id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 22 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20041222.8 Rolnummer: 116518 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 133 - laatst gezien 2026-07-01 01:36 Fiche Het bureau voor Juridische Bijstand kan , buiten de twee gevallen in art. 508/18 Ger.W., geen einde maken aan de toegekende kosteloze ju-ridische tweedelijnsbijstand door zich op art. 508/14 Ger.W. te steu-nen. Het Bureau kan een aanvraag niet als kennelijk ongegrond weigeren wanneer zij gesteund is op een gunstig advies van een advocaat. Een Orde van Advocaten kan, eens deze tweedelijnsbijstand toege-kend, ook geen aanvullende voorwaarden opleggen, zoals een nieuwe aanvraag voor een onderdeel van de procedure waarvoor de bijstand reeds werd toegekend. Ze kan dit nog minder wanner deze voorwaarde wordt opgelegd aan de advocaat. Een Orde van Advocaten kan krachtens art. 508/7 Ger.W. geen richt-lijn uitvaardigen die zonder redelijke verantwoording enkel één be-paald soort procedure en één groep rechtzoekenden betreft en die het recht op juridische tweedelijnsbijstand raakt. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK RECHTSWETENSCHAP RECHT WETGEVING GERECHTELIJK WETBOEK Tweedelijnsbijstand. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 508 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK BRUGGE wZevende kamerw OPENBARE TERECHTZITTING VAN 22 DECEMBER
- Rep.nr.: In de zaak A.R. nr. 116.518 D. L., wonende te; - EISER hebbende als raadsman Meester Landuyt F., advocaat te Beernem; tegen : O. A. TE B. B.J.B., met kantoren gevestigd te; - VERWEERDER hebbende als raadsman Meester Mourisse F., advocaat te Brugge; ______________________________________________________________________
- PROCEDURE : De vordering werd ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 18 december 2003, zoals blijkt uit het dossier van de rechtspleging. Bij tussenvonnis van de zesde kamer van de arbeidsrechtbank alhier d.d. 1 juni 2004, werd de vordering van eiser ontvankelijk verklaard, waarna de zaak naar de bijzondere rol werd verwezen teneinde verweerder toe te laten aanvullende stukken neer te leggen en eiser toe te laten daarover te concluderen. De partijen zijn verschenen ter openbare terechtzitting van 22 september 2004, alwaar zij werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen, waarna de debatten werden gesloten. Het O.M. legde zijn schriftelijk advies neer ter griffie op 27 oktober
- Dit advies werd aan partijen betekend op 28 oktober
- Na verloop van de aan partijen toegestane repliektermijn (23 november 2004), waarin er door verweerder werd gerepliceerd op voormeld advies, werd de zaak ter zitting van 24 november 2004 in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op de zitting van heden. De rechtspleging gebeurde in het Nederlands, overeenkomstig de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
- VERDERE MIDDELEN VAN PARTIJEN: Eiser volhardt. Verweerder repliceert als volgt op het advies van de Arbeidsauditeur : - zijn beslissing is rechtstreeks gegrond op art. 508/14 Ger.W. zodat een eventuele nietigheid van zijn kwestieuze richtlijn daarom nog niet de nietigheid van de beslissing meebrengt; het voorwerp van het beroep betreft overigens niet de richtlijn, maar enkel de beslissing; - op grond van art. 500 Ger.W. mag hij reglementen maken voor aangelegenheden die niet door de Orde van de Vlaamse Balies werden gereglementeerd; - een B. j.b. moeten instellen, impliceert dat hij ook de nodige regels en voorwaarden kan bepalen, zoals in een richtlijn.
