← België

ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050208.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 08 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050208.3 Rolnummer: 22673II;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-17 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-01 02:19 Fiche Het is niet betwist dat de verwerende partij diverse inbreuken beging inzake de rij- en rusttij-den (o.a. miskenning van de E.E.G-Verordening nr. 3820/85 van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer) en hier-voor een boete opliep. Het feit alleen dat het gaat om een zware verkeersovertreding is niet voldoende om te beslui-ten tot de zware fout, die vereist is door artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978. Het feit dat de verwerende partij het ontslag om dringende reden, o.a. op deze overtreding gebaseerd, niet aanvocht in rechte (wel in briefwisseling) is evenmin doorslaggevend. Het is weliswaar niet bewezen dat de verwerende partij bij het overschrijden van de rij- en rusttijden handelde in formele opdracht van de eisende partij maar het kan niet ontkend wor-den dat de eisende partij door de gegevens van de black box en tachograafschijven ruime tijd voor de vastgestelde inbreuken op 14 januari 2000 op de hoogte was, minstens moest zijn, van de handelwijze van de verwerende partij. De overtredingen, waarvoor de verwerende partij werd geverbaliseerd, waren ook niet één-malig maar gebaseerd op een globale berekening van de overschrijdingen voor januari 2000. Indien op zich de inbreuken van de verwerende partij als een zware fout dienen te worden aangemerkt, aangezien de overschrijding van de rijtijden de veiligheid ernstig in het gedrang brengt en verantwoordelijk is voor vele zware ongevallen, dan is de eisende partij slecht ge-roepen om haar verhaal uit te oefenen omdat zij minstens door haar stilzwijgen de verkeerde indruk heeft gewekt dat de verwerende partij niets verkeerd deed (zo lang hij maar niet werd geverbaliseerd). De eisende partij, die perfect op de hoogte was, minstens kon zijn, had de verwerende partij, zeker tijdens de eerste weken van zijn tewerkstelling, moeten controleren en moeten waar-schuwen dat zij niet was gediend met dergelijke overtredingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan in deze concrete omstandigheden geen toepassing worden gemaakt van artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN Aansprakelijkheid werknemer Inbreuk op rij- en rusttijden. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 18 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 22.673/II. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, tweede kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van dinsdag acht februari Verminderd tweeduizend en vijf Griffierecht IN DE ZAAK: S. T., naamloze vennootschap, waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te, ingeschreven in het voormalig handelsregister te O. onder het nummer, eisende partij, verwerende partij op tegenvordering, vertegenwoordigd door Mr. T. Wittebroodt namens Mr. J. Vander Schelden, advocaten te Oudenaarde, tegen V. M., voorheen genaamd A. B., wonende te, voorheen wonende te , verwerende partij, eisende partij op tegenvordering, vertegenwoordigd door Mr. J. Thomas, advocaat te Brakel. De artikelen 2, 30, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De verwerende partij werd regelmatig gedagvaard bij exploot hem betekend op 26 januari 2001 door de gerechtsdeurwaarder J.-F. Marbaix, plaatsvervangend gerechts-deurwaarder van Y. Debetencourt. De eisende partij verzocht bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 8 juni 2004, de rechtsdag te bepalen met toepassing van het artikel 750 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtsdag werd bepaald op 11 januari 2005. De door artikel 750 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven formaliteiten werden nageleefd. Tijdens de terechtzitting van 11 januari 2005 werd tevergeefs een poging tot minnelijke schikking aangewend. De rechtbank heeft de partijen gehoord; de conclusies van partijen en de stukken van het dossier werden ingezien. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 4 april 2001 heeft de verwerende partij een tegenvordering ingesteld. De vordering strekt ertoe: 1° de verwerende partij te doen veroordelen om aan de eisende partij te betalen:

