id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 24 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20040524.19 Rolnummer: 25262II Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-17 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-01 00:23 Fiche De eisende partij stelt dat zijn vordering louter is gebaseerd op artikel 9 van het Koninklijk Besluit van 10 december 1987 betreffende de bijslagen verleend in het kader van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
- De eisende partij preciseert dat hij geen vordering tot herziening instelt (hetgeen niet geheel duidelijk was aan de hand van de dagvaarding) welke vordering niet meer mogelijk was, gelet op de vervaltermijn van drie jaar vanaf de datum dat het vonnis dd. 8 januari 1998 in kracht van gewijsde is gegaan (betekening op 6 maart 1998). Volgens artikel 9 van vermeld Koninklijk Besluit kan een bijslag wegens verergering worden toegekend aan de getroffene wiens toestand als gevolg van het arbeidsongeval blijvend verergert na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 72 van de wet, voor zo ver de graad van de arbeidsongeschiktheid, na deze verergering, ten minste tien percent bedraagt. De verwerende partij stelt dat een verergering, die zij weliswaar betwist na een medisch onderzoek, zich heeft voorgedaan tijdens de herzieningstermijn. De verwerende partij stelt volkomen terecht en conform het Koninklijk Besluit van 10 de-cember 1987 dat geen vordering tot het bekomen van verergeringsbijslagen kan worden ingesteld indien de blijvende verergering intrad voor het verstrijken van de herzieningstermijn. Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . ARBEIDSONGEVALLEN Verergeringsbijslagen Verergering tijdens herzieningstermijn. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 27bis - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 25.262/II. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, tweede kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van maandag vierentwintig mei Verminderd tweeduizend en vier Griffierecht IN DE ZAAK : V. A., bouwvakker, wonende te, eisende partij, vertegenwoordigd door de heer J. Herreman, afgevaardigde van een representatieve organisatie van werknemers en houder van een schriftelijke volmacht, 9700 Oudenaarde, Burgscheldestraat nr. 5, tegen F. VERZ., gemeenschappelijke kas voor verzekeringen tegen arbeidsongevallen, waarvan de zetel gevestigd is te, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. M. Cieters namens Mr. J. Danneels, advocaten te 9000 Gent, Coupure nr.
- De artikelen 2, 30, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De verwerende partij werd regelmatig gedagvaard bij exploot haar betekend op 19 november 2002 door de gerechtsdeurwaarder Luc Pauwels in vervanging van gerechtsdeurwaarder Roger B. Moreels te Brussel. De vordering strekt ertoe de verwerende partij te doen veroordelen tot uitkering van een verergeringsbijslag wegens de verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid na het verstrijken van de herzieningstermijn, als gevolg van het arbeidsongeval van 17 januari
- De rechtbank heeft de beide partijen gehoord; de stukken van het dossier en de conclusies van de partijen werden ingezien. De feiten De eisende partij werd op 17 januari 1994 het slachtoffer van een arbeidsongeval, in dienst van de firma W. te G.. De eisende partij liep door een val van een ladder een femurhalsfractuur op. Na deskundig onderzoek werd bij vonnis dd. 8 januari 1998 van deze rechtbank het arbeidsongeval geregeld met o.a. een blijvende arbeidsongeschiktheid van zeven percent. Het vonnis werd betekend op 6 maart
- Na ontvangst van een medisch attest dd. 12 november 2000 van de behandelend geneesheer van de eisende partij, Dr. H. V. H., werd een herzieningsonderzoek uitgevoerd door de raadsgeneesheer van de verwerende partij op 23 november
