← België

ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050111.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 11 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050111.8 Rolnummer: 26382II;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-17 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-01 02:02 Fiche Er rest dan nog de vraag of de eisende partij gerechtigd is op een vergoeding van drie maan-den leervergoeding, zoals voorzien in artikel 38 van de vermelde Wet van 19 juli 1983, dan wel op een vergoeding van 14 dagen, gelet op de verkorte opzeggingstermijnen voor het Pa-ritair Comité van het Bouwbedrijf. De Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 is niet van toepasselijk op de leerovereen-komst die wordt geregeld in een afzonderlijke wet (W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendi-um Arbeidsrecht, 2003-2004, nr. 2005). De verkorte opzeggingstermijnen voor het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf zijn bepaald in het Koninklijk Besluit van 13 januari 1982 (B.S. 28 januari 1982) en dit in uitvoering van artikel 61 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978. De rechtbank is van oordeel dat deze verkorte opzegtermijnen niet van toepassing zijn in dit geschil nu de vermelde Wet van 19 juli 1983 een specifieke regeling voor leerlingen bepaalt inzake de opzeggingstermijnen en de Arbeidsovereenkomstenwet (met inbegrip van vermeld artikel 61) niet van toepassing is. Bovendien is vermeld Koninklijk Besluit van toepassing op de werkgevers en werklieden van het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf terwijl de eisende partij een leerling is die res-sorteert onder het Paritair Leercomité voor het Bouwbedrijf (opgericht bij Ministerieel Be-sluit van 12 oktober 1999). Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN Beëindiging Vergoeding - Omvang. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-07-1983 - 38 - 01 Link Justel databank 19830719-01 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 26.382/II. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, tweede kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van dinsdag elf januari Verminderd tweeduizend en vijf Griffierecht IN DE ZAAK: B F., arbeider, wonende te, eisende partij, vertegenwoordigd door de heer J. Herreman, afgevaardigde van een representatieve organisatie van werknemers en houder van een schriftelijke volmacht, tegen W., naamloze vennootschap, waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te, met ondernemingsnummer, ingeschreven in het voormalig handelsregister te O. onder het nummer, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. E. D'Halluin namens Mr. A. D'Halluin, advocaten te Kortrijk. De artikelen 2, 30, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De verwerende partij werd regelmatig gedagvaard bij exploot haar betekend op 8 oktober 2003 door de gerechtsdeurwaarder A. Coppitters. Tijdens de terechtzitting van 14 december 2004 werd tevergeefs een poging tot minnelijke schikking aangewend. De rechtbank heeft de partijen gehoord; de conclusies van partijen en de stukken van het dossier werden ingezien. De vordering strekt ertoe: 1° de verwerende partij te doen veroordelen om aan de eisende partij te betalen:

  1. a)een bedrag van 1.535,40 euro voor vergoeding overeenkomstig artikel 38 van de Wet op het leerlingenwezen voor beroepen uitgeoefend door de werknemers in loondienst;
  2. b)de wettelijke en de gerechtelijke interesten hierop; 2° de verwerende partij in de kosten van het geding te doen verwijzen; 3° de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden. De feiten. De eisende partij was in dienst van de verwerende partij als arbeider sinds 21 augustus 2002 krachtens een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur van dezelfde datum. Op 7 oktober 2002 werd deze arbeidsovereenkomst in onderling overleg beëindigd. Op 8 oktober 2002 werd tussen partijen een leerovereenkomst in het kader van het bouwleerlingwezen afgesloten. Op 27 juni 2003 werd door de verwerende partij een einde gesteld aan deze overeenkomst met ingang van 30 juni 2003. Bij schrijven dd. 8 augustus 2003 vorderde de vakbond van de eisende partij een schadevergoeding van drie maanden wegens de ongemotiveerde beëindiging van de leerovereenkomst. Bij brief dd. 18 augustus 2003 betwistte het sociaal secretariaat van de verwerende partij deze vordering. In verdere briefwisseling bleven partijen op hun standpunt. Standpunt van partijen De eisende partij stelt dat aan de leerovereenkomst een einde werd gesteld zonder motivering. Volgens de eisende partij is deze motivering vereist op straffe van nietigheid in toepassing van artikel 37 van de Wet op het leerlingenwezen. De eisende partij benadrukt dat de motivering in de opzegbrief dient te worden vermeld en latere toelichting niet mogelijk is. De eisende partij betwist dat hij eerst beroep diende in te stellen bij het bevoegd paritair leercomité en stelt dat hij zich rechtstreeks mocht wenden tot de arbeidsrechtbank. De eisende partij meent aanspraak te kunnen maken op een opzeggingsvergoeding van drie maanden. De verwerende partij stelt dat de eisende partij niet voldeed omdat deze de voorkeur gaf aan het werken met machines en handwerk schuwde. Volgens de verwerende partij is de opzegging voldoende gemotiveerd. Zonodig biedt de verwerende partij het getuigenbewijs aan