id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 13 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:ARBRL:2010:JUG.20101213.1 Rolnummer: 17957/09 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-12-15 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-01 14:20 Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid Vrije woorden: werkloosheid-uitsluiting-art.51-52bis KB 25/11/1991 - onbereikbaarheid voor VDAB bij gebrek aan enig adres Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 51 Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 52bis Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL 30ste Kamer - openbare zitting van VONNIS A.R. nr. 17957/09 Aud. nr 2009/04/02/126 Werkloosheid Eindvonnis - terugvordering Rep. nr. 10/ INZAKE : De heer B, Eisende partij, vertegenwoordigd door Meester Frédéric Van Den Stichel loco Meester Bart Biesemans, advocaten ; TEGEN : DE RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, Verwerende partij, vertegenwoordigd door Meester Ernest De Bock, advocaat; Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; I. De procedure De rechtbank nam kennis van het verzoekschrift van eisende partij, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 3 december 2009. De partijen werden regelmatig opgeroepen overeenkomstig artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare zitting van 18 oktober 2010. Partijen hebben gepleit ter openbare zitting van 18 oktober 2010 en mevrouw N. Van Den Brande, Substituut Arbeidsauditeur heeft haar advies na sluiting der debatten gegeven, waarop niet werd gerepliceerd door de partijen en waarna de zaak in beraad werd genomen. II. De vordering De vordering is gericht tegen de administratieve beslissing van de Directeur van het Werkloosheidsbureau te Vilvoorde van 4 september 2009, waarbij : - eisende partij wordt uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 5 augustus 2009 voor een duur van 26 weken omdat hij zich niet heeft aangemeld bij de dienst voor arbeidsbemiddeling (artikel 51 en 52bis van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering), - eisende partij wordt uitgesloten van het genot van de uitkeringen vanaf 29 juli 2009 omdat hij niet als werkzoekende is ingeschreven (artikel 58 van voornoemd KB), - de uitkeringen die eisende partij onrechtmatig ontving vanaf 29 juli 2009 worden teruggevorderd (artikel 169 en 170 van voornoemd KB). Eisende partij vraagt om deze sanctie te beperken tot het wettelijk minimum van 4 weken (uitsluiting) of deze gepaard te laten gaan met een gedeeltelijk uitstel. III. De feiten Eisende partij, geboren in 1961, geniet werkloosheidsuitkeringen sedert 17 januari 2008. Eisende partij werd met gewone brief door de VDAB opgeroepen voor een onderhoud op 6 juli 2009. Eisende partij bood zich niet aan, zonder enige verwittiging. De VDAB richtte daarop een aangetekende brief van 10 juli 2009 aan eisende partij waarin haar werd gevraagd, om binnen de drie dagen na ontvangst van de brief, zich alsnog aan te bieden. Eisende partij heeft ook op deze brief niet gereageerd. De RVA werd van deze feiten op de hoogte gesteld door de VDAB per elektronische drager op 5 augustus 2009. Bij aangetekende brief van 13 augustus 2009 nodigde de directeur van de werkloosheidsbureau eisende partij uit voor een verhoor op 26 augustus 2009. Eisende partij bood zich niet aan en liet zich niet vertegenwoordigen. Hij reageerde op geen enkele wijze. Op 4 september 2009 legde de directeur van het werkloosheidsbureau dan de maatregel van uitsluiting van het genot van uitkeringen op. Hij motiveerde zijn beslissing als volgt : "U bent bijgevolg werkloos geworden wegens omstandigheden afhankelijk van uw wil. Het aantal weken uitsluiting werd bepaald op 26 weken, aangezien u zich op geen enkele manier verantwoordt voor uw afwezigheid op de oproeping voor 06.07.2009 bij de VDAB, noch voor de aangetekende oproeping van 10.07.2009, waarbij u nochtans ruimschoots de mogelijkheid werd gegeven om u aan te bieden binnen de 3 dagen na de ontvangst van deze brief. Dat u evenmin reageert op mijn aangetekende uitnodiging van 13.08.2009, toont aan dat u volhardt in uw onverschilligheid ten opzichte van uw verplichtingen als werkloze of werkzoekende. U laat eveneens na verzachtende omstandigheden aan te brengen. Bovendien stel ik vast dat er verzwarende elementen in uw dossier zijn: u werd reeds in het verleden uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen (feit van 18.09.2007 — beslissing van 31.01.2008). Om dezelfde reden(
