← België

ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20040716.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 16 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20040716.2 Rolnummer: 118163 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-01 00:42 Fiche Na het K.B.van 24.06.2004 blijkt dat de nieuwe regeling van art. 57 ,§ 2 OCMW-wet in een bepaalde interpretatie de scheiding van ouders en kinderen teweegbrengt, wat strijdig is met art. 8 EVRM en enkele artikelen uit het IVRK. Bijgevolg moet aan de ouders q.q. het equivalent leefloon worden toegekend. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Art. 57 ,§ 2 OCMW-wet. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK BRUGGE Eerste Vakantiekamer BIJZONDERE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 JULI 2004 Rep.nr.: In de zaak A.R. nr.: 118 163

  1. I. N., en
  2. G. T., beiden wonende, - EISENDE PARTIJEN - : hebbende als raadsman Meester Ilse LAMOOT, advocaat te Beernem, tegen : O.C.M.W., met burelen, - VERWERENDE PARTIJ - : hebbende als raadsman Meester Ph. DOCKX, advocaat te Oostende. _____________________________________________________________________________
  3. PROCEDURE: De vordering werd regelmatig ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 14 mei 2004, zoals blijkt uit het dossier van de rechtspleging. De partijen zijn verschenen ter openbare terechtzitting van 12 juli 2004 en werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen. Eisende partij repliceerde op het mondeling advies van het Openbaar Ministerie, verwerende partij had geen repliek. De rechtspleging gebeurde in het Nederlands, overeenkomstig de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
  4. VOORWERP VAN DE VORDERING MIDDELEN Eisers bestrijden verweerders beslissing van 15 april 2004 waarin het equivalent bestaansminimum vanaf 17 maart 2004 wordt ingetrokken omdat hun asielprocedure werd gesloten op 21 oktober 2003 en ze werden verwezen naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken voor toewijzing van een federaal opvangcentrum in het kader van de materiële hulp voor de ontwikkeling van hun kinderen. Zij verwijzen naar hun aanvraag conform art. 9,3 Vreemdelingenwet, het EVRM en het Kinderrechtenverdrag en naar het feit dat een doorverwijzing naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken voor toewijzing van hun kinderen aan een federaal opvangcentrum loos is omdat deze centra overvol zitten. Zij vragen financiële steun vanaf 30 september 2003 equivalent aan het leefloon voor een gezin met twee kinderen en de gewaarborgde kinderbijslagen. Verweerder volhardt.
  5. GRONDEN VAN HET VONNIS - BEOORDELING De rechtbank nam kennis van het gerechtsdossier, het administratief dossier en de overtuigingsstukken. Eisers zijn uitgeprocedeerde asielzoekers en verblijven dus illegaal op het grondgebied, samen met hun minderjarige kinderen D. (°1995) en A. (°1992). Op 10 maart 2004 dienden eisers een nieuwe hulpaanvraag in, door verweerder terecht begrepen als een aanvraag voor henzelf èn voor hun kinderen. Deze aanvraag werd aanvankelijk ingediend bij het ocmw van G., dat hen als verplichte plaats van inschrijving was aangeduid, doch aangezien ze op het ogenblik van de nieuwe aanvraag niet meer de hoedanigheid van asielzoeker hadden, maakte dit ocmw de aanvraag terecht over aan verweerder, die voortaan bevoegd was geworden volgens de gewone bevoegdheidsregels. 3.
  6. Voor een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft is de taak van het ocmw beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp (art.57 ,§2 OCMW-wet). Eisers hebben weliswaar een aanvraag ingediend om langer in het Rijk te mogen verblijven, de zgn. regularisatie volgens art.9, 3e lid Vreemdelingenwet, maar zo'n aanvraag heeft geen gevolgen voor de verblijfsstatus van de betrokkene en maakt het verblijf dus niet wettig (D. Vanheule, Vluchtelingen, 246). Geen enkele bepaling verleent aan de indiening van een verzoek om verblijf, gesteund op art.9 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, het karakter van een voorlopige machtiging tot geldig verblijf (R.v.S 11.10.1995, T.V.R. 1996, 65; Arbh.Gent 6e k. 18.05.1998 AR 579/97). Het verzoek van eisers wijzigde dus niets aan het illegaal karakter van hun verblijf. Eisers zelf hebben dus geen recht op volwaardige maatschappelijke dienstverlening voor zichzelf. Voor de minderjarige kinderen van dergelijke vreemdelingen evenwel geldt een specifieke regeling (zie verder). 3.
