← België

ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20040908.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 08 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20040908.7 Rolnummer: 117536 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-01 00:48 Fiche Na het K.B.en de omzendbrief van 16.07.04 lijkt het er nu eerder op dat de ouders samen met hun minderjarige kinderen zullen opgeno-men worden in een opvangcentrum. Het OCMW moet een nieuwe beslissing in die zin nemen. Ondertussen en indien Fedasil zou be-slissen om de ouders toch niet mee op te nemen (zodat het gezin toch uiteengetrokken wordt), moet het equivalent leefloon worden toegekend. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Art. 57 ,§ 2 OCMW-wet. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: Gepubl. : N.J.W. 2005, p.

  1. Gepubl. : J.T.T. 2005, p.
  2. Annotaties Publicaties: NIEUW JURIDISCH WEEKBLAD - - 2005(P.382) Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK BRUGGE wZevende kamerw OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 SEPTEMBER
  3. Rep.nr.: In de zaak A.R. nr. 117.536 C. I., wonende te; - EISER hebbende als raadsman Meester Dekuyper M., advocaat te Oostende; tegen : O.C.M.W. O. (OCMW O.), met zetel gevestigd te; - VERWEERDER verschijnend door Mr. Dockx P., advocaat te Oostende; ___________________________________________________________________________
  4. PROCEDURE : De vordering werd ingesteld bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 1 april 2004, zoals blijkt uit het dossier van de rechtspleging. De partijen zijn verschenen ter openbare terechtzitting van 9 juni 2004, alwaar zij werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen, waarna de debatten werden gesloten. Het O.M. legde zijn schriftelijk advies neer ter griffie op 22 juni
  5. Dit advies werd aan partijen betekend op 23 juni
  6. Na verloop van de aan partijen toegestane repliektermijn (7 juli 2004), waarin er door eiser werd gerepliceerd op voormeld advies, werd de zaak ter bijzondere terechtzitting van 1 september 2004 in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op de zitting van heden. De rechtspleging gebeurde in het Nederlands, overeenkomstig de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
  7. VOORWERP VAN DE VORDERING MIDDELEN VAN PARTIJEN Eiser bestrijdt verweerders beslissing van 26 februari 2004 waarin geen financiële steun wordt toegekend, omdat hij niet de vereiste nationaliteit bezit en illegaal in het land verblijft, maar voor zijn kinderen wordt doorverwezen naar een federaal opvangcentrum. Eiser, die zijn vordering formuleert als wettige vertegenwoordiger over zijn kinderen, roept het Kinderrechtenverdrag in om aanspraak te maken op het equivalent leefloon als alleenstaande naast de gewaarborgde kinderbijslag voor zijn vier kinderen. Verweerder volhardt.
  8. GRONDEN VAN HET VONNIS - BEOORDELING: De rechtbank nam kennis van het gerechtsdossier, het administratief dossier en de overtuigingsstukken. 3.
  9. Gegevens: Eiser is een uitgeprocedeerde Joegoslavische asielzoeker: ingevolge een negatief arrest van de Raad van State werd zijn asielprocedure op 10 maart 2003 werd gesloten. Sedertdien verblijft eiser met zijn kinderen dus illegaal op het grondgebied. Op 13 februari 2004 diende hij voor zijn gezin een (nieuwe) hulpaanvraag in bij verweerder. Deze stelde impliciet de staat van behoeftigheid vast van eisers kinderen B. (°1992), S. (°1996), S. (°1999) en B. (°2003), maar wees de aanvraag af wegens hun illegaal verblijf en verwees hen naar een federaal opvangcentrum. Sedert 10 januari 2004 geldt immers een nieuw art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet (ingevoerd bij art.483 van de Programmawet van 22 december 2003, BS 31.12.2003) : " In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot : 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; 2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning. " 3.
