id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 19 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20041019.5 Rolnummer: 103568 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-02-08 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-07-01 01:05 Fiche De vroegste ingangsdatum van 120 dagen vóór de aanvraag voor de vergoe-ding voor blijvende arbeidsongeschiktheid ingevolge een beroepsziekte, zo-als bepaald in artikel 35, tweede lid Beroepsziektenwet, geldt niet ingeval aan deze blijvende arbeidsongeschiktheid een tijdelijke arbeidsongeschikt-heid voorafgaat. (geen beroep) Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . BEROEPSZIEKTEN Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 03-06-1970 - 35 - 02 ELI link Pub nr 1970060309 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK BRUGGE w 2E KAMER w OPENBARE TERECHTZITTING VAN 19 oktober
- Rep.nr.: In de zaak A.R. nr.: 103568 M. J., thans wonende te - EISENDE PARTIJ : - hebbende als volmachthouder de heer Filip DE WISPELAERE, afgevaardigde van een representatieve organisatie van werknemers, drager van een schriftelijke volmacht. tegen : F.B.Z., openbare instelling, met zetel te - VERWERENDE PARTIJ : - hebbende als raadsman Mr. D. VAN DE GEHUCHTE, advocaat te Gent. PROCEDURE : De vordering werd regelmatig ingeleid bij dagvaarding betekend op 11 juni 2001, zoals blijkt uit het dossier van de rechtspleging. Bij vonnis alvorens ten gronde te oordelen d.d. 22 maart 2002 werd de vordering ontvankelijk verklaard en werd dr. Fr. D. als deskundige aangesteld. De deskundige legde zijn verslag ter griffie neer op 16 december
- Een nieuwe rechtsdag werd bepaald ter verdere afhandeling van de zaak door de Rechtbank. De partijen zijn opnieuw verschenen ter openbare terechtzitting van 5 oktober '04 (art. 750 Ger.W.) en werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen. De rechtspleging gebeurde in het Nederlands, overeenkomstig de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. VERDERE MIDDELEN : Eiser vraagt verweerder te veroordelen tot de wettelijke vergoedingen conform de besluiten van de deskundige, op een basisloon van 12.637,38 euro alsook de medische kosten, de intrest vanaf de dagvaarding en de kosten. Verweerder merkt op dat de vergoeding slechts kan ingaan 120 dagen vóór eisers aanvraag van 10 februari 1999 en dus pas vanaf 13 oktober
- GRONDEN VAN HET VONNIS - BEOORDELING : De rechtbank nam kennis van het gerechtsdossier en de neergelegde overtuigingsstukken.
- In ons vonnis van 22 maart 2002 werd dr. F. D. aangesteld om als deskundige advies te geven over de vraag of eiser lijdt aan een beroepsziekte buiten de lijst bij het kb van 28 maart 1969, nl. het organisch psychosyndroom en zo ja, verder de gevolgen ervan te bepalen inzake arbeidsongeschiktheid. Deze ziekte werd intussen aan de lijst toegevoegd met code 1.711 (kb 26.05.2002). De deskundige heeft zijn opdracht uitgevoerd volgens de regels van de kunst en de procedure.Hij heeft de partijen in kennis gesteld van zijn bevindingen en hield rekening met eisers opmerkingen daarop. De deskundige heeft zijn verslag ter griffie neergelegd op 16 december 2003 en komt daarin gemotiveerd tot volgende besluiten : - eiser is, ten gevolge van zijn tewerkstelling bij de nv M. te Z van 30 juli 1984 tot 11 december 1991, progressief gaan lijden aan het 'organisch psychosyndroom, graad II" die op een determinerende en rechtstreekse wijze het gevolg was van zijn beroepsuitoefening en die de blootstelling aan het beroepsrisico van deze ziekte als oorzaak had; - als gevolg van de beëindiging van de blootstelling liep de ernst van de aandoening terug tot de graad I vanaf de consolidatie op 1 december 1992; - tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van 29 september 1987 tot en met 31 oktober 1987 van 4 september 1991 tot en met 22 september 1991; - tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 60 % van 11 december 1991 tot en met 31 maart 1992 40% van 1 april 1992 tot en met 30 juni 1992 30 % van 1 juli 1992 tot en met 30 september 1992 25 % van 1 oktober 1992 tot en met 30 november 1992; - consolidatie op 1 december 1992; - 20 % blijvende arbeidsongeschiktheid. Geen der partijen maakt nog bezwaren, en ook de rechtbank sluit zich aan bij het deskundigenonderzoek omdat het oordeelkundig en samenhangend tot stand is gekomen. De term 'consolidatie' heeft evenwel inzake beroepsziekten geen wettelijke inhoud. Een herziening is steeds mogelijk. Partijen zijn het terecht eens over het basisloon van 12.637,38 euro.