  7. Sedert 10 januari 2004 geldt een nieuw art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet (ingevoerd bij art.483 van de Programmawet van 22 december 2003, BS 31.12.2003) : " In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot : 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; 2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning. " Uit het sociaal verslag en de beslissing van verweerder blijkt dat eisers over geen bestaansmiddelen beschikken en dat hun minderjarige kinderen (daardoor) in staat van behoeftigheid verkeren. De wetgever heeft tot voornoemde wetswijziging besloten na een arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 op een prejudiciële vraag over de strijdigheid van art.57 ,§2 OCMW-wet met art.10 en 11 van de Grondwet, eventueel in samenhang gelezen met art.23 en 191 van de Grondwet en art. 2, 3, 24, 26 en 27 van het Kinderrechtenverdrag. Het Arbitragehof had dergelijke strijdigheid van het artikel 57 ,§2 vastgesteld, en meteen ook het recht op maatschappelijke dienstverlening voor minderjarige kinderen van illegaal verblijvende vreemdelingen erkend, maar had tegelijk een aantal richtlijnen uitgewerkt omtrent de modaliteiten en vorm van die maatschappelijke dienstverlening. In de praktijk bleken deze richtlijnen echter niet toepasbaar : "Dit arrest zorgt op het terrein voor grote verwarring, doordat de ocmw's deze dienstverlening in natura moeilijk kunnen toepassen overeenkomstig de criteria die het Arbitragehof bepaalt" (Memorie van Toelichting, Programmawet van 22 december 2003, Parl.St. Kamer 2003-04, Doc 51: 0473-474/001, 223). In navolging van het Arbitragehof erkent de wetgever in het nieuw art. 57 ,§2, eerste lid, van de OCMW-wet nu wèl het recht op maatschappelijke hulp voor die kinderen maar laat de concrete uitwerking ervan over aan de Koning. Dit koninklijk besluit zou in elk geval inhouden "...dat slechts in echt uitzonderlijke gevallen zal worden overgegaan tot een scheiding van ouders en kinderen. Ook zij (de minister) is er immers van overtuigd dat de kinderen zich in de meeste gevallen slechts naar behoren kunnen ontplooien in het bijzijn van hun ouders." (Gedr.St. Kamer 2003-04, Doc.
  8. 0473/029, 28). Dit koninklijk besluit "tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft" kwam er pas op 24 juni 2004 (BS 1.07.2004), geldt vanaf 11 juli 2004 en moet door de rechtbank in principe worden toegepast in huidige betwisting. De rechter moet immers ook rekening houden met de evolutie van de feiten sedert de bestreden beslissing en de inleiding van de vordering tot op het ogenblik van het vonnis (Arbrb. Antwerpen 6.09.1993, J.T.T. 1994, 270; C. Persyn, Uitspraak en uitvoering van de rechterlijke beslissing in geschillen van sociale zekerheid, in ed. Van Limbergen, Sociaal Procesrecht, 291). Volgens art.2 van dit koninklijk besluit mag de hulpaanvraag worden ingediend door de minderjarige zelf of door één van zijn ouders en volgens art.3, wanneer de voorwaarden van behoeftigheid e.a. vervuld zijn, deelt het ocmw de aanvrager mee dat hij zich voor de materiële hulp naar een in overleg met het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers bepaald federaal opvangcentrum kan begeven. Verder : "Indien de aanvrager zich schriftelijk verbindt om het voorstel van huisvesting in een centrum te aanvaarden, wordt het Agentschap binnen dezelfde termijn (8 dagen) door het ocmw op de hoogte gebracht van de beslissing tot toekenning van het recht zoals bedoeld in artikel
  9. Artikel
  10. Het Agentschap kan na de betekening van de beslissing van het ocmw een andere opvangstructuur aanduiden dan die vermeld in de beslissing. Artikel
  11. Het voordeel van de materiële steun verleend door het Agentschap vervalt indien de minderjarige zich niet bij de door het Agentschap aangeduide opvangstructuur aanmeldt binnen 30 dagen hetzij vanaf de datum van afgifte ter post van de aangetekende brief waarmee de beslissing wordt meegedeeld, hetzij vanaf de datum van het ontvangstbewijs van de beslissing." 3.