  10. Beoordeling: Eiser: Uit art.57 ,§2 OCMW-wet volgt dat eiser, die illegaal op het grondgebied verblijft, zelf geen eigen recht of aanspraak heeft op maatschappelijke dienstverlening voor zichzelf, behoudens dringende medische hulp. De minderjarige kinderen: Het nieuw art.57 ,§2 OCMW-wet bevat voor de minderjarige kinderen van illegaal verblijvende vreemdelingen een specifieke regeling. A. Periode tot en met 10 juli 2004:
  11. In de bestreden beslissing werd impliciet erkend dat de kinderen van eiser in staat van behoeftigheid verkeren doordat de ouders hun ouderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen. Expliciet wordt het equivalent leefloon geweigerd met de melding dat eiser en zijn gezin werd doorverwezen naar een federaal opvangcentrum (Ministerie van Binnenlandse Zaken) in het kader van materiële hulp voor de ontwikkeling van hun kinderen. Een concreet adres of opvangcentrum wordt niet vermeld. Deze beslissing was kennelijk ingegeven door hogervermelde wijziging van art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet. De wetgever heeft tot die wetswijziging besloten na een arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 op een prejudiciële vraag over de schending door het toenmalige art.57 ,§2 OCMW-wet van art.10 en 11 van de Grondwet, eventueel in samenhang gelezen met art.23 en 191 van de Grondwet en art. 2, 3, 24, 26 en 27 van het Kinderrechtenverdrag. Het Arbitragehof had dergelijke schending vastgesteld, en meteen ook het recht op maatschappelijke dienstverlening voor minderjarige kinderen van illegaal verblijvende vreemdelingen erkend, maar had tegelijk een aantal richtlijnen uitgewerkt omtrent de voorwaarden en modaliteiten van die maatschappelijke dienstverlening. In de praktijk bleken deze richtlijnen echter niet toepasbaar, wat de wetgever tot voormelde wetswijziging aanzette: "Dit arrest zorgt op het terrein voor grote verwarring, doordat de ocmw's deze dienstverlening in natura moeilijk kunnen toepassen overeenkomstig de criteria die het Arbitragehof bepaalt" (Memorie van Toelichting, Programmawet van 22 december 2003, Gedr.St. Kamer 2003-04, Doc 51: 0473-474/001, 223). In navolging van het Arbitragehof erkent de wetgever in het nieuw art. 57 ,§2, eerste lid, van de OCMW-wet nu wèl het recht op maatschappelijke hulp voor die kinderen maar laat de concrete uitwerking ervan over aan de Koning. Dit koninklijk besluit zou in elk geval inhouden "...dat slechts in echt uitzonderlijke gevallen zal worden overgegaan tot een scheiding van ouders en kinderen. Ook zij (de minister) is er immers van overtuigd dat de kinderen zich in de meeste gevallen slechts naar behoren kunnen ontplooien in het bijzijn van hun ouders." (Gedr.St. Kamer 2003-04, Doc.
  12. 0473/029, 28).
  13. Dit koninklijk besluit "tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft" kwam er pas op 24 juni 2004 (BS 1.07.2004), geldt vanaf 11 juli 2004 en kan dus door de rechtbank in principe pas worden toegepast voor de periode vanaf 11 juli
  14. Tot en met 10 juli 2004, en dus ook ten tijde van de bestreden beslissing, was de nieuwe regeling nog onvolledig, maar alvast bleek het volgende : - het recht op een menswaardig leven voor minderjarige kinderen van illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen volgt thans niet enkel uit het Kinderrechtenverdrag maar uit de wet zelf : het nieuw art.57 ,§2 waarborgt voor deze kinderen de maatschappelijke dienstverlening in de vorm van de materiële hulp die onontbeerlijk is voor hun ontwikkeling; - wie anders dan het ocmw moest - zolang er geen koninklijk besluit was gepubliceerd en er geen federale opvangcentra waren uitgerust om deze kinderen met hun ouders in onder te brengen - instaan voor de realisatie van dit recht ? Art.1 OCMW-wet geeft aan het ocmw de opdracht om de maatschappelijke dienstverlening te verzekeren die elke persoon in de mogelijkheid stelt een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid; - dit recht moet worden geëffectueerd zonder de kinderen van hun ouders te scheiden : de wetgever laat een scheiding slechts in echt uitzonderlijke gevallen toe, wat hier niet bewezen wordt; men kan niet beweren dat de toestand van de kinderen van eiser op zich uitzonderlijk zou zijn, aangezien de ganse regeling voor dergelijke kinderen geldt en met 'echt uitzonderlijke gevallen' dus slechts zeer specifieke afwijkende uitzonderingen kunnen bedoeld zijn; - zolang er geen uitvoerend koninklijk besluit was of op een andere wijze voorzieningen (bv opvangcentra) werden gerealiseerd waar deze ouders en kinderen konden samen leven en het recht van de kinderen kon worden geëffectueerd, mochten zij samen blijven wonen in hun huidige verblijfplaats, in