- en)beperk ik mij niet tot het geven van een verwittiging (art. 53 bis, § 1, lid 1) en laat ik de uitsluitingsbeslissing niet gepaard gaan met een geheel of gedeeltelijk uitstel (art. 53 bis, § 2, lid 1). De uitsluiting gaat in op 05.08.2009, datum van de dag waarop het werkloosheidsbureau kennis heeft gekregen van het begane feit (artikel 53, 1 lid)." IV. Bespreking A. De ontvankelijkheid Het verzoekschrift werd neergelegd binnen de wettelijke termijn van drie maanden bepaald in de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling (Hoofdstuk VI, afdeling III, gerechtelijke procedure, artikel 61). B. De grond Artikel 44 van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering bepaalt dat om uitkeringen te kunnen genieten de werkloze wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon moet zijn. Artikel 51, § 1, tweede lid, 4° van het K.B. van 25 november 1991 bepaalt dat onder werkloosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer wordt verstaan het zich zonder voldoende rechtvaardiging niet aanmelden bij de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling en/of beroepsopleiding, indien de werkloze door deze dienst werd opgeroepen om zich aan te melden. Artikel 52 bis, § 1, 3° van het K.B. bepaalt dat de werknemer wordt uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 4 en ten hoogste 52 weken indien hij werkloos is of wordt in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, ten gevolge van het zich niet aanmelden bij de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling en/of beroepsopleiding. Artikel 53 bis van het K.B. van 25 november 1991 bepaalt : " § 1. Voor de gebeurtenissen, bedoeld in artikel 51, kan de directeur zich beperken tot het geven van een verwittiging. De verwittiging, bedoeld in het vorige lid, wordt aan de werkloze betekend. § 2. Voor de gebeurtenissen bedoeld in artikel 51, kan de directeur de uitsluitingsbeslissing gepaard laten gaan met een geheel of gedeeltelijk uitstel. De termijn van het uitstel wordt uitgedrukt in weken. § 3. De directeur kan de maatregelen, bepaald in de §§ 1 en 2 enkel toepassen, indien, binnen de twee jaar die de gebeurtenis voorafgaan, geen gebeurtenis plaatsgevonden heeft die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van artikel 52 of 52bis." Als rechtvaardiging voor het feit dat hij niet reageerde op de uitnodigingen van de VDAB, zet eiser in zijn verzoekschrift uiteen : " Ingevolge problemen met zijn huiseigenaar diende hij eind juni 2009 noodgedwongen te verhuizen. Omdat hij niet onmiddellijk een nieuwe woonst vond, contacteerde hij het OCMW. Er werd hem voorgesteld om tijdelijk in een opvangcentrum te verblijven, wat hij weigerde. Door voormelde problemen ontving hij de oproeping hem gericht door de VDAB niet, met de bestreden beslissing als gevolg. Hij is voltijds beschikbaar voor de arbeidsmarkt, en bereid om mee te werken met de VDAB in de zoektocht naar een geschikte betrekking. " Verder legt eiser copie neer van een brief van het OCMW van 16 maart 2010 dat bevestigt: " Het OCMW van Zaventem huurde een kamer op de .... Meneer B. woonde er sinds 16.11.2007. De eigenaar heeft de huur opgezegd omdat hij veel problemen had met meneer B. Meneer moest op 01.06.2009 de kamer verlaten. Op 04.06.2009 werden de sleutels in ontvangst genomen en verliet meneer B. de kamer. De dag dat meneer de kamer verliet stelde de maatschappelijk werker voor om een onthaaltehuis voor hem te zoeken maar meneer was hier niet mee akkoord en verdween zonder adres na te laten. Op 17.02.2010 kwam hij opnieuw naar het OCMW om een referentie adres en leefloon te vragen." Uit het Rijksregister blijkt dat eiser sinds 5 oktober 2009 van ambtswege werd afgevoerd van zijn adres ..... en dat hij sinds 14 april 2010 is ingeschreven op zijn huidige woonplaats . De rechtbank kan slechts vaststellen dat eiser door zijn eigen toedoen ervoor gezorgd heeft dat hij sinds 4 juni 2009 onbereikbaar was voor de VDAB. Niettegenstaande hij op 3 december 2009 met hulp van zijn vakorganisatie beroep aantekende tegen de bestreden beslissing, heeft hij nog tot april 2010 gewacht om een nieuwe woonplaats kenbaar te maken. Zelfs in het verzoekschrift voor de rechtbank vermeldde eiser nog zijn woonplaats waar hij sinds 4 juni 2009 was vertrokken . Eiser weigerde het verblijf in een opvangcentrum van het OCMW en geeft geen enkele uitleg over de plaats waar hij zou verbleven hebben in de periode van juni 2009 tot april 2010. Het blijkt dus niet eens of eiser in België of in het buitenland verbleef. Het blijkt ook niet dat hij in die periode zelf naar werk zou hebben gezocht. Bij gebreke aan adres was hij overigens ook onbereikbaar voor potentiële werkgevers. Eiser verwijst naar de administratieve richtlijnen van de RVA die op pagina 30 (nummer 3.5.3.