  12. Uit de nieuwe, ten tijde van de bestreden beslissing nog onvolledige en dus voorlopige, regeling bleek alvast het volgende : - het recht op een menswaardig leven voor minderjarige kinderen van illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen volgt thans niet enkel uit het Kinderrechtenverdrag maar uit de wet zelf : het nieuw art.57 ,§2 waarborgt voor deze kinderen de maatschappelijke dienstverlening in de vorm van de materiële hulp die onontbeerlijk is voor hun ontwikkeling; - wie anders dan het ocmw moest zolang er geen koninklijk besluit was gepubliceerd en er geen federale opvangcentra waren uitgerust om deze kinderen met hun ouders in onder te brengen instaan voor de realisatie van dit recht : art.1 OCMW-wet geeft aan het ocmw de opdracht om de maatschappelijke dienstverlening te verzekeren die elke persoon in de mogelijkheid stelt een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid; - dit recht moet worden geëffectueerd zonder de kinderen van hun ouders te scheiden : de wetgever laat een scheiding slechts in echt uitzonderlijke gevallen toe, wat hier niet bewezen wordt; men kan niet beweren dat de toestand van de kinderen van eisers op zich uitzonderlijk zou zijn, aangezien de ganse regeling voor dergelijke kinderen geldt en met 'echt uitzonderlijke gevallen' dus slechts zeer specifieke afwijkende uitzonderingen kunnen bedoeld zijn (zie verder); - zolang er geen uitvoerend koninklijk besluit was of op een andere wijze voorzieningen (bv opvangcentra) werden gerealiseerd waar deze ouders en kinderen konden samen leven en het recht van de kinderen kon worden geëffectueerd, mochten zij samen blijven wonen in hun huidige verblijfplaats, in casu in Oostende, waardoor verweerder bevoegd bleef (art.8 EVRM); - aangezien de criteria die het Arbitragehof voorheen had uitgewerkt voor een zgn. materiële hulp in natura in de praktijk moeilijk uitvoerbaar zijn en gelet op de principiële noodzaak van de aanwezigheid van de ouders voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen, moest aan deze ouders het equivalent leefloon worden toegekend, niet als een recht voor zichzelf, maar in hun hoedanigheid van wettige vertegenwoordigers, èn enkel aan te wenden voor de ontwikkeling en opvoeding van hun kinderen (Arbrb. Brugge 7e k. 10.03.2004, Petrasjan / OCMW Oostende; Bouckaert S., OCMW-steun voor minderjarige illegalen, N.J.W. 2004, 151). Verweerder moest dus van 10 maart 2004 tot en met 10 juli 2004 aan eisers het equivalent leefloon als éénoudergezin en de gewaarborgde kinderbijslag verleend hebben. Maatschappelijke dienstverlening geldt slechts onmiddellijk en in de toekomst, niet retroactief tenzij om de nadelige gevolgen van een doorgemaakt mensonwaardig bestaan te verhelpen, voor zover die gevolgen niet toelaten een menswaardig bestaan te leiden, wat in casu niet is aangetoond (Arbh. Gent, afd.Brugge 7.05.1998 6e k PS / OCMW Brugge, T.V.R. 1998, 203). 3.