- Deze geneesheer kwam, na een radiografisch onderzoek, op 26 december 2000 tot het besluit dat de toestand van de eisende partij ongewijzigd was gebleven. Bij schrijven dd. 4 januari 2001 deelde de verwerende partij mee dat er geen reden was tot herziening (termijn verstreek op 6 april 2001). Standpunt van partijen De eisende partij stelt dat hij geen herziening vordert maar wel bijslagen wegens verergering omdat zijn blijvende arbeidsongeschiktheid meer bedraagt dan tien percent. De eisende partij stelt dat het vermelde attest van Dr. H. V. H. niet aantoont dat effectief een herziening werd gevraagd. Evenmin is het volgens de eisende partij duidelijk dat zijn toestand binnen de herzieningstermijn blijvend verergerd was, hetgeen de verwerende partij overigens betwist. De eisende partij vraagt de aanstelling van een deskundige. De verwerende partij stelt dat de vordering, in de mate dat deze strekt tot herziening, niet toelaatbaar is wegens overschrijding van de vervaltermijn van drie jaar. De verwerende partij stelt dat ook geen vordering tot het bekomen van bijslagen wegens verergering kan worden ingesteld nu de toestand, volgens de eisende partij, reeds was verergerd voor de herzieningstermijn, zoals blijkt uit het medisch attest van Dr. H. V. H. Artikel 9 van het Koninklijk Besluit van 10 december 1987 is volgens de verwerende partij enkel van toepassing op verergeringen die aanvangen na de herzieningstermijn, waardoor de blijvende arbeidsongeschiktheid minstens tien percent bedraagt. Ondergeschikt stelt de verwerende partij dat de eisende partij in elk geval geen voldoende bewijs levert van de wijziging van zijn fysische toestand en evenmin dat deze wijziging niet te voorzien was op het ogenblik dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. De verwerende partij verzet zich ook tegen een deskundig onderzoek, waarvan de kosten ten hare laste komen, omdat er niet voldoende aanwijzingen zijn voor de stelling van de eisende partij. Zeer ondergeschikt en louter volledigheidshalve verzet de verwerende partij zich niet tegen de aanstelling van de eertijds aangestelde deskundige. De verwerende partij vraagt ook de veroordeling van de eisende partij tot de kosten nu de vordering niet strikt steunt op de Arbeidsongevallenwet maar op een Koninklijk Besluit. Beoordeling
- De eisende partij stelt dat zijn vordering louter is gebaseerd op artikel 9 van het Koninklijk Besluit van 10 december 1987 betreffende de bijslagen verleend in het kader van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
- De eisende partij preciseert dat hij geen vordering tot herziening instelt (hetgeen niet geheel duidelijk was aan de hand van de dagvaarding) welke vordering niet meer mogelijk was, gelet op de vervaltermijn van drie jaar vanaf de datum dat het vonnis dd. 8 januari 1998 in kracht van gewijsde is gegaan (betekening op 6 maart 1998).
- Volgens artikel 9 van vermeld Koninklijk Besluit kan een bijslag wegens verergering worden toegekend aan de getroffene wiens toestand als gevolg van het arbeidsongeval blijvend verergert na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 72 van de wet, voor zo ver de graad van de arbeidsongeschiktheid, na deze verergering, ten minste tien percent bedraagt.
- De verwerende partij stelt dat een verergering, die zij weliswaar betwist na een medisch onderzoek, zich heeft voorgedaan tijdens de herzieningstermijn. De verwerende partij stelt volkomen terecht en conform het Koninklijk Besluit van 10 december 1987 dat geen vordering tot het bekomen van verergeringsbijslagen kan worden ingesteld indien de blijvende verergering intrad voor het verstrijken van de herzieningstermijn. Indien de toestand van de eisende partij verergerde voor 6 april 2001 diende hij de herzieningsprocedure in te stellen.