casu in O., waardoor verweerder bevoegd bleef (art.8 EVRM); - aangezien de criteria die het Arbitragehof voorheen had uitgewerkt voor een zgn. materiële hulp in natura in de praktijk moeilijk uitvoerbaar zijn en gelet op de principiële noodzaak van de aanwezigheid van de ouders voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen, moest aan deze ouders het equivalent leefloon worden toegekend, niet als een recht voor zichzelf, maar in hun hoedanigheid van wettige vertegenwoordigers èn enkel aan te wenden voor de ontwikkeling en opvoeding van hun kinderen (Arbrb. Brugge 7e k. 10.03.2004, Petrasjan / OCMW Oostende; Bouckaert S., OCMW-steun voor minderjarige illegalen, N.J.W. 2004, 151). Verweerder moest dus van 13 februari 2004 tot en met 10 juli 2004 aan eiser het equivalent leefloon als éénoudergezin en de gewaarborgde kinderbijslag verleend hebben. B. Periode vanaf 11 juli 2004:
  15. De rechtbank mag een koninklijk besluit slechts toepassen in zover het met de wetten overeenstemt (art.159 G.W.). Het koninklijk besluit van 24 juni 2004, ter uitvoering van het nieuw art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet, lijkt een disproportionele scheiding tussen ouders en hun kinderen te installeren: 1) het organiseert de materiële hulp zoals bedoeld in art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet (dus enkel voor de kinderen) in principe in een federaal opvangcentrum en niet in het gezin, en 2) het laat verstaan dat enkel de minderjarige kinderen daar de materiële steun kunnen verkrijgen want enkel de minderjarigen moeten zich aldaar aanmelden (art.6). Dit gaat regelrecht in tegen de wil van de wetgever zelf die zo'n scheiding slechts voor echt uitzonderlijke gevallen voorzag (zie hoger). Daarom zou het nieuw art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet, volgens hetwelk de maatschappelijke hulp voor die kinderen uitsluitend wordt verstrekt in een federaal opvangcentrum, nog kunnen geïnterpreteerd worden als een modaliteit die normaal niet automatisch de scheiding tussen ouders en kinderen inhoudt en die dus de mogelijkheid zou inhouden dat de ouders samen in dit opvangcentrum zouden kunnen verblijven zodat het gezin niet gescheiden wordt. Het koninklijk besluit van 24 juni 2004 lijkt dergelijke scheiding nu blijkbaar wèl als algemene regel te organiseren en is dus strijdig met een in voormelde zin geïnterpreteerd art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet. Bovendien is art.5 van het koninklijk besluit strijdig met het nieuw art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet waar het toelaat dat het Federaal Agentschap een andere opvangstructuur dan een federaal opvangcentrum kan aanduiden, terwijl art.57 ,§2, eerste lid bepaalt dat de hulp aan deze kinderen uitsluitend wordt verstrekt in een federaal opvangcentrum. Het is verder van algemene bekendheid dat, waar eiser en zijn kinderen in O. wonen, er noch in West-Vlaanderen noch in Oost-Vlaanderen een federaal opvangcentrum te vinden is (wat door de grote afstand de bezoekmogelijkheden ernstig zou beperken en op zich reeds zou indruisen tegen art.8 EVRM : EHRM 24.03.1988, Olsson / Zweden), en dat de federale opvangcentra overvol zijn en geen plaats hebben voor alle minderjarige kinderen van de illegaal verblijvende vreemdelingen, laat staan adequaat uitgerust zijn voor de opvang van zo'n jonge kinderen als deze van eiser. Ze zijn uiteraard nog minder in staat om er de kinderen samen met hun ouders op te vangen. De rechtbank kan zich niet verschuilen achter, of een zaak zgz. beslechten door, de toepassing van een wet als zij weet dat de uitvoering ervan de facto onmogelijk is. De enig redelijke oplossing, naast hogervermelde interpretatie van art.57 ,§2 OCMW-wet, zou er in kunnen bestaan dat het Federaal Agentschap toch art.5 van het koninklijk besluit in die zin zou naleven dat het de ouders zelf zou aanduiden als 'andere opvangstructuur', maar niet alleen zou dit strijden met een strikte lezing van art.57 ,§2 (zie hierboven), het valt evenmin in te zien hoe het Agentschap ter plaatse de hulp aan deze kinderen zou kunnen verstrekken. Tenslotte : nu de rechtbank n.a.v. een betwisting over een beslissing van een ocmw, in de plaats van verweerder zelf toepassing zou moeten maken van het koninklijk besluit is het niet duidelijk op welke wijze de rechtbank, zoals daarin opgelegd, 'in overleg met het Agentschap' een federaal opvangcentrum zou kunnen bepalen, vervolgens de schriftelijke aanvaardingsverbintenis van eiser moet afwachten om tenslotte het Agentschap op de hoogte te brengen van de beslissing. De rechtbank moet dus het ocmw bevelen een nieuwe beslissing te nemen volgens de voorziene procedure.