  13. De rechtbank mag een koninklijk besluit slechts toepassen in zover het met de wetten overeenstemt (art.159 G.W.). Het koninklijk besluit van 24 juni 2004 installeert een disproportionele scheiding van ouders en hun kinderen. Dit gaat regelrecht in tegen de wil van de wetgever zelf die zo'n scheiding slechts voor echt uitzonderlijke gevallen voorzag (zie hoger). Dat de maatschappelijke hulp voor die kinderen uitsluitend wordt verstrekt in een federaal opvangcentrum kan dus geïnterpreteerd worden als (behoudens echt uitzonderlijke gevallen) een modaliteit die normaal niet de scheiding tussen ouders en kinderen inhoudt. Het koninklijk besluit organiseert die scheiding wèl als algemene regel en is dus strijdig met een in die zin geïnterpreteerd art.57 ,§2 OCMW-wet. Bovendien is art.5 van het koninklijk besluit strijdig met het nieuw art.57 ,§2 OCMW-wet waar het toelaat dat het Federaal Agentschap een andere opvangstructuur dan een federaal opvangcentrum kan aanduiden, terwijl art. 57 ,§2 bepaalt dat de hulp aan deze kinderen uitsluitend wordt verstrekt in een federaal opvangcentrum. Het is verder van algemene bekendheid dat, waar eisers en hun kinderen in Oostende wonen, er noch in West-Vlaanderen noch in Oost-Vlaanderen een federaal opvangcentrum te vinden is (wat door de grote afstand de bezoekmogelijkheden ernstig zou beperken en op zich reeds zou indruisen tegen art.8 EVRM : EHRM 24.03.1988, Olsson / Zweden), en dat de federale opvangcentra overvol zijn en absoluut geen plaats hebben voor alle minderjarige kinderen van de illegaal verblijvende vreemdelingen laat staan adequaat uitgerust zijn voor de opvang van zo'n jonge kinderen als deze van eisers (www.fedasil.be). Ze zijn uiteraard nog minder in staat om er de kinderen samen met hun ouders op te vangen. De rechtbank kan zich niet verschuilen achter, of een zaak zgz. beslechten door de toepassing van een wet als zij weet dat de uitvoering ervan de facto onmogelijk is. De enig redelijke toepassing zou er dan in kunnen bestaan dat het Federaal Agentschap toch art.5 van het koninklijk besluit in die zin zou naleven dat het de ouders zelf zou aanduiden als 'andere opvangstructuur', maar niet alleen zou dit strijden met art.57 ,§2 (zie hierboven), het valt evenmin in te zien hoe het Agentschap ter plaatse de hulp aan deze kinderen zou kunnen verstrekken. Tenslotte : nu de rechtbank n.a.v. een betwisting over een beslissing van een ocmw, in de plaats van verweerder zelf toepassing zou moeten maken van het koninklijk besluit is het niet duidelijk op welke wijze de rechtbank, zoals opgelegd in koninklijk besluit, 'in overleg met het Agentschap' een federaal opvangcentrum zou kunnen bepalen, vervolgens de schriftelijke aanvaardingsverbintenis van eisers moet afwachten om tenslotte het Agentschap op de hoogte te brengen van de beslissing. 3.