- GRONDEN VAN HET VONNIS - BEOORDELING: De rechtbank nam kennis van het gerechtsdossier, het administratief dossier en de overtuigingsstukken. Voorafgaanden: In ons vonnis van 1 juni 2004 werd de zaak naar de bijzondere rol verzonden teneinde partijen toe te laten ze in staat te stellen, vooral inzake : - de vraag of en in welke vorm en met welke binding een lokale Orde van Advocaten een richtlijn mag uitvaardigen; - de vraag in welke mate en zin en op welke rechtsgrond een richtlijn verschilt van een reglement; - de neerlegging van de bij de repliek gevoegde stukken van verweerder. Recapitulatie der gegevens: Eiser is een asielzoeker en verkreeg op 12 maart 2001 vanwege verweerders B.J.B. - verder B. genoemd de volledige kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand voor zijn asielprocedure, met Mr. Freddy Landuyt als raadsman. Toen het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 14 oktober 2003 een weigerende beslissing nam, betekend op 16 oktober 2003, wenste eiser daartegen beroep aan te tekenen bij de Raad van State. Verwijzend naar 'de onderrichtingen' maakte eisers raadsman op 15 november 2003 aan verweerders B. zijn gemotiveerd gunstig advies over betreffende dergelijke procedure bij de Raad van State. Bij aangetekend schrijven van maandag 17 november 2003 verstuurde eisers raadsman zijn verzoekschriften tot schorsing en nietigverklaring aan de Raad van State; blijkbaar kon hij de beslissing van verweerders B. niet afwachten, gelet op de korte beroepstermijn van 30 dagen. Op 21 november 2003 liet verweerder de gemotiveerde beslissing van zijn B. aan eiser en zijn raadsman geworden, nl. "dat geen kosteloze rechtsbijstand wordt verleend voor het aantekenen van de procedure omschreven in uw brief van 15 november 2003." Voormelde 'onderrichtingen' betreffen het volgende: in het ongedateerd nr. 1 van jaargang 1 van zijn tweemaandelijks tijdschrift 'Mededelingen van de Orde van advocaten te Brugge' heeft verweerder negen "Wijzigingen B.J.B." bekendgemaakt, gedateerd op 30 september 2003, inwerking tredend op 1 oktober 2003 en 'richtlijnen' genoemd, die 'zijn een nuttige aanvulling van het MB van 20 december 1999'. Richtlijn nr. 5 betreft 'wijzigingen op het vlak van de juridische bijstand m.b.t. vreemdelingen, asielzoekers en ontheemden' en 'geldt enkel voor op te starten procedures of aan te wenden rechtsmiddelen voor de Raad van State, afdeling administratie'. In deze richtlijn wordt aan de advocaat opgelegd, voor het instellen of aanwenden van een rechtsmiddel voor de Raad van State, vooraleer toelating te verkrijgen op te treden in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand voor de Raad van State, een schriftelijk advies op te stellen. Is het advies negatief dan wordt de advocaat ontlast; vraagt de rechtzoekende een nieuwe aanstelling dan wordt hem een nieuwe advocaat aangewezen m.h.o. op advies. Is het advies van deze tweede advocaat ook negatief dan wordt ook hij ontlast en wordt het verzoek kennelijk ongegrond verklaard. Is het advies positief dan oordeelt het B.. Is het advies positief dan wordt het voorgelegd aan het B. dat beslist of de aanvraag wordt toegekend en of het kennelijk ongegrond is. In dat laatste geval kan de rechtzoekende ook nu een tweede advocaat vragen met dezelfde mogelijkheden als hierboven vermeld. In deze richtlijn legt verweerder de termen 'kennelijk ongegrond' uit als : 'wanneer op basis van een summiere en/of vormelijke (marginale) beoordeling door het B.J.B. vastgesteld wordt dat geen (rechts)middelen en/of geen wettige middelen (meer) kunnen aangewend worden door de rechtzoekende'. Daar wordt aan toegevoegd dat, bij het instellen van een functioneel beroep tegen een (negatieve) beslissing van de Vaste Beroepscommissie, deze aanvragen niet kennelijk ongegrond zijn. 'Kennelijke ongegrondheid' betreft de zaak waarvoor bijstand wordt gevraagd en niet de aanvraag om bijstand zelf (Arbrb. Mons 26.04.2000, AR 615/00/M; Gedr. St. Kamer 1995-96, M.v.T. nr. 49.549/1, 9) Beoordeling:
- Beëindiging of weigering ? a. De juridische tweedelijnsbijstand kan de vorm aannemen van een omstandig juridisch advies, een bijstand al dan niet in het kader van een procedure of een bijstand bij een geding met inbegrip van de vertegenwoordiging in de zin van art. 728 Ger.W. (art. 508/1, 2° Ger.W.). Verweerders B. J.B. heeft op 12 maart 2001 de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand toegekend voor eisers asielprocedure. Het recht werd toegekend voor de volledige asielprocedure aangezien niet werd bepaald dat het slechts voorlopig of tijdelijk werd toegekend, noch dat het slechts een gedeelte of bepaalde onderdelen van de asielprocedure betrof (zoals bij de Dienst Vreemdelingenzaken, de Vaste Beroepscommissie, het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen en - als laatste - de Raad van State). In feite komt de bestreden