  16. Bovendien hebben internationale regels voorrang op interne wetgeving en kan de overheid de nationale wet niet inroepen om aan internationale verplichtingen te ontkomen (P. Popelier, De Wet - juridisch bekeken, 361). Het koninklijk besluit van 24 juni 2004 is strijdig met art.8 E.V.R.M. dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven waarborgt en geen inmenging van het openbaar gezag toestaat die niet nodig is voor 's lands veiligheid, economisch welzijn, openbare orde en goede zeden of ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De rechtbank ziet niet in op welke gronden het scheiden van minderjarige kinderen van hun ouders voor deze doeleinden nodig zou zijn, temeer daar in familiale aangelegenheden een plaatsing van het kind slechts door het prioritair belang van het kind kan worden verantwoord (EHRM 30.11.2000, Palumbo / Italië; EHRM 10.05.2001, K.M. en T.P. / V.K.; EHRM 27.04.2000, K. & T. / Finland; EHRM 27.11.1992, Olsson / Zweden; P. De Hert, Art.8 EVRM en het Belgisch recht, 246; J. Smets, Jeugdbeschermingsrecht, APR, 210). Dergelijke onnodige plaatsing van de nog erg jonge kinderen zou bovendien indruisen tegen art.3 E.V.R.M. dat voor kinderen en andere kwetsbare personen juist het recht op daadwerkelijk preventie tegen onmenselijke of vernederende behandelingen inhoudt (EHRM 23.09.1998, A. / V.K.). Indien het nieuw art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet strikt zou geïnterpreteerd worden als dat het de scheiding van ouders en kinderen inhoudt doordat het bepaalt: "...wordt de maatschappelijke hulp .... uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum....", zou het eveneens om dezelfde redenen strijdig zijn met art.3 en art. 8 EVRM en door deze Verdragsbepalingen overruled worden.
  17. Het nieuw art. 57 ,§2, eerste lid OCMW-wet (in zijn strikte lezing) en het koninklijk besluit van 24 juni 2004 lijken ook niet te stroken met de artikelen 2.2, 7.1 en 9.1 van het Kinderrechtenverdrag volgens welke : - de Staten het kind moeten beschermen tegen elke discriminatie op grond van de status van de ouders; - het kind het recht heeft om door zijn ouders te worden verzorgd; - de Staten waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten ... beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Al heeft de wetgever, in navolging van het Arbitragehof, het recht op maatschappelijke dienstverlening voor minderjarige kinderen van illegaal verblijvende vreemdelingen erkend, als deze dienstverlening gepaard gaat met het uiteentrekken van het gezin is dergelijke regeling in strijd met voormelde bepalingen van het Kinderrechtenverdrag. Volgens de preambule bij het Kinderrechtenverdrag is het gezin "de kern van de samenleving en de natuurlijke omgeving voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van de kinderen in het bijzonder" en erkent het "dat het kind, voor de volledige en harmonische ontplooiing van zijn of haar persoonlijkheid, dient op te groeien in een gezinsomgeving". Dit verdrag berust fundamenteel op het idee dat het welzijn van kinderen slechts door en met het welzijn van het gezin kan worden gerealiseerd (Van Drooghenbroeck S., L'effectivité des droits sociaux fondamentaux de l'enfant: le contentieux de l'aide sociale aux étrangers en séjour illégal comme paradigme, in Les enfants & l'aide sociale, 2003, 108). Die eenheid van ouders en kinderen werd trouwens ook in de OCMW-wet erkend, bv in art.57 ,§1 dat aan de ocmw's oplegt om de maatschappelijke