- Art.35, eerste lid Beroepsziektenwet betreft de vergoedingen wanneer de tijdelijke arbeidsongeschiktheid blijvend wordt : de vergoeding voor blijvende arbeidsongeschiktheid vervangt deze voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid te rekenen van de dag waarop de ongeschiktheid van bestendige aard is. Verweerder verwijst evenwel naar art.35, tweede lid Beroepsziektenwet, waarvan de tweede zin bepaalt dat de vergoeding voor blijvende arbeidsongeschiktheid niet vroeger kan ingaan dan 120 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag. Eiser deed zijn aanvraag pas op 10 februari
- Artikel 35, tweede lid Beroepsziektenwet begint evenwel als volgt : 'Wanneer de arbeidsongeschiktheid van in de beginne blijvend is' en is dus enkel in dàt geval van toepassing (F.Demet e.a., Les maladies professionnelles, 52). Deze enige uitzondering betreft dus enkel de van bij de aanvang aanwezige blijvende arbeidsongeschiktheid (R. Janvier, De beroepsziekten in de publieke sector, Soc.Kron. 1991, 363). Uit de voorbereidende werken tot de Beroepsziektenwet zou kunnen opgemaakt worden dat deze beperking van de retroactieve werking van de aanvraag geldt voor elke blijvende arbeidsongeschiktheid. Men had voor ogen dat bij het optreden van een blijvende arbeidsongeschiktheid de betrokkene zo spoedig mogelijk zijn aanvraag moest indienen om vlugge preventie mogelijk te maken, om snel ander werk te kunnen gaan zoeken en te voorkomen dat de blijvende arbeidsongeschiktheid door langer wachten nog zou verergeren (Gedr.St. Kamer 1968-69, Memorie van Toelichting nr. 83/1,3 en Verslag nr. 83/7, 5, 11 en 17). Deze ratio kan evenzeer gelden voor een blijvende arbeidsongeschiktheid die pas intreedt na een tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Vandaar wellicht dat de meeste rechtsleer zelfs geen onderscheid maakt tussen beide gevallen. Evenwel blijkt niet uit de tekst van art.35 dat deze beperking ook zou gelden voor de blijvende arbeidsongeschiktheid nà een tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Indien de wetgever ook dit geval had bedoeld zou deze beperking ofwel in het eerste lid van art.35 zijn herhaald ofwel als afzonderlijke bepaling voor beide gevallen zijn verwoord. Het nieuw artikel beoogde hoofdzakelijk het oude artikel 31 van de wet van 24 december 1963 te splitsen om een duidelijk onderscheid te maken tussen de tijdelijke en de blijvende arbeidsongeschiktheid (Parl. St. Kamer 1968-69, Memorie van Toelichting, nr. 83/1, 3), zodat in de voorbereidende werken wellicht betreffende huidig kwestieus aspect onvoldoende aandacht werd besteed aan een klare verwoording van de bedoeling van de wetgever, nl. of de kwestieuze beperking geldt voor beide gevallen dan wel enkel voor het tweede geval. Bij gebreke daaraan moet de tekst van de wet voluit gerespecteerd worden. Het ware overigens onsamenhangend als eiser wel vergoeding zou ontvangen voor zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid, vervolgens een periode van afwezigheid van vergoeding zou kennen, om dan vanaf 120 dagen vóór zijn aanvraag wel terug vergoed te worden. Voor de vergoeding van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid voldoet eiser trouwens aan de vereisten van art.52, vijfde lid Beroepsziektenwet.
- Eiser toont geen medische kosten aan. O M D E Z E R E D E N E N : De Arbeidsrechtbank; Wijzende op tegenspraak en na beraadslaging ; Verklaart de vordering gegrond in volgende mate; Zegt voor recht dat eiser lijdt aan de beroepsziekte organisch psychosyndroom, met als gevolgen : - tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van 29 september 1987 tot en met 31 oktober 1987 van 4 september 1991 tot en met 22 september 1991; - tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 60 % van 11 december 1991 tot en met 31 maart 1992 40% van 1 april 1992 tot en met 30 juni 1992 30 % van 1 juli 1992 tot en met 30 september 1992 25 % van 1 oktober 1992 tot en met 30 november 1992; - twintig procent (20 %) blijvende arbeidsongeschiktheid vanaf 1 december 1992; Zegt voor recht dat verweerder gehouden is tot de dienovereenkomstige wettelijke vergoedingen, aan de hand van een basisloon van 12.637,38 euro, en vermeerderd met de gerechtelijke intrest vanaf 11 juni 2001; Wijst het meer gevorderde af; Vereffent de kosten aan de zijde van eiser op 59,84 euro voor de dagvaarding en aan de zijde van verweerder niet bij gebrek aan opgave; Veroordeelt verweerder tot de kosten, met inbegrip van de kosten van het deskundigenonderzoek, door Ons thans begroot op DRIEDUIZEND EN TIEN EUR (3.010,00 euro); Aldus gewezen en uitgesproken door de ARBEIDSRECHTBANK TE BRUGGE, tweede kamer, in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, op NEGENTIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIER. Waren aanwezig : Willy DUPONT, Rechter bij de Arbeidsrechtbank, Walter VERPLANCKE, Rechter in sociale zaken - werknemer / arbeider, Luc DEHEYDER, Rechter in sociale zaken - werkgever, Yvan WYNS, Griffier, Y. WYNS - L. DEHEYDER - W. VERPLANCKE - W. DUPONT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20041019.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div