beslissing erop neer dat de reeds toegekende kosteloze juridische tweedelijnsbijstand wordt ingekort of beëindigd. Verweerders B. heeft zijn beslissing zelf in die interpretatiecontext geplaatst door in de bestreden beslissing te spreken over het 'ontnemen' van het voordeel van de kosteloosheid Krachtens art. 508/18 Ger.W. kan het B. slechts "een einde maken aan de juridische tweedelijnsbijstand wanneer de begunstigde niet langer voldoet aan de voorwaarden bepaald bij artikel 508/13 Ger.W. (onvoldoende inkomsten) of wanneer hij kennelijk geen medewerking verleent bij de verdediging van zijn belangen". Niet alleen betrof het in casu geen van beide limitatieve gevallen, bovendien is het B. daar niet ambtshalve toe gerechtigd want art. 508/18, tweede lid Ger.W. bepaalt : "De advocaat dient daartoe een gemotiveerd verzoek in bij het B.", wat hier uiteraard niet het geval was. Art. 508/14 Ger.W. laat het B. niet toe om op zijn beoordeling van niet kennelijke ongegrondheid en navolgende toekenning terug te komen in de loop van de juridische tweedelijnsbijstand. In zoverre de bestreden beslissing moet begrepen worden als een beëindiging van de juridische tweedelijnsbijstand is zij onwettig. b. Hoewel in art. 508/13 Ger.W. enkel vermeld wordt dat de aanvrager over onvoldoende inkomsten moet beschikken (of daarmee gelijkgesteld is) volgt uit art. 508/14, vijfde lid Ger.W.dat de aanvraag ook niet kennelijk ongegrond mag zijn (vgl. met art. 667 Ger.W. i.v.m. de rechtsbijstand). Dit is in wezen een tweede toekenningsvoorwaarde, die - wanneer zij in de loop van de bijstand niet verder vervuld lijkt - geen aanleiding kan geven tot beëindiging van de bijstand, anders dus dan de voorwaarde van onvoldoende inkomsten. Nochtans kan het instellen van een (hoger) beroep op zich kennelijk ongegrond zijn en is dit voor een B. bij de aanvankelijke aanvraag onmogelijk vooraf uit te maken, zowel in een asielprocedure als in andere procedures. De vraag rijst dan of bij elk (hoger) beroep een nieuwe aanvraag ad hoc moet worden ingediend, waarbij het B. dan de gelegenheid heeft om de eventuele kennelijke ongegrondheid vast te stellen. De wettelijke bepalingen laten niet toe daar meteen een antwoord op te geven. Het is niet duidelijk of een aanvraag voor juridische tweedelijnsbijstand steeds geldt voor een zgz. volledige procedure, bv met inbegrip van hoger beroep of deelprocedures, dan wel of het B. in zijn toekenningsbeslissing de bijstand mag beperken tot een onderdeel van een procedure of bv één aanleg, zoals geldt voor de rechtsbijstand (art.671 Ger.W.) De bijlage bij het MB van 20 december 1999, dat het aantal vergoedingspunten bepaalt, somt diverse tussenkomsten van de advocaat op, nl. allerhande verschijningen, tussenkomsten en procedures, met bijkomende punten in diverse hypothesen, en bepaalt o.a. ook afzonderlijke punten voor een hoger beroep; het MB van 18 december 2003 heeft nog een verdere opsplitsing en puntenbepaling ingevoerd, specifiek voor de asielprocedure, nl. voor de Vaste Beroepscommssie, het Commissariaat-generaal en de Raad van State, met bijkomende punten voor diverse hypothesen. Hoewel deze rubricering van de bijstandsgevallen een houvast of grond zou kunnen opleveren om elke bijstandaanvraag strikt te beperken tot één of enkele van deze bijstandsgevallen, zou dit voor het B. een enorme werkoverlast meebrengen. Bovendien rijst de vraag of zodoende het recht op juridische bijstand niet zou worden aangetast of beknot met daarbij een te betuttelende opdracht voor het B. : de wetgever is er wellicht terecht van uit gegaan dat een advocaat, mogelijks anders dan een rechtzoekende bij de aanvankelijke aanvraag, geen kennelijk ongegronde procedurestappen zal ondernemen. Tenslotte bestaat ook het gevaar dat een onvermogende rechtzoekende door de korte beroepstermijnen niet tijdig een beslissing van het B. kan verkrijgen en aldus zich de toegang tot bepaalde rechtsinstanties de facto onmogelijk gemaakt ziet. Zelfs als deze, en eventueel andere, wettelijke, bezwaren zouden kunnen vermeden worden, zou de weigering van een aanvraag voor de volgende procedurestap slechts mogelijk zijn als van bij de eerste aanvraag duidelijk is dat deze slechts een bepaald gedeelte of onderdeel van de beoogde procedure betreft en dat de rechtzoekende de verplichting heeft om verder telkens een nieuwe aanvraag in te dienen. Aangezien de oorspronkelijke aanvraag de volledige asielprocedure betrof en verweerder toen nog geen rechtsgeldige richtlijn of norm had uitgevaardigd die op wettelijke wijze de aanvraagmodaliteiten regelde en nieuwe aanvragen door de rechtzoekende verplicht maakte, kon verweerder onderweg niet de spelregels veranderen. In zoverre de bestreden beslissing moet begrepen worden als een weigeringsbeslissing, gegrond op een na de toekenning opgelegde - verplichting van een nieuwe aanvraag, is zij onwettig.