dienstverlening te verzekeren aan personen en gezinnen. De rechtbank heeft reeds meermaals geoordeeld dat het Kinderrechtenverdrag rechtstreekse werking heeft, minstens een harde kern bezit, die bezwaarlijk minder kan zijn dan de waarborg van een 'leven dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid', wat in casu inhoudt dat ouders en kinderen kunnen samenleven en niet worden gescheiden. Het begrip 'menselijke waardigheid' is niet vreemd aan het Kinderrechtenverdrag (art.28.2) en mag dus in deze context zonder bezwaar worden aangewend. Dat het een open begrip is vormt geen hinderpaal om het in concreto vorm te geven en toe te passen : ook art.1 OCMW-wet heeft het over de 'menselijke waardigheid' (Arbrb. Brugge 10.03.2004, Petrasjan / OCMW Oostende; Arbrb.Brugge 7e k. 24.12.2001, Moerachinskaia / OCMW Oudenburg , T.V.R. 2003, 60, met noot S. Bouckaert; Bouckaert S., OCMW-steun voor minderjarige illegalen, N.J.W. 2004, 146-159). Het Arbitragehof heeft in zijn arrest van 22.07.2003 weliswaar vermeden zich uitdrukkelijk uit te spreken over de rechtstreekse werking doch heeft wel geoordeeld dat het toenmalige art.57 ,§2 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond, gelezen in samenhang met de artikelen 2, 3, 24.1, 26 en 27 van het Kinderrechtenverdrag. Het Arbitragehof merkte daarbij op dat de Belgische Staat met zijn interpretatieve verklaring bij art. 2.1 Kinderrechtenverdrag zichzelf niet kon machtigen om het discriminatieverbod, zoals dit van art.191 van de Grondwet, te omzeilen. Wanneer dit al het geval was voor het oude art. 57 ,§2, eerste lid - toepasselijk ingeval van samenwonende ouders en kinderen - hoeveel te meer worden die bepalingen dan niet geschonden door het nieuwe art.57 ,§2 dat de scheiding organiseert of impliceert ? In zijn arrest 62/94 van 14.07.1994 had het Arbitragehof bovendien al uitdrukkelijk art.7.1 van het Kinderrechtenverdrag ingeroepen, en in zijn arrest van 6.06.1996 (BS 10.07.1996) heeft het de rechtstreekse werking van dit artikel nog eens impliciet erkend. De vraag of een internationale bepaling al dan niet rechtstreekse werking heeft is overigens irrelevant om een wet aan die bepaling te kunnen toetsen in het kader van een objectief contentieux ( Arbitragehof 106/03, 22.07.2003; R.v.St. 107.085, 28.05.2002; P. Popelier, De Wet - juridisch bekeken, 362). Het nieuwe art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet en het koninklijk besluit van 24 juni 2004 gaan - in hun strikte lezing - regelrecht in tegen de artikelen 2.2, 7.1 en 9.1 van het Kinderrechtenverdrag en kunnen dus geen toepassing vinden.
  18. Bovendien rijst de vraag of art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet de toetsing aan het Kinderrechtenverdrag doorstaat waar het de maatschappelijke dienstverlening beperkt tot "de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind". Men hoeft geen pedagoog of psycholoog te zijn om te beseffen dat de ontwikkeling van een kind meer vereist dan louter materiële hulp : om zich te kunnen ontwikkelen heeft een kind ook opvoeding en bijstand, affectieve, emotionele en paedagogische veiligheid en begeleiding nodig. Strikt geïnterpreteerd zou dit artikel zelfs kunnen getoetst worden aan art.10 en 11 G.W. in zoverre o.a. psychologische bijstand niet voorzien is, terwijl dit wel het geval is voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die onder voogdij worden geplaatst (art.10 ,§1, tweede lid van art.479 Programmawet 24.12.2002).