  1. a)een bedrag van 27.700 Franse frank of 4.222,84 euro voor een boete betreffende het niet respecteren van de rij- en rusttijden;
  2. b)de wettelijke verwijlinteresten vanaf 14 januari 2000 en de gerechtelijke interesten; 2° de verwerende partij in de kosten van het geding te doen verwijzen; 3° de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden. De tegenvordering strekt ertoe de oorspronkelijke eisende partij te doen veroordelen om aan de oorspronkelijke verwerende partij te betalen een bedrag van 2.145,36 euro voor achterstallig loon, minstens als schadevergoeding, meer de wettelijke, desgevallend vergoedende, interesten en de gerechtelijke interesten. De feiten De verwerende partij was in dienst van de eisende partij als chauffeur vanaf 13 december 1999 krachtens een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Bij aangetekend schrijven dd. 27 januari 2000 werd de verwerende partij ontslagen wegens dringende reden o.a. omwille van de opgelopen boete in D. op 14 januari 2000 wegens het niet respecteren van de rij- en rusttijden. Bij schrijven dd. 24 februari 2000 werd de verwerende partij in gebreke gesteld in betaling van de geldboete van 27.700 Franse frank. Bij schrijven dd. 13 maart 2000 betwistte de verwerende partij dat hij verantwoordelijk zou zijn voor de boete omdat hij steeds de instructies had gevolgd en vroeg tevens om achterstallig loon. Bij schrijven dd. 20 maart 2000 stelde de raadsman van de eisende partij dat de verwerende partij op eigen initiatief de rij- en rusttijden niet had gerespecteerd. Bij schrijven dd. 3 april 2000 wees de verwerende partij nogmaals elke verantwoordelijkheid af voor de boete. Bij schrijven dd. 22 mei 2000 bleef ook de eisende partij op haar standpunt dat alleen de verwerende partij verantwoordelijk was voor de opgelopen boete. Standpunt van partijen. De eisende partij stelt dat de verwerende partij bij de aanwerving (o.a. via het arbeidsreglement) was gewaarschuwd dat hij de rij- en rusttijden diende te respecteren. De eisende partij wijst erop dat de verwerende partij op 14 januari 2000 een zeer zware boete opliep wegens het niet respecteren van de rij- en rusttijden en hij deze dient terug te betalen in toepassing van artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet. De eisende partij benadrukt dat de verwerende partij o.a. hierom werd ontslagen wegens dringende reden en zijn ontslag niet heeft betwist. De eisende partij betwist ten stelligste dat zij de verwerende partij instructies gaf om zoveel mogelijk te rijden. De eisende partij betwist de loonvordering van de verwerende partij, die volgens haar verjaard is, minstens niet duidelijk is. De verwerende partij stelt dat het begaan van een zware verkeersovertreding niet kan worden gelijkgesteld met een zware fout in de zin van artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Ook het niet in rechte betwisten van de dringende reden is geen argument volgens de verwerende partij. De verwerende partij stelt dat hij steeds de richtlijnen van de verantwoordelijke van het bedrijf heeft opgevolgd en geen opmerkingen kreeg bij de overschrijding van de rijtijden, hetgeen nochtans bleek uit de gegevens van de black box. De verwerende partij stelt dat de eisende partij de overtredingen liet begaan zo lang het voor het bedrijf maar winst opleverde. Bij tegenvordering vraagt de verwerende partij, op basis van de gegevens van de black box, achterstallig loon voor een bedrag van 2.145,36 euro, minstens, wanneer de contractuele vordering is verjaard, een overeenstemmende schadevergoeding. Beoordeling. A. De vordering: Het is niet betwist dat de verwerende partij diverse inbreuken beging inzake de rij- en rusttijden (o.a. miskenning van de E.E.G- Verordening nr. 3820/85 van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer) en hiervoor een boete opliep van in totaal 27.700 Franse frank. Het feit alleen dat het gaat om een zware verkeersovertreding is niet voldoende om te besluiten tot de zware fout, die vereist is door artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978. Het feit dat de verwerende partij het ontslag om dringende reden, o.a. op deze overtreding gebaseerd, niet aanvocht in rechte (wel in briefwisseling) is evenmin doorslaggevend. Het is weliswaar niet bewezen dat de verwerende partij bij het overschrijden van de rij- en rusttijden handelde in formele