van de redenen voor het ontslag. De verwerende partij benadrukt dat de eisende partij, alvorens zich tot de rechtbank te wenden, eerst beroep moest instellen bij het bevoegde paritair leercomité. Ondergeschikt stelt de verwerende partij dat de eisende partij hoogstens aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding van 14 dagen, overeenstemmend met de verkorte termijnen in de bouw. Beoordeling 1. Er is geen betwisting dat de leerovereenkomst tussen partijen ressorteert onder de Wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen uitgeoefend door werknemers in loondienst. Krachtens artikel 37bis ,§1 van deze Wet kan de patroon een einde maken aan de leerovereenkomst bij aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de verzending. Op straffe van nietigheid dient de kennisgeving van de opzegging omstandig de motivatie van de leerovereenkomst te vermelden, meer bepaald de feiten op grond waarvan de partij die de overeenkomst opzegt van oordeel is dat de opleiding niet tot een goed einde kan worden gebracht en het niet zinvol is de uitvoering van de leerovereenkomst verder te zetten. De opzegbrief luidt als volgt: " Hierbij stellen wij U ter kennis dat wij een einde wensen te maken aan het lopend ABO-contract op 30.06.03 's avonds. Wij zijn tot die beslissing moeten komen omdat wij vaststellen dat ondanks onze inspanningen en deze van de werknemers dit contract niet tot een goed einde kon worden gebracht". Het is duidelijk dat deze motivering niet voldoet aan de omschrijving "omstandig" en "met opgave van de feiten" en de opzegging nietig is. Aangezien de opzeggingsbrief hieraan moet voldoen op straffe van nietigheid kan een latere motvering hieraan niets verhelpen en heeft ook een getuigenverhoor geen zin. 2. De verwerende partij stelt ten onrechte dat de eisende partij zich niet kon wenden tot de Arbeidsrechtbank aangezien hij niet eerst de beroepsprocedure heeft gevolgd bij het bevoegde paritair leercomité. Er is evenwel voor de eisende partij geen enkele verplichting om de beroepsprocedure te volgen nu vermeld artikel 37bis ,§2 stelt dat de meest gerede partij een beroep kan instellen bij het bevoegd leercomité, laat staan dat het niet instellen van een beroep een vordering bij de rechtbank niet mogelijk zou maken, hetgeen uit geen enkele wettekst blijkt. De bewoordingen op straffe van nietigheid, in het volgend lid van dit artikel, slaan enkel op de termijn van 15 dagen. Overigens was door het gebrek aan motivering van de opzegbrief een eventueel beroep door de eisende partij bij het paritair leercomité ook weinig adequaat. 3. Er rest dan nog de vraag of de eisende partij gerechtigd is op een vergoeding van drie maanden leervergoeding, zoals voorzien in artikel 38 van de vermelde Wet van 19 juli 1983, dan wel op een vergoeding van 14 dagen, gelet op de verkorte opzeggingstermijnen voor het Paritair Comité van het Bouwbedrijf. De Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 is niet van toepasselijk op de leerovereenkomst die wordt geregeld in een afzonderlijke wet (W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium Arbeidsrecht, 2003-2004, nr. 2005). De verkorte opzeggingstermijnen voor het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf zijn bepaald in het Koninklijk Besluit van 13 januari 1982 (B.S. 28 januari 1982) en dit in uitvoering van artikel 61 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978. De rechtbank is van oordeel dat deze verkorte opzegtermijnen niet van toepassing zijn in dit geschil nu de vermelde Wet van 19 juli 1983 een specifieke regeling voor leerlingen bepaalt inzake de opzeggingstermijnen en de Arbeidsovereenkomstenwet (met inbegrip van vermeld artikel 61) niet van toepassing is. Bovendien is vermeld Koninklijk Besluit van toepassing op de werkgevers en werklieden van het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf terwijl de eisende partij een leerling is die ressorteert onder het Paritair Leercomité voor het Bouwbedrijf (opgericht bij Ministerieel Besluit van 12 oktober 1999). 4. De vordering van de eisende partij is dan ook gegrond voor het gevorderde bedrag van 1.535,40 euro. Bij gebrek aan specifieke argumentatie zijn er geen redenen voorhanden om de voorlopige tenuitvoerlegging toe te staan. OP DEZE GRONDEN: de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, - wijst de meeromvattende en strijdige conclusies af; - laat de vordering toe; - verklaart de vordering gegrond; - veroordeelt de verwerende partij om te betalen aan de eisende partij het bedrag van duizend vijfhonderd vijfendertig euro en veertig cent (EUR 1.535,40), vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke interesten; - stelt vast dat bij ontstentenis van een omstandige opgave het bedrag van de tot op heden te vereffenen kosten van de verwerende partij niet kan worden bepaald; - bepaalt het bedrag van de tot op heden te vereffenen kosten van de eisende partij op 73,32 euro; - verwijst de verwerende partij in de kosten van het geding. Aanwezig: Luc HOEDAERT, voorzitter van de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; Olivier HERBERIGS, rechter in sociale zaken benoemd als werkgever; Erik VAN LAECKE, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider; Myriam DE BOCK, griffier. Van Laecke Herberigs De Bock Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050111.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.