- Reglementeringsbevoegdheid. De beëindiging of weigering van de juridische tweedelijnsbijstand door het B. is volgens verweerder kunnen beslist worden door het opleggen van een nieuwe aanvraag, enkel voor het voeren van een procedure bij de Raad van State en uitsluitend voor vreemdelingen, asielzoekers en ontheemden. Verweerders B. hoefde dan schijnbaar geen bijstand te beëindigen, het leek te volstaan om de nieuwe of aanvullende aanvraag te weigeren. In de hypothese dat een nieuwe regel toch onmiddellijk effect zou kunnen hebben op een reeds toegekend recht, blijft nog de vraag open of verweerder de bevoegdheid had om dergelijke verplichting op te leggen. Al kan de rechtbank dergelijke richtlijn niet vernietigen, omdat verweerder ze heeft toegepast moet de rechtbank nagaan of ze wettig is genomen en welke gelding ze heeft, ook in het licht van art. 159 G.W. a. De kwestieuze richtlijn van 30 september 2003 is volgens verweerder geen reglement zoals bedoeld in art. 495-496 Ger.W. dat aan de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone oplegt om passende reglementen vast te stellen voor o.a. de juridische bijstand, en waarvoor volgens art.500 Ger.W. de lokale ordes verder alleen aanvullende reglementen kunnen uitvaardigen (... que des règlements complémentaires). Volgens verweerder put hij zijn bevoegdheid om richtlijnen uit te vaardigen uit art.508/7 Ger.W. waarvan het eerste lid luidt : "Bij elke balie stelt de raad van de Orde van Advocaten een B.J.B. in volgens de nadere regels en de voorwaarden die hij bepaalt". Aangezien de Orde van Vlaamse Balies nog geen reglement blijkt uitgevaardigd te hebben betreffende de juridische bijstand, kon verweerder ook geen aanvullend reglement uitvaardigen. Men kan niet iets aanvullen dat er niet is. De Belgische Nationale Orde, wiens reglementen volgens art. 507 Ger.W. bindend zijn gebleven, had voor de B.'s van consultatie en verdediging wel een reglement uitgevaardigd op 12 juni 1987 (gewijzigd op 1.12.1988, 17.05.1990, 20.02.1992 en 24.06.1993; zie: www.advocaat.be), maar dit reglement is niet zomaar toepasbaar op de nieuwe b.j.b. Bovendien worden in dit reglement enkel geregeld : de invoering van een eenvormig aanvraagformulier, de lijst van de aan te rekenen punten, en de berekening van het inkomen. De richtlijn van verweerder van 30 september 2003 is daar op geen enkele wijze een aanvulling op aangezien dit reglement helemaal niet de vreemdelingen en asielzoekers betreft, noch de mogelijkheid voor een nieuwe aanvraag, noch de beoordeling van een kennelijke ongegrondheid, noch iets zegt over een beroep bij de Raad van State. Bovendien lijkt het uitvaardigen van een reglement door een lokale orde, zonder reglement van de Orde van Vlaamse balies, strijdig met het gewicht en de draagwijdte van dit laatste, zoals blijkt uit de verplichting om het ter kennis te brengen o.a. van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie (art.497 Ger.W.). Voor zover de kwestieuze richtlijn in wezen beoogde een reglement te zijn, zoals bedoeld in art. 496 en 500 Ger.W., heeft verweerder zijn bevoegdheid overschreden en is de daarop gesteunde beslissing nietig. Mogelijks daarom heeft verweerder dit probleem