  14. Bovendien hebben internationale regels voorrang op interne wetgeving en kan de overheid de nationale wet niet inroepen om aan internationale verplichtingen te ontkomen (P. Popelier, De Wet - juridisch bekeken, 361). Het koninklijk besluit van 24 juni 2004 is strijdig met art.8 E.V.R.M. dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven waarborgt en geen inmenging van het openbaar gezag toestaat die niet nodig is voor 's lands veiligheid, economisch welzijn, openbare orde en goede zeden of ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De rechtbank ziet niet in op welke gronden het scheiden van minderjarige kinderen van hun ouders voor deze doeleinden nodig zou zijn, temeer daar in familiale aangelegenheden een plaatsing van het kind slechts door het prioritair belang van het kind kan worden ingegeven (EHRM 30.11.2000, Palumbo / Italië; EHRM 10.05.2001, K.M. en T.P. / V.K.; EHRM 27.04.2000, K. & T. / Finland). Enkel het belang van het kind kan een plaatsing verantwoorden (EHRM 22.06.1989; EHRM 27.11.1992, Olsson / Zweden; P. De Hert, Art.8 EVRM en het Belgisch recht, 246; J. Smets, Jeugdbeschermingsrecht, APR, 210). Dergelijke onnodige plaatsing van de nog erg jonge kinderen zou bovendien indruisen tegen art.3 E.V.R.M. dat voor kinderen en andere kwetsbare personen juist het recht op daadwerkelijk preventie tegen onmenselijke of vernederende behandelingen inhoudt (EHRM 23.09.1998, A. / V.K.). In de mate dat het nieuw art.57 ,§2 OCMW-wet zou geïnterpreteerd worden als dat het de scheiding van ouders en kinderen inhoudt doordat het bepaalt: "... wordt de maatschappelijke hulp .... uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum....", zou het eveneens om dezelfde redenen strijdig zijn met art.3 en art. 8 EVRM en door deze Verdragsbepalingen overruled worden. 3.
  15. Het nieuw art. 57 ,§2 OCMW-wet en het koninklijk besluit van 24 juni 2004 zijn ook strijdig met de artikelen 2.2, 7.1 en 9.1 van het Kinderrechtenverdrag volgens welke : - de Staten het kind moeten beschermen tegen elke discriminatie op grond van de status van de ouders; - het kind het recht heeft om door zijn ouders te worden verzorgd; - de Staten waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten ... beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. De rechtbank heeft reeds meermaals geoordeeld dat het Kinderrechtenverdrag rechtstreekse werking heeft, minstens een harde kern bezit, die bezwaarlijk minder kan zijn dan de waarborg van een 'leven dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid', wat in casu inhoudt dat ouders en kinderen kunnen samenleven en niet worden gescheiden. Het begrip 'menselijke waardigheid' is niet vreemd aan het Kinderrechtenverdrag (art.28.2) en mag dus in deze context zonder bezwaar worden aangewend. Dat het een open begrip is vormt geen hinderpaal om het in concreto vorm te geven en toe te passen : ook art.1 OCMW-wet heeft het over de 'menselijke waardigheid' (Arbrb. Brugge 10.03.2004, Petrasjan / OCMW Oostende; Arbrb.Brugge 7e k. 24.12.2001, Moerachinskaia / OCMW Oudenburg , T.V.R. 2003, 60, met noot S. Bouckaert; Bouckaert S., OCMW-steun voor minderjarige illegalen, N.J.W. 2004, 146-159). Het Arbitragehof heeft in zijn arrest van 22.07.2003 weliswaar vermeden zich uitdrukkelijk uit te spreken over de rechtstreekse werking doch heeft wel geoordeeld dat het toenmalige art.57 ,§2 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond, gelezen in samenhang met de artikelen 2, 3, 24.1, 26 en 27 van het Kinderrechtenverdrag. Het Arbitragehof merkte daarbij op dat de Belgische Staat met zijn interpretatieve verklaring bij art. 2.1 Kinderrechtenverdrag zichzelf niet kon machtigen om het discriminatieverbod, zoals dit van art.191 van de Grondwet, te omzeilen. Wanneer dit al het geval was voor het oude art. 57 ,§2, toepasselijk ingeval van samenwonende ouders en kinderen, hoeveel te meer is het dan niet voor het nieuwe art.57 ,§2 dat de scheiding organiseert of veronderstelt ? In zijn arrest 62/94 van 14.07.1994 had het Arbitragehof bovendien al uitdrukkelijk art.7.1 van het Kinderrechtenverdrag ingeroepen, en in zijn arrest van 6.06.1996 (BS 10.07.1996) heeft het de rechtstreekse werking van dit artikel nog eens impliciet erkend. De vraag of een internationale bepaling al dan niet rechtstreekse werking heeft is overigens irrelevant om een wet aan die bepaling te kunnen toetsen in het kader van een objectief contentieux ( Arbitragehof 106/03, 22.07.2003; R.v.St. 107.085, 28.05.2002; P. Popelier, De Wet - juridisch bekeken, 362). Het nieuwe art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet en het koninklijk besluit van 24 juni 2004 gaan regelrecht in tegen de artikelen 2.2, 7.1 en 9.1 van het Kinderrechtenverdrag en kunnen dus geen toepassing vinden. 3.
