← België

ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20041109.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20041109.12 Rolnummer: 25240II;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-17 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-01 01:14 Fiche Artikel 516 van het Gerechtelijk Wetboek laat de gerechtsdeurwaarder toe om vaststellin-gen te doen van materiële feiten, ook op verzoek van particulieren. Deze wettelijke omschrijving van een taak van de gerechtsdeurwaarder geeft evenwel aan het integrale proces-verbaal geen authentiek karakter en de vaststellingen zelf hebben en-kel de waarde van een vermoeden (R. Mougenot, La preuve, Larcier 1997, 221; P. Arnou, De vaststellingen door een gerechtsdeurwaarder, R.W. 1987-88, 926). Volgens het Hof van Cassatie beoordeelt de feitenrechter op onaantastbare wijze een pro-ces-verbaal dat de gerechtsdeurwaarder heeft opgesteld op verzoek van één der partijen (Cass. 20 februari 1981, Pas. 1981, 690). Zelfs al is het een vermoeden en wordt de gerechtsdeurwaarder aangezocht en betaald door een particulier, toch boezemt een dergelijke vaststelling van een openbaar ambtenaar meer vertrouwen in dan dat van een privé-detective of andere verklaring. De eisende partij betwist niet dat hij (duidelijk) te zien is op de foto van de verwerende partij (naar aanleiding van een tuinfeest met etentje). De gerechtsdeurwaarder is formeel dat hij de eisende partij van op de openbare weg heeft kunnen identificeren (herkennen) en deze bezig was met grond- en verhardingswerken bij een particulier. Het ware inderdaad "beter" geweest indien de gerechtsdeurwaarder de eisende partij om zijn identiteit had gevraagd of bijkomende inlichtingen had bekomen, doch wellicht heeft de gerechtsdeurwaarder enige terughoudendheid aan de dag gelegd om "overschrijding van zijn ambt" op particulier domein te voorkomen. Hoe dan ook is de vaststelling meer dan voldoende (de essentie is dat de eisende partij werd herkend door de gerechtsdeurwaarder) om te concluderen dat de eisende partij aan het werk was in een concurrerende activiteit. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN Dringende reden Bewijs Vaststelling door gerechtsdeurwaarder. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 25.240/II. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, tweede kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van dinsdag negen november Verminderd tweeduizend en vier Griffierecht IN DE ZAAK: V. G., wonende te, woonst kiezend bij zijn raadsman, hierna vernoemd, eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. F. Van Trimpont, advocaat te 7860 Lessen, Hallestraat nr. 10, tegen W., naamloze vennootschap, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te , ingeschreven in het voormalig handelsregister te O. onder het nummer, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. E. D'Halluin namens Mr. A. D'Halluin, advocaten te Kortrijk. De artikelen 2, 30, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De verwerende partij werd regelmatig gedagvaard bij exploot haar betekend op 22 november 2002 door de gerechtsdeurwaarder V. Jennen. Tijdens de terechtzitting van 12 oktober 2004 werd tevergeefs een poging tot minnelijke schikking aangewend. De verwerende partij verzocht bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 19 mei 2004, de rechtsdag te bepalen met toepassing van het artikel 750 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtsdag werd bepaald op 12 oktober 2004. De door artikel 750 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven formaliteiten werden nageleefd. De rechtbank heeft de partijen gehoord; de conclusies van partijen en de stukken van het dossier werden ingezien. De vordering strekt ertoe: 1° de verwerende partij te doen veroordelen om aan de eisende partij te betalen:

  1. a)een bedrag van 2.010,40 euro voor opzeggingsvergoeding;
  2. b)een bedrag van 12.062,40 euro voor vergoeding wegens willekeurig ontslag;
  3. c)een bedrag van 5.566,23 euro voor achterstallig loon en reiskosten;
  4. d)de wettelijke en de gerechtelijke interesten hierop; 2° de verwerende partij in de kosten van het geding te doen verwijzen; 3° de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden. De feiten De eisende partij was in dienst van de verwerende partij als arbeider sinds 1 september 1998, krachtens een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Bij brieven dd. 4 april 2001 en 19 april 2001 werd door de verwerende partij aan de eisende partij informatie gevraagd met het oog op het betalen van de verplaatsingskosten. Bij niet gedateerd schrijven stelde de eisende partij de verwerende partij in gebreke o.a. in verband met de veiligheid van de kraan en de betaling van het loon. Bij schrijven dd. 28 november 2001 reageerde de verwerende partij verontwaardigd en betwistte alle klachten. Bij schrijven dd. 12 december 2001 handhaafde de eisende partij zijn standpunt. Bij schrijven dd. 14 december 2001 stelde de verwerende partij o.a. dat de eisende partij steeds de mogelijkheid had om het bedrijf te verlaten. Bij brief dd. 11 januari 2002 protesteerde de eisende partij tegen beledigingen aan het adres van zijn vader. Bij schrijven dd. 6 februari 2002 vroeg de verwerende partij om de loyale verderzetting van de arbeidsovereenkomst door de eisende partij. Bij schrijven dd. 11 februari 2002 legde de eisende partij klacht neer bij de arbeidsinspectie in verband met de betaling van het loon en het niet naleven van de veiligheidsvoorschriften. Bij schrijven dd. 25 juni 2002 vroeg de vakbond van de eisende partij de aanpassing van het loon, conform het werk van kraanman. Bij schrijven dd. 12 juli 2002 verklaarde de verwerende partij zich akkoord met een aanpassing van het loon vanaf 7 juli 2002. Bij schrijven dd. 16 juli 2002 legde de eisende partij klacht neer bij de Inspectie van de Sociale Wetten in verband met het loon, de mobiliteitsvergoeding en de verplaatsingskosten. Bij schrijven dd. 18 juli 2002 werd de eisende partij ontslagen om dringende reden, namelijk wegens het uitoefenen van een concurrerende activiteit. Tevens werd in deze brief verwezen naar het ronselen van bezwarende verklaringen voor de werkgever, valse beschuldigingen inzake de veiligheid en het niet onderhouden van een kraan. Het ontslag om dringende reden werd door de eisende partij betwist bij schrijven dd. 19 juli 2002. Bij schrijven dd. 13 augustus 2002 bevestigde de raadsman van de eisende partij het protest tegen het ontslag om dringende reden en vroeg afgifte van de sociale documenten. Bij schrijven dd. 4 september 2002 vroeg de raadsman van de eisende partij aflevering van een behoorlijk ingevuld formulier C4. Bij schrijven dd. 4 september 2002 maakt de vakbond van de eisende partij aan de verwerende partij een gedetailleerd overzicht over van het achterstallig loon en reiskosten. Standpunt van partijen De eisende partij stelt dat dit geschil zijn oorsprong vindt in de betwisting die er is tussen zijn vader, voormalig bestuurder van de verwerende partij, en de actuele bestuurders. De eisende partij houdt voor dat zijn ontslag hoe dan ook niets te maken had met zijn gedrag of geschiktheid temeer daar de verwerende partij hem zelf bestempelde als een bekwaam kraanman. De eisende partij stelt dat hij steeds loyaal is geweest ten aanzien van zijn werkgever ook in het geschil met zijn vader. De eisende partij ontkent dat hij verklaringen heeft geronseld. De eisende partij wijst erop dat hij door de houding van de verwerende partij (niet betalen van het loon en problemen met de werkloosheid) genoodzaakt is geweest zich te wenden tot de inspectiediensten. De eisende