omzeild en zijn reglement 'richtlijn' genoemd, doch daarmee is niet ipso facto aangetoond dat deze richtlijn een wettig instrument is om zijn bevoegdheid uit te oefenen die in art. 508/7 Ger.W. bepaald is. b. Verder is de aflijning tussen enerzijds de materies inzake de juridische bijstand die door de Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone (en alleen aanvullend door de lokale ordes) kunnen gereglementeerd worden en anderzijds deze die zelfstandig door de lokale ordes kunnen gereglementeerd worden erg onduidelijk. Alleszins hebben de ordes geen inhoudelijke of materiële regelende bevoegdheid m.b.t. het recht op juridische bijstand. De regels voor de toegang tot de juridische bijstand werden enkel in de wet vastgelegd (Gedr.St. Kamer 1995-96, Verslag nr.49.549/14, 60). Bovendien komt het de rechtbank voor dat het zwaarste gewicht ligt bij de Orde van de Vlaamse balies: deze reglementen moeten ter kennis gebracht worden aan o.a. de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, terwijl de lokale ordes deze reglementen slechts kunnen aanvullen (d.w.z. verfijnen of vervolledigen voor de plaatselijke omstandigheden). De raad van een lokale orde heeft daarentegen wel de bevoegdheid om de regels en voorwaarden te bepalen volgens dewelke hij zijn b.j.b. instelt (art. 508/7 Ger.W.); de benaming van de vorm waarin een lokale orde deze bevoegdheid uitoefent, bv richtlijn, doet niet terzake. Ongetwijfeld gaat het hier om de lokale concrete interne inrichting of praktische organisatie, de samenstelling en werking van het B., niet de toegang tot het recht op juridische bijstand van de rechtzoekende. Een orde kan enkel verplichtingen opleggen aan zijn advocaten doch mag niet raken aan wat door de wet werd bepaald over het recht op juridische tweedelijnsbijstand; de richtlijn die een nieuwe voorwaarde, nl. een nieuwe aanvraag, oplegt aan de advocaat van de gerechtigde, doet dat wèl. In casu werd de tekst van de negen richtlijnen in de Mededelingen van verweerder ondertekend door de Voorzitter van het B., wat de indruk wekt dat hij of het B. deze richtlijnen heeft opgemaakt, terwijl enkel de raad van de orde terzake een bevoegdheid heeft. Dit moge wellicht als een verschoonbaar schoonheidsfoutje aangezien worden omdat de tekst uiteindelijk door verweerder is bekendgemaakt, toch legt verweerder geen bewijs voor dat het een beslissing van zijn raad is geweest. Een lokale orde van advocaten, die met een 'richtlijn' aan haar advocaten oplegt om na de aanvankelijke aanvraag een nieuwe aanvraag in te dienen teneinde de reeds toegekende juridische bijstand aan de rechtzoekende verder toegekend te zien worden, overschrijdt zijn bevoegdheid om de regels en voorwaarden voor de instelling van zijn B.J.B. te bepalen, zoals bedoeld in art. 508/7 Ger.W. Elke vorm van organisatie van het B., zelfs zonder richtlijn, zal wel enig effect hebben op de rechtzoekenden, doch de grens is wat in het Gerechtelijk Wetboek over het recht op juridische tweedelijnsbijstand werd bepaald. Een orde mag geen richtlijn uitvaardigen die dit recht zelf - zij het onrechtstreeks - betreft. In zoverre de bestreden beslissing op dergelijke richtlijn is gesteund is zij onwettig.