  16. De rechtbank kan zich nog laten verleiden door volgende overwegingen - horrescit referens - die slechts volledigheidshalve (of overbodig, gelet op het bovenstaande) onderzocht worden : - de scheiding of plaatsing van de minderjarige kinderen in een opvangcentrum is nodig in het kader van het vreemdelingenbeleid; - de scheiding wordt niet met dwang opgelegd doch ze is een keuze die aan de ouders wordt overgelaten; - de scheiding is in het belang van het kind. Bij uitstek inzake de eisen van de menselijke waardigheid en de opdracht van het ocmw als laatste vangnet, moeten deze hypothesen met omzichtigheid onderzocht worden, zeker nu het de facto gaat over minderjarige kinderen, die volledig zijn overgeleverd aan wat (meerderjarige) volwassenen (hun ouders, het ocmw, de rechtbank) over hen beslissen. 3.7.a. Het is niet in te zien hoe de plaatsing van minderjarige kinderen nodig of verantwoord zou zijn om het vreemdelingenbeleid te kunnen handhaven. Deze idee maakt het belang van de kinderen, dat manifest geschaad wordt door dergelijke scheiding, ondergeschikt aan het belang van de Staat om de uitgeprocedeerde asielzoekers spontaan (?) van het grondgebied verwijderd te zien. Niet de scheiding op zich is dan een maatregel in het kader van de verwijdering, maar ze is een wapen dat als dreiging of psychologische druk op de ouders gelegd wordt. De affectief-emotionele band tussen ouders en kinderen is in een rechtstaat geen geldig beleidsinstrument. Dergelijke praktijken zijn niet in overeenstemming te brengen met de grondbeginselen van de wereldgemeenschap zoals verwoord in de artikelen 16.3, 25.2 en 26.3 van de Universele verklaring van de rechten van de mens en rechtens beschermd in het E.V.R.M. De arresten van het Arbitragehof tonen aan tot wat een conflict tussen vreemdelingenbeleid en sociale wetgeving kunnen leiden en doen de vraag rijzen of het hanteren van de sociale wetgeving en het doseren en conditioneren van de uitkeringen wel een gepast middel kan zijn in het kader van een vreemdelingenbeleid. De rechtbank ontsnapt hier immers niet aan de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, dat zowel door het Hof van Cassatie (5.10.1990, R.W. 1990-91, 328), als het Arbitragehof en de Raad van State (12.03.1984) wordt toegepast en algemeen erkend is (Van Gerven W., Het proportionaliteitsbeginsel, in Hommage aan Marcel Storme, 12). De rechtbank moet de conflicterende belangen van de Belgische staat, inzonderheid voor wat zijn migratiebeleid betreft, afwegen tegen de belangen van de kinderen van eisers. Door toekenning van de volwaardige maatschappelijke dienstverlening aan de kinderen van eisers doet de rechtbank het risico ontstaan dat eisers niet alleen zelf, tegen art.57 ,§2 OCMW-wet in, daar persoonlijk voordeel uit halen maar ook dat zij het migratiebeleid van de Belgische Staat doorkruisen. Door deze toekenning te weigeren of door de kinderen te laten plaatsen zou de rechtbank evenwel onvermijdelijk ernstige schade aan de kinderen toebrengen. De rechtbank schat het belang van de kinderen zwaarder in dan het belang van de Staat omdat 1° de kinderen, anders dan de Staat, geen enkel verweer of overlevingsmiddel hebben, 2° de Staat zelf zijn migratiebeleid doorkruist door eisers en hun kinderen op het grondgebied te gedogen en 3° de schade voor de Staat beter te dragen valt dan de schade die de kinderen zouden moeten dragen. De oorzaken of redenen van de niet uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten, zowel deze van eisers om het vrijwillig uit te voeren als van de Belgische overheid om het bevel gedwongen uit te voeren, zijn de rechtbank niet bekend. In wezen doen ze er ook niet toe, aangezien in casu enkel de feitelijk toestand van de kinderen de grond van de maatschappelijke dienstverlening