← België

ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20040506.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 06 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20040506.6 Rolnummer: 26099I Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-17 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-01 00:15 Fiche De vraag dient dan ook beantwoord te worden of de maaltijdvergoeding moet worden opge-nomen in het basisloon. Principieel dient te worden aangenomen dat de werknemer zelf dient in te staan voor de kos-ten van zijn maaltijden, wanneer hij door de gewone verplaatsing naar het werk niet thuis kan eten, en is de betaling van een maaltijdvergoeding in deze omstandigheden een voordeel dat deel uitmaakt van de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding. Het is evenwel anders wanneer het nemen van de maaltijden buitenshuis door de aard van de uitgeoefende functie noodzakelijk is (A.T.O. Kluwer, 0 601 285) of gebeurt naar aanleiding van verplaatsingen bij de eigenlijke uitvoering van het werk (M. De Vos, Loon naar Belgisch Arbeidsovereenkomstenrecht, Maklu 2001, 1347). Los van de vraag of de eisende partij al dan niet handelsvertegenwoordiger was (zie infra) is het niet betwist dat de eisende partij, behoudens uiteraard vakantie of ziekte, hoofdzakelijk "op de baan was" voor o.a. demonstraties, marketing, prospectie, shows, opleiding, work-shops, etc. In deze omstandigheden kan een vergoeding van 230 euro per maand worden aanvaard als een kostenvergoeding en niet als een voordeel of een verkapt loon (vgl. Arbh. Gent, afd. Gent, tweede kamer, 13 september 1999, S.R.K., 2000, 87). Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN Opzeggingsvergoeding - Maaltijdvergoeding. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 39§1 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 26.099/I. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, eerste kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van donderdag zes mei Verminderd tweeduizend en vier Griffierecht IN DE ZAAK: M. I., bediende, wonende te, eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. B. Cops namens Mr. D. Votquenne, advocaten te Watermaal-Bosvoorde, tegen C. M. C., naamloze vennootschap, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te, ingeschreven in het voormalig handelsregister te O. onder het nummer, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. A.-L. Servaes namens Mr. M. De Boel, advocaten te Gent. De artikelen 2, 30, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De verwerende partij werd regelmatig gedagvaard bij exploot haar betekend op 16 juni 2003 door de gerechtsdeurwaarder W. De Buyst. De eisende partij verzocht bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 5 november 2003, de rechtsdag te bepalen met toepassing van het artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtsdag werd bepaald op 1 april 2004. De door artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven formaliteiten werden nageleefd. Tijdens de terechtzitting van 1 april 2004 werd tevergeefs een poging tot minnelijke schikking aangewend. De rechtbank heeft de beide partijen gehoord; de conclusies van de partijen en de stukken van het dossier werden ingezien. De vordering strekt ertoe: 1° de verwerende partij te doen veroordelen om aan de eisende partij te betalen:

  1. a)een bedrag van 711,68 euro voor saldo opzeggingsvergoeding;
  2. b)een bedrag van 2.274,20 euro voor aanvullende opzeggingsvergoeding;
  3. c)een bedrag van 6.822,62 euro voor uitwinningsvergoeding;
  4. d)een bedrag van 619,23 euro voor kilometervergoeding (oktober 2001);