- De vraag is of de eisende partij geen vordering meer kan instellen tot het bekomen van verergeringsbijslagen nu hij de herziening heeft aangevraagd. Het opsturen van het medisch attest van 12 november 2000 (door wie ook), de daaropvolgende medische onderzoeken door de raadsgeneesheer van de verwerende partij en het ondubbelzinnig schrijven dd. 4 januari 2001 van de verwerende partij kaderen onbetwistbaar in een herzieningsprocedure, zoals de verwerende partij terecht stelt. De verwerende partij houdt evenwel voor, na medische onderzoeken, dat de toestand van de eisende partij niet is verergerd binnen de herzieningstermijn, wat anders zou geleid hebben tot een herziening (verhoging) van de blijvende arbeidsongeschiktheid. Het feit dat de eisende partij in deze beslissing dd. 4 januari 2001 van de verwerende partij (om niet te herzien) minstens stilzwijgend berustte kan worden geïnterpreteerd als een "erkenning" dat zijn toestand toch niet blijvend was verergerd binnen de herzieningstermijn, hetgeen trouwens nu ook de stelling van de eisende partij is en moet zijn want anders heeft het voortzetten van de actuele vordering geen zin. Het attest van 28 september 2002 van Dr. H. V. H. ondersteunt de stelling van de eisende partij dat zijn toestand verergerd is na de herzieningstermijn (verstreken sinds 6 april 2001). Dit attest verschilt fundamenteel van het attest dd. 12 november 2000, niet alleen inzake het klinisch onderzoek en de klachten maar ook inzake het besluit. Terwijl Dr. H. V. H. in het attest van 12 november 2000 sprak van een lichte progressie van klachten vermeldt het attest van 28 september 2002 een zeer sterke achteruitgang wat betreft de mogelijkheid tot het uitvoeren van het werk van metser en wordt de globale economische arbeidsongeschiktheid geschat op meer dan tien percent.
- In dat opzicht komt de gevraagde expertise wel verantwoord voor. Uiteraard zal het niet volstaan voor de eisende partij om te slagen in zijn vordering om een verergering aan te tonen, die de arbeidsongeschiktheid brengt op minstens tien percent, maar zal het ook moeten vaststaan dat de toestand van de eisende partij pas na de herzieningstermijn is verergerd. Tevens zal de vraag worden gesteld na de voorzienbaarheid van een eventuele verergering. Het is aangewezen om Dr. A. M., die destijds het deskundig onderzoek deed, opnieuw aan te stellen. OP DEZE GRONDEN: de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, - laat de vordering toe, - en alvorens erover ten gronde te beslissen stelt aan als deskundige Dr. A. M., geneesheer te, met de volgende opdracht: x de eisende partij aan een medisch onderzoek te onderwerpen, na hem te hebben gehoord en inzage te hebben genomen van de stukken die de partijen zullen overleggen, onder meer van het vonnis van 8 januari 1998, verleend door de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, afdeling Oudenaarde; x de rechtbank een advies te verstrekken: a) over het eventueel ontstaan van een verergering van de blijvende traumatische gevolgen van het arbeidsongeval, overkomen aan de eisende partij op 17 januari 1994, inzonderheid of er een oorzakelijk verband is tussen de huidige pathologie van de eisende partij en het arbeidsongeval; b) ingeval van verergering, over de weerslag ervan op de arbeidsongeschiktheid van de eisende partij, hierbij rekening houdend met de leeftijd, de beroepsbekwaamheid, het aanpassingsvermogen, het concurrentievermogen en het geheel van beroep die de eisende partij nog kan uitoefenen; c) ingeval van verergering te zeggen of deze verergering voorzienbaar was op 6 april 1998 en de ingangsdatum ervan te bepalen, minstens of de eventuele verergering voor of na 6 april 2001 zich situeerde; - zegt dat al de verrichtingen van het deskundigenonderzoek op tegenspraak zullen geschieden, dat het verslag aan de partijen in prelectuur zal medegedeeld worden en dat de schriftelijke opmerkingen van de partijen in het verslag zullen worden opgenomen en besproken; - gelast de deskundige: x zo hij het voor de uitvoering van de opdracht nodig acht, de eisende partij door andere geneesheren-specialisten te onderzoeken; x het verslag in te leveren op de griffie van de Arbeidsrechtbank binnen de termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de aanvaarding van de opdracht; - houdt de beslissing inzake de kosten aan. Aanwezig : Luc HOEDAERT voorzitter van de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; Germain VEREECKEN, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever; Gerard DECLERCQ, rechter in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider, Petra VANHOOLANDT, eerstaanwezend adjunct-griffier. Vereecken Declercq Vanhoolandt Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20040524.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.