uitmaakt. Uit het loutere feit dat eisers hier nog verblijven kan geen kwade trouw afgeleid worden. Kwade trouw wordt niet vermoed. De rechtbank kent niet de beweegredenen of oorzaken van de niet-uitvoering van het bevel en kan daar dus niets over zeggen. Zelfs al zouden eisers enige schuld treffen, dan verantwoordt dit nog niet dat aan hun kinderen ontzegd zou worden wat hen rechtens toekomt : zelfs al zouden ze terug naar hun afkomstland kùnnen terugkeren en zouden ze het niet willen (wat verweerder niet eens voorhoudt, laat staan bewijst), laat dit de rechtbank niet toe om oogkleppen op te zetten en te doen alsof de kinderen niet bestaan. Ook de overheid voert het bevel niet uit. De rechtbank moet zich in casu niet inlaten met eisers (tenzij hun recht op dringende medische hulp), maar enkel met hun kinderen. 3.7.b. Dat de plaatsing of scheiding van de minderjarige kinderen volgens art.57 ,§2 en het koninklijk besluit niet met dwang opgelegd wordt, maar a.h.w. vrijwillig door de ouders verkozen kan worden als zij de maatschappelijke dienstverlening voor hun kinderen nastreven, is een wel erg cynische cirkelredenering. Door de maatschappelijke dienstverlening voor hun kinderen afhankelijk te maken van de toestemming van de ouders om hen uit handen te geven en te plaatsen in een opvangcentrum, wordt aan de kinderen precies het recht op maatschappelijke dienstverlening ontzegd, minstens niet onvoorwaardelijk toegekend en de facto uitgehold. Met de ene hand wordt zo teruggenomen wat met de andere hand gegeven werd. Het was al een onmogelijke opdracht gebleken om de maatschappelijke dienstverlening in materiële vorm en volgens de voorwaarden van het Arbitragehof te realiseren, door ze nu afhankelijk te maken van een volstrekt illusoire ouderlijke toestemming tot plaatsing zou ze nu de facto ook volstrekt onmogelijk gemaakt worden. Zelfs de wetgever moet weten dat geen enkele ouder zijn/haar kinderen zal afleveren aan een opvangcentrum (daarom ook : slechts in echt uitzonderlijke gevallen). Dergelijk papieren recht wordt dan een lege doos, een vergiftigd geschenk. De ouders worden aldus voor de keuze geplaatst : ofwel hun kinderen afstaan en/of het land verlaten of met hun kinderen in volledige illegaliteit trachten te overleven. Geen zinnig mens kan zich indenken dat ouders hun kinderen vrijwillig uit handen zouden geven. De rechtbank, samengesteld uit fysische personen die vaak ook ouders zijn en dus niet vanuit een ivoren toren oordelen, moet zich in de maatschappelijke realiteit plaatsen. Zij erkent dat voormelde voorwaarde voor eisers overkomt als een chantage-instrument om hen ertoe te bewegen het land te verlaten : het kind als drukkingsmiddel of pasmunt. Het hoeft geen betoog dat dit strijdt met de meest elementaire rechtsbeginselen. 3.7.c. Dat de plaatsing of scheiding in het belang van het kind zou zijn - bv doordat het in het opvangcentrum wèl en bij zijn ouders niet kan overleven - is eveneens een redenering met dubbele bodem. Het zijn immers de ouders die geacht worden in te stemmen met de plaatsing en de aflevering van hun kinderen aan het opvangcentrum. De rechtbank ziet eisers kinderen van 9 en 12 jaar nog niet spontaan zelf naar een opvangcentrum stappen. Het belang van het kind vereist precies dat wanneer, zoals te verwachten is, de ouders niet instemmen en hun kinderen niet afstaan, de kinderen desalniettemin een menswaardig bestaan kunnen leiden terwijl ze bij hun ouders kunnen verblijven. Het is tenslotte niet bewezen dat een verblijf in een opvangcentrum ver van hun ouders het belang van de kinderen meer dient dan een verblijf bij hun ouders in weliswaar moeilijke omstandigheden. Ook hier verwordt het recht tot een lege doos door de onzindelijke redenering dat ouders hun kinderen maar vrijwillig moeten afstaan. 3.