partij ontkent met klem dat hij op 18 juli 2002 te Moeskroen een concurrerende activiteit uitvoerde, namelijk grond- en verhardingswerken. De eisende partij betwist de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder alsook de verklaringen van de getuigen. Volgens de eisende partij blijkt uit de verklaringen van de getuigen minstens dat de termijn van drie dagen niet zou zijn nageleefd. De eisende partij stelt dat het ontslag willekeurig is nu het ontslag enkel te wijten is aan de discussies met zijn vader en zeker niet te wijten is aan zijn (eigen) gedrag of bekwaamheid. Naast een opzeggingsvergoeding en een vergoeding voor willekeurig ontslag vordert de eisende partij ook achterstallige reiskosten en loon. De eisende partij stelt dat hij gerechtigd is op het loon voor geschoolde tweede klasse (kraanman) terwijl hij werd betaald als ongeschoolde. De eisende partij argumenteert dat hij na een opleiding vanaf januari 1999 was tewerkgesteld als kraanman. Volgens de eisende partij is hij in elk geval gerechtigd op het loon voor geschoolde tweede graad vanaf 1 jaar na het behalen van zijn diploma van kraanman. Inzake de verplaatsingskosten ontkent de eisende partij met klem dat hij verbleef in het appartement van zijn ouders en houdt voor steeds te hebben gewoond te Moeskroen. De verwerende partij stelt dat de eisende partij terecht werd ontslagen om dringende reden. De verwerende partij benadrukt dat de eisende partij aan oneerlijke concurrentie deed (uitvoeren van verhardingswerken) naast andere tekortkomingen (aansporen om bezwarende verklaringen af te leggen, valse beschuldigingen bij de arbeidsinspectie, beschadiging van een kraan door een gebrek aan onderhoud). Ter staving verwijst de verwerende partij naar een proces-verbaal van een gerechtsdeurwaarder, die vaststelde dat de eisende partij concurrerende activiteiten uitvoerde, en naar getuigenverklaringen. Volgens de verwerende partij werd het ontslag tijdig betekend, namelijk binnen de drie dagen na de kennisname van de feiten (met voldoende zekerheid). De verwerende partij stelt dat de eisende partij ook ten onrechte klacht heeft neergelegd wegens loontekorten en geeft een uitvoerig overzicht van de loopbaan van de eisende partij en het betaalde uurloon. De verwerende partij stelt dat de eisende partij na twee jaar praktijk nog niet beschikte over de vereiste kennis als kraanman en om die reden een andere werknemer in dienst werd genomen voor deze functie. Ondergeschikt stelt de verwerende partij dat er zeker geen sprake is van een willekeurig ontslag en worden de gevraagde reiskosten betwist. De verwerende partij ontkent ten stelligste dat het ontslag van de eisende partij iets te maken had met de discussie tussen het bedrijf en diens vader, nu deze procedures al lang aan de gang waren. De verwerende partij stelt dat de eisende partij correct werd betaald en hij voor zijn verplaatsingen beschikte over een kleine bestelwagen tot april 2000 (tot een beschadiging werd vastgesteld die door de eisende partij niet was meegedeeld). De verwerende partij wijst erop dat de eisende partij zelfs misbruik maakte van de tankkaart. Volgens de verwerende partij verbleef de eisende partij hoofdzakelijk op het appartement van zijn ouders, op 100 meter van de bedrijfszetel. Beoordeling 1. Nopens de dringende reden (en de opzeggingsvergoeding) 1.1. Volgens artikel 35 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten kan elke partij de overeenkomst zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn beëindigen om een dringende reden die aan het oordeel van de rechter wordt overgelaten en onverminderd alle eventuele schadeloosstellingen. Onder dringende reden wordt verstaan, de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Hieruit kan worden afgeleid dat een dringende reden drie cumulatieve voorwaarden impliceert : - een ernstige tekortkoming; - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt; - op een bijzondere wijze namelijk onmiddellijk en definitief. (W. van Eeckhoutte, Kluwer, Sociaal Compendium Arbeidsrecht 2003-2004, nr. 5247). Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen de 3 werkdagen na het ontslag, kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag. Het feit ter rechtvaardiging van het ontslag mag niet langer dan 3 werkdagen bekend zijn aan de partij die zich erop beroept. Vroegere feiten komen niet meer in aanmerking behoudens wanneer het gaat om een aanhoudende tekortkoming waarbij de werkgever oordeelt wanneer deze tekortkoming een dringende reden uitmaakt (Cass. 20 maart 2000, J.T.T., 2000, 209). Uiteraard dient de "volgehouden" fout ook nog te bestaan drie dagen voor het ontslag. Ook kunnen vroegere feiten de ernst van de feiten waarvoor het ontslag werd gegeven toelichten (Cass. 21 mei 1990, J.T.T. 1990, 435). De redenen aangevoerd tot staving van een ontslag zonder opzegging moeten zodanig omschreven en duidelijk zijn dat enerzijds de betrokken partij weet wat haar precies wordt verweten en anderzijds de rechter kan nagaan hoe ernstig deze redenen zijn en of deze redenen, overeenstemmen met die welke aan de betrokken partij zijn medegedeeld (Cass. 24 maart 1980, Arr. Cass. 1980, 912). Wanneer in de kennisgeving verschillende feiten als dringende reden worden aangevoerd, mag de rechtbank oordelen dat één of meer ervan op zichzelf een dringende reden uitmaken. Wanneer de rechter evenwel oordeelt dat sommige feiten niet in aanmerking komen, is hij niettemin verplicht om na te gaan of de overblijvende feiten een dringende reden uitmaken (Cass. 16 maart 1987, R.W. 1987-1988, 433). 1.2. De eisende partij meent uit de getuigenverklaringen (die weliswaar door hem met klem worden betwist) wel te kunnen afleiden dat de termijn van drie werkdagen, voor het geven van het ontslag, nadat de feiten aan de verwerende partij bekend waren, niet werd gerespecteerd. Het behoort aan de verwerende partij om ook het bewijs te leveren van het naleven van de termijn. Gelet op de vaststelling van de gerechtsdeurwaarder op 18 juli 2002, omstreeks 13.30 uur, is het ontslag om dringende reden van dezelfde dag uiteraard tijdig. Zelfs indien de verwerende partij al vroeger was ingelicht nopens de concurrerende activiteit van de eisende partij, dan nog is het ontslag tijdig nu de termijn van drie dagen slechts begint te lopen vanaf het moment dat de werkgever voldoende kennis en zekerheid heeft, desgevallend na een onderzoek, en dit was hier pas bij de vaststelling door de gerechtsdeurwaarder. 1.3. Ter staving van de dringende reden verwijst de verwerende partij naar het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder en naar twee getuigenverklaringen. 1.3.1. De eisende partij betwist met klem de vaststelling van de gerechtsdeurwaarder en bestempelt deze als "nonsens". Artikel 516 van het Gerechtelijk Wetboek laat de gerechtsdeurwaarder toe om vaststellingen te doen van materiële feiten, ook op verzoek van particulieren. Deze wettelijke omschrijving van een taak van de gerechtsdeurwaarder geeft evenwel aan het integrale proces-verbaal geen authentiek karakter en de vaststellingen zelf hebben enkel de waarde van een vermoeden (R. Mougenot, La preuve, Larcier 1997, 221; P. Arnou, De vaststellingen door een gerechtsdeurwaarder, R.W. 1987-88, 926). Volgens het Hof van Cassatie beoordeelt de feitenrechter op onaantastbare wijze een proces-verbaal dat de gerechtsdeurwaarder heeft opgesteld op verzoek van één der partijen (Cass. 20 februari 1981, Pas. 1981, 690). Zelfs al is het een vermoeden en wordt de gerechtsdeurwaarder aangezocht en betaald door een particulier, toch boezemt een dergelijke vaststelling van een openbaar ambtenaar meer vertrouwen in dan