  19. Al het bovenstaande illustreert de twijfel die ook te lezen was in het advies van de Raad van State bij het nieuw art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet, zoals gewijzigd door de Programmawet van 22 december 2003 : "Op basis van de thans voorliggende ontwerptekst kan de Raad van State zich nog niet uitspreken over de vraag of de rechten van het kind ten volle worden geëerbiedigd." (Gedr.St. Kamer 2003-04,
  20. 473/001, 491)
  21. Volledigheidshalve moeten volgende overwegingen nog onderzocht worden, weliswaar met omzichtigheid, aangezien het de facto gaat over minderjarige kinderen, die volledig zijn overgeleverd aan wat (meerderjarige) volwassenen (hun ouders, het ocmw, de rechtbank) over hen beslissen. a. Is de scheiding of plaatsing van de minderjarige kinderen in een opvangcentrum niet nodig in het kader van het vreemdelingenbeleid ? Het is niet in te zien hoe de plaatsing van minderjarige kinderen nodig of verantwoord zou zijn om het vreemdelingenbeleid te kunnen handhaven. De scheiding op zich is geen maatregel in het kader van de gewenste terugkeer naar het herkomstland. Ze is enkel een wapen dat als dreiging of psychologische druk op de ouders gelegd wordt. De affectief-emotionele band tussen ouders en kinderen is in een rechtstaat geen geldig beleidsinstrument. Dergelijke praktijken zijn niet in overeenstemming te brengen met de grondbeginselen van de wereldgemeenschap zoals verwoord in de artikelen 16.3, 25.2 en 26.3 van de Universele verklaring van de rechten van de mens en rechtens beschermd in het E.V.R.M. Trouwens moet het belang van de kinderen zwaarder ingeschat worden dan het belang van de Staat omdat 1° de kinderen, anders dan de Staat, geen enkel verweer of overlevingsmiddel hebben, 2° de Staat zelf zijn migratiebeleid doorkruist door eiser en zijn kinderen op het grondgebied te gedogen en 3° de schade voor de Staat beter te dragen valt dan de schade die de kinderen zouden moeten dragen. Bovendien is het een illusie te denken dat illegaal verblijvende vreemdelingen spontaan het land wel zullen verlaten als hen de maatschappelijke dienstverlening wordt ontzegd. Het is genoegzaam bekend dat deze vreemdelingen, zeker wanneer zij kinderen hebben en met hen alhier geïntegreerd zijn, een beroep doen op allerlei caritatieve en solidariteitshulp of illegale werkjes opknappen om hier toch te kunnen blijven leven. De oorzaken of redenen van de niet uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten, zowel deze van eiser om het vrijwillig uit te voeren als van de Belgische overheid om het bevel gedwongen uit te voeren, zijn de rechtbank niet bekend. In wezen doen ze er ook niet toe, aangezien in casu enkel de feitelijk toestand van de kinderen de grond van de maatschappelijke dienstverlening uitmaakt. Het is niet aan een ocmw - en dus ook niet aan de rechtbank die over een ocmw-beslissing moet oordelen - om uit te maken welk neveneffect een hulpverlening heeft op een totaal ander domein dan zijn wettelijke opdracht, zoals die vastligt in art.1 OCMW-wet. b. Is de scheiding niet vrijwillig en een keuze die aan de ouders wordt overgelaten ? Dergelijk wat cynische overweging is een cirkelredenering. Maatschappelijke dienstverlening voor minderjarige kinderen die afhankelijk is van de medewerking van de ouders, is niet onvoorwaardelijk en wordt dus de facto uitgehold. Met de ene hand wordt zo teruggenomen wat met de andere hand gegeven werd. Bovendien moet zelfs de wetgever weten dat geen enkele ouder zijn/haar kinderen zal afleveren aan een opvangcentrum (daarom ook : slechts in echt uitzonderlijke gevallen). De ouders worden aldus voor de keuze geplaatst : ofwel hun kinderen afstaan en/of het land verlaten of met hun kinderen in volledige illegaliteit trachten te overleven. Geen zinnig mens kan zich indenken dat ouders hun kinderen vrijwillig uit handen zouden geven. De rechtbank, samengesteld uit fysische personen die vaak ook ouders zijn en dus niet vanuit een ivoren toren oordelen, moet zich in de maatschappelijke realiteit plaatsen. Zij erkent dat voormelde voorwaarde voor eiser overkomt als een chantage-instrument om hem ertoe te bewegen het land te verlaten : het kind als drukkingsmiddel of pasmunt. Het hoeft geen betoog dat dit strijdt met de meest elementaire rechtsbeginselen. c. Is de scheiding niet in het belang van het kind ? Dat een minderjarig kind in het opvangcentrum wèl en bij zijn ouders niet kan overleven is een redenering met dubbele bodem. Het zijn immers de ouders die geacht worden in te stemmen met de plaatsing en de aflevering van hun kinderen aan het opvangcentrum. De rechtbank ziet eisers kinderen van 12 jaar, 8 jaar, 5 jaar en 1 jaar nog niet spontaan zelf naar een opvangcentrum stappen. Het belang van het kind vereist precies dat wanneer, zoals te verwachten is, de ouders niet instemmen en hun kinderen niet afstaan, de kinderen desalniettemin een menswaardig bestaan kunnen leiden terwijl ze bij hun ouders kunnen verblijven. Het is bovendien niet bewezen dat een verblijf in een opvangcentrum ver van hun ouders het belang van de kinderen meer dient dan een verblijf bij hun ouders in weliswaar moeilijke omstandigheden. Ook hier verwordt het recht tot een lege doos door de onzindelijke redenering dat ouders hun kinderen maar vrijwillig moeten afstaan.