  17. Samenvatting : - het recht op maatschappelijke dienstverlening voor minderjarige kinderen van illegaal verblijvende vreemdelingen werd zowel door het Arbitragehof als door de wetgever erkend; - de door het Arbitragehof ontworpen modaliteiten zijn in de praktijk niet toepasbaar; - de vervolgens door de wetgever ontworpen modaliteiten zijn niet toepasbaar wegens hun strijdigheid met het E.V.R.M. en het Kinderrechtenverdrag. Volgens de rechtbank bestaat de enige wettige oplossing erin de kinderen van 9 en 12 jaar oud bij eisers te laten en hen, in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers, de financiële steun te geven die hen in staat moet stellen hun kinderen onderdak, voeding, kleding, opvoeding en een warme thuis te bieden. Dat dit noodzakelijkerwijze impliceert dat eisers zelf ook moeten kunnen (over)leven, zodat zijzelf uit die dienstverlening enig voordeel halen, is de facto onvermijdelijk. Deze oplossing is geen positieve discriminatie t.o.v. een illegaal verblijvende vreemdeling zonder kinderen aangezien het voordeel dat eisers er voor zichzelf uit halen een functioneel voordeel is dat hen niet voor zichzelf maar voor hun kinderen wordt verleend. Overigens bevindt een illegale vreemdeling met kinderlast zich niet in dezelfde toestand als een illegale vreemdeling zonder kinderlast. De maatschappelijke dienstverlening wordt zodoende niet van haar doel afgewend. Dat eisers bijgevolg de facto niet alleen worden gedoogd, maar hier zelf ook in leven kunnen blijven en daardoor het bevel om het grondgebied te verlaten mogelijks niet vrijwillig zullen uitvoeren (indien ze het zouden kunnen), is de prijs die moet betaald worden. Ook de Regularisatiewet van 22 december 1999 is het bewijs dat de wetgever bepaalde gevolgen van het gedogen van illegaal verblijvende vreemdelingen op zich wil nemen. O M D E Z E R E D E N E N : De Arbeidsrechtbank; Gelet op het advies van het Openbaar Ministerie, gegeven door mevrouw Veerle GOEMINNE, substituut-arbeidsauditeur; Wijzende op tegenspraak en na beraadslaging; Ontvangt de vordering, en verklaart ze gegrond in volgende mate; Vernietigt de bestreden beslissing en zegt voor recht dat verweerder jegens eisers, in hun hoedanigheid van wettige vertegenwoordigers van hun kinderen D. en A., vanaf 10 maart 2004 gehouden is tot de maatschappelijke dienstverlening in de vorm van financiële steun ten bedrag van het leefloon voor een éénoudergezin en de gewaarborgde kinderbijslag, met verplichting voor eisers deze uitsluitend aan te wenden voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen; Vereffent de kosten aan de zijde van eisers op 102,63 euro rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van verweerder niet bij gebrek aan opgave; Veroordeelt verweerder tot de kosten; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement; Aldus gewezen en uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Brugge, eerste vakantiekamer, in bijzondere openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, op VRIJDAG ZESTIEN JULI TWEEDUIZEND EN VIER. Waren aanwezig: Willy DUPONT, Rechter bij de Arbeidsrechtbank, Roger GRAUWET, Rechter in sociale zaken-werkgever, Patrick VERMEIRE, Rechter in sociale zaken-werknemer-bediende Frank VAN BELLE, Griffier, F. VAN BELLE - R. GRAUWET - P. VERMEIRE - W. DUPONT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20040716.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.