en in eerste aanleg ; Verklaart de hoofdvordering ongegrond ; Verklaart de tegenvordering in de volgende mate gegrond ; Veroordeelt de LOZ tot terugbetaling van 1.000 euro aan A en tot terugbetaling aan A van de bedragen die de nv AXA bij toepassing van artikel 1410§4 van het Gerechtelijk Wetboek heeft ingehouden op de uitkeringen van A en aan de LOZ heeft overgemaakt, Stelt de zaak vast op de zitting van 24 december 2010 opdat de partijen een gedetailleerde afrekening van deze inhoudingen zouden maken ; Legt de kosten van het geding ten laste van de LOZ, begroot op 72,86 euro dagvaardingskosten. Verklaart de hoofdvordering ongegrond ; Verklaart de tegenvordering in de volgende mate gegrond, Veroordeelt de LOZ tot terugbetaling van 1.000 euro aan A en tot terugbetaling aan A van de bedragen die de nv AXA bij toepassing van artikel 1410§4 van het Gerechtelijk Wetboek heeft ingehouden op de uitkeringen van A en aan de LOZ heeft overgemaakt, Stelt de zaak vast op de zitting van 11 februari 2011 opdat de partijen een gedetailleerde afrekening van deze inhoudingen zouden maken, Legt de kosten van het geding ten laste van de LOZ, begroot op 72,86 euro dagvaardingskosten. Aldus gevonnist door de 28ste kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel waar zitting hielden: Mevrouw Carla CORBISIER, Rechter, De heer X, Rechter in sociale zaken - werkgever, De heer Y, Rechter in sociale zaken - arbeiders, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 oktober 2010 waar aanwezig waren: Mevrouw C. CORBISIER, Rechter, bijgestaan door Mevrouw Anita GENETELLO, Afgevaardigd griffier. De afgevaardigd De Rechters in Sociale Zaken, De Rechter, griffier, A. GENETELLO C. CORBISIER G. VAN OVERBEKE- WOUTERS K. MAERTENS Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.