opdracht van de eisende partij maar het kan niet ontkend worden dat de eisende partij door de gegevens van de black box en tachograafschijven ruime tijd voor de vastgestelde inbreuken op 14 januari 2000 op de hoogte was, minstens moest zijn, van de handelwijze van de verwerende partij. Volgens de niet betwiste gegevens van de black box reed de verwerende partij bv. op 15 december 13.35 uur, op 16 december 11.40 uur, op 20 en 21 december ruim 10 uur, op 28 december 14.29 uur, op 29 december 12.40 uur.... De overtredingen, waarvoor de verwerende partij werd geverbaliseerd, waren ook niet éénmalig maar gebaseerd op een globale berekening van de overschrijdingen voor januari 2000. Indien op zich de inbreuken van de verwerende partij als een zware fout dienen te worden aangemerkt, aangezien de overschrijding van de rijtijden de veiligheid ernstig in het gedrang brengt en verantwoordelijk is voor vele zware ongevallen, dan is de eisende partij slecht geroepen om haar verhaal uit te oefenen omdat zij minstens door haar stilzwijgen de verkeerde indruk heeft gewekt dat de verwerende partij niets verkeerd deed (zo lang hij maar niet werd geverbaliseerd). De eisende partij, die perfect op de hoogte was, minstens kon zijn, had de verwerende partij, zeker tijdens de eerste weken van zijn tewerkstelling, moeten controleren en moeten waarschuwen dat zij niet was gediend met dergelijke overtredingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan in deze concrete omstandigheden geen toepassing worden gemaakt van artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet en is de hoofdvordering ongegrond. B. De tegenvordering Terecht stelt de eisende partij, verwerende partij op tegenvordering, dat de tegeneis ex contractu is verjaard, in toepassing van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, nu deze pas werd geformuleerd in de conclusie dd. 4 april 2001. Ondergeschikt heeft de verwerende partij, eisende partij op tegenvordering, zijn vordering ook ex delicto geformuleerd, waarbij de verjaringstermijn vijf jaar is en deze termijn is niet bereikt. De eisende partij, verwerende partij op tegenvordering, formuleert geen concrete opmerkingen nopens deze rechtsgrond. De eisende partij, verwerende partij op tegenvordering, stelt dat er geen rekening werd gehouden met de betalingen in januari 2000 doch blijft in gebreke andere betalingen te bewijzen dat de verwerende partij, eisende partij op tegenvordering, in mindering brengt. Tenslotte stelt de eisende partij, verwerende partij op tegenvordering, dat bewijsmateriaal door de tijd is verloren gegaan. De zeer gedetailleerde berekeningswijze van de verwerende partij, eisende partij op tegenvordering, is gebaseerd op de door de eisende partij, verwerende partij op tegenvordering, meegedeelde gegevens van de black box. Overigens werd de tegenvordering al gesteld in de conclusie dd. 4 april 2001 van de verwerende partij, eisende partij op tegenvordering. Bij gebrek aan een concrete betwisting door de eisende partij, verwerende partij op tegenvordering, van de gemotiveerde berekening van de verwerende partij, eisende partij op tegenvordering, is de tegenvordering gegrond voor de gevorderde schadevergoeding. OP DEZE GRONDEN: de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, - wijst de meeromvattende en strijdige conclusies af; - laat de vordering en de tegenvordering toe; - verklaart de vordering ongegrond; - verklaart de tegenvordering gegrond en veroordeelt de eisende partij, verwerende partij op tegenvordering, tot een schadevergoeding van 2.145,36 euro meer de vergoedende interesten vanaf 15 januari 2000 en de gerechtelijke interesten; - bepaalt het bedrag van de tot op heden te vereffenen kosten x van de eisende partij, verwerende partij op tegenvordering: 336,23 euro; x van de verwerende partij, eisende partij op tegenvordering: 209,71 euro, zoals gevorderd; - verwijst de eisende partij, verwerende partij op tegenvordering, in de kosten van het geding. Aanwezig: Luc HOEDAERT, voorzitter van de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; Olivier HERBERIGS, rechter in sociale zaken benoemd als werkgever; Erik VAN LAECKE, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider; Myriam DE BOCK, griffier. Van Laecke Herberigs De Bock Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050208.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.