  5. e)de wettelijke en de gerechtelijke interesten hierop; 2° de verwerende partij te veroordelen om binnen de maand na betekening van het tussen te komen vonnis over te gaan tot afgifte van een verbeterd C4 formulier en sociale en fiscale documenten en bij gebreke hieraan te voldoen binnen de voormelde termijn, de verwerende partij te veroordelen tot betaling van een dwangsom van 125 euro per document en per dag vertraging, minstens tot schadevergoeding van een euro provisioneel; 3° de verwerende partij in de kosten van het geding te doen verwijzen; 4° de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden. De feiten De eisende partij trad op 30 april 2001 in dienst van de verwerende partij als bediende krachtens een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Volgens de arbeidsovereenkomst was de eisende partij een technisch commercieel medewerker met een dubbele functie: voor de helft van de tijd diende de eisende partij productuitleg te geven, demonstraties te doen en te helpen bij merchandising en voor de helft aan prospectie. De eisende partij werd door de verwerende partij op 3 februari 2003 en 6 februari 2003 aangemaand haar rapporten tijdig over te maken. Op 27 maart 2003 werd de arbeidsovereenkomst beëindigd door de verwerende partij met betaling van een opzeggingsvergoeding van drie maanden loon. Het formulier C4 vermeldde als oorzaak van de werkloosheid "permanente weigering om instructies te volgen en nonchalance". Standpunt van partijen De eisende partij stelt dat de verwerende partij de opzeggingsvergoeding verkeerd heeft berekend doordat zij de maaltijdvergoeding niet heeft opgenomen in het basisloon. Volgens de eisende partij is zij ook gerechtigd op een aanvullende maand opzeggingsvergoeding aangezien haar jaarloon de toenmalige grens overschreed. De eisende partij verwijst naar haar leeftijd, anciënniteit, loon en functie. De eisende partij is van oordeel dat zij het statuut van handelsvertegenwoordiger heeft nu zij aan de prospectie en verkoop het meeste van haar tijd besteedde. De eisende partij stelt dat zij zorgde voor een omzetstijging en nieuwe klanten aanbracht zodat zij gerechtigd is op een uitwinningsvergoeding. Wegens het gebruik van de eigen wagen gedurende een maand vraagt de eisende partij ook een kilometervergoeding. Tenslotte vordert de eisende partij een aanpassing van het formulier C4 en de vermelding van economische redenen als motief. De verwerende partij stelt dat de opzeggingsvergoeding correct werd berekend en de eisende partij geen recht heeft op een bijkomende maand omdat zij valt onder de categorie van de "lagere bedienden". Volgens de verwerende partij neemt de eisende partij ten onrechte de maaltijdvergoeding op in de berekeningsbasis, hetgeen een loutere betaling van kosten is. De verwerende partij betwist eveneens de uitwinningsvergoeding omdat de eisende partij in hoofdzaak demonstraties deed en slechts bijkomstig aan prospectie. De verwerende partij ontkent dat de eisende partij gebruik heeft gemaakt van haar eigen voertuig en is van oordeel dat de eisende partij geen recht heeft op een kilometervergoeding. Tenslotte stelt de verwerende partij dat er geen aanpassing dient te gebeuren van het formulier C4 omdat dit correct werd ingevuld. Beoordeling 1. Nopens de opzeggingsvergoeding 1.1. Een eerste discussiepunt is de stelling van de eisende partij dat de betaalde opzeggingsvergoeding niet correct was berekend doordat de maaltijdvergoeding niet werd opgenomen in de berekeningsbasis. De eisende partij stelt dat het jaarloon 27.290,50 euro bedroeg (zie dagvaarding) terwijl dit volgens de verwerende partij 24.760,50 euro bedroeg (zie conclusie dd. 30 december 2003 pag. 4) of een verschil van 2.530 euro (230 euro per maand) namelijk de door de verwerende partij vooropgestelde maaltijdvergoeding. Op basis van dit verschil zou de gevorderde aanvulling van de opzegvergoeding 690 euro belopen terwijl de eisende partij 711,69 euro vordert zodat er nog een miniem (ander) verschil is. De vraag dient dan ook beantwoord te worden of de maaltijdvergoeding moet worden opgenomen in het basisloon. Principieel dient te worden aangenomen dat de werknemer zelf dient in te staan voor de kosten van zijn maaltijden, wanneer hij door de gewone verplaatsing naar het werk niet thuis kan eten, en is de betaling van een maaltijdvergoeding in deze omstandigheden een voordeel dat deel uitmaakt van de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding. Het is evenwel anders wanneer het nemen van de maaltijden buitenshuis door de aard van de uitgeoefende functie noodzakelijk is (A.T.O. Kluwer, 0 601 285) of gebeurt naar aanleiding van verplaatsingen bij de eigenlijke uitvoering van het werk (M. De Vos, Loon naar Belgisch Arbeidsovereenkomstenrecht, Maklu 2001, 1347). Los van de vraag of de eisende partij al dan niet handelsvertegenwoordiger was (zie infra) is het niet betwist dat de