dat van een privé-detective of andere verklaring. De eisende partij betwist niet dat hij (duidelijk) te zien is op de foto van de verwerende partij (naar aanleiding van een tuinfeest met etentje). De gerechtsdeurwaarder is formeel dat hij de eisende partij van op de openbare weg heeft kunnen identificeren (herkennen) en deze bezig was met grond- en verhardingswerken bij een particulier. Het ware inderdaad "beter" geweest indien de gerechtsdeurwaarder de eisende partij om zijn identiteit had gevraagd of bijkomende inlichtingen had bekomen, doch wellicht heeft de gerechtsdeurwaarder enige terughoudendheid aan de dag gelegd om "overschrijding van zijn ambt" op particulier domein te voorkomen. Hoe dan ook is de vaststelling meer dan voldoende (de essentie is dat de eisende partij werd herkend door de gerechtsdeurwaarder) om te concluderen dat de eisende partij aan het werk was in een concurrerende activiteit. Indien de stelling van de eisende partij zou worden gevolgd dan zou de rechtbank moeten geloven in een onvoorstelbare complottheorie: namelijk dat de verwerende partij met foto's van de eisende partij op baan gaat, een werf zoekt waar personen werken die "gelijken" op zijn werknemers en dan de gerechtsdeurwaarder in de luren legt om hem dat te doen attesteren. Overigens sluit de verklaring van de heer A. V. aan bij de vaststelling van de gerechtsdeurwaarder, die op zich al volstaat voor de rechtbank. 1.3.2. Het kan bezwaarlijk worden betwist dat een concurrerende activiteit (die zeker en vast het karakter van een beperkte vriendendienst overschrijdt) dient te worden beschouwd als een dringende reden, temeer daar de eisende partij in het arbeidsreglement al was gewaarschuwd dat de werkgever hieraan zwaar tilde. Overigens heeft de eisende partij enkel de feiten betwist doch niet dat deze feiten, indien bewezen, geen dringende reden zouden uitmaken. 2. Nopens het willekeurig ontslag Gelet op de aanvaarding van de dringende reden, is er uiteraard geen sprake van willekeurig ontslag nu het bewijs is geleverd dat het ontslag te wijten is aan het gedrag van de eisende partij (concurrerende activiteit). 3. Achterstallig loon Partijen verwijzen voor de beroepenclassificatie en de loonvoorwaarden naar de Collectieve Arbeidsovereenkomst van 18 maart 1993 doch deze Collectieve Arbeidsovereenkomst werd met ingang van 1 januari 1999 vervangen (behoudens artikel 16 inzake de beloning van jonge arbeiders) door de Collectieve Arbeidsovereenkomst van 27 mei 1999, algemeen verbindend verklaard bij Koninklijk Besluit van 28 januari 2002 (B.S. 28 mei 2002). Uit de conclusies van partijen en hun dossiers kan de rechtbank afleiden dat de eisende partij als volgt werd bezoldigd: - vanaf de aanwerving tot en met juli 1999: als ongeschoolde volwassene; - vanaf augustus 1999: als geschoolde eerste graad; - vanaf december 1999: een loon hoger dan geschoolde eerste graad maar lager dan geschoolde tweede graad. Uit deze wijze van bezoldiging kan worden afgeleid dat de verwerende partij, zoals voorzien in artikel 8 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst van 18 maart 1993 inzake de beloning jonge arbeiders, van oordeel was dat de eisende partij met hetzelfde rendement werkte als de arbeiders (van 21 jaar of meer) van dezelfde beroepscategorie en dus gerechtigd was op hetzelfde loon. Zonder dat de rechtbank thans in staat is om na te gaan of de eisende partij correct werd betaald volgens de overeenkomstige barema's kan er geen kritiek worden geuit op de classificatie door de verwerende partij van de eisende partij, die in dienst trad als ongeschoolde (jonge) arbeider, met dien verstande dat vanaf februari 2000 de eisende partij gerechtigd was op het loon voor geschoolde tweede graad. Overeenkomstig artikel 8 van de vermelde Collectieve Arbeidsovereenkomst van 27 mei 1999 zijn de