  22. Samenvatting : - het recht op maatschappelijke dienstverlening voor minderjarige kinderen van illegaal verblijvende vreemdelingen werd zowel door het Arbitragehof als door de wetgever erkend; - de door het Arbitragehof ontworpen modaliteiten zijn in de praktijk niet toepasbaar; - de vervolgens door de wetgever ontworpen modaliteiten zijn in hun strikte interpretatie niet toepasbaar wegens hun onderlinge strijdigheid en hun strijdigheid met het E.V.R.M. en het Kinderrechtenverdrag. De regeling in art.57 ,§2, eerste lid OCMW-wet en het kb van 24 juni 2004 is enkel in overeenstemming met deze Verdragsbepalingen als ze in die zin worden geïnterpreteerd dat de maatschappelijke dienstverlening voor minderjarige kinderen van illegaal verblijvende vreemdelingen niet beperkt is tot de materiële hulp sensu stricto èn dat - wanneer ze wordt toegekend in een federaal opvangcentrum - deze kinderen daar samen met hun ouders kunnen verblijven, die daar uiteraard op hun beurt de minimale voorzieningen ontvangen. Zolang en in de mate dat het niet zeker is - ook niet na de ministeriële brief van 16 augustus 2004 (zie verder) - dat de nieuwe regeling op het terrein in voormelde zin wordt toegepast bestaat volgens de rechtbank de enige wettige oplossing erin de kinderen van 12, 8, 5 en 1 jaar oud bij eiser te laten en hem, in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger, de financiële steun te geven die hem in staat moet stellen zijn kinderen onderdak, voeding, kleding, opvoeding en een warme thuis te bieden. Dat dit noodzakelijkerwijze impliceert dat eiser zelf ook moeten kunnen (over)leven, zodat hijzelf uit die dienstverlening enig voordeel haalt, is de facto onvermijdelijk. Deze oplossing is geen positieve discriminatie t.o.v. een illegaal verblijvende vreemdeling zonder kinderen aangezien het voordeel dat eiser er voor zichzelf uit haalt een functioneel voordeel is dat hem niet voor zichzelf maar voor zijn kinderen wordt verleend. Overigens bevindt een illegale vreemdeling met kinderlast zich niet in dezelfde toestand als een illegale vreemdeling zonder kinderlast. De maatschappelijke dienstverlening wordt zodoende niet van haar doel afgewend. Dat eiser bijgevolg de facto niet alleen wordt gedoogd, maar hier zelf ook in leven kan blijven en daardoor het bevel om het grondgebied te verlaten mogelijks niet vrijwillig zal uitvoeren (indien hij het zou kunnen), is de prijs die moet betaald worden. Ook de Regularisatiewet van 22 december 1999 is het bewijs dat de wetgever bepaalde gevolgen van het gedogen van illegaal verblijvende vreemdelingen op zich wil nemen. Het behoort niet tot de wettelijke opdracht van een ocmw, zoals vastgelegd in art.1 OCMW-wet, om zich in te laten met andere beleidsdomeinen.