- b)vermelden dat geen uitsluiting kan worden uitgesproken op basis van de artikelen 51 en 52 bis van het KB van 25 november 1991 indien de werkloze geen kennis van de oproeping van de dienst voor arbeidsbemiddeling kon nemen omdat hij zijn adreswijziging niet had doorgegeven. In het geval van eiser was er geen sprake van het niet-doorgeven van een adreswijziging maar zondermeer van afwezigheid van enig adres, met als gevolg dat eiser op geen enkel adres bereikbaar was. In het geval van eiser gelden dus eerder de regels vermeld op pagina 29 (nummer 3.4.3.
- d)van de administratieve richtlijnen van de RVA: "
- d)Problemen met de postbedeling Het feit dat een werkloze verklaart dat hij geen kennis had van de uitnodiging van de dienst voor arbeidsbemiddeling, omdat hij problemen had met de ontvangst van de post (slechte brievenbus, post gestolen, ...), vormt geen voldoende rechtvaardiging van het zich niet aanmelden. Volgens een constante rechtspraak moet een werkloze die ingeschreven moet zijn als werkzoekende, op elk ogenblik bereikbaar zijn voor de dienst voor arbeidsbemiddeling, of het nu voor een eventuele betrekking is, voor een beroepsopleiding of een inschakelingparcours, en dit om zal zijn kansen te behouden om opnieuw ingeschakeld te kunnen worden op de arbeidsmarkt. Hij moet dus alle nuttige voorzorgen nemen om regelmatig door deze dienst bereikt te kunnen worden, meer bepaald door alle noodzakelijke maatregelen te nemen zodat de post die hem wordt toegezonden hem kan bereiken (A.H. Luik, 24.9.1997, RVA t/N. M., A.R. nr. 24.361/96 - Werkloosheid 01, 051.RJ.04, p. 3 ; A.H. Luik, 19.3.1999, RVA (/l. V., A.R. nr. 27.298 ; A.H. Luik, afdeling Neufchâteau, 8.3.2000, RVA t/A. M., A.R.nr. 3.226 ; A.H. Luik, 28.6.2002, L. G. t/RVA. A.r. nr. 29.383). Het zich niet aanmelden kan in dergelijke omstandigheden enkel gerechtvaardigd worden indien de werkloze kan bewijzen dat er een fout is geweest bij de post of indien hij bewijst dat hij werkelijk alles heeft gedaan wat in zijn macht lag opdat zijn post hem zou bereiken." Om al deze redenen kan de rechtbank slechts vaststellen dat eiser zonder voldoende rechtvaardiging zich niet heeft aangemeld bij de VDAB toen deze hem had opgeroepen. Eiser betwist verder niet dat hij reeds omwille van een gebeurtenis in de twee jaar voordien een uitsluiting kreeg opgelegd zodat geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 53 bis. Verder blijkt helemaal niet dat er verzachtende omstandigheden zijn zodat er ook geen reden is om het aantal weken uitsluiting te verminderen. Verwerende partij nam terecht de beslissing om eisende partij 26 weken uit te sluiten op grond van artikel 51 en 52 bis van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991. De schrapping als werkzoekende was wettig (artikel 58, §1, eerste lid van voormeld KB) zodat eiser door verwerende partij terecht werd uitgesloten van het genot van de uitkeringen vanaf 29 juli 2009. Tenslotte ging verwerende partij, gelet op wat voorafgaat, terecht over tot terugvordering van de genoten uitkeringen vanaf 29 juli 2009. De vordering van eisende partij is bijgevolg ongegrond. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Gehoord mevrouw N. Van Den Brande, Substituut Arbeidsauditeur, in haar mondeling advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2010 ; Rechtsprekende op tegenspraak en in eerste aanleg ; Verklaart de vordering ongegrond; Bevestigt de bestreden administratieve beslissing van de Directeur van het Werkloosheidsbureau te Vilvoorde dd. 4 september 2009; Legt de kosten van het geding, begroot in hoofde van eisende partij op 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding, ten laste van verwerende partij overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aldus gevonnist door de 30ste kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel waar zitting hielden: Mevrouw C. CORBISIER, Rechter, voorzitter van de Kamer, De heer J. VANDENBOSCH, Rechter in sociale zaken - werkgevers, De heer M. EL OUAHLKADI, Rechter in sociale zaken - werknemers, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 december 2010 waar aanwezig waren: Mevrouw C. CORBISIER, Rechter, bijgestaan door A. GENETELLO, Afgevaardigd Griffier. De Afg. Griffier, De Rechters in Sociale Zaken, De Rechter, A. GENETELLO J. VANDENBOSCH M. EL OUAHLKADI C. CORBISIER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div