arbeiders die machines besturen van minstens 50 PK gerechtigd op het loon voor geschoolde arbeiders van de tweede graad na twee jaar praktijk en na één jaar praktijk als ze een opleiding hebben gevolgd in een centra erkend door het Fonds voor Vakopleiding voor het Bouwbedrijf. Uit de dossiers van partijen blijkt dat de eisende partij van 5 januari 1999 tot 25 januari 1999 een dergelijke opleiding heeft genoten in het centrum te Zottegem zodat hij vanaf februari 2000 gerechtigd is op het loon voor geschoolde van de tweede graad. Op basis van de conclusies van partijen en de stukken van het dossier (zo bestaat de afrekening van de eisende partij enkel uit cijfers zonder nadere uitleg) kan de rechtbank de exacte berekening niet nagaan of opstellen zodat het passend is terzake de debatten te heropenen teneinde partijen toe te laten een gemotiveerde berekening te maken overeenkomstig voormelde principes. 4. Verplaatsingskosten Artikel 31 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst van 18 maart 1993 en hetzelfde artikel van de Collectieve Arbeidsovereenkomst van 27 mei 1999 voorziet, naast een mobiliteitsvergoeding (waarover er blijkbaar geen discussie is), in een tussenkomst van de werkgever in de reiskosten tussen de woonplaats en de sociale zetel of plaats van tewerkstelling, behoudens wanneer de werkgever voor deze verplaatsingen een voertuig ter beschikking stelt. Er zijn tussen partijen twee discussiepunten: het gebruik van een bedrijfsvoertuig gedurende een aantal maanden en de woonplaats (of verblijfplaats) van de eisende partij. Inzake het bedrijfsvoertuig is er in de conclusies van de eisende partij geen enkele ontkenning te vinden dat hij minstens in de periode van februari 2000 tot april 2000 beschikte over een bedrijfswagen (zie stuk 9.4 van het dossier van de verwerende partij) zodat voor deze maanden geen verplaatsingskosten zijn verschuldigd. Voor wat de woonplaats (of effectieve verblijfplaats betreft) toont de verwerende partij niet (afdoende) aan dat de eisende partij een periode verbleef te K. op het appartement van zijn ouders. De afrekening van de eisende partij kan dan ook worden bijgetreden met dien verstande dat geen verplaatsingskosten worden toegekend voor februari, maart en april 2000 zodat het gevorderde bedrag dient verminderd te worden tot 710,75 euro. OP DEZE GRONDEN: de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, - wijst de meeromvattende en strijdige conclusies af; - laat de vordering toe; - verklaart de vordering ongegrond inzake de opzeggingsvergoeding en de vergoeding voor willekeurig ontslag; - verklaart de vordering gedeeltelijk gegrond inzake de reiskosten en veroordeelt de verwerende partij tot betaling aan de eisende partij van een bedrag van zevenhonderd en tien euro en vijfenzeventig cent (EUR 710,75), meer de gerechtelijke interesten; - alvorens over het gevorderde achterstallig loon te beslissen, beveelt ambtshalve de heropening der debatten teneinde partijen toe te laten een gemotiveerde afrekening op te stellen rekeninghoudend met de kwalificatie van de eisende partij als geschoolde tweede graad vanaf 1 februari 2000. - verwijst de zaak naar de terechtzitting die deze kamer houdt op dinsdag elf januari tweeduizend en vijf (11.01.2005) om 14.30 uur in de rechtszaal van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, Bekstraat nr. 14 (eerste verdieping); - houdt de beslissing omtrent de kosten aan. Aanwezig: Luc HOEDAERT, voorzitter van de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; Olivier HERBERIGS, rechter in sociale zaken benoemd als werkgever; Erik VAN LAECKE, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider; Myriam DE BOCK, griffier. Van Laecke Herberigs De Bock Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20041109.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.