  23. In een (nog) niet in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde ministeriële omzendbrief van 16 augustus 2004 aan de ocmw's worden de voorwaarden en modaliteiten van de door het Federaal Agentschap te verlenen materiële hulp nader gepreciseerd. Daaruit blijkt dat, pas nadat de ouders hun akkoord hebben gegeven voor de opname van hun minderjarige kinderen in een federaal opvangcentrum conform het kb van 24 juni 2004, het Federaal Agentschap een geïndividualiseerd project moet uitwerken 'waarin wordt bepaald of de aanwezigheid van de ouders onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind'. Niet alleen is daardoor het te geven akkoord gebrekkig, aangezien de ouders vooraf niet weten of zij mee in het opvangcentrum samen met hun kinderen kunnen verblijven en dus niet de volledige gevolgen kennen van een dergelijk akkoord, bovendien wordt deze beslissing aan het Federaal Agentschap overgelaten, terwijl enkel het ocmw de beslissingen mag nemen inzake maatschappelijke dienstverlening, en is niet bepaald bij welke instantie beroep kan aangetekend worden tegen een voor de ouders negatieve beslissing van het Federaal Agentschap. Uit de omzendbrief kan evenwel worden opgemaakt dat de ouders in de regel wellicht mee in het opvangcentrum zullen kunnen verblijven samen met hun minderjarige kinderen. Aangezien het - wegens de beperkte opvangcapaciteit van de federale opvangcentra - in casu niet vaststaat dat dit effectief het geval zal zijn voor eiser en zijn kinderen moet thans reeds voor recht gezegd worden dat verweerder moet instaan voor de maatschappelijke dienstverlening, niet alleen zolang de opname van eiser met zijn kinderen in een federaal opvangcentrum of een andere opvangstructuur ingevolge een nieuwe beslissing van verweerder niet is gerealiseerd maar ook indien het Federaal Agentschap zou beslissen om eiser niet mede met zijn kinderen in een opvangcentrum op te nemen.
  24. Eiser vroeg aanvankelijk enkel het bedrag als alleenstaande, maar in zijn repliek vraagt hij het bedrag als éénoudergezin; aangezien dit pas na de sluiting der debatten werd gevraagd is deze eis-uitbreiding onontvankelijk. O M D E Z E R E D E N E N : De Arbeidsrechtbank; Wijzende op tegenspraak en na beraadslaging ; Gelet op het schriftelijk advies van mevrouw Glenda VANHOLME, substituut-arbeidsauditeur, neergelegd ter griffie op 22 juni 2004; Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond in de hiernavolgende mate; Vernietigt de bestreden beslissing en zegt voor recht dat verweerder jegens eiser, in zijn hoedanigheid van wettige vertegenwoordiger van zijn kinderen B., S., S. en B. vanaf 13 februari 2004 tot en met 10 juli 2004 gehouden is tot de maatschappelijke dienstverlening in de vorm van financiële steun ten bedrag van het leefloon voor een alleenstaande en de gewaarborgde kinderbijslag, met verplichting voor eiser om deze uitsluitend aan te wenden voor de opvoeding en ontwikkeling van zijn kinderen; Zegt voor recht dat verweerder vanaf 11 juli 2004 verder gehouden is tot dezelfde maatschappelijke dienstverlening tot hij een nieuwe beslissing heeft genomen conform de overwegingen in dit vonnis; Zegt voor recht dat verweerder een nieuwe beslissing moet nemen binnen de maand na kennisgeving van het vonnis en dat hij verder tot de hiervoor bepaalde maatschappelijke dienstverlening gehouden is, indien eiser ingevolge een beslissing van het Federaal Agentschap niet samen met zijn kinderen effectief in een federaal opvangcentrum of een andere opvangstructuur zou opgenomen worden; Verklaart de uitbreiding van eisers vordering onontvankelijk; Vereffent de kosten aan de zijde van eiser op 102,63 euro rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van verweerder niet bij gebrek aan opgave; Verwijst verweerder tot de gedingskosten conform art. 1017, lid 2 gerechtelijk wetboek; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement; Aldus gewezen en uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Brugge, zevende kamer, in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, op WOENSDAG ACHT SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. Waren aanwezig: Willy DUPONT : rechter; Stefaan MEYERS : rechter in sociale zaken-werknemer; Georges SCHOONAERT : rechter in sociale zaken-werkgever; Christian SANTY : griffier. C. SANTY - S. MEYERS - G. SCHOONAERT - W. DUPONT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20040908.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.