- Tegenstelbaarheid en niet-discriminatie. a. De kwestieuze richtlijn is enkel gepubliceerd door mededeling in het tweemaandelijks tijdschrift van verweerder, dat uitsluitend voor zijn advocaten is bestemd. Zij legt vooral een aantal gedragslijnen en verplichtingen op aan de advocaat die reeds de bijstand uitoefent. De richtlijn is dus niet rechtstreeks gericht tot de rechtzoekenden, maar ze bedoelt er wel onrechtstreeks effect op te hebben. In de mate dat de richtlijn van 30 september 2003 niet aan de rechtzoekende maar aan diens (reeds aangewezen) advocaat een nieuwe of aanvullende aanvraag oplegt kan deze voorwaarde nooit enig effect hebben op het recht van de rechtzoekende zelf. Het recht van de rechtzoekende op juridische tweedelijnsbijstand kan niet afhankelijk gemaakt worden van een voorwaarde in hoofde van diens advocaat. Dit kan des te minder wanneer de rechtzoekende geen kennis heeft gekregen van de in een richtlijn van een lokale orde opgenomen modaliteiten over de bijstandsaanvraag en de werking van het B. Of er überhaupt, en welke, verplichtingen jegens de drager van het recht op juridische bijstand op een andere wijze aan hemzelf kunnen bekendgemaakt worden door een lokale orde of door het B. (bv. bij de aanvankelijke toekenningsbeslissing), of door de Orde van Vlaamse balies in een reglement kunnen opgelegd worden, blijft daarbij een open vraag, die hun bevoegdheid raakt (zie hoger). b. Zelfs wanneer een richtlijn of reglement nog vóór de aanvraag of bij de toekenning van juridische tweedelijnsbijstand voor een asielprocedure zou kunnen vereisen dat tijdens deze procedure - bv voor een beroep bij de Raad van State - de aanvraag zou herhaald of aangevuld worden, of zou kunnen bepalen dat de toekenning slechts tot aan dit beroep zou gelden, ontkomt men niet aan twee volgende vragen, nl. of dit - bv wegens de korte termijnen - niet eveneens neerkomt op het uithollen of het opwerpen van onevenredige hinderpalen voor het verkrijgen van het grondwettelijk recht op juridische tweedelijnsbijstand, en of deze hinderpalen bovendien niet strijdig zijn met art.10 en 11 G.W. wanneer ze enkel gelden voor het voeren van een procedure bij de Raad van State en uitsluitend voor vreemdelingen, asielzoekers en ontheemden, maar niet voor een beroep of onderdeel in andere procedures. De richtlijn van 30 september 2003 was niet tegenstelbaar aan eiser, raakt zijn recht op juridische tweedelijnsbijstand, en behandelt hem onevenredig verschillend in vergelijking met niet-asielzoekers en andere rechtzoekenden die een beroep willen instellen, zodat ze geen wettige grond kon vormen voor de bestreden beslissing.
- Ten gronde. Louter volledigheidshalve wil de rechtbank nog tegemoet komen aan de verwachting van partijen om hun middelen ten gronde beantwoord te zien over verweerders beoordeling dat eisers (nieuwe) aanvraag kennelijk ongegrond was. De uitoefening van deze beoordelingsmogelijkheid was trouwens het doel van de kwestieuze richtlijn. a. De term 'kennelijk ongegrond' werd bij de parlementaire voorbereiding behouden ondanks voorgestelde alternatieven als 'kennelijk ongegrond of onvolkomen gegrond' en 'kennelijk ongegrond of onbetekenend' (Gedr.St; Kamer 1995-96, nr. 49.549/4, 6 en 49.549/8, 6). De term 'kennelijk ongegrond' werd niet verklaard maar wel als volgt gemotiveerd : 'het is immers nutteloos de aanvrager bij te staan als zijn aanvraag geen enkele kans maakt' (Gedr.St. Kamer 1995-96, M.v.T. nr. 49.549/1, 9). De ongegrondheid moet meteen duidelijk zijn en opvallen bij een eerste prima facie onderzoek; het B. kan trouwens onmogelijk in de plaats treden van de rechter die later een volledig dossier onder ogen krijgt, temeer daar het slechts beschikt over de bewijsstukken i.v.m. het inkomen van de gerechtigde (P. Schollen en B. Vangeebergen, Juridische Bijstand, Jura Falc. 2000-01., noot 88 p.391). De kosteloze juridische tweedelijnsbijstand is net als de rechtsbijstand niet onvoorwaardelijk (Verslag Hof van Cassatie 1999, 76) en kan bv geweigerd worden als de juwelier tegen wie de aanvrager een procedure wil aanvatten zelf aanbiedt de schade te herstellen of het beschadigd voorwerp om te ruilen (Arbrb. Antwerpen 5.12.2001, AR 337.598), in geval van een 'surconsommation d'avocats' (Arbrb. Brussel 8.02.2001, AR 32.117), of van 'demandes farfelues' (P.