eisende partij, behoudens uiteraard vakantie of ziekte, hoofdzakelijk "op de baan was" voor o.a. demonstraties, marketing, prospectie, shows, opleiding, workshops, etc. In deze omstandigheden kan een vergoeding van 230 euro per maand worden aanvaard als een kostenvergoeding en niet als een voordeel of een verkapt loon (vgl. Arbh. Gent, afd. Gent, tweede kamer, 13 september 1999, S.R.K., 2000, 87). De eisende partij is dan ook niet gerechtigd op een saldo van 690 euro ter aanvulling van de betaalde opzeggingsvergoeding. Aangezien de verwerende partij enkel uitdrukkelijk de opname van de maaltijdvergoeding betwist, is er blijkbaar nog een miniem verschil met de uitbetaalde opzeggingsvergoeding, waarover geen uitleg wordt verschaft, zodat de eisende partij wel gerechtigd is op een bedrag van 21,69 euro (711,69 euro 690 euro). 1.2. Het niet opnemen van de maaltijdvergoeding in de berekeningsbasis heeft tot gevolg dat de loongrens (25.921 euro) niet wordt overschreden zodat de eisende partij als "lagere bediende" niet gerechtigd is op een bijkomende opzeggingsvergoeding. 2. Inzake de uitwinningsvergoeding Om gerechtigd te zijn op een uitwinningsvergoeding dient de eisende partij te worden aangezien als een handelsvertegenwoordiger. Op basis van de schriftelijke arbeidsovereenkomst zou de eisende partij halftijds dit statuut hebben doch de uitvoering in realiteit primeert op de contractuele bepalingen. Volgens artikel 88 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 kan alleen de handelsvertegenwoordiger zich op de bepalingen van titel IV beroepen die in dienst werd genomen om op bestendige wijze zijn beroep uit te oefenen (zelfs indien hij door zijn werkgever wordt belast met bijkomstig werk van andere aard dan de handelsvertegenwoordiging). De handelsvertegenwoordiging dient het belangrijkste voorwerp te zijn van de overeenkomst, de hoofdactiviteit (Cass. 18 april 1988, J.T.T., 1988, 439; Cass. 28 juni 1999, R.W., 2000-2001, 621). De eisende partij toont niet voldoende aan dat handelsvertegenwoordiging haar hoofdactiviteit was. Ter staving verwijst de eisende partij enkel naar 14 fiches van nieuwe cliënten, waarbij slechts bij vier melding is van een (kleine) bestelling, hetgeen uiteraard niet bewijst dat de eisende partij in hoofdzaak aan prospectie deed. De eisende partij formuleert evenmin een bewijsaanbod om de omvang van de handelsvertegenwoordiging aan te tonen. Integendeel blijkt uit de samenvatting van de prestaties van de eisende partij, zoals door de verwerende partij beschreven en niet concreet wordt weerlegd door de eisende partij, dat de eigenlijke prospectie ondergeschikt was. De eisende partij is dan ook niet gerechtigd op een uitwinningsvergoeding. 3. De kilometervergoeding De eisende partij beschikte over een firmawagen en toont niet aan dat zij gedurende een maand haar persoonlijk voertuig gebruikte en evenmin wordt een bewijsaanbod geformuleerd. 4. Verbeterd C4 De eisende partij faalt in de bewijslast dat zij werd ontslagen om economische redenen, minstens toont zij niet aan dat de omschrijving op de C4 niet correct was. Ook hier ontbreekt elk bewijsaanbod. 5. Gerechtskosten Gelet op de uiterst minieme toekenning aan de eisende partij blijven de kosten ten laste van deze partij. OP DEZE GRONDEN: de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, - wijst de meeromvattende en strijdige conclusies af; - laat de vordering toe; - verklaart de vordering gedeeltelijk gegrond; - veroordeelt de verwerende partij om te betalen aan de eisende partij het bruto bedrag van eenentwintig euro en negenenzestig cent (EUR 21,69), vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke interesten; - bepaalt het bedrag van de tot op heden te vereffenen kosten x van de eisende partij: 301,21 euro; x van de verwerende partij: 205,26 euro; - verwijst de eisende partij in de kosten van het geding. Aanwezig: Luc HOEDAERT, voorzitter van de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; André HELSKENS, rechter in sociale zaken benoemd als werkgever; Eric DE GROOTE, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-bediende; Myriam DE BOCK, griffier. De Groote Helskens De Bock Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20040506.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.