-A. Roseau, Observations, Soc.Kron. 2002, 359). De beoogde procedure moet minstens een schijn van gegrondheid vertonen (m.m. inzake rechtsbijstand: Arbitragehof 19.12.1991, BS 25.01.1992). Geoordeeld werd dat de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand verantwoord kan zijn in geval van "La chance, même assez réduite, de faire reconnaître sa souffrance morale" (Kg. Brussel 26.03.2001, Soc.Kron. 2002, 357) of van het - ondanks een vonnis waartegen geen hoger beroep meer mogelijk is - zoeken naar een oplossing voor de schuldenlast (Arbrb. Antwerpen 18.12.2000, AR 323.549). In deze context moet een B. des te meer over heel gewichtige en glasheldere elementen beschikken om te oordelen dat een procedure geen enkele kans maakt, en dat ze dus kennelijk ongegrond is, wanneer het daarmee - zoals in casu - ingaat tegen een gunstig advies van een advocaat, die bovendien gespecialiseerd is in de betrokken voorkeurmaterie. Het lijkt integendeel hoogst merkwaardig dat het B., ingesteld door een Orde van Advocaten, geen vertrouwen stelt in het advies van een advocaat. Zo adviseerde de Commissie Rechtshulp van de Vereniging van Vlaamse Balies zelfs om alvast een advocaat aan te stellen, met het oog op het geven van een eerste advies, precies om na te gaan of de zaak al of niet kennelijk ongegrond is. (K. Creyf, Juridische bijstand, in Taelman P., Opleiding Rechterlijke Orde, federale overheidsdienst Justitie, 2002, 23). En bij een aanvraag voor juridische bijstand komt het dan ook aan het B. niet toe om 'zich daarbij geheel in de plaats te stellen (door een beoordeling over de juridische haalbaarheid van het voorgelegd probleem) van de advocaat die naderhand kan worden of wordt aangeduid' (K. Creyf, o.c., 22). De beslissing van verweerders B. (en ook zijn 'richtlijn') is net het omgekeerde : in plaats van zich te verlaten op het advies van de advocaat, kent het B. zich de bevoegdheid toe om de aanvraag voor een op dergelijk advies gesteunde procedure kennelijk ongegrond te verklaren b. De bestreden weigeringsbeslissing is gesteund op de overweging dat één van eisers drie voorgenomen middelen geen middel is dat voor de Raad van State kan aangewend worden, terwijl over de twee andere middelen met geen woord wordt gerept. Het is evident dat eisers aanvraag daardoor niet meteen in zijn totaliteit kennelijk ongegrond wordt. Door bij zijn stukken vijf arresten van de Raad van State voor te leggen waarin - trouwens ook telkens identiek - te lezen is dat 'dit argument van verzoeker een stijlformule is, die in praktisch alle verzoekschriften ingediend door Advocaat F. LANDUYT voorkomt; dat een dergelijk argument geen ontvankelijk onderdeel van een middel uitmaakt, omdat dit motief berust op een foutieve lezing van de bestreden beslissing, lezing die haaks staat op verzoekschriften die met de nodige ernst worden ingediend bij de Raad van State' wekt verweerder bij de rechtbank o.a. de indruk dat hij geen onderscheid maakt tussen de middelen van eiser en de wijze waarop zijn raadsman zich (in andere zaken) van zijn bijstandsopdracht kwijt. In dit verband ware het nuttig te beschikken over een overzicht van en toelichting bij de toepassing door verweerders B. van de kwestieuze richtlijn in alle gelijkaardige zaken en m.b.t. de andere advocaten op de lijst. Indien er in dit verband tekortkomingen bij een advocaat zouden te noteren zijn, als hij geen kwaliteitsprestaties levert, kan verweerder hem schrappen van de lijst van advocaten die prestaties verrichten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand (art. 508/8 Ger.W.) c. Het komt de rechtbank voor dat verweerders B. hoofdzakelijk de kostprijs van juridische tweedelijnsbijstand voor asielprocedures heeft voor ogen gehad. In de bestreden beslissing wordt immers nà de beslissing nog een extra motivering toegevoegd : '.... is het vanuit het standpunt van oordeelkundige besteding van overheidsmiddelen hoegenaamd niet (meer) aanvaardbaar en/of te verdedigen het voordeel van de kosteloosheid toe te staan aan een rechtzoekende die - op basis van een prima facie beoordeling - ogenschijnlijk geen rechten en/of ernstige rechtsmiddelen (meer) kan aanvoeren'. Dezelfde motivering was te lezen in de richtlijn die beoogde 'de overheidsmiddelen op correcte wijze te besteden', terwijl de taak van het B. volgens de rechtbank er eerder in bestaat zijn wettelijke opdracht op correcte wijze te vervullen. Voor zover de rechtbank de pleidooien ter zitting adequaat heeft begrepen, blijkt overigens dat verweerder zich stoort aan de hoge kosten van deze specifieke juridische tweedelijnsbijstand ingevolge de hoge vergoedingen van advocaten (zoals deze van eiser) die veel asielzoekers bijstaan, deels door het grote aantal daarvan, deels door het - in vergelijking met andere procedures - onevenredig hoog geachte aantal punten dat aan de bijstand voor dergelijke procedure vastzit. Gelet op de evidente specialisatie van advocaten is het onvermijdelijk dat slechts een beperkt aantal advocaten een groot aantal procedures en vergoedingen op hun conto schrijven. Enkel een wijziging van de bijlage bij het MB van 20 december 1999 kan daarin verandering brengen. Als verweerder, via de toepassing van een eigen richtlijn, in de gegeven omstandigheden een aanvraag kennelijk ongegrond beoordeelt, lijkt het er op dat verweerder niet alleen de in zijn ogen disproportionele puntentoekenning wil compenseren of beïnvloeden maar ook verwarring schept tussen kennelijke ongegrondheid en (vanuit statistisch oogpunt) beperkte slaagkansen. Dat - naar algemene bekendheid - slechts zeer weinig asielzoekers met succes beroep instellen bij de Raad van State of dat de middelen voor de Raad van State - gelet op de specifieke materie - vaak op elkaar lijken heeft niets te maken met kennelijke ongegrondheid van de middelen of het beroep. d. Ook de tweede navolgende motivering dat een ab initio nutteloze, onontvankelijke of ongegronde procedure 'niet mag worden gebruikt om afgeleide rechten te kunnen verkrijgen' voert een buitenprocedureel element in het debat dat er niet bij hoort, vooruitloopt op de aangewende middelen en alvast niets te maken heeft met kennelijke ongegrondheid. Zodoende heeft verweerder blijk gegeven van andere oogmerken en van het overschrijden van zijn (eventuele hernieuwde) beoordelingsbevoegdheid, hetgeen ook verwondering wekt doordat verweerder in zijn richtlijn wel erkende dat bij het instellen van een dergelijk 'functioneel' beroep tegen een (negatieve) beslissing van de Vaste Beroepscommissie deze aanvragen niet kennelijk ongegrond zijn. De samenhang van verweerders houding ontgaat de rechtbank.
- Besluit. Nu de bestreden beslissing om meerdere redenen moet vernietigd worden zou de rechtbank in de plaats van verweerders B. moeten oordelen (S. Gibens, De wet op de juridische bijstand, in D. Cuypers en B. Hubeau (eds.), De stand van de rechtsbijstand, Tegenspraak Cahier 22 , 171). In casu evenwel is een nieuwe beoordeling van de door de richtlijn opgelegde nieuwe aanvraag niet aan de orde aangezien verweerder deze nieuwe aanvraag niet eens had mogen opleggen. De aanvankelijk toegekende juridische tweedelijnsbijstand moet onverkort verder behouden worden. O M D E Z E R E D E N E N: De Arbeidsrechtbank; Wijzende op tegenspraak en na beraadslaging ; Gelet op het schriftelijk advies van mevrouw Annie DELAERE, substituut- arbeidsauditeur, dat werd neergelegd ter griffie op 27 oktober 2004; Verklaart de vordering van eiser gegrond; Vernietigt de bestreden beslissing van 21 november 2003 en zegt voor recht dat eiser vanaf 15 november 2003 verder de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand, met als advocaat de heer Freddy Landuyt, geniet voor zijn asielprocedure, met inbegrip van een beroep bij de Raad van State tegen de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen; Vereffent de kosten aan de zijde van eiseres niet bij gebrek aan opgave en aan de zijde van verweerder op 104,86 euro rechtsplegingsvergoeding; Veroordeelt verweerder tot betaling der gedingskosten; Aldus gewezen en uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Brugge, zevende kamer, in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, op WOENSDAG TWEEENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. Waren aanwezig: Willy DUPONT : rechter; Christiaan BEIRENS : rechter in sociale zaken-werkgever; Marc VANDENBERGHE : rechter in sociale zaken-werknemer; Christian SANTY : griffier. C. SANTY - C. BEIRENS - M. VANDENBERGHE - W. DUPONT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2004:JUG.20041222.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div